Naar analogie vgl. onderdeel 2 van de conclusie van A-G Ettema van 31 maart 2023, nr. 22/00711, ECLI:NL:PHR:2023:388.
HR, 24-04-2026, nr. 23/03058
23/03058
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-04-2026
- Zaaknummer
23/03058
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑04‑2026
ECLI:NL:HR:2026:713, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑04‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:1621
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2026/642
Viditax (FutD) 2026042402
FutD 2026-0709
NTFR 2026/732 met annotatie van mr. J.P.W.H.T. Becks, mr. N.P. Arzini
Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/551
V-N 2026/19.11 met annotatie van Redactie
NLF 2026/0822 met annotatie van prof. mr. dr. R.A. Wolf
Beroepschrift 24‑04‑2026
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnr. 23/03058) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 juni 2023, nr. 22/00596 t/m 22/00598, inzake Fiscale eenheid [X] c.s. te [Z] betreffende de naheffingsaanslagen omzetbelasting over de tijdvakken van 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018 en van 1 juli 2018 tot en met 30 september 2018, alsmede de op aangifte voldane omzetbelasting over het tijdvak van 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2018.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw brief van 10 augustus 2023 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middelen van cassatie draag ik voor:
- I.
Schending van het recht, met name van het bepaalde in artikel 29 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) in samenhang met artikel 7, vierde lid, Wet OB, doordat het Hof heeft geoordeeld dat het in dit verband niet uitmaakt wie het mobiele toestel aan de consument levert — [A] B.V. ([A]) of [B] B.V. ([B]) — nu [A] en [B] immers tot een fiscale eenheid behoren, zulks op grond van het hiernavolgende ten onrechte althans op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen. Het Hof heeft met dit oordeel veel te verstrekkende gevolgen verbonden aan de aanwezigheid van een fiscale eenheid door daarmee voorbij te gaan aan de onderscheidene contractuele verhoudingen van de verschillende vennootschappen (die tot de fiscale eenheid behoren) met derden.
- II.
Schending van het recht, met name van het bepaalde in artikel 29 Wet OB in verbinding met artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof voorbij gaat aan de omstandigheid dat in dezen betaling van de vergoeding voor de levering van het mobiele toestel heeft plaatsgevonden zo nodig bij wijze van schuldvernieuwing, waarbij de koopschuld is omgezet in een leenschuld, waardoor toepassing van artikel 29 Wet OB niet aan de orde komt.
Ter toelichting merk ik het volgende op.
Inleiding
Het betreft een omzetbelasting-geschil over de toepassing van artikel 29 Wet OB. Meer in het bijzonder gaat het om de vraag of gehele of gedeeltelijke niet-betaling van de verschuldigde bedragen uit hoofde van de met [B] gesloten toestelkredietovereenkomst resulteert in een recht op verlaging van de heffingsmaatstaf van de levering van het toestel (door [A]) ingevolge artikel 29, eerste lid, Wet OB.
Belanghebbende stelt een bevestigende beantwoording voor, omdat op het niveau van de fiscale eenheid de vergoeding uiteindelijk niet wordt ontvangen. De Inspecteur stelt een ontkennende beantwoording voor, omdat bij het aangaan van het toestelkrediet sprake is van het omzetten van een koopschuld in een leenschuld. Niet langer is in geschil dat de levering van het mobiele toestel en het verrichten van telecommunicatiediensten op basis van het abonnement zelfstandige economische prestaties zijn.
Feiten
Belanghebbende is een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Wet OB. In het onderhavige tijdvak werd de fiscale eenheid gevormd door onder andere de volgende rechtspersonen:
- —
[A] B.V. ([A])
- —
[B] B.V. ([B])
Activiteiten [A] B.V. ([A])
- •
De activiteiten van [A] bestaan onder meer uit het verstrekken van zogenoemde postpaid mobiele telefoonabonnementen. Bij een postpaid abonnement betaalt de consument voor de mobiele telecommunicatiediensten die worden verleend. De betalingen voor deze abonnementen vinden maandelijks plaats.
- •
Consumenten kunnen ervoor kiezen om naast het afsluiten van een postpaid abonnement een toestel bij [A] te kopen. Zij kunnen op het moment van de aanschaf van een toestel kiezen om dat toestel zelf in één keer te betalen, of via een toestelkredietovereenkomst de aankoop van het toestel in termijnen af te lossen.
- •
[A] reikt voor de levering van de telefoon in beide gevallen een factuur uit aan de afnemer. [A]/de fiscale eenheid voldoet in beide situaties in het tijdvak van de levering van het toestel de (volledig) verschuldigde omzetbelasting.
- •
Indien de consument ervoor kiest om een toestel (gedeeltelijk) in termijnen te betalen, gaat zij met [B] een toestelkredietovereenkomst aan.
- •
Indien een consument ervoor kiest om in één keer te betalen, wordt het bedrag in één keer voldaan aan [A].
Activiteiten [B] B.V. ([B])
- •
De activiteiten van [B] bestaan uit het aan consumenten verstrekken van renteloos uitstel van betaling met betrekking tot de aan [A] verschuldigde prijs van het toestel. Daartoe heeft de AFM op 28 december 2016 een vergunning aan [B] verleend.
- •
Indien een aanvraag voor consumentenkrediet wordt goedgekeurd sluit de consument behalve een overeenkomst voor mobiele telecommunicatiediensten met [A] een toestelkredietovereenkomst met [B] af. De toestelkredietovereenkomst staat juridisch los van de overeenkomst inzake mobiele telecommunicatiediensten. De overeenkomsten worden wel op hetzelfde moment gesloten.
Indien een consument een telecommunicatieabonnement afsluit, waarbij de consument eveneens een toestel koopt en een voorkeur heeft het toestel niet ineens zelf te betalen, worden tegelijkertijd met één handtekening van de consument meer contracten met verschillende rechtspersonen gesloten:
- —
een overeenkomst inzake het verrichten van telecommunicatiediensten in de relatie [A]-consument;
- —
een overeenkomst inzake de levering van het toestel in de relatie [A]consument;
- —
een overeenkomst inzake het verstrekken van een toestelkrediet in de relatie [B]-consument.
Oordeel Hof
Het Hof komt — in tegenstelling tot de Rechtbank — tot het oordeel dat recht bestaat op verlaging van de heffingsmaatstaf ter zake van de levering van het toestel en dat derhalve recht op teruggaaf van omzetbelasting bestaat ingevolge artikel 29, eerste lid,Wet OB. Hieraan ligt met name het volgende ten grondslag (r.o. 5.4.1):
‘Het Hof is van oordeel dat uit de jurisprudentie van het HyJ EU volgt dat van belang is dat de oninbare vordering en de prestatie een rechtstreeks verband hebben. Dit verband wordt vooral vanuit economisch en financieel perspectief beoordeeld. Gelet op doel en strekking van de vorming van een fiscale eenheid dient geen onderscheid te worden gemaakt binnen deze belastingplichtige. Aangezien [A] en [B] tot een fiscale eenheid behoren, zijn zij voor de heffing van btw geen te onderscheiden belastingplichtigen. (…) Waar de Btw-richtlijn spreekt van ‘de belastingplichtige’ wordt belanghebbende bedoeld en niet [A] of [B]. Het maakt voor de heffing van omzetbelasting dan ook niet uit wie het mobiele toestel aan de consument levert (…). Deze economische prestatie wordt aan belanghebbende toegerekend.’
en verder (r.o. 5.4.2):
‘Het Hof leidt uit de verklaring van belanghebbende (…) af dat zij een geconsolideerde boekhouding voert en dat daarin de oninbare vorderingen zijn opgenomen. Dit zijn bedragen die belanghebbende van een derde (de consument) moet verkrijgen, maar niet krijgt. Uit de totaal van deze derde te verkrijgen vergoeding (prijs van het mobiele toestel) heeft belanghebbende omzetbelasting betaald. Als zij een deel daarvan of de gehele vergoeding niet krijgt, ontvangt de Belastingdienst meer omzetbelasting van belanghebbende, dan belanghebbende van de consument ontvangt. (…)’
Ad I.
Bij de beoordeling van het voorliggende geschil kent het Hof een prominente plaats toe aan de omstandigheid dat [A] en [B] tot een fiscale eenheid behoren. Volgens het Hof maakt het daardoor niet uit wie het mobiele toestel aan de consument levert ([A] of [B]). Hiermee gaat het Hof echter uit van een onjuist beoordelingskader.
Centraal bij de beoordeling of sprake is van ‘niet-betaling’ staat immers de rechtsbetrekking op grond waarvan de prestatie is verricht (i.c. de levering van het toestel en/of de prestatie uit hoofde van de toestelkredietovereenkomst) en de daarmee corresponderende vordering ter zake waarvan omzetbelasting is voldaan. De aanwezigheid van een fiscale eenheid speelt daarbij geen rol; een benadering op subjectniveau staat voorop.1.
Het Hof verbindt in deze uitspraak aan het aanmerken als fiscale eenheid voor de omzetbelasting gevolgen die mede de contractuele rechtsbetrekkingen raken die de verschillende vennootschappen (onderdelen van de fiscale eenheid) met derden zijn aangegaan. Hiermee worden echter veel te verstrekkende gevolgen verbonden aan het bestaan van een fiscale eenheid.
De gevolgen van een fiscale eenheid zijn enerzijds dat de fiscale eenheid jegens de belastingdienst als enige belastingplichtige optreedt en anderzijds dat er geen fiscale gevolgen worden verbonden aan onderlinge transacties tussen de onderdelen van de fiscale eenheid. De benadering van het Hof gaat beduidend verder en is een soort vereenzelviging c.q. ontkenning van het bestaan van de verschillende vennootschappen in juridisch en economisch opzicht. Zie ook conclusie A-G Kokott in de zaak Kaplan (met mijn cursivering), ECLI:EU:C:2020:302:
- ‘40.
Bij een belastingheffing over elke schakel in de handelsketen met recht op aftrek van voorbelasting, komt de administratieve vereenvoudiging er in wezen op neer dat voor diensten binnen de groep geen facturen (met vermelding van btw) moeten worden uitgeschreven.
Bovendien moet niet elk lid van de groep een eigen belastingaangifte (met berekening van verschuldigde belasting en vooraftrek) indienen, maar wordt er slechts één belastingaangifte door het ‘opperhoofd’ van de groep opgemaakt en ingediend. Bijgevolg moet de belastingdienst niet langer een groot aantal aangiften controleren maar alleen nog de aangifte afhandelen van één belastingplichtige die uiteindelijk aansprakelijk is voor de btw-schulden van alle leden van zijn groep.
- 41.
Het feit dat artikel 11 van de btw-richtlijn voornamelijk een administratieve vereenvoudiging voor de belastingplichtigen en de belastingdienst beoogt, impliceert tevens dat dit artikel uitsluitend ziet op de verhouding van de belastingplichtige (en de nauw met hem verbonden personen) tot de belastingdienst.’
Met de door het Hof onder 5.4.1 en 5.4.2 gegeven uitleg wordt deze ‘beperkte’ betekenis van de fiscale eenheid volledig miskend. Zo mogen de vennootschappen [A] en [B] niet met elkaar worden vereenzelvigd en evenmin mogen de verschillende contracten bestaande uit de abonnementsdiensten, de levering van het mobiele toestel en het verstrekken van het toestelkrediet op één hoop worden geveegd.
Met de door het Hof voorgestane benadering verdampen de onderscheidene civiele verhoudingen tussen de verschillende vennootschappen met een derde (de koper van de telefoon). Die laatste heeft een leveringsovereenkomst en een leenovereenkomst. De economische (en boekhoudkundige) werkelijkheid is dat de koper nog slechts een leenschuld heeft. Intern bij de fiscale eenheid is de verkoop als gerealiseerde omzet verwerkt door de betaling van de leningverstrekker ([B]). Het Hof miskent in dit verband dat de onderdelen van een fiscale eenheid blijven handelen als zelfstandige subjecten met hun civielrechtelijke posities ten opzichten van derden, terwijl alleen de formele afhandeling van de verschuldigde omzetbelasting geconsolideerd plaatsvindt.
Voor zover de beslissing van het Hof dat belanghebbende recht heeft op de gevraagde verminderingen van de maatstaf van heffing is gebaseerd op het feit dat [A] en [B] tot een fiscale eenheid behoren, kan die rechtens onjuiste motivering dan ook niet dienen als onderbouwing voor de gegeven beslissing. Dienaangaande onderschrijf ik het door de Rechtbank in deze procedure gestelde onder punt 17:
- ‘17.
Zoals hiervoor is geoordeeld vormen de levering van het toestel en de verstrekking van het toestelkrediet afzonderlijke prestaties die door verschillende rechtspersonen aan de afnemer worden verricht en maakt de omstandigheid dat die rechtspersonen voor de omzetbelasting een fiscale eenheid zijn dat niet anders.’
Het oordeel van het Hof op dit punt vindt in mijn optiek dan ook geen steun in het recht dan wel acht ik onbegrijpelijk.
Ad II.
In dit geval gaat het om de duiding van ‘betaling’ en ‘niet-betaling’ in de zin van artikel 29 van de Wet OB. De toepassing van artikel 29 van de Wet OB (juncto artikel 90 van de Btw-richtlijn) verlangt dat de maatstaf van heffing wordt verlaagd telkens wanneer de belastingplichtige na het sluiten van een overeenkomst de tegenprestatie geheel of gedeeltelijk niet ontvangt. Het is daarom van belang om te beoordelen welke vordering op grond van welke overeenkomst niet wordt betaald. Dit volgt onder andere ook uit het X-Beteiligungsgesellschaft-arrest en het Euler Hermes-arrest van het Hof van Justitie EU.2.
In dat kader volgt uit de processtukken — waar in cassatie ook vanuit kan worden gegaan — dat, zoals de Rechtbank in overwegingen 17 en 18 van haar uitspraak in eerste aanleg heeft vastgesteld, de rechtsbetrekkingen niets anders kunnen betekenen dan dat [A] na het sluiten van de toestelkredietovereenkomst door de consument met [B], geen vordering op de consument meer heeft uit hoofde van de levering van het toestel. Uit de overgelegde bewijsstukken volgt dat enkel [B] nog een vordering op de consument heeft uit hoofde van de gesloten toestelkredietovereenkomst.3.
Uit het samenstel van de overeenkomsten volgt dat de consument de facto dus geen vergoeding jegens de toestelverkoper ([A]) meer is verschuldigd voor de levering van het toestel, maar enkel nog een betaalverplichting heeft jegens [B] uit hoofde van de kredietovereenkomst. Dit komt ook duidelijk naar voren in de artikelen 5 en 7 van de toestelkredietovereenkomst, waarin is verwoord dat periodieke betalingen eerst en uitsluitend in mindering worden gebracht op de opeisbare vorderingen van [B] uit hoofde van de toestelkredietovereenkomst en dus niet in mindering worden gebracht op de vordering van [A] uit hoofde van de levering van het toestel.
De consument heeft ter zake van het toestelkrediet uitsluitend een schuld jegens [B]. Indien een consument na herhaaldelijke acties niet voldoet aan haar betalingsverplichtingen en voor een periode van twee maanden in gebreke is, wordt het resterende bedrag van de kredietovereenkomst door de consument in één keer verschuldigd.
In dit verband wijs ik, in navolging van de Inspecteur in zijn verweerschriften, ten overvloede nog op het volgende. [B] verstrekt ook renteloos consumentenkrediet aan consumenten, indien niet [A] maar een derde (detailhandelaar) het toestel levert. In dat geval betaalt [A] het gefinancierde toestelbedrag, inclusief de verschuldigde omzetbelasting terzake van de levering van het toestel, aan de detailhandelaar, zodat de detailhandelaar niets meer van de consument te vorderen heeft uit hoofde van de levering van het toestel. Enkel [B] (en dus niet [A]) heeft met betrekking tot het geleverde en gefinancierde toestel alsdan een vordering op de consument: de vordering uit hoofde van de toestelkredietovereenkomst. Bij gehele of gedeeltelijke niet- betaling bestaat in die situatie óók geen recht op teruggaaf op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wet OB.
De vastgestelde feiten laten dan ook geen andere conclusie toe dan dat de vordering van de toestelverkoper ([A]) teniet is gegaan nu deze (bevrijdend) is betaald, althans de consument is in ieder geval niet langer de overeengekomen prijs aan de leverancier ([A]) verschuldigd maar heeft een betaalverplichting aan een derde ([B]). Wat resteert is een vordering van [B] uit hoofde van een kredietovereenkomst voor de (terug)betaling van het toestelkrediet. Dat is een vordering uit hoofde van een andere transactie (de kredietovereenkomst). Dusdoende is de conventionele vordering die bij verkoop zou ontstaan onmiddellijk vervangen door een vordering van een leenschuld aan een andere vennootschap ([B]), welke laatste verhouding zich afspeelt in de vrijgestelde omzetbelasting-sfeer en daarmee ook buiten het bereik van artikel 29 van de Wet OB.
Dat niet [A] maar enkel [B] met betrekking tot het geleverde en gefinancierde toestel nog een vordering (uit hoofde van de gesloten toestelkredietovereenkomst) op de consument heeft, blijkt voorts uit het feit dat [B] als (mede)contractpartij de vorderingen uit hoofde van de toestelkredietovereenkomst cedeert aan incassobureaus. Nu enkel nog [B] uit hoofde van de toestelkredietovereenkomst iets van de consument te vorderen heeft, komt aan [A]/belanghebbende géén recht op teruggaaf toe met betrekking tot een (gedeeltelijk) niet betaalde vordering uit hoofde van de levering van het toestel.
Hierbij verwijs ik ook naar de vaste jurisprudentie van uw Raad dat bij omzetting van een koopschuld in een leenschuld sprake is van ‘betaling’ van de koopschuld. Tegen die achtergrond doet zich dan ook niet de situatie voor dat de belastingdienst uit hoofde van de omzetbelasting méér heeft ontvangen dan de prestatieverrichter zelf heeft geïnd.4. Ik wijs onder andere op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 20085., waarin het volgende is overwogen:
‘(…) Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat met betrekking tot schuld B schuldvernieuwing heeft plaatsgevonden. Nu betaling in de zin van het tweede lid van artikel 29 van de Wet ook door schuldvernieuwing kan plaatsvinden, (…)’
Het Hof gaat voorbij aan deze rechtspraak van de Hoge Raad door onder meer te oordelen dat de beoordeling of sprake is van niet-betaling vanuit ‘economisch en financieel perspectief’ moet plaatsvinden en dat daarbij telkens doorslaggevend is of de presterende ondernemer uiteindelijk een bepaalde waarde van de afnemer of een derde partij heeft ontvangen. Immers, ook — of zelfs juist — bij schuldvernieuwing blijft vanuit economisch en financieel perspectief op het niveau van de ondernemer sprake van niet-betaling van de oorspronkelijke vordering. Dit resulteert volgens uw Raad echter niet in verlaging van de heffingsmaatstaf van de oorspronkelijke prestatie, omdat die vordering niet langer een opeenstapeling van prijselementen (koopschuld) vormt, maar de hoofdsom van een schuld met een ander karakter (leenschuld) is geworden. Die afweging maakt het Hof in deze zaak ten onrechte niet. Het ‘economische en financiële’ uitgangspunt van het Hof maakt zo het leerstuk ‘schuldvernieuwing’ — voor wat betreft de werking van artikel 29 van de Wet OB — tot een dode letter.
De gehele of gedeeltelijke niet betaling van de vordering uit hoofde van het verleende toestelkrediet vermindert dan ook geenszins de heffingsmaatstaf van de vordering uit hoofde van de levering van het goed.
Overigens impliceert het door mij gestelde in dit middel dus ook dat onder omstandigheden bij een eenmanszaak of één vennootschap die een bepaald samenstel van overeenkomsten aangaat waarbij een kredietovereenkomst in de plaats wordt gesteld van de directe vordering die voortvloeit uit een koopovereenkomst, moet worden beoordeeld of daarmee het karakter van de schuld is veranderd op een manier die gevolgen heeft voor het recht op teruggaaf ex artikel 29, eerste lid, Wet OB. Essentiële betekenis zal mijns inziens in een dergelijke situatie met name toekomen aan de duiding of de verschillende overeenkomsten als één of meer prestaties voor de omzetbelasting dienen te worden aangemerkt en welke kwalificatie daaraan dient te worden toegekend.
In wezen komt mijn benadering overeen met de door de Rechtbank aangehouden zienswijze, waarin het volgende is overwogen:
- ‘17.
Zoals hiervoor is geoordeeld vormen de levering van het toestel en de verstrekking van het toestelkrediet afzonderlijke prestaties die door verschillende rechtspersonen aan de afnemer worden verricht en maakt de omstandigheid dat die rechtspersonen voor de omzetbelasting een fiscale eenheid zijn dat niet anders. Blijkens de factuur ter zake van de levering van de telefoon door X BV wordt de levering (geheel of gedeeltelijk) betaald met de op basis van de toestelkredietovereenkomst verkregen lening. [B] BV betaalt dit bedrag niet aan de afnemer, maar met deze door de afnemer geleende som wordt de koopprijs (eventueel gedeeltelijk) betaald. Dat bedrag wordt aldus door [B] BV namens de afnemer aan X BV overgedragen. Met dat bedrag (en wat hij eventueel voor het overige nog op andere wijze voldoet), heeft de afnemer op dat moment de koopsom volledig voldaan. Het vervolgens uitblijven van de betaling van de aflossingstermijnen die verschuldigd zijn op basis van de toestelkredietovereenkomst kan daarom niet worden gelijkgesteld met het (gedeeltelijk) niet-betalen van de koopprijs voor de telefoon als bedoeld in artikel 29. eerste lid, van de Wet.
- 18.
Van de afnemer kan alleen nog nakoming worden gevorderd van de aflossingsverplichtingen die voortvloeien uit de toestelkredietovereenkomst die hij heeft gesloten met [B] BV. Gesteld noch gebleken is dat de aflossingstermijnen zien op meer dan het enkel terugbetalen van wat de afnemer heeft geleend zodat geen sprake is van het niet-betalen van een vergoeding voor een prestatie van [B] BV als bedoeld in artikel 29 van de Wet. Zo er in de aflossingstermijnen al een component zou zitten die kan worden aangemerkt als vergoeding voor de kredietverlening, heeft dit evenmin tot gevolg dat er enig recht op teruggaaf op de voet van artikel 29 van de Wet zou ontstaan omdat daarin geen omzetbelasting is begrepen. Kredietverlening is immers op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel j, van de Wet vrijgesteld.
(…)
- 20.
Gelet op wat hiervoor is overwogen zijn de naheffingsaanslagen Q1 en Q3 terecht opgelegd en heeft verweerder het bezwaar tegen de voldoening op aangifte Q4 terecht afgewezen. De beroepen dienen ongegrond te worden verklaard.’
Het Hof heeft het door mij gestelde in dit cassatiemiddel miskend, waarmee de uitspraak van het Hof geen steun vindt in het recht dan wel onbegrijpelijk is. De door het Hof gegeven beslissing dat belanghebbende onder de gegeven omstandigheden op de voet van artikel 29, eerste lid, Wet OB recht heeft op de gevraagde verminderingen van de maatstaf van heffing acht ik dan ook onjuist.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 24‑04‑2026
HvJ 28 oktober 2021, C-324/20 (X-Beteiligungsgesellschaft), ECLI:EU:C:2021:880, punt 60 en HvJ 9 februari 2023, C-482/21 (Euler Hermes), ECLI:EU:C:2023:83, punten 32, 33 en 36.
Zie o.a. bijlage 35 behorende bij het verweerschrift in eerste aanleg inzake de cessie van vorderingen door [A] en bijlage 51 bij het verweerschrift in eerste aanleg inzake de outsourcing van ‘monthly billing, collection and dunning of the instalment plan related to the mobile Device’ door [B] aan [A].
HvJ 12 oktober 2017, C-404/16 (Lombard Ingatlan Lfzing), ECLI:EU:C:2017:759, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak
HR 11 juli 2008, nr. 41335, ECLI:NL:HR:2008:AY5990, r.o. 3.3.
Uitspraak 24‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; art. 8, lid 1, en art 29, lid 1, Wet op de omzetbelasting 1968; verkoop van telefoontoestel in combinatie met kredietverstrekking aan consumenten; niet-betalen van aflossingstermijnen; vaststellen van rechtstreeks verband tussen afgesproken kredietbetalingen en de prijs voor het telefoontoestel; relevantie van het zijn van fiscale eenheid.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/03058
Datum 24 april 2026
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
de fiscale eenheid [X] C.S. (hierna: belanghebbende).
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 juni 2023, nrs. BK-22/00596 tot en met BK-22/005981., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 20/4658, SGR 20/4669 en SGR 20/4695) betreffende aan belanghebbende over de tijdvakken 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018 en 1 juli 2018 tot en met 30 september 2018 opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente, en betreffende het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2018.
1. Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.Belanghebbende, vertegenwoordigd door M. Morawski en T. van Luijt, heeft een verweerschrift ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende is een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Haar leden verrichten leveringen en diensten op het gebied van telecommunicatie. Tot belanghebbende behoren onder meer [A] B.V. (hierna: [A] BV) en [B] B.V. (hierna: [B] BV).
2.2
[A] BV verkoopt telefoonabonnementen aan consumenten. Bij het afsluiten van een telefoonabonnement wordt consumenten de gelegenheid geboden een mobiel telefoontoestel te kopen. Indien de consument van die gelegenheid gebruik maakt, heeft hij de keuze het aankoopbedrag voor het telefoontoestel in één keer te betalen dan wel voor het aankoopbedrag een lening aan te gaan (hierna ook: toestelkrediet).
2.3
Met ingang van 1 januari 2017 is voor telecomoperators de wettelijke verplichting ingevoerd om bij het aan consumenten verstrekken van een telefoonabonnement in combinatie met een telefoontoestel, die consumenten inzage te geven in de prijs van het toestel. Wanneer de consument bij het aangaan van zo’n telefoonabonnement niet in één keer de aanschafkosten voor het toestel betaalt, zijn de in de Wet op het financieel toezicht neergelegde regels voor kredietverlening van toepassing. In verband met die wettelijke verplichting en toepasselijke regels voor kredietverlening heeft [B] BV bij de Autoriteit Financiële Markten een vergunning aangevraagd en verkregen voor het verstrekken van krediet aan consumenten.Wanneer een consument bij [A] BV een telefoonabonnement afsluit en kiest voor aankoop van een telefoontoestel in combinatie met een lening wordt [B] BV in de daarbij verstrekte ‘Standaardinformatie inzake consumptief krediet’ vermeld als aanbieder van het krediet en is het krediet omschreven als ‘(goederen)krediet’; daarnaast is daarin vermeld dat voor het krediet geen rente of kosten in rekening worden gebracht. Het toestelkrediet moet gedurende de contractduur van het telefoonabonnement in maandelijkse termijnen worden afgelost.
2.4
Een consument die zowel een telefoonabonnement afsluit als een telefoontoestel koopt in combinatie met een toestelkrediet, sluit met zowel [A] BV als met [B] BV een overeenkomst. Deze overeenkomsten zijn vervat in één document. Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“OVERZICHT VAN JE OVEREENKOMSTEN MET [ [A] BV] EN [ [B] BV]
(...) Overeenkomst voor mobiele telefonie (hierna: Abonnement) met [ [A] BV] en Kredietovereenkomst voor je toestel (hierna: Toestelkredietovereenkomst) met [ [B] BV].(…)
Betalingsinformatie contractant
Rekeningnummer: (…)
Doorlopende SEPA machtiging - Door ondertekening van deze overeenkomsten geef je tot wederopzegging toestemming aan [ [A] BV] mede namens [ [B] BV] (...) en je bank om van bovengenoemde bankrekening bedragen af te schrijven wegens geleverde telecommunicatiediensten en -apparatuur.
(...)
Toestelkredietovereenkomst
(…)
Maandelijkse betaling toestelkrediet: (…)
De bovengenoemde kredietbetalingen voor je toestelkrediet worden via je maandfactuur in rekening gebracht. (...)Bij aanschaf van een toestel die je (gedeeltelijk) in termijnen gaat betalen, ga je een Toestelkredietovereenkomst aan met [ [B] BV]. Op je Toestelkredietovereenkomst zijn de Toestelkredietvoorwaarden van toepassing. Door ondertekening van deze Overeenkomst verklaar je kennis te hebben genomen van deze voorwaarden en ga je daarmee akkoord. (...).”
2.5
In de Toestelkredietvoorwaarden is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“1. Definities:
[X] : [ [A] BV] (...) en/of [ [B] BV] (...).[ [B] BV] is een bij de AFM geregistreerde instelling onder nummer (…). Onder deze vergunning mag [ [B] BV] consumentenkredieten aanbieden. (…).Toestelkredietovereenkomst: wanneer de Klant in termijnen voor het Toestel betaalt, sluit de Klant een Toestelkredietovereenkomst af.Overeenkomst voor mobiele telefonie: de overeenkomst voor mobiele telefonie (hierna Abonnement) waarop de Algemene Voorwaarden Abonnee Consument op van toepassing zijn. Het Abonnement staat los van de Toestelkredietovereenkomst.
2. Toepasselijkheid Toestelkredietvoorwaarden
Wanneer de Klant in termijnen voor het Toestel betaalt, sluit de Klant een Toestelkredietovereenkomst met [X] af. Deze Toestelkredietvoorwaarden zijn van toepassing op elk aanbod voor een Toestelkredietovereenkomst van [ [A] BV] en [ [B] BV] (hierna apart en gezamenlijk te noemen “ [X] ”) en op de levering en betaling van een telefoon of tablet (“Toestel”) op basis van een tussen [X] en de Klant gesloten Toestelkredietovereenkomst.De Toestelkredietovereenkomst wordt gesloten naast en los van het Abonnement op basis waarvan [X] haar (Aanvullende) Diensten zoals bellen en internet levert en waarop de Algemene Voorwaarden [ [A] BV] Abonnee Consument van toepassing zijn (“Abonneevoorwaarden”). De in deze Toestelkredietvoorwaarden met een hoofdletter geschreven begrippen hebben dezelfde betekenis zoals gedefinieerd in de abonneevoorwaarden tenzij in deze Toestelkredietvoorwaarden afwijkende definities zijn opgenomen. De Abonneevoorwaarden zijn aanvullend van toepassing op de Toestelkredietovereenkomst. Bij strijdigheden tussen de Abonneevoorwaarden en deze Toestelkredietvoorwaarden, hebben deze Toestelkredietvoorwaarden voorrang.Tenzij in deze Toestelkredietvoorwaarden anders vermeld, hebben feiten en omstandigheden die van invloed zijn op de Overeenkomst voor mobiele telefonie en de rechten en plichten die daaruit voortvloeien geen invloed op de rechten en plichten van partijen onder het Toestelkredietovereenkomst. Andersom geldt hetzelfde.
3. Totstandkoming Toestelkredietovereenkomst
De Toestelkredietovereenkomst komt tegelijkertijd met het Abonnement tot stand, op het moment dat [X] de aanvraag heeft aanvaard. Het (digitale) aanvraagformulier dient correct te zijn ingevuld.
4. Duur Toestelkredietovereenkomst
De Toestelkredietovereenkomst wordt aangegaan voor een contractperiode van 12 of 24 maanden en heeft dezelfde duur als het Abonnement. De Toestelkredietovereenkomst eindigt van rechtswege zodra de Klant alle aan [X] uit hoofde van de Toestelkredietovereenkomst verschuldigde maandelijkse betalingen toestelkrediet heeft gedaan.
5. Betaling toestelkrediet
(...) Deze maandelijkse betalingen toestelkrediet staan los van de uit hoofde van het Abonnement verschuldigde Gebruikskosten.De eerste periodieke betaling toestelkrediet voor het Toestel wordt bij aanvang van de Toestelkredietovereenkomst de Klant gefactureerd en (...) gedurende de overeengekomen periode (...) in termijnen bij de Klant in rekening gebracht via de periodieke factuur als bedoeld in de abonneevoorwaarden. (…)
7. Betaling
Betalingen van de Klant aan [X] worden eerst in mindering gebracht op de opeisbare vorderingen (…) uit hoofde van de Toestelkredietovereenkomst en vervolgens op de opeisbare vorderingen uit hoofde van het Abonnement. (...)
10. Eigendom toestel
Het Toestel wordt bij aflevering aan de Klant in onvoorwaardelijk eigendom overgedragen.”
2.6
[B] BV en [A] BV hebben een ‘Outsourcing Agreement’ gesloten. Op grond hiervan zorgt [A] BV ten behoeve van [B] BV onder meer voor:
“Monthly billing, collection and dunning of the instalment plan related to the mobile Device”.
2.7
[A] BV reikt na het sluiten van de hiervoor in 2.4 vermelde overeenkomsten aan de consument een factuur uit voor de levering van het telefoontoestel. Wanneer een telefoontoestel (deels) is gefinancierd met een toestelkrediet van [B] BV, wordt op die factuur het bedrag van dit krediet als ‘betaling’ vermeld.Op die factuur staat verder vermeld dat de maandelijkse aflossingen van het toestelkrediet in rekening zullen worden gebracht op de maandelijkse factuur waarbij de kosten van het telefoonabonnement in rekening worden gebracht.
2.8
Ter zake van de leveringen van telefoontoestellen aan consumenten voldoet belanghebbende op aangifte omzetbelasting over de vergoeding die zij ter zake van die leveringen op de hiervoor in 2.7 bedoelde factuur in rekening heeft gebracht. Een deel van de consumenten betaalt nadien (een deel van) de maandelijkse termijnen van het toestelkrediet niet. Belanghebbende heeft de omzetbelasting ter zake van leveringen van telefoontoestellen die volgens haar in de niet-betaalde aflossingstermijnen is begrepen, bij de aangiften over het eerste en het derde kwartaal van 2018 in mindering gebracht op de door haar over die tijdvakken verschuldigde omzetbelasting. Bij de aangifte over het vierde kwartaal van 2018 heeft belanghebbende die vermindering niet toegepast maar heeft zij de Inspecteur bij het bezwaarschrift tegen de voldoening op aangifte verzocht om haar op de voet van artikel 29, lid 1, van de Wet een teruggaaf van omzetbelasting te verlenen.
2.9
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende de over de hiervoor in 2.8 vermelde tijdvakken verschuldigde omzetbelasting niet mocht verminderen met bedragen aan omzetbelasting ter zake van niet-betaalde termijnen. Volgens de Inspecteur kan artikel 29, lid 1, van de Wet niet van toepassing zijn op de door de consument geheel of gedeeltelijk niet-betaalde maandelijkse termijnen omdat deze termijnbedragen geen verband houden met eerder door [A] BV geleverde telefoontoestellen, maar met het niet-nakomen van de verplichtingen die voortvloeien uit de door [B] BV met de consumenten gesloten toestelkredietovereenkomsten. Hij heeft op die grond de onderhavige naheffingsaanslagen over het eerste en het derde kwartaal van 2018 aan belanghebbende opgelegd en het verzoek om teruggaaf met betrekking tot het vierde kwartaal van 2018 afgewezen.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende bij gehele of gedeeltelijke niet-betaling van de termijnen van het toestelkrediet op de voet van artikel 29, lid 1, van de Wet recht heeft op teruggaaf van omzetbelasting. Het geschil spitste zich toe op de vraag of de vergoeding voor de levering van het telefoontoestel is ontvangen.
3.2.1
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in gevallen van niet-betaling van (een deel van) de maandelijkse termijnen de maatstaf van heffing ter zake van de levering van de telefoontoestellen op de voet van artikel 29, lid 1, van de Wet moet worden verlaagd.
3.2.2
Het Hof heeft daartoe vooropgesteld dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over artikel 90, lid 1, van BTW-richtlijn 2006, waaraan artikel 29 van de Wet uitvoering geeft, volgt dat voor het verlagen van de maatstaf van heffing van belang is dat de oninbare vordering en de aan omzetbelasting onderworpen prestatie een rechtstreeks verband hebben. Dit verband moet volgens het Hof vooral vanuit economisch en financieel perspectief worden beoordeeld.Volgens het Hof moet, gelet op doel en strekking van de vorming van een fiscale eenheid, geen onderscheid worden gemaakt binnen deze belastingplichtige. Aangezien [A] BV en [B] BV tot een fiscale eenheid behoren, zijn zij volgens het Hof voor de heffing van btw geen te onderscheiden belastingplichtigen. Een fiscale eenheid is een bijzonder soort belastingplichtige, die uitsluitend voor btw-doeleinden bestaat. Zij is gebaseerd op de werkelijke financiële, economische en organisatorische verwevenheid van personen. Terwijl ieder groepslid zijn eigen rechtsvorm behoudt, krijgt de figuur van de fiscale eenheid, uitsluitend voor btw-doeleinden, voorrang boven rechtsvormen naar bijvoorbeeld het civiele of het vennootschapsrecht, aldus het Hof met verwijzing naar punt 76 van het arrest van het Hof van Justitie van 1 december 2022, Norddeutsche Gesellschaft für Diakonie mbH, C-141/20, ECLI:EU:C:2022:943 (hierna: het arrest Norddeutsche Gesellschaft für Diakonie). Waar BTW-richtlijn 2006 spreekt van “de belastingplichtige” wordt volgens het Hof belanghebbende bedoeld, en niet [A] BV of [B] BV. Het maakt voor de heffing van omzetbelasting dan ook niet uit wie het telefoontoestel aan de consument levert, [A] BV of [B] BV. Deze economische prestatie wordt aan belanghebbende toegerekend, aldus het Hof.
3.2.3
Het Hof heeft uit een verklaring van belanghebbende afgeleid dat zij een geconsolideerde boekhouding voert en dat daarin de oninbare vorderingen zijn opgenomen. Dit zijn bedragen die belanghebbende van een derde (de consument) moet verkrijgen, maar niet krijgt. Uit de totale van deze derde te verkrijgen vergoeding (prijs van het telefoontoestel) heeft belanghebbende omzetbelasting betaald. Als zij een deel daarvan of de gehele vergoeding niet krijgt, ontvangt de Belastingdienst meer omzetbelasting van belanghebbende dan belanghebbende van de consument ontvangt. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 15 mei 2014, Almos Agrárkülkereskedelmi, C-337/13, ECLI:EU:C:2014:328, alsmede uit een hele reeks andere arresten over artikel 90 van BTW-richtlijn 2006 over bijvoorbeeld cadeaubonnen, waardebonnen en kortingen volgt volgens het Hof dat dit in strijd is met BTW-richtlijn 2006. Het Hof benadrukt hierbij dat indien belanghebbende geen geconsolideerde boekhouding had gevoerd, dit voor de uitkomst van het geschil geen verschil zou hebben gemaakt. Voor de heffing van omzetbelasting dienen immers alle geld- en goederenbewegingen en diensten binnen een fiscale eenheid buiten beschouwing te blijven, aldus nog steeds het Hof.
3.3
Het Hof heeft de naheffingsaanslagen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente vernietigd en de Inspecteur opgedragen aan belanghebbende over het vierde kwartaal van 2018 een teruggaaf te verlenen.
4. Beoordeling van de middelen
4.1
Middel I is gericht tegen de hiervoor in onderdeel 3 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel betoogt dat het Hof in strijd met het recht dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen heeft geoordeeld dat het niet uitmaakt wie het telefoontoestel aan de consument levert, [A] BV of [B] BV, omdat deze vennootschappen deel uitmaken van een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet. Het Hof heeft volgens het middel veel te verstrekkende gevolgen verbonden aan de aanwezigheid van een fiscale eenheid door voorbij te gaan aan de onderscheiden contractuele verhoudingen van de verschillende tot de fiscale eenheid behorende vennootschappen met derden.
4.2.1
Bij de beoordeling van dit middel stelt de Hoge Raad het volgende voorop.
4.2.2
Ter zake van de levering van een goed onder bezwarende titel wordt op grond van artikel 8, lid 1, van de Wet de verschuldigde omzetbelasting berekend over de vergoeding. Daaronder wordt volgens artikel 8, lid 2, van de Wet verstaan het totale bedrag dat als tegenprestatie voor een levering van een goed of dienst in rekening wordt gebracht, de omzetbelasting niet daaronder begrepen.In het geval dat de in rekening gebrachte vergoeding geheel of gedeeltelijk niet wordt betaald nadat de levering of dienst is verricht, brengt artikel 29, lid 1, van de Wet met zich dat de maatstaf van heffing dienovereenkomstig wordt verlaagd en ontstaat voor de ondernemer in zoverre recht op teruggaaf van de door hem voldane belasting.
4.2.3
De in artikel 8, lid 1, van de Wet bedoelde maatstaf van heffing voor een levering van een goed of een dienst veronderstelt de aanwezigheid van een rechtstreeks verband tussen die prestatie en de vergoeding.2.Dit brengt met zich dat ook voor een verlaging van de maatstaf van heffing waarop artikel 29, lid 1, van de Wet ziet, moet vaststaan dat een rechtstreeks verband bestaat tussen de in rekening gebrachte vergoeding die geheel of gedeeltelijk niet is betaald en de prestatie waarvoor die vergoeding de tegenwaarde vormt.
4.3.1
Middel I voert terecht aan dat wat betreft leveringen en diensten die voor de heffing van omzetbelasting worden geacht te zijn verricht door een fiscale eenheid, voor toepassing van artikel 29, lid 1, van de Wet nog steeds het hiervoor in 4.2.3 bedoelde rechtstreekse verband moet komen vast te staan. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat het vanuit juridisch oogpunt niet de fiscale eenheid is die de contractuele betrekkingen met derden aangaat, maar dat het de leden van die eenheid zijn die jegens derden de contractuele betrekkingen aangaan die bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of een rechtstreeks verband bestaat tussen de verrichte prestatie en de daarvoor in rekening gebrachte vergoeding. Uit die contractuele betrekking moet volgen waarvoor of waarom de afnemer is gehouden te betalen.
4.3.2
Het oordeel van het Hof dat het hiervoor in 4.3.1 bedoelde rechtstreekse verband vooral vanuit economisch en financieel perspectief moet wordt beoordeeld, vindt geen steun in het recht, ook niet wanneer in aanmerking wordt genomen het oordeel van het Hof van Justitie in punt 76 van het arrest Norddeutsche Gesellschaft für Diakonie dat de figuur van de btw-groep, uitsluitend voor btw-doeleinden, voorrang heeft boven rechtsvormen naar bijvoorbeeld het civiele recht of het vennootschapsrecht. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie over het karakter van de btw-groep is af te leiden dat de gelijkstelling van een btw-groep met één enkele belastingplichtige meebrengt dat alle prestaties onder bezwarende titel die de individuele leden van de fiscale eenheid juridisch gezien jegens derden verrichten, voor de heffing van omzetbelasting moeten worden aangemerkt als prestaties van de fiscale eenheid als de enige belastingplichtige3., en dat een lid van de fiscale eenheid niet individueel kan worden beschouwd als een andere belastingplichtige dan de belastingplichtige die wordt gevormd door de fiscale eenheid zodat alle prestaties onder bezwarende titel tussen leden van een en dezelfde fiscale eenheid niet aan omzetbelasting zijn onderworpen4..
4.3.3
Uit die rechtspraak valt echter – buiten redelijke twijfel – niet af te leiden dat voor de toepassing van artikel 29, lid 1, van de Wet de hiervoor in 4.3.2 bedoelde gelijkstelling meebrengt dat het niet ertoe doet waarvoor of waarom de afnemer jegens een lid van een btw-groep is gehouden op vordering te betalen. Anders dan het Hof heeft aangenomen, valt dat gevolg niet af te leiden uit de regel dat een prestatie die juridisch gezien door een lid van de fiscale eenheid jegens een derde onder bezwarende titel wordt verricht, voor de heffing van omzetbelasting wordt aangemerkt als een prestatie van de fiscale eenheid.5.De door het Hof aangenomen regel dat alle geld- en goederenbewegingen en diensten binnen de fiscale eenheid voor de heffing van omzetbelasting buiten beschouwing moeten blijven, gaat op voor prestaties onder bezwarende titel tussen leden van een en dezelfde fiscale eenheid. Het is eveneens buiten redelijke twijfel dat deze regel geen betekenis heeft voor aan de fiscale eenheid toe te rekenen prestaties onder bezwarende titel jegens derden. Wanneer bij de heffing van omzetbelasting voorschriften aan de orde komen waarvan de toepassing afhangt van de specifieke inhoud van de rechtsbetrekking met een derde, zoals het geval is voor artikel 29 van de Wet, blijft het ook bij de fiscale eenheid als de aangewezen belastingplichtige van belang vast te stellen op grond van welke contractuele betrekking en aan welk lid van de fiscale eenheid de afnemer van de prestatie(s) van de fiscale eenheid is gehouden te betalen.
4.3.4
Uit hetgeen hiervoor in 4.3.1 tot en met 4.3.3 is overwogen, volgt dat wanneer een fiscale eenheid als belastingplichtige vaststelt dat een vordering van een van haar leden op een derde oninbaar is, zij als de belastingplichtige artikel 29, lid 1, van de Wet slechts kan toepassen indien die vordering volgens de contractuele betrekkingen met die derde de vergoeding betreft die rechtstreeks verband houdt met de levering van het goed of het verrichten van de dienst waarvoor aan die derde omzetbelasting in rekening is gebracht die de fiscale eenheid op aangifte heeft voldaan. De stelplicht en bij betwisting de bewijslast van dit een en ander rusten op de fiscale eenheid.
4.3.5
Indien belanghebbende slaagt in de hiervoor bedoelde bewijslast, kan zij zich met recht op het standpunt stellen dat niet-betaalde termijnbedragen een deel van de vergoeding vormen die voor de levering van een telefoontoestel in rekening is gebracht, en dat dus de vergoeding voor het telefoontoestel (deels) niet is ontvangen. Alleen in dat geval zou niet-toepassing van artikel 29, lid 1, van de Wet meebrengen dat de Belastingdienst te veel omzetbelasting van belanghebbende heeft ontvangen.
4.3.6
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.3.1 tot en met 4.3.5 is overwogen, geven de hiervoor in 3.2.2 en 3.2.3 weergegeven oordelen van het Hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Middel I slaagt.
4.4
De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Middel II behoeft geen behandeling. Verwijzing moet volgen. Het verwijzingshof moet onderzoeken of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat het van de consument vorderen van de hiervoor in 2.7 bedoelde maandelijkse betalingen voor de heffing van omzetbelasting volgens de contractuele betrekkingen met die consument het vorderen van de vergoeding betreft ter zake van de levering van het telefoontoestel waarvoor aan die consument omzetbelasting in rekening is gebracht en die belanghebbende op aangifte heeft voldaan.
5. Proceskosten
5.1
De Hoge Raad ziet geen aanleiding de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten van het geding in cassatie.
5.2
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding moet worden toegekend.
5.3
Ondanks de ongegrondverklaring van de beroepen heeft de Rechtbank de Inspecteur en de Staat veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende vanwege het toekennen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase respectievelijk de beroepsfase. Indien het verwijzingshof oordeelt dat de beroepen gegrond zijn, zal het opnieuw moeten beoordelen hoe hoog de vergoeding moet zijn van de proceskosten van het geding voor de Rechtbank.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens voor zover deze betrekking heeft op de beslissing van de Rechtbank om de Inspecteur en de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase respectievelijk de beroepsfase, de beslissing van het Hof om het verzoek om vergoeding van invorderingsrente af te wijzen, en de beslissing van het Hof over de veroordeling van de Inspecteur in de kosten voor de behandeling van het bezwaar, en
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en A.J. van Doesum, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 24‑04‑2026
HvJ 3 juli 2001, Bertelsmann, C-380/99, ECLI:EU:C:2001:372, rechtsoverweging 17.
Vgl. HvJ 1 december 2022, Norddeutsche Gesellschaft für Diakonie mbH, C-141/20, ECLI:EU:C:2022:943, punten 45 tot en met 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Vgl. HvJ 11 juli 2024, Finanzamt T II, C-184/23, ECLI:EU:C:2024:599.
Vgl. HvJ 11 juli 2024, Finanzamt T II, C-184/23, ECLI:EU:C:2024:599, punten 32 tot en met 35.