Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/4.3.2.0
4.3.2.0 Introductie
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS957953:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Kamer voor het notariaat, 7 december 2020, ECLI:NL:TNORSHE:2020:30.
Uit de Parlementaire Geschiedenis is af te leiden dat de wetgevende macht van mening is dat een omschrijving lastig te formuleren is. Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II, 1984/85, 18905, nr.āÆ3, p.āÆ15.
Zie onder meer het rapport van de Commissie Verdam over de herziening van het ondernemingsrecht van 8 april 1960, ās-Gravenhage: Staatsuitgeverij 1968, p.āÆ16 en 17. Zie ook Meijers 1954-1, p.āÆ251. Meijers verwijst daarbij naar het preadvies van Van Hall: Van Hall 1952, p.āÆ153 ev.
Voor die tijd was het begrip certificering op een enkele plek al te vinden in het Wetboek van Koophandel. Zie voor een historisch overzicht van het certificeren van vermogen in het algemeen: Van der Velden 2008, p.āÆ168 en De Leeuw A.E. 2020, paragraaf 7.2. Met betrekking tot een historisch overzicht van het certificeren van aandelen wordt verwezen naar Oosterhof 2017, paragraaf 4.2 (p. 102-125) en Van den Ingh 1991, hoofdstuk 1 (p. 7-10).
Westbroek 1972, p.āÆ96.
Meijers gaf enkel aan dat er geen sprake was van een bewind. Zie het door hem voorgestelde art.āÆ3.6.2.7 (Meijers 1954, p.āÆ133.). Overigens nam Meijers ten aanzien van (ook) bewind geen definitie op. Specifiek voor het ontbreken van een definitie van bewind gaf hij aan dat uit de rechtsgevolgen die in het ontwerp stonden opgenomen duidelijk af te leiden was wanneer er sprake was van bewind. Meijers 1954-1, p.āÆ241.
Zie over art. 3:259 BW verder paragraaf 6.4.2.
Zie bijvoorbeeld Van den Ingh 1991, p.āÆ18, Van der Grinten en Treurniet 1964, p.āÆ7, 29-31 en p.āÆ86-87, Eisma 1990, p.āÆ54-59, Kraan 2007, p.āÆ20, Wolf 2013, paragraaf 4.4.2, Oosterhof 2017, p.āÆ116, Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr.āÆ660, Van Steensel 2019, p.āÆ7, Kelterman 2020-2, p.āÆ598-599, en De Leeuw A.E. 2020, paragraaf 7.3.
Zie bijvoorbeeld het overzicht in de literatuur dat door Oosterhof wordt gegeven in zijn dissertatie. Oosterhof 2017, paragraaf 4.2.2.
Van der Grinten en Treurniet 1964, p.āÆ7. Zie ook Eisma 1990, p.āÆ15-16. Dit is wellicht niet de meest juiste omschrijving, nu bij die scheiding de juridisch rechthebbende niet meer overhoudt dan een lege juridische huls en het de bedoeling is de economisch eigenaar zowel het belang bij als het beheer over een goed te geven. Zie Huijgen 1995, p.āÆ8-11 en De Leeuw A.E. 2018, p.āÆ37-39.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 657 en 659. Hier wordt wel specifiek gedoeld op certificering in het kader van certificering van aandelen.
Zie bijvoorbeeld Van den Ingh 1991, p.āÆ18 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr.āÆ657.
Zie paragraaf 4.3.1.2.
Zie paragraaf 4.2.2. Zie in gelijke zin, behoudens wellicht onder zeer specifieke voorwaarden: De Leeuw A.E. 2020, paragraaf 7.6.
Van der Grinten en Treurniet 1964, p.āÆ7 en p.āÆ86-87, Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr.āÆ657 en Van den Ingh 1991, p.āÆ18.
Van der Grinten en Treurniet 1964, p.āÆ13-14. Overigens beschrijven zij in hun preadvies voornamelijk fondsen voor gemene rekening. Bij een fonds voor gemene rekening is het scheiden van de juridische eigendom en de zeggenschap een regelmatig voorkomende verschijningsvorm. Zie hierna paragraaf 4.3.3.1.
Vegter 2004, p.āÆ116. Dit is anders op het moment dat de stak reeds juridisch rechthebbende is of een derde het goed overdraagt aan de stak (zie hierboven paragraaf 4.3.1.2). Daarnaast is het mogelijk dat uit de overeenkomst andere verplichtingen voortvloeien. Zie Van Steensel 2019, p.āÆ8.
En in het geval van een aparte bewaarder is de bewaarder de juridisch rechthebbende van het goed.
Zie ook Garcia Nelen en Schwarz 2016, paragraaf 1.6.2.
Er wordt in ieder geval het (fysieke) bewijs(stuk) mee bedoeld dat de certificaathouder van de machthebber ontvangt. Van der Grinten en Treurniet 1964, p.āÆ45. Er zal lang niet in alle gevallen sprake zijn van een fysiek stuk dat wordt overhandigd. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr.āÆ663.
Dit heeft tot gevolg dat op het certificaat in beginsel een recht van vruchtgebruik (art. 3:201 BW) of een pandrecht (art. 3:236 BW) kan worden gevestigd. Ook is het certificaat vatbaar voor beslag.
Van den Ingh 1991, p.āÆ19 en p.āÆ76-77 en Van der Grinten 1964, p.āÆ29 en 45, Wolf 2013, p.āÆ122, Biemans 2020, p.āÆ86. Het vorderingsrecht is niet primair een geldvordering volgens Van der Grinten.
Zie ten aanzien van certificaten van aandelen ook Kamerstukken II 2008/09, nr.āÆ31058, nr.āÆ6, p.āÆ41.
Vegter 2004, p.āÆ116, Van den Ingh 1991, p.āÆ73 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-Iib 2019, nr.āÆ664.
Van der Ingh 1991, p.āÆ73.
Zie paragraaf 1.3.
Stein, in: GS Rechtspersonen, art.āÆ3:259 BW, aant. 2.5. Stein bespreekt waar het recht van de certificaathouder op basis van de beheerovereenkomst in het algemeen uit bestaat.
Vegter 2004, p.āÆ116.
Van den Ingh 1991, p.āÆ74.
Hier lijkt Van den Ingh vanuit te gaan, zie Van den Ingh 1991, p.āÆ195. Dit is anders op het moment dat er door middel van zaaksvervanging ander vermogen dan het oorspronkelijk onderliggende goed door de beheerder beheerd gaat worden ten behoeve van de certificaathouders. Zie over een specifieke vorm van zaaksvervanging, te weten conversie van aandelen en de gevolgen daarvan voor de certificaten: Kelterman 2020-2, p.āÆ600-603.
Zie bijvoorbeeld Van den Ingh 1991, p.āÆ83 waarin hij aangeeft dat bij de certificering van aandelen de administratievoorwaarden kunnen bepalen dat certificaten komen te vervallen als de aandelen bevoegdelijk het vermogen van de stak verlaten.
Certificering van vermogen is een aparte categorie binnen de beheerovereenkomsten. Zij onderscheidt zich van sommige andere beheerovereenkomsten, doordat aan de economisch belanghebbende certificaten worden uitgereikt die recht geven op bepaalde economische voordelen van het vermogen. Bij certificering van vermogen wordt er vaak uitgegaan van een stak die rechthebbende is van het te beheren vermogen. De stak geeft certificaten uit aan de certificaathouders. De beheerovereenkomst tussen de stak en de certificaathouders is neergelegd in de administratievoorwaarden. Visueel kan een certificering als volgt worden weergegeven (er is in de afbeelding sprake van certificering van aandelen):
In de literatuur en wetgeving is vooral aandacht voor het certificeren van aandelen in een vennootschap. Dit laten de verwijzingen in deze algemene paragraaf over certificering zien. De verwijzingen zijn voornamelijk afkomstig uit de ondernemingsrechtelijke literatuur en wetgeving. Veel van wat daar over certificering als beheerovereenkomst is geschreven geldt ook voor certificering van andere vermogensbestanddelen. Ook uit de interviews in hoofdstuk 2 blijkt dat certificeren van aandelen het meest gebruikelijk is, maar dat certificeren van andere vermogensbestanddelen ook voorkomt. In de rechtspraak komt zo nu en dan ook het certificeren van andere vermogensbestanddelen dan aandelen aan de orde.1
In de wet is geen definitie of omschrijving van certificering te vinden.2 Certificering van vermogen heeft zich met name in de praktijk ontwikkeld.3 Het fenomeen certificering is wel op verschillende plekken in het Burgerlijk Wetboek terug te vinden, met name in Boek 2 BW. Bij de totstandkoming van Boek 2 BW in de jaren 70 van de vorige eeuw werd een aantal bepalingen opgenomen die betrekking hadden op de verhouding tussen een certificaathouder en de vennootschap.4 Er is daarbij door de wetgever geen definitie van certificering in de wet opgenomen. In de literatuur werd daarover opgemerkt dat om een definitie van certificering te kunnen geven er ook aandacht moet worden besteed aan het begrip āeigendom ten titel van beheerā. En dat begrip hoort thuis in het algemene vermogensrecht.5 Bij het ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek is door Meijers geen definitie van certificering gegeven.6 Dit is tijdens de latere behandeling van de bepalingen van Boek 3 BW ook niet meer gebeurd. Wel kan uit de tekst van het huidige art.āÆ3:259 lidāÆ1 BW worden afgeleid dat de wetgever met certificering een vorderingsrecht voor ogen had. In dat artikellid wordt gesproken over het vorderingsrecht van de certificaathouder jegens de uitgever van de certificaten.7
In de literatuur zijn meerdere omschrijvingen van certificering te vinden.8 Daarbij valt op dat veel omschrijvingen specifiek zien op de certificering van aandelen.9 Die omschrijvingen van certificering lenen zich soms minder goed voor een algemene omschrijving van certificering van vermogen, maar er kunnen wel basiselementen uit worden ontleend. In alle gevallen gaat het immers om een beheerovereenkomst waarbij aan de economisch belanghebbenden certificaten worden uitgereikt.
Uit de verschillende omschrijvingen is een aantal kenmerken te destilleren die in elke omschrijving meer of minder uitgesproken terugkomen. In de omschrijvingen wordt ten eerste altijd een scheiding tussen zeggenschap en economisch belang genoemd, alhoewel daar verschillende termen voor worden gebruikt. De scheiding wordt ook wel omschreven als een scheiding tussen de juridische eigendom en het economisch eigendom10 of het scheiden van de zeggenschapsrechten van het financieel-economisch belang.11
Daarnaast komt steeds naar voren dat de scheiding plaatsvindt op grond van een rechtshandeling die ertoe leidt dat de ƩƩn een vermogensbestanddeel voor een ander gaat beheren.12 De rechtshandeling die deze verhouding tot stand brengt, hoeft niet per definitie te leiden tot een overdracht van het te certificeren goed.13 Mocht de rechtshandeling wel leiden tot een overdracht, dan levert deze overdracht geen strijd op met het fiduciaverbod van art.āÆ3:84 lidāÆ3 BW.14 Partijen beogen in dat geval een volledige overdracht zonder goederenrechtelijke beperkingen tot stand te brengen.
Tot slot is een kenmerk van certificering dat degene die het economisch belang bij het goed verkrijgt (of houdt), een certificaat ontvangt dat dit belang belichaamt.15 Dit certificaat hoeft geen fysiek document te zijn.
Samenvattend kan worden gezegd dat sprake is van certificering als voldaan is aan de volgende voorwaarden:
een overeenkomst;
die een situatie creƫert waarbij een scheiding plaatsvindt tussen de zeggenschap over een goed en het economisch belang bij dat goed;
waarbij degene die de zeggenschap over het goed heeft het goed beheert voor degene die het economisch belang bij dat goed heeft;
waardoor degene die het economisch belang bij het goed heeft een vorderingsrecht krijgt op degene die de zeggenschap over het goed heeft; en
waarbij degene die de zeggenschap over het goed heeft een certificaat uitreikt aan degene die het economisch belang bij dat goed heeft.
Degene die de zeggenschap over het goed heeft zal hierna ook ābeheerderā worden genoemd; degene die het economisch belang bij het goed heeft ook wel ācertificaathouderā of āeconomisch belanghebbendeā. Met betrekking tot de beheerder wordt nog het volgende opgemerkt. De beheerder kan de juridisch rechthebbende van het goed zijn. Het is daarnaast ook mogelijk dat deze twee elementen worden gesplitst, zodanig dat er een (rechts)persoon is die enkel de juridisch rechthebbende van het goed is en een (rechts)persoon die het goed beheert. Er wordt in dat geval ook wel gesproken over een bewaarder en een beheerder. De gedachte hierachter is dat de juridische rechthebbende van het goed in dat geval minder verhaalsrisico loopt.16 In het vervolg zal worden uitgegaan van de situatie dat de beheerder de juridisch rechthebbende van het goed is, tenzij anders is aangegeven.
De beheerovereenkomst van certificering is in beginsel wederkerig. Voor de beheerder vloeit er de voortdurende verplichting uit voort om het goed te beheren voor de certificaathouder. Voor de certificaathouder kan uit de overeenkomst de (eenmalige) verplichting voortvloeien om ervoor te zorgen dat de beheerder de juridisch rechthebbende van het gecertificeerde goed wordt.17
Vanwege het ontbreken van een duidelijke omschrijving van certificering in de wet ontstaan er met enige regelmaat discussies over het karakter en de rechtsgevolgen van certificering. De goederenrechtelijke discussie die tot halverwege de vorige eeuw speelde en die draaide om de vraag wie juridisch rechthebbende was van het gecertificeerde goed is inmiddels verstomd. In paragraaf 4.3.1.1.1 is beschreven dat in het geval van certificering algemeen wordt aanvaard dat de beheerder de juridisch rechthebbende van het gecertificeerde vermogen is.18 Daarnaast heeft de certificaathouder een persoonlijk recht op de beheerder.19 Hierna komen enkele algemene discussies aan de orde die zien op de algemeen vermogensrechtelijke aspecten van certificering. In de volgende hoofdstukken wordt dieper op de rechtsgevolgen van certificering ingegaan.
EĆ©n van de vraagstukken die bij certificering aan de orde komt is wat een certificaat precies inhoudt.20 Het certificaat is in elk geval een vermogensrecht. Daarmee is er sprake van een goed in de zin van art.āÆ3:6 jo art.āÆ3:1 BW.21 Dit vermogensrecht behelst een vorderingsrecht van de certificaathouder op de beheerder.22 Specifiek voor certificaten van aandelen en van schuldvorderingen wordt dit vorderingsrecht benoemd in art.āÆ3:259 lidāÆ1 BW.23
De specifieke inhoud van het vorderingsrecht van de certificaathouders vloeit ten eerste voort uit de beheerovereenkomst die tussen de beheerder en de certificaathouder wordt gesloten.24 Daarnaast kunnen de statuten van de stak, in het geval dat er een stak als beheerder optreedt, ook van invloed zijn op de inhoud van het recht. Van den Ingh geeft aan dat de band tussen de beheerder en de certificaathouder om die reden, naast een contractueel karakter, ook institutionele trekken kan vertonen.25 Tot slot kan in het geval van certificeren van aandelen het vermogensrecht van de certificaathouder nog verder worden ingevuld door de statuten van de BV waarvan de aandelen zijn uitgegeven, door eventueel aanwezige aandeelhoudersovereenkomsten en de wet. In statuten en administratievoorwaarden die voor dit onderzoek zijn opgevraagd26 wordt bij de begripsbepalingen bij ācertificaatā omschreven wat het recht van de certificaathouder inhoudt. In sommige gevallen betreft dit de zeer ruime omschrijving van bronnen van rechten en verplichtingen die in deze alinea zijn omschreven. Er zijn ook voorbeelden waarbij het certificaat kort wordt omschreven als een vorderingsrecht.
Bij de totstandkoming van de inhoud van de beheerovereenkomst komt aan de beheerder en certificaathouder veel vrijheid toe.27 Meerdere auteurs geven aan dat het vorderingsrecht in elk geval inhoudt dat de revenuen die het gecertificeerde vermogen oplevert aan de certificaathouder toekomen.28 Daarnaast wordt aangegeven dat aan de certificaathouder ook de opbrengsten van de vervreemding van het gecertificeerde goed toekomen en het liquidatiesaldo als bijvoorbeeld een vennootschap ophoudt te bestaan en de aandelen van die vennootschap waren gecertificeerd.29
Het is niet eenvoudig om te bepalen of het certificaat, naast een vorderingsrecht, nog meer inhoudt. De vraag kan bijvoorbeeld gesteld worden of het certificaat een relatie tussen het certificaat en het onderliggende goed creĆ«ert. Vegter geeft aan dat de rechten die voor de certificaathouder uit de overeenkomst voortvloeien geen aanspraken op het onderliggende goed vestigen.30 Specifiek voor certificaten van aandelen schrijft Van den Ingh dat het certificaat een onzelfstandig karakter heeft in die zin dat het voor wat betreft zijn voortbestaan, uitkeringen die erop worden gedaan en zijn waarde afhankelijk is van het onderliggende aandeel.31 Dat impliceert wel enige relatie tussen het certificaat en het onderliggende goed. Het is niet geheel duidelijk wat wordt bedoeld met āonzelfstandig karakterā. Wellicht wil Van den Ingh zeggen dat het laten voortbestaan van het certificaat geen zin heeft als het onderliggende goed uit het vermogen van de beheerder is verdwenen, omdat de waarde van het certificaat dan hoogstwaarschijnlijk nihil is en de beheerder zijn beheertaak niet meer kan uitoefenen.32 De contractuele rechtsverhouding tussen de beheerder en de certificaathouder blijft in beginsel bestaan als het goed het vermogen van de beheerder verlaat. Het certificaat moet geroyeerd worden, en de beheerovereenkomst ontbonden, om het certificaat te laten vervallen. In de beheerovereenkomst kunnen afspraken worden opgenomen over de te nemen stappen wanneer het goed het vermogen van de beheerder verlaat.33