Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/3.5
3.5 Instemmingsvoorwaarde
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648922:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Aandeelhouders die de instemming dreigen te blokkeren, kunnen uiteraard wel worden gedwongen tot de verkoop van hun aandelen, via de regeling tot uitkoop van artikel 2:92a BW of 2:201a BW.
Zie Beckman 1995, paragraaf 10.11.4 en KPMG Jaarboek externe verslaggeving 2007, aantekening 37021.
Zo blijkt bijvoorbeeld uit het Handelsregister dat Philips Lighting Holding BV op 16 februari 2006 een instemmingsverklaring van haar aandeelhouder Koninklijke Philips Electronics heeft gedeponeerd waarin de instemming met de groepsvrijstelling voor de boekjaren 2005 en 2006 is vervat.
Kiersch 2007, artikel 2:403, aantekening 4.
De ratio van de regeling brengt met zich dat dit dient te geschieden binnen acht dagen na de vaststelling of goedkeuring van de jaarrekening van de dochtervennootschap, doch uiterlijk binnen dertien maanden na het einde van het boekjaar van de dochtervennootschap. Zie Meijers 2005, nr. 317.
Artikel 2:403 BW lid 1 sub g.
Zie respectievelijk Beckman 1990-II, p. 307-310 en Bartman 1994, p. 181.
Zie onder meer artikel 2:107a BW en artikel 2:239 BW.
Zie onder meer artikel 2:164 BW en artikel 2:274 BW.
Zie artikel 25 Wet op de Ondernemingsraden, in het bijzonder lid 1 sub j.
In lid 1 sub b van artikel 2:403 BW is bepaald dat leden of aandeelhouders ieder jaar opnieuw dienen in te stemmen met de toepassing van de groepsvrijstelling. In beginsel hebben de aandeelhouders van de vrijgestelde rechtspersoon recht op een jaarrekening die is ingericht volgens titel 2.9 BW. Het instemmingsvereiste is terug te vinden in de Europese regeling.
Voor de instemming is unanimiteit vereist. Dat kan op praktische problemen stuiten. Er is geen speciale regeling getroffen om dergelijke praktische problemen te ondervangen. In de meeste concerns zal de instemming geen probleem zijn. De aandelen zullen mogelijk allemaal worden gehouden door de holding. Maar worden er bijvoorbeeld aandelen aan werknemers toegekend, dan moet met dit punt rekening worden gehouden. In een vangnetregeling voor gevallen waarin kleine minderheden de wensen van de grote meerderheid dwarsbomen of voor gevallen waarin sprake is van een zogenoemd ‘zoekgeraakt aandeel’, is niet voorzien. Wellicht heeft dit te maken met het feit dat de groepsvrijstelling van origine niet was bedoeld voor openbare vennootschappen.1
Een 403-verklaring behoeft maar eenmaal te worden opgesteld en te worden gedeponeerd om daarna tot in lengte van dagen van kracht te blijven. Instemming van de leden of de aandeelhouders is ieder jaar opnieuw vereist en de instemmingsverklaring van de leden of de aandeelhouders moet ieder boekjaar worden opgesteld en ieder jaar worden gedeponeerd.2 Instemming voor meerdere jaren kan slechts in uitzonderlijke gevallen in één verklaring terechtkomen, bijvoorbeeld wanneer op een vergadering voor twee boekjaren instemming wordt gegeven.3 Daarbij geldt uiteraard onverminderd dat de instemming tijdig moet worden gegeven.
De instemmingsverklaring dient te worden gedeponeerd in de periode die is gelegen tussen het begin van het boekjaar en het moment van de vergadering waarop de summiere jaarrekening van de vrij te stellen rechtspersoon wordt vastgesteld.4 Van belang is dat de instemming van de leden of de aandeelhouders is verkregen voordat de summiere jaarrekening door de leden of aandeelhouders wordt vastgesteld. De agendapunten moeten dus in de juiste volgorde ter vergadering worden behandeld. De instemmingsverklaring dient binnen de wettelijke termijn5 te worden gedeponeerd bij het Handelsregister6 zodat controle door derden mogelijk is.
Hoewel daarover (een beperkte) discussie heeft bestaan in de literatuur,7 geldt dat de instemming van de leden of de aandeelhouders slechts de bevoegdheid creëert om de vrijstelling te mogen toepassen. De instemming vormt geen (dwingende) instructie van de leden of de aandeelhouders aan het bestuur en creëert dan ook niet een verplichting om de vrijstelling toe te passen.
Hoewel de consoliderende rechtspersoon door het deponeren van een 403-verklaring een mogelijk zeer grote en op voorhand onbekende schuldenlast aangaat, is instemming van de aandeelhouders van de consoliderende rechtspersoon niet vereist. In beginsel neemt het bestuur van de consoliderende rechtspersoon zelfstandig het besluit om een 403-verklaring af te leggen. Er kunnen uiteraard omstandigheden zijn op basis waarvan goedkeuring van de aandeelhouders8 of de raad van commissarissen9 is vereist. Mogelijk kan worden betoogd dat een besluit om aansprakelijkheid te aanvaarden voor schulden van een vrijgestelde rechtspersoon advies behoeft van de ondernemingsraad.10