Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/1.3:1.3 Onderzoeksmethode
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/1.3
1.3 Onderzoeksmethode
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS458205:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij dit onderzoek heb ik gebruik gemaakt van literatuur, verdragen, wetgeving en rechtspraak. De eerder benoemde en in deel II nader te belichten dimensies zijn gebaseerd op breed onderzoek naar de voor interstatelijke samenwerking in strafzaken relevante wetgeving, zoals de Uitleveringswet, de WOTS en onderdelen van het Wetboek van Strafvordering, en de wetsgeschiedenis daarvan. Dat laatste is van cruciaal belang omdat het vertrouwensbeginsel niet als zodanig in de wetgeving wordt benoemd. Het bestaan ervan en de verdere uitwerking die eraan wordt komt daardoor vooral naar voren in de toelichting op deze wetgeving en de behandeling van de betreffende wetsvoorstellen in de Eerste en Tweede Kamer. Soms gebeurt dat expliciet, maar vaak blijft de rol van wederzijds vertrouwen ook impliciet.
Iets vergelijkbaars geldt voor de rechtspraak. Voor een deel wordt daarin het vertrouwensbeginsel wel expliciet benoemt, maar ook in de rechtspraak wordt regelmatig impliciet van vertrouwen uitgegaan. Bij het onderzoek in deel II van dit boek is dus regelmatig ‘tussen de regels door gelezen’. Uiteraard heeft dat tot gevolg dat de conclusies soms minder eenduidig zijn en voor discussie vatbaar, maar het alternatief – te weten een strikte beperking tot die bronnen waarin het vertrouwensbeginsel expliciet en als zodanig wordt benoemd – zou in mijn optiek het onderzoek te zeer beperken, geen recht doen aan de complexiteit van het vertrouwensbeginsel en belangrijke inzichten verborgen laten.
In deel III kantelt dit in zekere zin. Immers zijn in deel II de bedoelde dimensies benoemd. Daarna kunnen zij worden toegepast op het EU-kader. De eerder ‘gedestilleerde’ dimensies vormen aldus in deel III het kader waarbinnen het EU-recht wordt onderzocht. Het gaat bij het onderzoek naar het institutionele kader en concrete samenwerkingsinstrumenten met name om de basisverdragen, inclusief het Handvest voor de Grondrechten van de Europese Unie, en kaderbesluiten en richtlijnen en de jurisprudentie daarover van het Hof van Justitie. Bij het formuleren van de vertrouwensagenda gaat het naast de basisverdragen en het institutionele kader dat daaruit voortvloeit ook om de primaire beleidsdocumenten op het terrein van Justitie en Binnenlandse Zaken in de Europese Unie, de zogeheten ‘programma’s’ en de daaruit voortvloeiende beleidsdocumenten. Daarbij is vooral gekeken naar die onderdelen die een bepaald beleidsvoornemen in de sleuttel van (het creëren of versterken van) het onderling vertrouwen plaatsen.