Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/10.5.1:10.5.1 Inleiding
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/10.5.1
10.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS344863:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
L. Timmerman, ‘Verband tussen samenwerking en rechtspersoon’, in: L. Timmerman e.a. (red.), Samenwerken in het ondernemingsrecht (Instituut voor Ondernemingsrecht nr. 80), Deventer: Kluwer 2011, p. 5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Timmerman schreef in 2011 dat de mooie ontwikkeling die het rechtspersonenrecht in de twintigste eeuw heeft doorgemaakt ook een schaduwzijde heeft. Die schaduwzijde, aldus Timmerman, heeft ertoe geleid dat in de doctrine de tendens is ontstaan om aan rechtspersoonlijkheid allerlei rechtsgevolgen te verbinden (Timmerman noemt bijvoorbeeld het idee dat een rechtspersoon door een bijzonder type organisatie- en besluitvormingsregels wordt beheerst en het idee dat een rechtspersoon geen overeenkomst is, maar een instituut). Rechtspersoonlijkheid wordt dan, aldus Timmerman, veel meer dan simpel het zijn van rechtssubject. Die neiging tot voortdurende innovatie, verbreding en verdieping van het begrip ‘rechtspersoon’ is te verklaren uit de omstandigheid dat aan het begin van de twintigste eeuw de rechtspersoon als zelfstandig begrip nog in de kinderschoenen stond en dan komen er, bij het van start gaan van zo een ontwikkeling, allerlei zinnige en minder zinnige ideeën los. En, zo vervolgt Timmerman, als rechtspersoonlijkheid een zelfstandig begrip wordt met allerlei bijzondere rechtsgevolgen dan gaat de rechtspersoonlijkheid op haar beurt de rechtsvorm beïnvloeden.1 Timmerman had het hier over de interne verhoudingen binnen de rechtsvorm.
De door Timmerman omschreven schaduwzijde van de ontwikkeling die het rechtspersonenrecht in de twintigste eeuw heeft doorgemaakt, komt naar mijn mening ook terug in de hiervoor in par. 10.4.8 uiteengezette doctrine. Het toerekeningsleerstuk en rechtspersoonlijkheid hebben in de doctrine, mede onder invloed van de termen ‘primaire aansprakelijkheid’ en ‘secundaire aansprakelijkheid’, namelijk geleid tot het idee dat voor vertegenwoordigers en bestuurders die op grond van art. 6:162 BW door derden worden aangesproken, een zogenoemde hoge(re) drempel voor aansprakelijkheid zou moeten gelden in de vorm van grove schuld, opzet of bewuste roekeloosheid, respectievelijk in de vorm van de ernstigverwijtmaatstaf. Oftewel, zij zouden beschermd moeten worden en voor hen geldt als het ware een minder streng art. 6:162 BW dan voor andere rechtssubjecten. Dat is rechtstheoretisch niet zuiver. In de volgende paragrafen zal ik dit toelichten.