Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.7.9:10.4.7.9 Vervreemding aan een (niet-verbonden) natuurlijke persoon?
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.7.9
10.4.7.9 Vervreemding aan een (niet-verbonden) natuurlijke persoon?
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491414:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Van Scheijndel & De Vries, WFR 1999/1673, onderdeel 4.1. Art. 10a, lid 5, Wet VPB 1969 bevat twee definities van ‘verbonden natuurlijke persoon’. Het was mogelijk geweest om bij één van deze definities aan te sluiten.
Vgl. ook Van den Brande-Boomsluiter 2004, onderdeel 4.9.4.5, p. 166. Volgens haar lijkt hier sprake van een omissie.
Zie ook onderdeel 10.4.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het onzakelijkheidsvermoeden geldt niet wanneer aandelen in één of meer splitsingspartners worden vervreemd aan een (niet-verbonden) natuurlijke persoon.1 De wetgever heeft dit niet gemotiveerd. Vanuit antimisbruikperspectief ligt deze keuze niet voor de hand.2 Het oneigenlijk gebruik dat de wetgever wenst tegen te gaan, kan zich immers ook voordoen bij een vervreemding van bedoelde aandelen aan een (niet-verbonden) natuurlijke persoon. Het is van belang te onderkennen dat een inspecteur, ondanks de formulering van het onzakelijkheidsvermoeden, een verkoop van aandelen aan een (niet-verbonden) natuurlijk persoon in de periode na de splitsing kan bestrijden met de antimisbruikbepaling. De inspecteur kan dan echter geen gebruik maken van het onzakelijkheidsvermoeden, maar dient ‘op eigen kracht’ aannemelijk te maken dat de splitsing niet op grond van zakelijke overwegingen plaatsvindt. Beseft moet worden dat het onzakelijkheidsvermoeden in feite slechts relevant is voor de bewijslastverdeling. Het gaat in alle gevallen uiteindelijk over de hoofdtoets, dus over de vraag of de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.3