Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/3.8.4
3.8.4 Het oneerlijkheidsonderzoek: het tweede stadium
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS493621:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Rb. Amsterdam 12 november 2003, LJN AN7990, r.o. 14.2 (onder k), waarover kritisch Eisma, JOR 2004/14, r.o. 5-6; Ktr. Leiden 10 mei 2006, LJN AY8645 (onder a); Hof 's-Hertogenbosch 9 januari 2007, LJN AZ5890, r.o. 4.10.3 (onder g); Ktr. Oud-Beijerland 17 september 2007, LJN BB4624 (onder k).
Vgl. Snijders 2008, p. 550-551 m.b.t. een exoneratiebeding.
Zie ook Ktr. Eindhoven 8 oktober 2009, LJN BK0383 (strijd met dwingend recht).
Ktr. 's-Hertogenbosch 17 december 2009, LJN BK8204 (onder g); Ktr. Rotterdam 18 juni 2010, LJN BN5171 (onder b).
Kanttekening verdient dat wanneer de rechter in het eindvonnis o.g.v. tijdens de zitting (niet) gebleken omstandigheden tot de onredelijk bezwarendheid van een beding concludeert, soms onduidelijk is ofpartijen de mogelijkheid hebben gehad om tijdens die comparitie op de vermeende onredelijk bezwarendheid van het beding in te gaan: Ktr. Heerlen 8 oktober 2008, LJN BG4338.
Op deze manier wordt het verbod op ambtshalve matiging overigens handig omzeild.
Ktr. Maastricht 19 augustus 2009, LJN BJ8252.
Ktr. Sittard-Geleen 4 november 2009, LJN BK3453, r.o. 3.2.2.
Ktr. Leeuwarden 7 mei 2004, LJN A09738, r.o. 6.2; Ktr. Zaandam 26 juli 2007, LJN BB0005.
Hof 's-Hertogenbosch 9 januari 2007, LJN AZ5890, r.o. 4.11.2: 'Het hof zal om (...) genoemde redenen (er is geen beroep op de vernietiging van het beding gedaan en de beschermingsdoelstelling van de richtlijn vereist dat de rechter ambtshalve toetst ā CMDSP) allereerst ambtshalve de vraag beantwoorden of artikel J.2 van de algemene voorwaarden als onredelijk bezwarend buiten toepassing moet worden gelaten. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend.'
Hof 's-Hertogenbosch 9 januari 2007, LJN AZ5890, r.o. 4.11.3.
Ktr. Rotterdam 28 maart 2008, LJN BC8047, r.o. 4.4.
Zie in het eerste geval Hof 's-Hertogenbosch 23 augustus 2001 en Hof 's-Hertogenbosch 20 december 2001, NJ 2002/486. Het is in een dergelijk geval echter de vraag of de gebruiker extra gelegenheid moet worden geboden om het vermoeden te weerleggen: de tegenpartij moet m.i. de vertaalslag zelf kunnen maken. Vgl. Ktr. Haarlem 7 februari 2007, LJN AZ8091.
Ktr. Rotterdam 12 juli 2007, LJN BB4245; Rb. Maastricht 26 september 2007, LJN BB5760; Ktr. Maastricht 25 maart 2009, LJN BH9136; Ktr. Maastricht 6 mei 2009, LJN BI3634.
Ktr. Assen 12 februari 2008, LJN BC4373: 'De kantonrechter stelt met eiseres vast dat het boetebeding als zodanig niet voorkomt op de grijze of zwarte lijst (artikel 6:236 en 237 BW), zodat toetsing van de vernietigbaarheid van het onderhavige boetebeding dient plaats te vinden via de open norm van artikel 6:233 sub a BW'
Dat in cijfers uitgedrukt een wanverhouding tussen de wanprestatie en de schadevergoeding bestaat, is hierbij slechts een omstandigheid. Overige mee te wegen omstandigheden zijn o.m. de kenbare belangen van partijen, de strekking van het boetebeding en de rechterlijke matigingsbevoegdheid van art. 6:94. Zie noten Snijders resp. Wissink onder HR 24 maart 2006, LJN AV1706; resp. NJ 2007/115 en ERCL 2007/3, p. 362; Schelhaas 2006, p. 253. Wanneer deze bevoegdheid in acht wordt genomen kan een beding mogelijk minder snel als onredelijk bezwarend worden beschouwd. De matigingsbevoegdheid interfereert in deze met de OcƩanogedachte: Schelhaas 2006, p. 254.
Ktr. Heerlen 15 oktober 2008, LJN BG1315; Ktr. Maastricht 6 mei 2009, LJN B13634.
Ktr. Rotterdam 12 juli 2007, LJN BB4245, r.o. 4.6.
Ktr. Meppel 12 april 2007, LJN BA2859, r.o. 6: 'Bij ambtshalve toetsing van het beding kom ik vooralsnog tot de conclusie dat het beding wellicht als onredelijk bezwarend dient te worden aangemerkt omdat aan gedaagde geheel en onvoorwaardelijk het recht op levering wordt ontnomen van de leesmappen waarvoor betaling wordt gevorderd (...):
Zie bijv. Rb. Amsterdam 12 november 2003, LJN AN7990 over de strekking van art. 6:236 onder k.
Ktr. Rotterdam 12 juli 2007, LJN BB4245, r.o. 4.7.
Ktr. Rotterdam 2 augustus 2007, LJN BB6555; Ktr. Arnhem 27 april 2009, LJN BJ1729.
Hof 's-Hertogenbosch 23 augustus 2001 en Hof 's-Hertogenbosch 20 december 2001, NJ 2002/486; Ktr. Assen 12 februari 2008, LJN BC4373: de gedachte achter (en het belang van de gebruiker bij) het beding (het aansporen van de gedaagde om de creditcard te retourneren en het voorkomen van onrechtmatig gebruik) en het boetebedrag van E 23 waren omstandigheden die zich tegen de onredelijk bezwarendheid van het beding keerden maar het ontbreken van een limiet en van een redelijke verhouding tot de hoofdvordering gaf de doorslag. Zie ook Ktr. Haarlem 13 mei 2009, LJN B15919; Rb. Utrecht 27 januari 2010, LJN BL0870. Opvallend bij boetebedingen is dat via de omweg van de ambtshalve toetsing aan art. 6:233 onder a ook ambtshalve wordt 'gematigd' o.g.v. art. 6:248 lid 2 (het beding is dan niet vernietigbaar): Rb. Maastricht 26 september 2007, LJN BB5760; Rb. Amsterdam 10 september 2008, LJN BH2370 en BH2371. Ook de keuze het beding te converteren leidt de facto vaak tot matiging: Ktr. Zaandam 12 juni 2008, LJN BD4035.
Ktr. Heerlen 15 oktober 2008, LJN BG1315; Ktr. Maastricht 6 mei 2009, LJN BI3634.
Daar de richtlijn van minimum harmonisatie uitgaat, is het grijs of zelf zwart kleuren van de lijst toegestaan. De Nederlandse wetgever heeft hier echter niet voor gekozen.
Ktr. Rotterdam 2 augustus 2007, LJN BB6555 (waarin voorbij wordt gegaan aan het peilmoment).
Ktr. Haarlem 13 mei 2009, LJN B15919: 'ICS verklaart echter zelf dat zij de creditcard kan blokkeren en dat de creditcard daarna slechts tot een bepaald bedrag kan worden gebruikt.' Er zit een grens aan de maximale schade terwijl het boetebeding niet is begrensd.
Ktr. Arnhem 27 april 2009, LJN BJ1729.
Hoewel voor conversie in een geldig beding geen ruimte bestaat (MvA H Inv., Parl. gesch. Boek 6 (fnv. 3, 5 en 6), p. 1588), vindt zij soms wel plaats in het licht van art. 6:237 onder k jo. art. 236 onder j: Ktr. Gouda 8 maart 2007, LJN BB2184 en Ktr. Maastricht 25 maart 2009, LJN BH9136. Het deel van de vordering m.b.t. de prestatie na de beƫindiging dient echter te worden afgewezen volgens Van der Heiden 2009, p. 335. In Ktr. Zaandam 31 juli 2008, LJN BD8177 en 12 juni 2008, LJN BD4035 wordt een middenweg gekozen (twee maanden).
Ktr. Rotterdam 12 juli 2007, LJN BB4245; Rb. Maastricht 26 september 2007, LJN BB5760; Ktr. Maastricht 25 maart 2009, LJN BH9136; Ktr. Maastricht 6 mei 2009, LJN B13634.
Ktr. Assen 12 februari 2008, LJN BC4373, r.o. 2.6.
Ktr. Arnhem 27 april 2009, LJN BJ1729.
Ktr. Haarlem 7 oktober 2009, LJN BK0735 (de consument had een gratis telefoon gekregen, waardoor het boetebeding werd gecompenseerd en dus gerechtvaardigd was).
Ktr. Heerlen 25 juni 2008, LJN BD6924, r.o. 2.2-2.5.
Vgl. de stroomlijning van de ambtshalve toetsing van boetebedingen in het rapport van de LOVCK-werkgroep.
Zie bijv. Ktr. Rotterdam 12 juli 2007, LJN BB4245.
Rb. Zutphen 27 mei 2009, LJN BI7904, r.o. 5.15.
161. In het tweede stadium heeft de rechter besloten om over te gaan tot de toetsing van het beding. De vraag is nu, in lijn met het centrale onderwerp van dit onderzoek, hoe hij invulling geeft aan die toetsing. Is bij de rechter slechts een vermoeden van onredelijk bezwarendheid aangewakkerd of is hij al overtuigd van het onredelijk bezwarend karakter van het beding? In hoeverre is de ambtshalve toetsende rechter afhankelijk van nadere, door partijen aan te dragen feiten om de toets te kunnen uitoefenen? In onderstaand schema is het verloop van het tweede stadium van de ambtshalve toetsing in de Nederlandse rechtspraktijk in beeld gebracht. Wat in de onderzochte rechtspraak opvalt, is dat de rechter die overgaat tot de toetsing het bijltje er niet bij neergooit wanneer hij over te weinig feiten beschikt.
Diagram 3.2
162. Het beding wordt in sommige gevallen meteen ā zonder dat partijen om een reactie wordt gevraagd ā als onredelijk bezwarend aangemerkt. De rechter is tijdens het eerste stadium, op grond van de hem beschikbare feiten, direct overtuigd geraakt van de onredelijk bezwarendheid van het beding. Dit gebeurt meestal bij bedingen uit de zwarte lijst.1 Bij andere typen bedingen zou verwacht kunnen worden dat een rechter minder snel overtuigd zou zijn van hun onredelijk bezwarendheid. Bij grijze lijstbedingen en bij bedingen die slechts aan de open norm (in combinatie met de Europese lijst) kunnen worden getoetst geldt dat de omstandigheden van het geval een rol spelen.2 In de praktijk blijkt dan ook: hoe donkerder het beding in het geding, hoe sneller de ambtshalve toets wordt afgesloten.3
De 'directe' vaststelling van de onredelijk bezwarendheid geschiedt echter niet slechts bij bedingen die voorkomen op de zwarte lijst maar ook bij grijze4 en zelfs bij bedingen uit de Europese lijst. 5 De rechter beschikt dan over voldoende feiten om het beding als onredelijk bezwarend aan te merken. Boetebedingen (onder e Europese lijst) zijn regelmatig zonder omhaal ambtshalve uitgeschakeld.6 In het ene geval werd het beding 'vernietigd, althans buiten toepassing gelaten' omdat niet was gebleken of gesteld dat de schadevergoeding, bestaande uit de betaling van de resterende vaste abonnementskosten, werd gerechtvaardigd door door de aanbieder te leveren diensten of door een 'gratis' mobieltje met een bepaalde waarde.7 In het andere geval week het boeterentebeding, zonder deugdelijke motivering, dusdanig af van de wettelijke rente dat het 'als zijnde onredelijk bezwarend nietig (moest) worden verklaard' .8 Wat ook voorkomt bij het direct, zonder terugkoppeling naar de partijen, uitschakelen van een beding, is dat de rechter naar een eerdere uitspraak verwijst waarin een soortgelijk beding als onredelijk bezwarend is aangemerkt.9 Wat bij de rechtstreekse vaststelling van de onredelijk bezwarendheid opvalt, is dat de toets zeer abstract is naar het aantal meegewogen omstandigheden.
163. Andersom komt de rechter soms ook direct tot het oordeel dat het beding niet onredelijk bezwarend is, zonder de medewerking van partijen in te roepen. In Hof 's-Hertogenbosch 9 januari 2007 werd een beding ambtshalve getoetst dat bepaalde dat in geval van terechte reclames de handelaar slechts gehouden kon worden tot herstel van de gebreken, en niet tot het betalen van een schadevergoeding.10 Gevorderd werd schadevergoeding in plaats van nakoming. Het gegeven dat het beding niet op de lijsten voorkwam en door de wet werd toegestaan, een a contrario-redenering, leidde ertoe dat het beding de onredelijk bezwarendheidstoets doorstond. De rechter overwoog echter dat 'indien sprake zou zijn van een weigering van de gebruiker om geconstateerde gebreken te herstellen het beroep op (het beding) (...) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (moet) worden geacht' .11 In Ktr. Rotterdam 28 maart 2008 trok de ambtshalve toetsende rechter op grond van art. 6:237 onder 1 en de hem beschikbare feiten ā de gestelde omstandigheden ten tijde van de contractssluiting ā de conclusie dat de opzegtermijn niet onredelijk bezwarend was.12 De rechter zag geen noodzaak om de zaak naar de partijen terug te verwijzen want de redelijkheid en billijkheid boden in dit geval uitkomst: 'gegeven' postcontractuele omstandigheden ā de termijn was slechts met twee dagen overschreden ā maakten een beroep op het beding onaanvaardbaar. Naar ik meen zou de rechter, gelet op de beschermingsdoelstelling van de richtlijn, heel voorzichtig moeten zijn met het ambtshalve concluderen dat een beding niet onredelijk bezwarend is zonder eerst de partijen te raadplegen.
164. Of de rechter het verweer van de consument slechts vertaalt naar een beroep op vernietiging of ambtshalve de vernietigingsgrond uit art. 6:233 onder a aankaart, de bal wordt regelmatig eerst teruggekaatst naar de gebruiker van het te toetsen beding.13 Wat is (of zijn) de reden(en) hiervoor? Ontbreekt het de rechter aan de voor de afronding van de toets nodige feiten en/of gaat het hem primair om het beginsel van hoor en wederhoor?
Boetebedingen (in mobiele telefoonabonnementen en creditcardovereenkomsten) worden vaak ambtshalve getoetst. Omdat deze bedingen niet op de Nederlandse lijsten staan zoekt de rechter zijn toevlucht bij onder e en o Europese lijst.14 De grondslag van de toets blijft echter art. 6:233 onder a.15 De toetsing van boetebedingen vormt in beginsel een concrete toetsing, naar de hoeveelheid mee te wegen omstandigheden en de rol van de omstandigheden van het specifieke geval.16 Het is denkbaar dat het terugverwijzen naar de partijen de rechter aan 'noodzakelijke gegevens' met betrekking tot de (on)redelijkheid van het beding moet helpen en tegelijkertijd een verrassingsbeslissing voorkomt.
Geeft de manier waarop wordt terugverwezen aan waar het de rechter om te doen is? De onderbouwing van de keuze om de partijen aan het woord te laten (schriftelijk, door middel van aktes of mondeling, in het kader van een comparitie) stoelt op twee typen overwegingen:
Overwegingen ten aanzien van de concreetheid van de toets:
`Of daadwerkelijk sprake is van een onredelijk bezwarend beding, dient te worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval.'17
Overwegingen ten aanzien van de grenzen van de rechtsstrijd en het risico van een ongeoorloofde verrassingsuitspraak:
`Teneinde rechterlijke verrassingen te voorkomen, komt het geraden voor dat Orange zich eveneens uitlaat over de overwegingen ten aanzien van het Europese recht.'18
Het gegeven dat het om een zwart beding gaat, leidt niet altijd tot de directe conclusie dat het beding onredelijk bezwarend is. De rechter kiest er ook bij zwarte bedingen soms voor om de bal naar de partijen terug te spelen en slechts een vermoeden uit te spreken.19 Het beschermingsdoel van de richtlijn wordt op deze manier bereikt met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor. Dit lijkt mij een zorgvuldige gang van zaken, gelet op het feit dat over het zwarte karakter van een beding discussie kan ontstaan.20
165. Hoe verloopt de toetsing 'met medewerking van partijen'? In veel gevallen laat de rechter eerst de gebruiker aan het woord, waarna de consument de mogelijkheid krijgt op deze nadere stellingen te reageren.21 Wat gebeurt er wanneer de gebruiker het vermoeden van onredelijk bezwarendheid niet of onvoldoende heeft weerlegd? De rechter acht het vermoeden dan bevestigd en zet het beding buitenspel.22 In veel gevallen konden de door de gebruiker van een boetebeding aangedragen feiten de vernietiging hiervan niet voorkomen.23 De rechter is in deze zaken, waarin hij de concreetheid van de toets vaak onderstreept,24 slechts geĆÆnteresseerd in omstandigheden die wijzen op de redelijkheid van het beding. Hij beschikt al over voldoende informatie die op de onredelijkheid ervan wijst. De rechter maakt van het beding als het ware een grijs beding.25
In beginsel dient de consument omstandigheden te stellen ten behoeve van de vernietigbaarheid van een beding, dat aan de open norm van art. 6:233 onder a moet worden getoetst. Dat wordt bij het terugspelen van de bal naar de partijen zelden van hem verwacht. De informatie die op de onredelijkheid van het beding wijst heeft de rechter zelf verzameld. Hij maakt hierbij gebruik van de eerder door de (in rechte verschenen) consument gestelde feiten26 en van de nadere stellingen van gebruiker.27 Hij volstaat vaak met omstandigheden betreffende de inhoud van het beding of de overeenkomst (de balans tussen plichten)28 en de normatieve werking van de wet (in het bijzonder de Nederlandse en de Europese lijsten) ā bijvoorbeeld de met het oog op art. 6:236 onder j jo. art. 6:237 onder k en 1 toegestane 'resterende looptijd' van het contract,29 de overeenstemming met onder e en o Europese lijst30 of het ontbreken van een limiet 31 Deze objectieve omstandigheden zijn, wanneer de gebruiker geen (overtuigend) tegenbewijs aanvoert, toereikend om de toets in het voordeel van de consument af te sluiten.32
166. Soms acht de rechter na de raadpleging van partijen het 'vermoeden' wel degelijk weerlegd.33 Dit komt echter minder vaak voor dan de omgekeerde toetsingsuitkomst. Wat gebeurt er nadat de gebruiker het vermoeden van onredelijk bezwarendheid voldoende heeft weerlegd? De consument krijgt de kans om op de nadere stellingen te reageren zodat de rechter een afweging kan maken. In Ktr. Heerlen 25 juni 2008 heeft de consument echter niet meer gereageerd op de akte van Vodafone, waarin het bedrijf een overtuigend argument had aangedragen ten behoeve van de redelijkheid van het boetebeding. Als gevolg van de voortijdige, aan gedaagde te wijten, ontbinding van de overeenkomst, stelde Vodafone haar investeringen ā het verschaffen van een telefoontoestel ā niet volledig te kunnen terugverdienen.34 Deze toetsing werd afgesloten in het nadeel van de consument.
167. Samenvattend gaat de rechter in het tweede stadium op zeer praktische wijze om met zijn verplichting tot ambtshalve toetsing.35 De besproken jurisprudentie geeft een indicatie van wat de Nederlandse rechter als voor de toetsing 'noodzakelijke' informatie beschouwt. Soms wordt het beding direct buitenspel gezet, soms worden de partijen om een reactie verzocht. In dat laatste geval neemt de rechter, ook wanneer geen sprake is van een zwart of grijs beding maar bijvoorbeeld van een beding op de Europese lijst, doorgaans op voorhand aan dat het beding onredelijk bezwarend is. Niettemin biedt hij de gebruiker de mogelijkheid dit 'vermoeden' te weerleggen. De rechter is vooral geĆÆnteresseerd in aanvullende omstandigheden ten behoeve van de redelijkheid van het beding. Hij ontleent omstandigheden ter ondersteuning van de onredelijk bezwarendheid van het beding aan de wet (de lijsten), de richtlijn en de overeenkomst of het beding zelf. Soms levert het verweer van de consument ā wanneer deze is komen opdagen ā of de reactie van de gebruiker ook nog bruikbare informatie op. Ook het mijden van een verrassingsbeslissing speelt bij de terugverwijzing een ro1.36 De rechter wenst in de meeste gevallen het partijdebat uit te breiden alvorens de toetsing af te sluiten.37 De consument wordt echter niet de dupe van de weigering van de gebruiker om mee te werken. Werkt deze niet mee dan wordt het beding alsnog uitgeschakeld, zonder dat de consument nadere feiten ten behoeve van de onredelijkheid van het beding hoeft aan te dragen. Deze wijze van ambtshalve toetsen aan de open norm toont gelijkenis met de toetsing aan de grijze lijst.