Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VI.6.3
VI.6.3 Uitzonderingen
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178711:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook mijn noot onder Rb. Midden-Nederland 19 september 2018, JOR 2019/76 (Keniaans windmolenpark).
Temeer nu, in ieder geval in het eerste voorbeeld, vernietiging door de Ondernemingskamer in een enquŒteprocedure een optie kan zijn, in welk geval geen vervaltermijn geldt. Zie HR 11 november 2016, JOR 2017/2, m.nt. Spruitenburg (Cordial), rov. 5.4.2.
Afwijzend op dit punt ook de minister in Parl. Gesch. Aanpassing BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 173 (MvT Inv).
Parl. Gesch. Aanpassing BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 157 (MvT Inv).
Zie Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/226 slot en (over de beperkende redelijkheid en billijkheid in het algemeen) Asser/Sieburgh 6-III 2018/413, met verwijzing naar de rechtspraak van de Hoge Raad.
Parl. Gesch. Aanpassing BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 173 (MvA II Inv).
Anders: A-G Huydecoper, ECLI:NL:PHR:2004:AR2386 (VvE Nirwana-flat), onder 19, die de parlementaire geschiedenis anders leest en opmerkt dat ‘niet (…) een andere – zwaardere – maatstaf moet worden aangelegd dan overigens het geval zou zijn’.
Rb. Amsterdam 7 juli 2010, JOR 2010/299, m.nt. Blanco Fernández (Eigen Hulp), rov. 4.5, Rb. Rotterdam 25 mei 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BX4988, rov. 4.7 en Rb. ’s-Gravenhage 1 augustus 2012, JOR 2012/286, m.nt. Blanco Fernández (Vanka-Kawat), rov. 4.3.
Rigoreus is het verval wel weer in zijn afwijzing van stuiting en verlenging. Dat kan geen van beide, want de regels van Boek 3 BW hierover gelden slechts voor verjaring. Is dat gewenst? In algemene zin wel, maar soms kan het wat onhandig uitpakken. Denk aan de nieuwe bestuurder die de oud-bestuurders namens de rechtspersoon aansprakelijk wenst te stellen, maar zich geblokkeerd weet door een dechargebesluit dat mettertijd voor vernietiging immuun is geworden. Of aan de curator, die een dividendbesluit wil vernietigen maar tegen het verval oploopt. Het gaat wat ver om voor dit soort gevallen de regeling te treffen dat de termijn wordt verlengd of opnieuw begint te lopen. Een speciale termijn voor de curator bijvoorbeeld, die aanvangt nadat het faillissement is uitgesproken.1 Zoiets vereist wetgevende arbeid, lijkt in de praktijk niet dringend nodig2 en strookt weinig met de aard van een vervaltermijn die voor eenieder geldt. Op gespannen voet met het rechtszekerheidsstreven staat voorts de mogelijkheid om in de zo-even genoemde gevallen de vervaltermijn buiten toepassing te laten met behulp van de redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 lid 2 BW). Dit alles geldt ook wanneer aandeelhouders het pad van onderhandelen of mediation bewandelen en daarvoor enige tijd nodig hebben. De uitzondering in de GmbH (zie § 6.1) verdient geen navolging.3
Laat het verval op zich geen uitzonderingen toe, een exceptie is toch in de redelijkheid en billijkheid te vinden. Blijkens de parlementaire geschiedenis kan een besluit jegens een betrokkene buiten toepassing blijven, zelfs al is dat door het verstrijken van de vervaltermijn onaantastbaar geworden.4 De onaanvaardbaarheidseis van art. 2:8 lid 2 BW mag niet licht worden opgevat.5 Dat een besluit was vernietigd als dat tijdig zou zijn gevorderd, volstaat niet. Het besluit heeft formele rechtskracht verkregen en moet voor rechtmatig worden gehouden, zodat de belanghebbende in kwestie aannemelijk moet maken dat toepassing ervan in zijn geval onacceptabel is. De rechter mag de werking van het besluit niet zomaar doorbreken, ook niet tegenover een enkeling. Uit de parlementaire geschiedenis volgt niets anders. Op de vraag of een beroep op de redelijkheid en billijkheid als hierbedoeld bijzondere omstandigheden vereist, zegt de minister dat art. 2:8 lid 2 BW ‘zijn eigen vereisten [stelt], die een lichtvaardig beroep uitsluiten’.6 Dit wat ontwijkende antwoord moet zo worden begrepen, dat in het toepassen van art. 2:8 lid 2 BW kan (en moet) worden meegewogen dat niet tijdig de vernietiging is gevorderd. Er geldt kortom een andere, strengere maatstaf dan wanneer tijdig de vernietiging zou zijn gevorderd.7 Zie ik het goed, dan zijn in de rechtspraak geen voorbeelden te vinden waarin een besluit na het verstrijken van de vervaltermijn op grond van art. 2:8 lid 2 BW buiten toepassing wordt gelaten. Sommige uitspraken leggen inderdaad een strenge maatstaf aan.8