Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/13.2.2.3
13.2.2.3 KBV 2002: Durchgriffshaftung vanwege misbruik
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS407997:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
BGH 24 juni 2002, II ZR 300/00 (KBV).
BGH 24 juni 2002, II ZR 300/00 (KBV), r.o. 2.
§ 13 lid 2 GmbHG bepaalt: “Für die Verbindlichkeiten der Gesellschaft haftet den Gläubigern derselben nur das Gesellschaftsvermögen.”
Zie over het gebruik van het diffuse begrip ‘Durchgriffshaftung’ in de Duitse rechtspraak en literatuur: Grigoleit 2006, p. 221-228.
BGH 24 juni 2002, II ZR 300/00 (KBV), p. 1.
Het BGH overwoog: “[D]ie Gesellschaftsgläubiger [sind] deshalb außerhalb des Insolvenzverfahrens grundsätzlich berechtigt, ihre Forderungen unmittelbar gegen die an den Eingriffen in das Gesellschaftsvermögen mitwirkenden Gesellschafter geltend zu machen, soweit sie von der Gesellschaft keine Befriedigung erlangen können.”
Zie Lutter & Banerja 2003, Wiedemann 2003 en Hoffman 2002.
Zo werd gevreesd door Vetter. (Vetter 2005, p. 815).
Lutter & Banerja 2003, p. 432.
Een jaar na de Bremer Vulkan-uitspraak verschafte het BGH meer duidelijkheid over de dogmatische grondslag van de aansprakelijkheid vanwege Existenzvernichtung. In de KBV-zaak hadden de twee aandeelhouders en tevens bestuurders van K-GmbH besloten haar onderneming voort te zetten in een andere vennootschap.1 In dat kader werd al het actief – dat een waarde had van 1.205.000 DM – van K-GmbH aan een andere (Auffang-)GmbH overgedragen Deze vennootschap had dezelfde aandeelhouders als K-GmbH en zette de onderneming voort. Als tegenprestatie nam de Auffang-GmbH een deel van de verplichtingen van K-GmbH over (ter waarde van 823.000 DM); echter niet de verplichting jegens de eiseres in deze zaak. Enige tijd later werd het faillissement van K-GmbH aangevraagd en al snel bij gebrek aan baten opgeheven. Eiseres sprak als crediteur van K-GmbH de twee aandeelhouders aan voor haar onbetaald gebleven vordering, nu deze door de herstructurering haar verhaal illusoir zouden hebben gemaakt.
Het BGH stelde voorop dat het verbod op existenzvernichtenden Eingriff niet gegrond was op de gedachte dat een GmbH recht had op haar eigen voortbestaan. Het stond de aandeelhouders te allen tijde vrij de door de GmbH gedreven onderneming te beëindigen of over te dragen en de vennootschap te liquideren.
“Das System der auf das Gesellschaftsvermögen beschränkten Haftung beruht auf der unausgesprochenen, für das Recht der Kapitalgesellschaften jedoch grundlegenden Voraussetzung, daß das Gesellschaftsvermögen, das zur Erfüllung der im Namen der Gesellschaft eingegangenen Verbindlichkeiten benötigt wird, in der Gesellschaft zum Zwecke der Befriedigung ihrer Gläubiger verbleiben muß und damit der […] Dispositionsbefugnis der Gesellschafter entzogen ist. Die GmbH hat zwar keinen Anspruch gegen ihre Gesellschafter auf Gewährleistung ihres Bestandes. Sie können die Existenz der Gesellschaft im Grundsatz jederzeit […] beenden.”2 (Onderstr. JB)
Als de aandeelhouders besloten de vennootschap te liquideren, waren zij gehouden de in de Insolvenzordnung en het GmbH-Gesetz vervatte regels ter zake van faillissement en liquidatie in acht te nemen, die waarborgen dat het vermogen van de vennootschap wordt aangewend ter voldoening van haar crediteuren. In geen geval was het de aandeelhouders toegestaan vermogen aan de vennootschap te onttrekken dat zij nodig had om de verplichtingen jegens haar crediteuren te voldoen. Slechts hetgeen resteerde na voldoening van alle crediteuren, kwamaan de aandeelhouders toe. Dit afgescheiden en doelgebonden karakter van het vennootschapsvermogen was volgens het BGH onlosmakelijk verbonden met het door de aandeelhouders genoten voorrecht van beperkte aansprakelijkheid.3Existenzvernichtenden Eingriffs door aandeelhouders leidden daarom tot verlies van dit voorrecht; dit wordt in Duitsland Durchgriffshaftung genoemd.4
“Die Respektierung der Zweckbindung des Gesellschaftsvermögens zur vorrangigen Befriedigung der Gesellschaftsgläubiger während der Lebensdauer der GmbH ist unabdingbare Voraussetzung für die Inanspruchnahme des Haftungsprivilegs des § 13 Abs. 2 GmbHG. Zugriffe der Gesellschafter auf das Gesellschaftsvermögen, welche die aufgrund dieser Zweckbindung gebotene angemessene Rücksichtnahme auf die Erhaltung der Fähigkeit der Gesellschaft zur Bedienung ihrer Verbindlichkeiten in einem ins Gewicht fallenden Maße vermissen lassen, stellen deshalb einen Mißbrauch der Rechtsform der GmbH dar, der zum Verlust des Haftungsprivilegs führt, soweit nicht der GmbH durch den Eingriff insgesamt zugefügte Nachteil bereits nach §§ 30, 31 GmbHG ausgeglichen werden kann.”5 (Onderstr. JB)
De aansprakelijkheid vanwege Existenzvernichtung werd in de KBV-uitspraak dus gegrond op een notie van misbruik van rechtspersoonlijkheid. Het BGH stelde vast dat de aandeelhouders in casu door de herstructurering 380.000 DM aan het vermogen van K-GmbH hadden onttrokken en dat dit een doorbreking van het uitgangspunt van beperkte aansprakelijkheid rechtvaardigde. Dit betekende dat de aandeelhouders direct jegens de crediteur van K-GmbH aansprakelijk waren, zij het dat deze aansprakelijkheid door het BGH beperkt werd tot voor zover de crediteur geen verhaal vond bij de vennootschap.6
De juridische literatuur reageerde verdeeld op de dogmatische classificatie van de existenzvernichtenden Eingriff in het KBV-oordeel.7 Terwijl sommigen de keuze voor een Durchgriffshaftung toejuichten, uitten anderen juist de vrees dat het leerstuk zou worden ingezet als “Wunderwaffe zur Bekämpfung aller […] angeblichen Schutzdefizite”.8 In het bijzonder plaatste men vraagtekens bij de omvang van de aansprakelijkheid. Als aandeelhouders ongeoorloofde vermogensonttrekkingen deden op een moment dat de vennootschap reeds een tekort had, zou het niet gerechtvaardigd zijn dat zij voor het gehele tekort in faillissement konden worden aangesproken. De aansprakelijkheid zou zich volgens sommigen moeten beperken tot het nadeel dat daadwerkelijk uit de onttrekking was voortgevloeid. Tevens moesten volgens sommige juridische auteurs niet alle crediteuren de mogelijkheid hebben om een aandeelhouder vanwege de onttrekking aan te spreken.9 Crediteuren die na de onttrekking met de vennootschap zouden hebben gecontracteerd terwijl zij op de hoogte waren van het insolventierisico, zouden geen gebruik mogen maken van de doorbraak-vordering.