Volledigheidshalve meld ik hier nog de vierde zaak betreffende de indeling van alcoholhoudende dranken die bij de Hoge Raad aanhangig is en die een andere belanghebbende betreft: zaak nummer 12/05326. Die zaak betreft een tweede cassatie in de procedure die eerder heeft geleid tot het arrest van het HvJ van 7 mei 2009, Siebrand, C-150/08, BNB 2009/160.
HR, 25-11-2016, nr. 12/05758
ECLI:NL:HR:2016:2672, Conclusie: Contrair, Conclusie: Contrair
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-11-2016
- Zaaknummer
12/05758
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:2672, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑11‑2016; (Cassatie, Uitspraak na prejudiciële beslissing)
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑10‑2014
ECLI:NL:HR:2014:3014, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑10‑2014; (Cassatie, Prejudicieel verzoek)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:924, Contrair
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2012:BY3306
ECLI:NL:PHR:2013:924, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑09‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3014, Contrair
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑02‑2013
- Vindplaatsen
NLF 2016/0806 met annotatie van Martijn Schippers
NLF 2017/0467
Douanerechtspraak 2017/21
NTFR 2016/2844 met annotatie van mr. B.A. Kalshoven
FutD 2016-2873
Viditax (FutD) 2016112508
V-N 2014/55.7 met annotatie van Redactie
Douanerechtspraak 2015/10
NTFR 2014/2674 met annotatie van mr. B.A. Kalshoven
FutD 2014-2471
Viditax (FutD) 2014102407
V-N 2013/54.8 met annotatie van Redactie
NTFR 2013/2483 met annotatie van mr. B.A. Kalshoven
DouaneUpdate 2013-0555
FutD 2013-2563
Viditax (FutD) 2013101804
Uitspraak 25‑11‑2016
Inhoudsindicatie
Accijns; art. 11b en 12 van de Wet op de accijns; posten 2206 en 2208 van de GN; tariefindeling van een door gisting verkregen en vervolgens gezuiverde alcoholhoudende drank die wat betreft smaak, geur en kleur neutraal is alsmede tariefindeling van een alcoholhoudende drank, bereid op basis van een gegiste en vervolgens gezuiverde alcoholhoudende drank, die vanwege toevoegingsmiddelen als suiker en aroma’s de eigenschappen en kenmerken van een likeur heeft verkregen; deze dranken worden ingedeeld in post 2208 van de GN. Vervolg op HR BNB 2014/262 en HvJ BNB 2016/173.
Partij(en)
25 november 2016
nr. 12/05758bis
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van Toorank Productions B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 2 november 2012, nrs. 09/00673 en 09/00674, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij een arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.
1. Geding in cassatie
Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 24 oktober 2014, nr. 12/05758, ECLI:NL:HR:2014:3014, BNB 2014/262, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.
Bij arrest van 12 mei 2016, Toorank Productions B.V., gevoegde zaken C-532/14 en C-533/14, ECLI:EU:C:2016:337, BNB 2016/173, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:
“1) De gecombineerde nomenclatuur in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1719/2005 van de Commissie van 27 oktober 2005 en verordening (EG) nr. 1214/2007 van de Commissie van 20 september 2007, moet aldus worden uitgelegd dat een drank zoals Ferm Fruit, die is verkregen door gisting van appelconcentraat, bestemd is om als zodanig of als basisingrediënt in andere dranken te worden geconsumeerd, neutraal is wat betreft kleur, geur en smaak als gevolg van zuivering, met name ultrafiltratie, en waarvan het alcoholvolumegehalte zonder toevoeging van gedistilleerde alcohol 16 % bedraagt, valt onder GN-post 2208.
2) De gecombineerde nomenclatuur in bijlage I bij verordening nr. 2658/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1719/2005 en verordening nr. 1214/2007, moet aldus worden uitgelegd dat dranken met een alcoholvolumepercentage van 14 % die worden bereid door aan Ferm Fruit suiker, aroma’s, kleur- en smaakstoffen, verdikkingsmiddelen en conserveermiddelen, en in een enkel geval ook room, toe te voegen, en die geen gedistilleerde alcohol bevatten, vallen onder GN-post 2208.”
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op dit arrest.
2. Nadere beoordeling van het door de Staatssecretaris in het incidentele beroep voorgestelde middel
Belanghebbende heeft in haar beroepschrift in cassatie noch in haar beantwoording van het incidentele beroep in cassatie bestreden de vaststelling van het Hof dat de door gisting verkregen basisdrank als gevolg van verschillende filteringsprocedés neutraal is geworden wat geur, kleur en smaak betreft. Uit het hiervoor in onderdeel 1 vermelde arrest van het Hof van Justitie volgt dat een dergelijke drank moet worden beschouwd als een drank die het karakter van gegiste drank heeft verloren en daarom niet onder post 2206 van de GN maar onder post 2208 van de GN wordt ingedeeld. Het middel slaagt derhalve.
3. Nadere beoordeling van de door belanghebbende in het principale beroep voorgestelde middelen
Wat betreft de dranken die zijn bereid door aan de basisdrank suiker, aroma’s, kleurstoffen, smaakstoffen, verdikkingsmiddelen en/of conserveer-middelen en in een enkel geval ook (een) room(base) toe te voegen, heeft de Hoge Raad in 5.5 van zijn hiervoor in onderdeel 1 vermelde arrest overwogen dat, wanneer na beantwoording van de prejudiciële vragen komt vast te staan dat de basisdrank niet onder post 2206 van de GN wordt ingedeeld maar onder post 2208 van de GN, het ervoor kan worden gehouden dat deze dranken bij afwezigheid van een in post 2206 van de GN voorkomend bestanddeel – met toepassing van algemene indelingsregel 3b – ook onder post 2208 van de GN moeten worden ingedeeld, aangezien het wezenlijke karakter van de dranken wordt bepaald door de alcohol en niet door de hiervoor vermelde overige bestanddelen.
Aangezien de basisdrank, gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 2 is overwogen, wordt ingedeeld onder post 2208 van de GN, falen de middelen 1 en 4.
4. Slotsom
Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 2 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Het door belanghebbende voorgestelde middel 6 behoeft geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Rechtbank, en
verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2016.
Beroepschrift 24‑10‑2014
AANTEKENEN
Hoge Raad der Nederlanden
Belastingkamer
Postbus 20303
2500 EH DEN HAAG
[…]
Betreft: Beroep in cassatie tegen uitspraak Gerechtshof 's‑Hertogenbosch d.d. 2 november 2012 Kenmerk Hof BK-SHE 09/00673 en BK-SHE 09/00674
Geacht College,
Ondergetekende, [C], in zijn hoedanigheid van bevoegd bestuurder van [X] B.V., gevestigd te [Z], hierna te noemen belanghebbende, stelt hierbij beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch (hierna Hof) d.d. 2 november 2012, kenmerk BK-SHE 09/00673 en BK-SHE 09/00674 (bijlage 1).
Omschrijving uitspraak waartegen beroep in cassatie; toelichting
Belanghebbende en Belastingdienst/[R], hebben in goed overleg gemeend hun verschil van inzicht zo snel mogelijk aan de bevoegde rechter voor te leggen, teneinde rechtszekerheid te verkrijgen.
Het verschil van inzicht betreft de vraag hoe men een drank, volledig bestaande uit 100%-vergiste drank waaraan is toegevoegd water, suiker, (natuurlijke) geur-, kleur- en smaakstoffen en in een enkel geval room, moet indelen volgens de Gecombineerde Nomenclatuur (GN).
Gelet op de aanzienlijke commerciële en financiële belangen zijn Belastingdienst/[R] en belanghebbende overeengekomen hun verschil van inzicht middels een versnelde procedure aan de bevoegde rechter voor te leggen teneinde middels deze ‘proefprocedure’ duidelijkheid te verkrijgen over de toepassing van de GN.
In de context van de ‘proefprocedure’ dient men dit beroep in cassatie in samenhang te zien met het gelijktijdig ingezonden beroep in cassatie tegen de uitspraak van Gerechtshof 's‑Hertogenbosch d.d. 2/112012, kenmerk BK-SHE 08/00581.
Voor enig inzicht in de commerciële en financiële belangen wijst belanghebbende erop dat in 2007 t/m 2010 e Nederlandse omzet van dit type dranken ca. € 2.500.000,= per jaar bedraagt.
Voor de Nederlandse omzet bedraagt in de jaren t/m 2010 het accijnsbelang ca. € 2.000.000,=.
Op 3 december 2008 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag accijns over het tijdvak 1/20/2008 t/m 31/10/2008 opgelegd tot een bedrag van € 77,61.
Rechtbank Breda merkt van de in geschil zijnde dranken uitsluitend de drank ‘FermFruit’ aan als een ‘niet mousserend tussenproduct’ als bedoeld in art. 11b WA en vermindert de naheffingsaanslag tot € 72,50.
Belanghebbende bestrijdt in hoger beroep dat deel van de naheffingsaanslag waarvoor belanghebbende door de Rechtbank Breda niet in het gelijk is gesteld (Kenmerk Hof 09/00673). Dit betreft dus de in punt 2.4 uitspraak Hof genoemde dranken met uitzondering van de drank ‘FermFruit’.
Belastingdienst/Douane bestrijdt aansluitend in hoger beroep eveneens de uitspraak van de Rechtbank Breda, waarbij de drank FermFruit als een ‘niet mousserend tussenproduct’ wordt aangemerkt (kenmerk Hof 09/00674).
Bij uitspraak d.d. 2 november 2012 heeft het Hof uitspraak gedaan in zowel het hoger beroep van belanghebbende (kenmerk Hof 09/00673) als het hoger beroep van Belastingdienst/[P] (kenmerk Hof 09/00674) tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda d.d. 16/10/2009 (kenmerk AWB 09/2334).
Het Hof bevestigt, overigens op andere overwegingen, de uitspraak van Rechtbank Breda.
Bij het Hof is gelijktijdig met de hier genoemde hoger beroep zaken, het beroep van Belastingdienst/Douane met kenmerk BK-SHE 08/00581 behandeld.
Het beroepschrift in cassatie van belanghebbende richt zich tegen het oordeel van het Hof om de in r.o. 2.4 van de uitspraak van het Hof genoemde dranken (exclusief FermFruit), hierna te noemen ‘overige dranken’ in te delen in tariefpost 2208 Gecombineerde Nomenclatuur, hierna GN, en accijns te heffen naar het tarief van art. 12 WA (‘overige alcoholhoudende producten’).
Cassatiemiddelen
Vooraf
Belanghebbende vraagt, voorafgaande aan de cassatiemiddelen, aandacht voor de ratio van berechting binnen een redelijke termijn.
Niettegenstaande het gegeven dat het EHRM art. 6 EVRM niet van toepassing acht op belastingwetten, wijst belanghebbende erop dat de duur van behandeling bij het Gerechshof 's‑Hertogenbosch (datum beroepschrift 30 november 2009/datum uitspraak 2 november 2012/looptijd ca. 3 jaar) de grenzen der redelijkheid heeft overschreden.
Het feit dat Belastingdienst/[P] en belanghebbende tevoren een versnelde rechtsgang waren overeengekomen, maakt deze duur van deze behandeling nog schrijnender. Het grondrecht op een voortvarende berechting komt hiermee in het gedrang.
Ten gevolge van deze lange looptijd heeft belanghebbende, vanwege de grote financiële onzekerheden, beslissingen met aanzienlijke commerciële aspecten (omzet, resultaat) moeten uitstellen.
Belanghebbende is het slachtoffer van een langdurige procesgang door het onredelijk lang uitblijven van een (duidelijke) uitspraak, waardoor hij belemmerd wordt bij de commerciële ontwikkelingen van zijn onderneming, onnodig lang grote financiële onzekerheden kent en deze onzekerheid ook overigens tot (internationale) handelsbelemmeringen heeft geleid.
Belanghebbende draagt de volgende cassatiemiddelen voor.
Cassatiemiddel 1: wettelijk kader
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder de Gecombineerde Nomenclatuur (GN) doordat het Hof de tariefposten 2206 en 2208 van de GN op onjuiste en/of onbegrijpelijke wijze heeft toegepast en/of geïnterpreteerd.
Toelichting bij cassatiemiddel 1
Het Hof heeft in r.o. 4.2 partijen gevolgd in hun standpunt dat FermFruit een drank is.
Het Hof deelt vervolgens in r.o. 4.11 de conclusie van belanghebbende, dat deze drank moet worden ingedeeld in tariefpost 2206 GN en wel op basis van regel 1 en 6 van de algemene regels voor de interpretatie van de GN (hierna GRI).
De vraag ligt thans voor of de ‘overige dranken’, dranken zijn die moeten worden ingedeeld in tariefpost 2206 of 2208 GN.
Het Hof concludeert in r.o. 4.23 dat de ‘overige dranken’, zoals benoemd in vraag II moeten worden ingedeeld in tariefpost 2208 GN.
Belanghebbende bestrijdt deze conclusie en voert daartegen het volgende aan.
Het Hof constateert in r.o. 4.12 dat aan de producten (‘overige dranken’) ‘geen gedistilleerde alcohol is toegevoegd en dat alle alcohol in de producten… uitsluitend door vergisting (is) verkregen’.
Het Hof gaat in r.o. 4.12 echter ten onrechte voorbij aan het feit dat het ‘ferment’ in de ‘overige dranken’ reeds als een drank is gekwalificeerd en is ingedeeld in tariefpost 2206 GN (zie r.o. 4.9). Het in r.o. 4.12 genoemde ‘ferment’ is dus een eindproduct en geen halffabricaat.
Belanghebbende wijst in dit verband naar de zowel door Belastingdienst/Douane als door belanghebbende aan Rechtbank Breda en het Hof overgelegde producties, inzake de samenstelling van de dranken, zowel van FermFruit als van de ‘overige dranken’. In deze producties wordt eenduidig geconcludeerd dat er uitsluitend sprake is van vergiste alcohol.
Toepassing Algemene Regels: GRI
Mengsel
In r.o. 4.13 concludeert het Hof dat ‘de producten zijn aan te merken als een mengsel van twee (of meer) stoffen als bedoeld in indelingsregel 2b’.
Belanghebbende acht deze conclusie onjuist en onbegrijpelijk. Immers, volgens regel 1 GRI zijn de teksten van de posten zelf en die van de aantekeningen op de afdelingen en op de hoofdstukken van de nomenclatuur bepalend.
Voorts wordt in regel 1 GRI vastgelegd dat de overige indelingsregels alleen mogen worden toegepast voor zover deze niet in strijd komen met de tekst van de posten en de aantekeningen.
Wat betekent dit voor de indeling van de in geschil zijnde ‘overige dranken’?
Feitelijk wordt er, in geval van de ‘overige dranken’, aan FermFruit toegevoegd water, suiker, (natuurlijke) geur-, kleur- en smaakstoffen, tezamen vormend een alcoholvrije drank die men naar spraakgebruik als ‘limonade’ zou moeten kwalificeren, welke men dient in te delen in tariefpost 2202 GN.
Nu het Hof de drank FermFruit, zijnde de basisdrank (ferment genoemd door het Hof) als een eindproduct indeelt in tariefpost 2206 GN, moet men de vraag beantwoorden of de toevoegingen aan deze basisdrank vallen binnen de tekst van tariefpost 2206 GN, in het bijzonder de tekst: ‘mengsel van gegiste dranken met alcoholvrije dranken’.
Belanghebbende concludeert dan ook dat reeds op grond van regels 1 en 6 GRI de ‘overige dranken’ in tariefpost 2206 GN moeten worden ingedeeld en men dus niet toekomt aan de toepassing van de overige regels 2 t/m 5 GRI (zie E.N. Punt en D.G. van Vliet Douanerechten, F M. nr. 90 blz. 135 e.V.).
Een gelijke strekking treft men in de uitspraak ECJ C-137/78 (Henningsen Food/r.o. 8), waarbij toepassing van regels 2, 3, 4 en 5 GRI alleen is toegestaan indien dit niet in strijd is met de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen en de hoofdstukken.
Belanghebbende is voorts van mening dat indeling van de ‘overige dranken’ in tariefpost 2208 GN, als zijnde een mengsel, strijdig is met de bewoordingen en de aantekeningen van tariefpost 2208 GN.
Belanghebbende verwijst hiertoe onder meer naar de toelichting bij tariefpost 2208 GN luidende:
‘Door vergisting verkregen alcoholhoudende dranken vallen niet onder deze onderverdeling’.
Ook in het geval uw Raad van mening is dat indeling op basis van regel 1 GRI niet mogelijk is en dat er sprake is van een mengsel in de zin van regel 2b GRI, te weten een mengsel van een gegiste drank (ingedeeld in tariefpost 2206 GN) en andere stoffen (water, suiker, geur-, kleur- en smaakstoffen), is het onjuist en onbegrijpelijk dat het Hof in r.o. 4.21 op basis van regel 3c GRI de ‘overige dranken’ indeelt in tariefpost 2208 GN.
Er is namelijk geen sprake van gedistilleerde alcohol of een halffabricaat dat moet worden ingedeeld in tariefpost 2208 GN.
Wat is de strekking van regel 2b GRI
Volgens E.N. Punt en D.G. van Vliet, Douanerechter, F.M. nr. 90, blz. 139, zegt regel 2b. 1 dat een samengesteld product in principe wordt ingedeeld onder elk van de posten waaronder de verschillende stoffen worden ingedeeld.
Voor de in geschil zijnde ‘overige dranken’ betekent dit een splitsing in het ferment (een 2206 GN drank) en een overige drank (bestaande uit water, suiker, (natuurlijke) geur-, kleur- en smaakstoffen), die hiervoor reeds als een ‘limonade’ is omschreven.
Belanghebbende is van mening dat in het geval er sprake is van een mengsel en dit mengsel niet op basis van regel 1 en 6 GRI kan worden ingedeeld, regel 3b GRI uitkomst moet bieden.
Het wezenlijk karakter wordt dan bepaald door het product dat het grootste aandeel levert in het mengsel en dat is het ferment, een 2206 GN drank (zie r.o. 4.12: het mengsel bestaat voor 80–90% uit het ferment).
Wat is het ‘wezenlijke karakter’
Voor de toepassing van regel 3b GRI is van belang het antwoord op de vraag: wat bepaalt het wezenlijk karakter van een product?
Wordt dat bepaald door het gewicht, de hoeveelheid of door de organoleptische eigenschappen?
Belanghebbende verwijst hiervoor naar ECJ C-124/03 (Artrade).
Het ECJ concludeert in dit arrest (zie r.o. 41) dat het begrip …‘producten op basis van melk’ zowel eindproducten betreft als halffabricaten die nog een bewerking moeten ondergaan voordat zij aan de consument kunnen worden verhandeld. In een dergelijk geval moet met betrekking tot het halffabricaat (onderstreping EH) worden nagegaan of de daarin aanwezige melk een essentieel bestanddeel is, hetzij door hoeveelheid, hetzij omdat het effect kenmerkend is voor het product. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de objectieve kenmerken en eigenschappen van het halffabricaat (onderstreping EH) …, vooral met het aandeel van de melk of het zuivelproduct in het halffabricaat, het gebruik dat van het halffabricaat kan worden gemaakt en de smaak ervan’.
Dit betekent dat het ECJ concludeert dat de vraagstelling omtrent behoud van organoleptische eigenschappen (o.a. smaak) slechts aan de orde is bij halffabricaten en niet bij het gebruik van eindproducten, zoals in casu FermFruit.
Bij het gebruik van eindproducten in mengsels wordt het wezenlijk karakter in principe bepaald op basis van hoeveelheid, gewicht, omvang, waarde etc. en niet op basis van organoleptische eigenschappen.
Dit criterium sluit naadloos aan bij de vaste rechtspraak van het ECJ dat het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen, in het belang van de rechtszekerheid en een gemakkelijke controle, is gelegen in objectieve criteria en niet in subjectieve criteria, zoals bijvoorbeeld smaak (zie ook ECJ C-175/82 en C-28/70).
In zoverre vindt de conclusie van het Hof in r.o. 4.23 geen steun in de regelgeving.
In het kader van de beoordeling van het wezenlijke karakter verwijst belanghebbende naar ECJ C-64/94 (Camicas) en ECJ C-59/94 (Pardo & Fils) en wel in het bijzonder naar r.o. 19 luidende: ‘Vaststaat, dat een drank als de betrokken sangria, die wijn van verse druiven (meer dan 50%), vruchtenextracten, water en suiker bevat, zijn wezenlijke karakter ontleent aan de gearomatiseerde wijn. Toevoeging van water en suiker in redelijke hoeveelheden kan het wezenlijke karakter van de gearomatiseerde wijn niet veranderen’.
Interessant in deze context is eveneens r.o. 11 van deze uitspraak van het ECJ, waarin door het Hof wordt geconcludeerd dat de betrokken drank onder de post 2205 GN zou moeten worden ingedeeld, indien hij water noch suiker bevatte.
Dit betekent dat ook voor de in geschil zijnde ‘overige dranken’, waarbij water, suiker, (natuurlijke) geur-, kleur- en smaakstoffen zijn toegevoegd aan de basisdrank (FermFruit), deze nog steeds moeten worden ingedeeld in tariefpost 2206 GN, omdat de betrokken drank (FermFruit), zonder toevoegingen, ingedeeld wordt onder tariefpost 2206 GN.
Toepassing regel 3c GRI
Toepassing van regel 3c GRI door het Hof alsmede de daaraan in r.o. 4.21, 4.22 en 4.23 verbonden conclusie is onjuist en onbegrijpelijk.
Belanghebbende merkt allereerst op dat regel 3c GRI slechts zeer beperkt wordt toegepast (zie E.N. Punt en D.G. van Vliet, Douanerechter F.M. nr. 90, blz. 143).
Alvorens regel 3c GRI te kunnen toepassen heeft het Hof, zonder nadere motivering, kennelijk geconcludeerd dat het ferment, dat door het Hof in r.o. 4.11 reeds als een 2206 GN drank is gekwalificeerd, of de toegepaste andere stoffen (water, suiker, (natuurlijke) geur-, kleur- en smaakstoffen) individueel dan wel gezamenlijk als een 2208 GN product moeten worden gekwalificeerd.
Het Hof concludeert in r.o. 4.21 dat, onder verwijzing naar regel 3c GRI, … ‘gelet op de omstandigheid dat de producten alcoholhoudende vloeistoffen zijn (onderstreping EH) … de producten moeten worden ingedeeld in tariefpost 2208 GN’.
Deze herkwalificatie van het ferment tot een vloeistof wordt door het Hof niet gemotiveerd en is overigens onbegrijpelijk
Het Hof kwalificeert in r.o. 4.21 de basisdrank (FermFruit), die het Hof bij de beantwoording van vraag I reeds heeft ingedeeld in tariefpost 2206 GN, bij de beantwoording van vraag II dus ten onrechte en ongemotiveerd als een ‘vloeistof’.
Het Hof verwijst vervolgens naar ECJ C-196/10 (Paderborner Brauerei-arrest). Deze verwijzing is onjuist en onbegrijpelijk, omdat er bij de in geschil zijnde dranken geen sprake is van grondstof/halffabricaat, zoals in het Paderborner Brauerei-arrest, maar van een drank in de zin van tariefpost 2206 GN.
Belanghebbende veronderstelt dat het Hof niet de andere stoffen indeelt in tariefpost 2208 GN, maar op grond van de organoleptische eigenschappen van de ‘overige dranken’ de toegepaste 100% gegiste drank (FermFruit) wenst te herkwalificeren. Dit wordt door belanghebbende bestreden op basis van de hiervoor genoemde gronden.
Zoals reeds eerder opgemerkt is de basisdrank FermFruit een eindproduct, dat voldoet aan de criteria genoemd in ECJ C-114/80 (Ritter), en geen halffabricaat, zoals omschreven in ECJ C-196/10 (r.o. 34 en 35).
Belanghebbende concludeert derhalve dat toepassing van regel 3c GRI onder verwijzing van het Hof naar ECJ C-196/10 onjuist en onbegrijpelijk is en deze verwijzing geen enkele steun biedt aan de conclusie van het Hof.
Regel 3c GRI is niet geschreven vanuit het gezichtspunt herkwalificatie van producten. Een herkwalificatie die overigens geen enkele feitelijke noch juridische grondslag heeft.
Regelgeving
Belanghebbende heeft bij de voorafgaande behandeling van het geschil bij Rechtbank en het Hof gewezen op de van toepassing zijnde (internationale) regelgeving.
Belanghebbende constateert dat het Hof ten onrechte en ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de toepassing van deze regelgeving.
Belanghebbende verzoekt uw Raad deze regelgeving bij uw standpuntbepaling en conclusie te betrekken.
Belanghebbende geeft hieronder, ten overvloede, in het kort nogmaals haar standpunt inzake de van toepassing zijnde regelgeving weer.
EG-Verordening 92/83: Accijnsrichtlijn
De Accijnsrichtlijn geeft duidelijk aan dat de in geschil zijnde ‘overige dranken’ moeten worden aangemerkt als ‘andere gegiste dranken’ in de zin van art. 12 Accijnsrichtlijn en niet als ‘tussenproduct’ in de zin van art. 16 Accijnsrichtlijn.
Artikel 12 Accijnsrichtlijn omschrijft het begrip ‘andere niet-mousserende dranken’ als volgt:
- —
‘alle niet in artikel 8 genoemde producten van de GN-codes 2204 en 2205 alsmede producten van GN-code 2206, ….
- —
…
- —
Met een effectief alcoholgehalte van 10 doch niet meer dan 15% vol, voor zover de alcohol in het product volledig door vergisting is verkregen…’
Artikel 15 Accijnsrichtlijn bepaalt dat voor de toepassing van de Richtlijnen EG 92/84 en EG 92/12 de bepalingen inzake ‘wijn’ geacht worden gelijkelijk te gelden voor andere gegiste dranken als omschreven in deze afdeling.
Het Hof gaat ongemotiveerd aan deze bepalingen van de Accijnsrichtlijn voorbij.
Reeds om deze reden kan de beslissing van het Hof niet in stand blijven.
Standpunt WCO
Belanghebbende verwijst naar WCO NC 1111 E1(a), par. 27 (bijlage 11 bij beroepschrift belanghebbende bij Rechtbank Arnhem d.d. 2/6/2009), waarin wordt gemeld ‘… the current legal texts of heading 2203 to 2206 do not preclude fermented beverages from being cleaned by any process other than distillations’ en naar WCO NC 1171 E1(a) par. 27, 28 en 29 (zie bijlage 2 bij beroepschrift belanghebbende bij Gerechtshof 's‑Hertogenbosch d.d. 28/12/2009), waarin wordt gemeld:
- 27.
… The identification of fermented alcohol cleaned by permeation technique as a product of heading 2206 was possible by laboratory analysis.
- 28.
… In other words, account should be taken of chemical composition of the products and not only of organoleptic qualities for the purposes of classification in heading 2206.
- 29.
… The committee felt that ‘heading of 2208 was restricted to distilled products only’.
Internatonaal Verdrag betreffende het Geharmoniseerd Systeem (GS-verdrag)
De Raad van de Europese Economische Gemeenschappen heeft bij besluit 87/369/EEG het GS-verdrag goedgekeurd.
Het Hof gaat in zijn beslissing ongemotiveerd voorbij aan de stelling van belanghebbende, dat Belastingdienst/Douane in strijd handelt met artikel 3 lid 1 GS-verdrag door de draagwijdte van het Geharmoniseerde Systeem te wijzigen (zie onder meer ECJ C-522/07 (Dinter) en ECJ C-65/08 (Europol)). Belanghebbende is van mening dat de Belastingdienst/Douane de strekking van tariefpost 2206 GN beperkt en die van tariefpost 2208 GN uitbreidt. Een bevoegdheid die niet aan de Belastingdienst/Douane toekomt, maar is voorbehouden aan de bevoegde (gemeenschaps-) instellingen.
EG-Verordening 110/2008 d.d. 15/1/2008
Belanghebbende constateert dat de ‘overige dranken’ niet vallen binnen de definitie gedistilleerde dranken, zoals omschreven in art. 2 EG Verordening 110/2008 die op 20/5/2008 in werking is getreden, luidende:
- 1.
Voor de toepassing van deze Verordening wordt onder gedistilleerde drank verstaan een drank die:
- a.
bestemd is voor menselijke consumptie
- b.
…
- c.
een alcoholgehalte van tenminste 15% vol heeft.
- 2.
Dranken van de GN-codes 2203, 2204, 2205, 2206 en 2207 worden evenwel niet als gedistilleerde dranken beschouwd.
N.B.: Het alcoholgehalte van de ‘overige dranken’ is minder dan 15% en zij kunnen dus reeds op grond van deze EG-Verordening niet als een gedistilleerd product worden aangemerkt.
Ook hier constateert belanghebbende dat het Hof ongemotiveerd voorbijgaat aan de stelling dat het standpunt van Belastingdienst/Douane in strijd is met EG-Verordening 110/2008.
EG Verordening 600/2006 (PbL 106/blz. 5)
In deze verordening werd geconcludeerd dat een product, bestaande uit donkerrode, niet-schuimende vloeistof met een effectief alcoholvolume gehalte van ca. 16%, waarvan tenminste de helft niet afkomstig van druiven, wordt ingedeeld in tariefpost 2206 GN.
Homogeniteit communautaire wetgeving
In deze context zijn tevens van belang de voorschriften die zijn vastgelegd in de Gemeenschappelijke Praktische Handleiding van het Europese Parlement, de Raad en de Commissie (zie bijlage 6 bij bezwaarschrift d.d. 10/12/2008 van belanghebbende/PB 1994 C73/1).
Artikel 4 van deze Handleiding vereist homogeniteit ten aanzien van andere communautaire wetgevingsbesluiten. Dit betekent dat de interpretatie van de GN in overeenstemming moet zijn met andere communautaire regelgeving, zoals hiervoor reeds benoemd. Het gevolg van het standpunt van de Belastingdienst/Douane is dat de uitleg van de GN niet meer in overeenstemming is met andere Europese regelgeving, zoals benoemd in eerdere producties bij Rechtbank en het Hof.
Jurisprudentie
Belanghebbende is van mening dat het Hof ten onrechte en ongemotiveerd is voorbijgegaan aan de door belanghebbende genoemde jurisprudentie, die hieronder nogmaals kort wordt weergegeven.
ECJ C-122/80 (Analog Devices): zolang de bevoegde gemeenschapsinstellingen het gemeenschappelijk douanetarief niet wijzigen, kan een technologische ontwikkeling niet aan belanghebbende worden tegengeworpen (zie r.o. 12).
In casu betekent dit dat nieuwe filtratietechnieken er niet toe kunnen leiden dat een 100% vergiste drank moet worden ingedeeld in tariefpost 2208 GN, zolang aan de hand van laboratoriumanalyse de samenstelling van het vergiste product kan worden vastgesteld.
Dit is niet van toepassing zodra er sprake is van een halffabricaat. Belanghebbende verwijst hiervoor naar EG-Verordening 2011/C-364 inzake zgn. ‘neutral alcoholic bases’.
In dezelfde zin heeft ECJ geconcludeerd in C-67/95 (Rank Xerox).
ECJ C-175/82 (Dinter) en C-28/70 (Otto Witt), waarin werd geconcludeerd dat indeling van goederen niet gebaseerd kan zijn op eigenschappen en kenmerken die refereren aan subjectieve criteria, tenzij de posten uitdrukkelijk het gebruik van een subjectief criterium vereisen!
Conclusie cassatiemiddel 1
Het Hof gaat ten onrechte voorbij aan de inhoud en de strekking van genoemde (internationale) regelgeving en jurisprudentie. De uitspraak van het Hof is in strijd met, noch vindt enige steun bij de hiervoor genoemde (internationale) regelgeving en uitspraken van het ECJ en kan reeds op die gronden niet in stand blijven.
Cassatiemiddel 2: toepassing Staatssecretaris van Financien d.d. 7/10/2005 CPP 2005/1510M (hierna besluit d.d. 7/10/2005).
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in bijzonder het besluit d.d. 7/10/2005.
Toelichting bij cassatiemiddel 2
In r.o. 4.25 concludeert het Hof dat partijen van mening verschillen over de vraag of de producten voldoen aan het besluit d.d. 7/10/2005 in het bijzonder aan de eis dat meer dan 50 gewichtspercenten van het totale alcoholvolumepercentage de gistingskenmerken heeft van ongezuiverde, gegiste alcohol.
Belanghebbende zou een en ander, mede gelet op r.o. 2.4, niet aannemelijk hebben gemaakt.
Belanghebbende acht deze conclusie geheel onbegrijpelijk en feitelijk onjuist.
Ter toelichting merkt belanghebbende het volgende op:
- —
Het Hof heeft eerst in r.o. 4.6 vastgesteld dat ‘het ferment een alcoholhoudende drank is, welke alcohol geheel […] door vergisting is verkregen’.
- —
In r.o. 4.11 concludeert het Hof vervolgens dat het ferment (bedoeld wordt de basisdrank FermFruit) moet worden ingedeeld in tariefpost 2206 GN.
Onbegrijpelijk is dus de conclusie van het Hof in r.o. 4.27 dat …‘belanghebbende tegenover een gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de producten voor meer dan 50 gewichtspercenten van het totale alcoholvolumepercentage de gistingskenmerken hebben van ongezuiverde, gegiste alcohol als bedoeld in het besluit van 7 oktober 2005’.
Belanghebbende verwijst naar bijlagen 7 en 9 bij het verweerschrift van Belastingdienst/Douane d.d. 4/8/2009 bij de Rechtbank Breda, waarin door het Douanelaboratorium wordt gemeld dat ‘op basis van de chemische samenstelling (foezel-alcoholen en glycerol) kan niet vastgesteld worden, dat alle in het product aanwezige alcohol niet afkomstig is van vergisting’.
Ergo: met deze dubbele ontkenning stelt het Douanelaboratorium vast dat alle alcohol afkomstig is van vergisting.
Nu ook door het Douanelaboratorium wordt gesteld dat het ferment (FermFruit/zie genoemde bijlage 9) over voldoende vergistingskenmerken beschikt en blijkens 4.11 als drank in tariefpost 2206 GN moet worden ingedeeld, is de conclusie van het Hof in r.o. 4.27 niet juist en onbegrijpelijk.
Belanghebbende is van mening dat, indien er verschil van mening bestaat over vergistingskenmerken, reeds op grond van de genoemde feiten, de stelling van Belastingdienst/Douane is weersproken en weerlegd.
Belanghebbende stelt dat met de uitslagen van het Douanelaboratorium is aangetoond dat er voldoende gistingskenmerken van ongezuiverde, gegiste alcohol aanwezig zijn.
Daarnaast heeft belanghebbende bij zijn bezwaarschrift d.d. 10/12/2008 tegen de onderhavige naheffingsaanslag in bijlage 4 onderzoeksresultaten van TNO bijgevoegd.
TNO concludeert: ‘the profile found is normal for fermented products’.
Ook aan deze bewijzen gaat het Hof ongemotiveerd voorbij.
Belanghebbende meent wel degelijk aan zijn bewijslast te hebben voldaan.
Voorts bestrijdt belanghebbende de conclusie van het Hof in r.o. 4.27 luidende dat …‘mede gelet op de onder 2.4 vermelde ultrafiltratie, Kiezelguhrfiltratie, microfiltratie en carbonfiltratie van het ferment, … belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de producten voor meer dan 50 gewichtspercenten van het totale alcoholvolumepercentage de vergistingskenmerken hebben van ongezuiverde gegiste alcohol als bedoeld in het besluit van 7/10/2005’.
Reeds op grond van de conclusie van het Hof in r.o. 4.11 luidende dat het ferment (bedoeld wordt de drank FermFruit) moet worden ingedeeld in tariefpost 2206 GN, omdat de drank geheel door vergisting is verkregen (zie r.o. 4.6), is het ongerijmd en onbegrijpelijk dat het Hof deze zelfde basisdrank voor de toepassing van besluit d.d. 7/10/2005 kennelijk herkwalificeert en niet langer als een gegiste drank aanmerkt.
Deze herkwalificatie is des te meer onbegrijpelijk nu het ferment dat blijkens r.o. 4.11 moet worden ingedeeld in tariefpost 2206 GN exact dezelfde filtratie heeft ondergaan als genoemd in r.o. 4.27.
Indien op grond van het besluit d.d. 7/10/2005 een drank die voor meer dan 50% bestaat uit vergiste alcohol moet worden ingedeeld in tariefpost 2206 GN, dan dient men zeker een drank die volledig uit vergiste alcohol bestaat en waaraan water, (natuurlijke) geur-, kleur- en smaakstoffen zijn toegevoegd, in te delen in tariefpost 2206 GN.
Het besluit d.d. 7/10/2005 is eerst bij besluit van de Staatssecretaris van Financiën d.d. 7/12/2009 (CPP 2009/2274M) ingaande 1/1/2010 ingetrokken.
Belanghebbende meent dus terecht een beroep te doen op toepassing van het besluit d.d. 7/10/2005.
Belanghebbende bestrijdt de conclusie van het Hof met betrekking tot vraag III en verzoekt uw Raad te beslissen dat de in geschil zijnde ‘overige dranken’, met toepassing van het besluit d.d. 7/10/2005, ingedeeld moeten worden in tariefpost 2206 GN.
Conclusie cassatiemiddel 2
Het Hof is ten onrechte voorbij gegaan aan het besluit d.d. 7/10/2005 en de juiste toepassing hiervan. Reeds op deze grond vindt de beslissing van het Hof geen steun in de wet.
Cassatiemiddel 3: Beginselen behoorlijk bestuur
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Toelichting bij cassatiemiddel 3
Belanghebbende is van mening dat het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel zijn geschonden.
Belanghebbende heeft in de loop van de procedure meermaals concrete voorbeelden van dranken getoond en BTI's genoemd (zie onder meer bijlagen bij pleitnota's), die qua samenstelling, voor zover het betreft de toepassing van gegiste alcohol, vergelijkbaar zijn met de thans in geschil zijnde ‘overige dranken’.
Belanghebbende heeft daarbij enkele BTI's van derden aangereikt ter onderbouwing van de stelling, dat de Belastingdienst/Douane soortgelijke producten niet in alle gevallen gelijk behandelt.
Ter voorkoming van misverstand: Belanghebbende is niet van mening dat hij zich kan beroepen op deze aan derden afgegeven BTI's.
Belanghebbende wenst echter wel middels toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in bijzonder het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, op gelijke wijze te worden behandeld als derden, waaraan deze BTI's met indeling van soortgelijke producten in tariefpost 2206 GN, zijn toegekend.
De vraag is of er sprake is van enig beleid, waarop met toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in bijzonder het gelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel een beroep kan worden gedaan. Tot meerdere ondersteuning van deze stelling dat er kennelijk sprake is van enig beleid, wordt er verwezen naar BTI's van soortgelijke producten.
Toepassing van de GN door de Belastingdienst/Douane alsmede de uitleg die men meent te mogen geven aan de GN en de toelichtingen daarop, leidt blijkens deze voorbeelden tot ongelijke behandeling, waarvoor geen enkele objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.
Belastingdienst/Douane heeft in dit kader overigens geen enkele beoordelingsmarge (marge of appreciation) omdat deze marge uitsluitend mag worden toegepast door de internationale (gemeenschaps-) instellingen.
In het kader van de toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel meent belanghebbende zich te mogen beroepen op onder meer het besluit d.d. 7/10/2005, Verordening EG 600/2006 (PbL 106/blz. 5) en standpunten van de Wereld Douane Organisatie zoals verwoord in de verslagen van HSC (zie HSC NC 1111 E1a en NC 1171 E1a).
Conclusie cassatiemiddel 3
Belanghebbende is van mening dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur toepassing van de (internationale) regelgeving rechtvaardigt en het Hof hieraan ten onrechte is voorbij gegaan.
Cassatiemiddel 4: Siebrand arrest ECJ C-150/08
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder de toepassing van de uitspraak van het Europees hof van Justitie (ECJ C-150/08).
Toelichting bij cassatiemiddel 4
Blijkens r.o 4.5, waarbij het Hof r.o. 26 t/m 38 van ECJ C-150/08 (Siebrand-arrest) citeert, wenst het Hof deze beslissing van het ECJ in haar oordeel omtrent de vragen I en II te betrekken en ‘in het voetspoor’ van deze uitspraak van het ECJ en uw Raad d.d. 13/9/2009 nr. 43038bis te beslissen.
Het Hof gaat in de overwegingen ten onrechte geheel voorbij aan hetgeen door belanghebbende is gesteld met betrekking tot het Siebrand-arrest.
De casus van het Siebrand-arrest betreft producten, waaraan gedistilleerde alcohol aan dranken is toegevoegd.
Van enige toevoeging van gedistilleerde alcohol aan de in geschil zijnde ‘overige dranken’ is geen sprake en iedere vergelijking met de producten in het Siebrand-arrest is feitelijk onjuist.
Iedere verwijzing van het Hof naar ECJ C-150/08 ter motivering van het oordeel is derhalve onjuist en onbegrijpelijk.
Conclusie cassatiemiddel 4
Belanghebbende is van mening dat het Hof de uitspraak van het ECJ in C-150/08 onjuist interpreteert, respectievelijk toepast en daarmee een uniforme toepassing van (internationale) regelgeving frustreert.
Toelichting bij cassatiemiddel 5
Belanghebbende is van mening dat het Hof ten onrechte voorbij gaat aan zijn stelling dat, in gevolge art. 95 EG Verdrag (thans art. 114 VWEU), wijn van druiven en wijn van vruchten gelijksoortig zijn.
Dit betekent dat een ongelijke behandeling van wijn van vruchten ten opzichte van wijn van druiven leidt tot verboden discriminatie ex art. 90 EG-Verdrag.
Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende naar het lijkt met de simpele overweging dat de inspecteur gemotiveerd heeft betwist, dat de in geschil zijnde dranken niet vergelijkbaar zijn met (likeur) wijn.
De inspecteur is immers van mening dat er sprake is van een ‘gedistilleerd product’ en niet van een wijn. Deze overweging lijkt enigermate ongerijmd. Het betekent namelijk dat, in geval de Belastingdienst/Douane stelt dat er sprake is van een gedistilleerd product, ieder beroep op art. 90 EG-Verdrag wordt geblokkeerd.
Wat wil belanghebbende met een beroep op art. 90 EG-Verdrag tot uitdrukking brengen.
In gevolge art. 15 EG-Richtlijn 92/83 worden de bepalingen inzake ‘wijn’ geacht gelijk te gelden voor andere gegiste dranken.
In EG-Verordening 822/87 worden toegestane oenologische procedés en behandeling van wijnen omschreven.
In EG-Verordening 1601/91 worden onder meer aanbiedingsvormen van gearomatiseerde wijnen, gearomatiseerde dranken op basis van wijnen en gearomatiseerde cocktails omschreven. Voorts worden begrippen verzoeting, aromatisering, klaring en toevoeging van alcohol toegelicht.
Nu blijkens ECJ C-106/84 Commissie vs Denemarken wijn van druiven en wijn van vruchten als gelijksoortig in de zin van art. 95 EG-Verdrag moeten worden aangemerkt, is het volgens belanghebbende in strijd met art. 90 EG-Verdrag wijn van vruchten, waaraan water, suiker, (natuurlijke) geur-, kleur- en smaakstoffen zijn toegevoegd, voor de heffing van accijns anders te behandelen, dan wijn van druiven die soortgelijke behandeling en toevoegingen hebben ondergaan.
Ook in ECJ C-367/93 t/m E-377/93 (Roders) r.o. 38 overweegt het Hof dat art. 95 EG-Verdrag zich richt tegen elke vorm van ongelijke behandeling, die het potentiële verbruik door bijvoorbeeld verschil in verkoopprijzen, vermindert.
Conclusie cassatiemiddel 5
Deze ongelijke behandeling leidt tot willekeurige discriminatie, een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten en vormt een hinderpaal voor de werking van de interne markt.
Belanghebbende is van mening dat het Hof ten onrechte en op onjuiste gronden en overwegingen voorbij gaat aan de toepassing van art. 90 EG-Verdrag.
Belanghebbende is van mening dat op grond van art. 95 EG-Verdrag wijn van vruchten dezelfde behandelingen, zoals onder meer verzoeting, aromatisering, mogen ondergaan als wijn van druiven. Voor een verschillende behandeling bestaat geen enkele rechtvaardiging.
Cassatiemiddel 6: vergoeding proceskosten
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht en/of verzuim van vorm die nietigheid met zich brengt, omdat het Hof geen vergoeding van proceskosten heeft toegekend.
Toelichting bij cassatiemiddel 6
Belanghebbende is, in aanmerking nemende dat hij in het beroep in cassatie in het gelijk wordt gesteld, van mening dat de Belastingdienst/Douane lichtvaardig en derhalve in verregaande mate onzorgvuldig, zo niet onrechtmatig heeft gehandeld door een standpunt in te nemen dat naderhand door de rechter wordt vernietigd.
Belanghebbende is van mening dat er, met toepassing van art. 2 lid 3 Besluit Proceskosten Bestuursrecht, ruimte is voor een integrale proceskosten vergoeding.
Er is immers sprake van een situatie waarin de Belastingdienst/Douane tegen beter weten in de wettelijke regelingen buiten toepassing heeft gelaten, in het bijzonder de GN en het besluit d.d. 7/10/2005.
Belanghebbende is van mening dat ook in het geval zij zelf de bezwaar- en beroepsprocedure verzorgt, er niettemin sprake is van aanzienlijke proceskosten, die onder meer bestaan uit kosten eigen medewerkers, verletkosten en kosten van juridische bijstand door derden.
Belanghebbende wenst, in geval uw Raad oordeelt tot integrale vergoeding van proceskosten, in de gelegenheid te worden gesteld de hoogte van de vergoeding te onderbouwen.
Conclusie cassatiemiddel 6
Belanghebbende is van mening dat het Hof de Belastingdienst/Douane ten onrechte niet heeft veroordeeld tot het vergoeden van integrale proceskosten.
Eindconclusie
Belanghebbende verzoekt uw Raad, op grond van bovenstaande cassatiemiddelen, de uitspraak van het Hof, voor zover dat betrekking heeft op de beslissingen inzake de vragen II t/m V, te vernietigen en te beslissen dat de in geschil zijnde ‘overige dranken’ worden ingedeeld in tariefpost 2206 GN, de naheffingsaanslag te minderen tot nihil en Belastingdienst/Douane te veroordelen tot het vergoeden van griffierechten en integrale vergoeding van de kosten van het cassatieberoep.
Hoogachtend,
[…]
Uitspraak 24‑10‑2014
Partij(en)
24 oktober 2014
nr. 12/05758
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 2 november 2012, nrs. 09/00673 en 09/00674, betreffende een naheffingsaanslag in de accijns.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 oktober 2008 tot en met 31 oktober 2008 een naheffingsaanslag in de accijns opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Breda (nr. AWB 09/2334) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd.
Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft het incidentele beroep beantwoord.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal M.E van Hilten heeft op 13 september 2013 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het incidentele beroep in cassatie, alsmede tot ongegrondverklaring van het principale beroep in cassatie voor zover het de middelen II, III, V en VI betreft. Voor het overige strekt de conclusie tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De conclusie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
De Hoge Raad heeft partijen in kennis gesteld van zijn voornemen het Hof van Justitie van de Europese Unie te verzoeken een prejudiciële beslissing te geven. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, gereageerd op de aan partijen in concept voorgelegde vraagstelling.
3. Uitgangspunten in cassatie
3.1.1.
Belanghebbende heeft op aangifte over de maand oktober 2008 accijns voldaan ter zake van de uitslag uit haar accijnsgoederenplaats van diverse alcoholhoudende dranken.
3.1.2.
Een van de hiervoor in 3.1.1 bedoelde alcoholhoudende producten betreft een drank genaamd Ferm Fruit (hierna: de basisdrank) met een alcoholvolumepercentage van 16. Een liter van dit product wordt bereid uit 275 ml suikersiroop, 711 ml gedemineraliseerd water, 10 ml appelconcentraat en 4 ml mineralen en vitaminen. Deze bestanddelen worden gemengd, daarna vindt pasteurisatie plaats en wordt wijngist toegevoegd. Vervolgens vindt gisting plaats waardoor het product alcoholhoudend wordt. De na gisting ontstane vloeistof wordt gezuiverd door toepassing van verschillende filtratieprocessen (ultrafiltratie, Kiezelguhr-filtratie, microfiltratie en carbonfiltratie) en vormt aldus de basisdrank.
In de basisdrank komt geen gedistilleerde alcohol voor; de alcohol is uitsluitend door gisting verkregen. Voorts vindt tijdens de bereiding geen concentratie van alcohol plaats. De basisdrank is wat geur, kleur en smaak betreft neutraal.
De basisdrank als zodanig is voor menselijke consumptie geschikt en niet uitsluitend bestemd voor de bereiding van eindproducten.
3.1.3.
De overige van de hiervoor in 3.1.1 bedoelde alcoholhoudende producten betreffen dranken met een alcoholvolumepercentage van 14 (hierna: de dranken). De dranken zijn bereid door aan de basisdrank toe te voegen suiker, aroma’s, kleurstoffen, smaakstoffen, verdikkingsmiddelen en/of conserveermiddelen en in een enkel geval ook (een) room(base). Er wordt geen gedistilleerde alcohol toegevoegd; de alcohol in de dranken is uitsluitend door gisting verkregen. De dranken bestaan voor 80 tot 90 percent uit de basisdrank.
3.1.4.
Bij het doen van de hiervoor in 3.1.1 vermelde aangifte heeft belanghebbende zowel de basisdrank als de dranken aangemerkt als “niet-mousserende tussenproducten” in de zin van artikel 11b van de Wet op de accijns (tekst 2008; hierna: de Wet). Zij heeft op grond daarvan accijns voldaan naar het in artikel 11d, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet opgenomen tarief.
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel de basisdrank als de dranken moeten worden aangemerkt als “overige alcoholhoudende producten” in de zin van artikel 12 van de Wet. Aangezien voor die producten het hogere accijnstarief van toepassing is dat is vermeld in artikel 13 van de Wet, heeft hij de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd.
3.2.
Artikel 11b van de Wet luidt:
“Onder niet-mousserende tussenproducten worden verstaan alle niet als bier of wijn aan te merken producten van GN-codes 2204, 2205 en 2206 met een alcoholgehalte van meer dan 1,2%vol maar niet meer dan 22%vol, (…).”
Artikel 12, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet luidt:
“1. Onder overige alcoholhoudende producten worden verstaan:
a. alle producten van GN-codes 2207 en 2208 met een alcoholgehalte van meer dan 1,2%vol, ook wanneer deze producten bestanddeel zijn van een product van een GN-code uit een ander hoofdstuk van de gecombineerde nomenclatuur;”
3.3.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat aangezien de basisdrank een drank is met geheel door gisting verkregen alcohol, deze met toepassing van algemene indelingsregel 1 moet worden ingedeeld onder tariefpost 2206 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: de GN). Naar het oordeel van het Hof brengt de omstandigheid dat de basisdrank wat betreft geur, kleur en smaak neutraal is - anders dan de Inspecteur voor het Hof betoogde - niet mee dat deze moet worden aangemerkt als ethylalcohol in de zin van post 2208 van de GN. Uit dit een en ander volgt, aldus het Hof, dat de basisdrank moet worden aangemerkt als een niet-mousserend tussenproduct in de zin van artikel 11b van de Wet, zodat de naheffingsaanslag in zoverre ten onrechte is opgelegd.
3.3.2.
Het Hof heeft wat betreft het geschil over de tariefindeling van de dranken vooropgesteld dat de dranken mengsels zijn in de zin van algemene indelingsregel 2b, zodat indeling moet plaatsvinden met inachtneming van algemene indelingsregel 3. Naar het oordeel van het Hof is met betrekking tot het wezenlijke karakter van de dranken, meer in het bijzonder over de organoleptische eigenschappen van de dranken, niets komen vast te staan, zodat indeling van de dranken met toepassing van algemene indelingsregel 3b niet mogelijk is. Daaruit volgt, aldus het Hof, dat indeling van de dranken dient plaats te vinden met toepassing van algemene indelingsregel 3c. Gelet op de omstandigheid dat de producten alcoholhoudende vloeistoffen zijn, moeten de dranken naar het oordeel van het Hof worden ingedeeld onder post 2208 van de GN.
4. Beoordeling van het door de Staatssecretaris in het incidentele beroep voorgestelde middel
4.1.
Het middel richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het hiervoor in 3.3.1 weergegeven oordeel van het Hof dat de basisdrank moet worden ingedeeld onder post 2206 van de GN. Het middel betoogt - onder verwijzing naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 juli 2011, Paderborner Brauerei Haus Cramer KG, C-196/10, ECLI:EU:C:2011:487 (hierna: het arrest Cramer), en van 7 mei 2009, Siebrand B.V., C-150/08, ECL:EU:C:2009:294, BNB 2009/160 (hierna: het arrest Siebrand) - dat de basisdrank niet is een gegiste drank in de zin van post 2206 van de GN maar ingedeeld moet worden in post 2208 van de GN. Indien het al ooit de smaak, de geur en/of het uiterlijk van een uit een bepaalde vrucht of uit een bepaald natuurproduct vervaardigde, gegiste drank heeft gehad - hetgeen volgens het middel kan worden betwijfeld -, dan heeft het deze objectieve kenmerken en eigenschappen door de filtratie verloren.
4.2.
Met toepassing van artikel 26 van richtlijn 92/83/EEG luidt de tekst van post 2206 van de GN:
“Andere gegiste dranken (bijvoorbeeld appelwijn, perenwijn, honigdrank); mengsels van gegiste dranken en mengsels van gegiste dranken met alcoholvrije dranken, elders genoemd noch elders onder begrepen”.
De GS-toelichting op post 2206 houdt onder meer in:
“This heading covers all fermented beverages other than those in headings 22.03 to 22.05”;
en
“Some of these beverages may also contain added vitamins or irons.”
Volgens dezelfde toelichting worden in post 2206 van de GN onder meer ingedeeld:
“- Cider, an alcoholic beverage obtained by fermenting the juice of apples;
- Wines obtained by the fermentation of fruit juices, other than juice of fresh grapes (fig, date or berry wines) or of vegetables juices with an alcoholic strength by volume exceeding 0.5% vol.;”
en
“- Ginger beer and herb beer, prepared from sugar and water and ginger or herbs, fermented with yeast.”
4.3.
Post 2208 van de GN luidt:
“Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcohol-volumegehalte van minder dan 80% vol; gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten”
4.4.
Zoals hiervoor in 3.1.2 is beschreven, wordt de basisdrank bereid door vermenging van suikersiroop, gedemineraliseerd water, appelconcentraat en een geringe hoeveelheid mineralen en vitaminen. Daarna vindt gisting plaats, waardoor de – na filtratie ontstane - basisdrank een alcoholvolumepercentage van 16 heeft. Het Hof heef - in cassatie niet betwist - geoordeeld dat sprake is van een drank in de zin van de GN omdat deze voor menselijke consumptie geschikt is en bestemd is en dat de primaire bestemming niet uitsluitend is de bereiding van andere alcoholhoudende dranken. Voorts bevat de basisdrank geen andere dan door gisting ontstane alcohol. Op grond van dit een en ander zou de basisdrank, gelet op de tekst van post 2206 van de GN en de GS-toelichting op deze post, zoals het Hof heeft geoordeeld, met toepassing van algemene indelingsregel 1 van de GN als “andere gegiste drank” kunnen worden ingedeeld onder post 2206 van de GN, ook nu vóór de gisting gedemineraliseerd water, vitaminen en mineralen zijn toegevoegd.
4.4.
De hiervoor in 4.3 gemaakte gevolgtrekking is evenwel niet buiten redelijke twijfel. De basisdrank is kleur-, geur- en smaakloos. De basisdrank vertoont aldus gelijkenis met een door distillatie verkregen kleur-, geur- en smaakloos alcoholhoudend product.
De vraag rijst of uit het arrest Siebrand, punten 26, 27 en 37, en uit het arrest van het Hof van Justitie van 16 december 2010, Skoma-Lux s.r.o., C-339/09, ECLI:EU:C:2010:781, punt 46, moet worden afgeleid dat een gegiste drank die niet de kleur, de smaak, de geur en het uiterlijk heeft van een uit een bepaalde vrucht of uit een bepaald natuurproduct vervaardigde drank, reeds om die reden niet (meer) onder post 2206 van de GN kan worden ingedeeld.
4.5.
Indien indeling onder post 2206 van de GN is uitgesloten, rijst de vraag onder welke tariefpost de basisdrank dan wel moet worden ingedeeld. De enige tariefpost die dan in aanmerking komt, lijkt post 2208 van de GN. De basisdrank is weliswaar niet een gedistilleerde drank en bevat geen gedistilleerde alcohol, maar post 2208 van de GN zou zo uitgelegd kunnen worden dat een dergelijke neutrale drank als ethylalcohol onder post 2208 van de GN moet worden ingedeeld, omdat de organoleptische eigenschappen van de basisdrank in dat geval vergelijkbaar zijn met die van de in post 2208 ingedeelde ethylalcohol. Steun voor deze laatste uitlegging is te vinden in het arrest Cramer, zij het dat het in dat arrest niet om een gebruiksklare drank ging maar om een tussenproduct. Anderzijds lijkt een relatief laag alcoholvolumepercentage van 16 indeling als ethylalcohol in de zin van post 2208 van de GN in de weg te staan. In de laatste plaats heeft te gelden dat de GN-toelichting op post 2208 daarvan uitsluit door gisting verkregen alcoholhoudende dranken, terwijl de GS-toelichting op post 2206 van de GN vermeldt dat deze post gegiste dranken van alle soorten (andere dan bedoeld bij de posten 2203 tot en met 2205) omvat.
4.6.
Gelet op het voorgaande zal de Hoge Raad op de voet van artikel 267 VWEU met betrekking tot de basisdrank de hierna in onderdeel 6, onder 1, geformuleerde vragen voorleggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot de uitlegging van het recht van de Unie.
5. Beoordeling van de in het principale beroep door belanghebbende voorgestelde middelen
5.1.
De middelen II, III en V kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5.2.
De middelen I en IV richten zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het hiervoor in 3.3.2 weergegeven oordeel van het Hof dat de dranken met toepassing van algemene indelingsregel 3c van de GN moeten worden ingedeeld onder post 2208 van de GN. De middelen betogen dat de dranken met toepassing van algemene indelingsregel 1 van de GN niet onder post 2208 van de GN kunnen worden ingedeeld maar moeten worden ingedeeld onder post 2206 van de GN, aangezien de dranken uitsluitend door gisting ontstane alcohol bevatten.
5.3.
Post 2208 van de GN luidt:
“Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcohol-volumegehalte van minder dan 80% vol; gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten”
Onderverdeling 2208 70 van de GN betreft “likeuren”, onderverdeling 2208 90 “andere” dranken en producten bedoeld in post 2208.
De GS-toelichting op post 2208 van de GN vermeldt onder (B):
“Liqueurs and cordials, being spirituous beverages to which sugar, honey or other natural sweeteners and extracts or essences have been added (e.g., spirituous beverages produced by distilling, or by mixing, ethyl alcohol or distilled spirits, with one or more of the following: fruits, flowers or other parts of plants, extracts, essences, essential oils or juices, whether or not concentrated). These products also include liqueurs and cordials containing sugar crystals, fruit juice liqueurs, egg liqueurs, herb liqueurs, berry liqueurs, spice liqueurs, tea liqueurs, chocolate liqueurs, milk liqueurs and honey liqueurs."
5.4.
Zoals hiervoor in 3.1.3 is overwogen, worden de dranken bereid door aan de basisdrank suikers, aroma’s, kleurstoffen, smaakstoffen, verdikkingsmiddelen en/of conserveermiddelen toe te voegen en in een enkel geval ook een (room)base. Er is geen door distillatie verkregen alcohol toegevoegd.
5.5.
Wanneer na beantwoording van de hierna in onderdeel 6, onder 1, geformuleerde vragen komt vast te staan dat de basisdrank niet onder post 2206 van de GN wordt ingedeeld maar onder post 2208 van de GN, kan het ervoor worden gehouden dat de dranken bij afwezigheid van een in post 2206 voorkomend bestanddeel - met toepassing van algemene indelingsregel 3b - ook onder post 2208 van de GN moeten worden ingedeeld, aangezien het wezenlijke karakter van de dranken wordt bepaald door de alcohol en niet door de hiervoor vermelde overige bestanddelen.
5.6.1.
Wanneer de basisdrank wel onder post 2206 van de GN moet worden ingedeeld, rijst de vraag onder welke van de daarvoor in aanmerking komende tariefposten, post 2206 en post 2208 van de GN, de dranken moeten worden ingedeeld. Daartoe dient de reikwijdte van post 2206 respectievelijk post 2208 te worden bepaald.
5.6.2.
Gelet op het arrest Siebrand is, ook indien de basisdrank onder post 2206 van de GN moet worden ingedeeld, indeling van de dranken onder post 2206 van de GN met toepassing van indelingsregel 1 wellicht niet mogelijk vanwege de omstandigheid dat de dranken door de toevoeging van suikers, aroma’s, kleurstoffen, smaakstoffen, verdikkingsmiddelen en/of conserveermiddelen de smaak, de geur en/of het uiterlijk van een drank uit een bepaalde vrucht of bepaald natuurproduct hebben verloren.
5.6.3.
Uit de GS-toelichting op post 2206 valt echter af te leiden dat toevoegingen, andere dan gedistilleerde alcohol, niet meebrengen dat een drank niet meer onder post 2206 van de GN kan worden ingedeeld. Met andere woorden, ook indien de gegiste drank door toevoegingen zijn oorspronkelijke smaak, geur en/of het uiterlijk van een bepaalde vrucht of van een bepaald natuurproduct heeft verloren en daardoor een andere geur en smaak of uiterlijk (al dan niet van een andere vrucht) heeft verkregen, belet dit niet de indeling onder post 2206 van de GN.
5.6.4.
Voorts lijkt, indien de basisdrank onder post 2206 van de GN moet worden ingedeeld, indeling van de dranken onder post 2208 van de GN met toepassing van algemene indelingsregel 1 niet mogelijk. De tekst van post 2208 van de GN (“Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcoholvolumegehalte van minder dan 80% vol; gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten”) doet vermoeden dat post 2208 uitsluitend dranken, met inbegrip van likeuren, omvat die gedistilleerde alcohol bevatten. Hierop wijst ook de GS-toelichting op post 2208, volgens welke een likeur een gedistilleerde drank is (“spirituous beverage”), gemengd met bepaalde stoffen. In dit verband wordt opgemerkt dat de dranken een alcoholvolumepercentage van 14 hebben en wat betreft dat kenmerk - een relatief laag percentage - niet overeenstemmen met likeuren of andere gedistilleerde dranken die in het algemeen als kenmerk hebben dat zij een (relatief) hoog alcoholpercentage bevatten.
5.6.5.
Het voorgaande lijkt erop te wijzen dat, indien de basisdrank onder post 2206 van de GN moet worden ingedeeld, de dranken, die zijn samengesteld uit de basisdrank (een drank van gegiste alcohol) en bepaalde toevoegingen, niet zijnde gedistilleerde alcohol, niet zijn aan te merken als dranken in de zin van post 2208 van de GN.
5.8.
De hiervoor op basis van de teksten van post 2206 en post 2208 van de GN gegeven uitlegging en gevolgtrekkingen zijn echter niet buiten redelijke twijfel. Gelet hierop zal de Hoge Raad op de voet van artikel 267 VWEU met betrekking tot de dranken de hierna in onderdeel 6, onder 2, geformuleerde vragen voorleggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot de uitlegging van het recht van de Unie.
6. Beslissing
De Hoge Raad verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak te doen over de volgende vragen:
1. Dient post 2206 van de GN aldus te worden uitgelegd dat een door gisting van appelconcentraat verkregen, als ‘Ferm fruit’ aangeduide drank, die mede wordt gebruikt als basisdrank voor de vervaardiging van diverse andere dranken, een alcoholvolumepercentage heeft van 16, door zuivering (waaronder ultrafiltratie) neutraal is wat betreft kleur, geur en smaak, en waaraan geen gedistilleerde alcohol is toegevoegd, onder deze post moet worden ingedeeld? Zo nee, moet post 2208 van de GN zo worden uitgelegd dat een drank als deze onder deze post moet worden ingedeeld?
2. Dient post 2206 van de GN aldus te worden uitgelegd dat een drank met een alcoholvolumepercentage van 14, welke drank is verkregen door de hiervoor in vraag 1 omschreven (basis)drank te mengen met suiker, aroma’s, kleur- en smaakstoffen, verdikkingsmiddelen en conserveermiddelen en dat geen gedistilleerde alcohol bevat, moet worden ingedeeld onder deze post? Zo nee, dient post 2208 van de GN zo te worden uitgelegd dat een drank als deze onder deze post moet worden ingedeeld?
De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van het vorenstaand verzoek uitspraak heeft gedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, E.N. Punt en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2014.
Conclusie 13‑09‑2013
Inhoudsindicatie
Deze zaak is één van de drie zaken die belanghebbende bij de Hoge Raad aanhangig heeft gemaakt. Alle zaken betreffen de indeling respectievelijk de accijnsheffing van alcoholhoudende (mix)dranken. Behalve in de onderhavige zaak neemt A-G Van Hilten heden conclusie in de zaak met nummer 12/01620. In de onderhavige zaak staat de accijnsheffing centraal van verschillende alcoholische dranken waaraan suiker, aroma's, kleurstoffen, smaakstoffen, verdikkingsmiddelen en/of conserveermiddelen zijn toegevoegd, en geen gedistilleerde alcohol. Het basisproduct (hierna ook: Ferm Fruit) waarvan de verschillende dranken gemaakt worden, vormt in deze procedure (maar niet in zaak nr. 12/01620) eveneens onderwerp van geschil. Voor de in deze zaak in geschil zijnde accijnsheffing heeft te gelden dat deze afhankelijk is van de indeling in de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: GN) van het desbetreffende alcoholhoudende product. Derhalve concentreert A-G Van Hilten zich in deze conclusie op de indeling van de in geschil zijnde producten. Dat is in dit geval een twaalftal alcoholhoudende dranken alsmede het (gegiste alcohol bevattende) basisproduct waarvan die dranken worden gemaakt. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat alle genoemde producten onder post 2206 van de GN (andere gegiste dranken) moeten worden gebracht. De staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) meent dat die producten alle als 'ethylalcohol (...) gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten' onder post 2208 van de GN moeten worden gebracht (en daarom onderworpen zijn aan een hogere accijnsheffing). Ambtshalve gaat A-G Van Hilten eerst in op het gegeven dat het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris zes dagen vóór het verweerschrift is binnengekomen. A-G Van Hilten pleit ervoor de term 'bij verweer' in artikel 29, lid 2, van de Awr in zoverre ruim op te vatten dat een 'prematuur' incidenteel beroep in cassatie, als incidenteel beroep in cassatie mag meetellen in de procedure.(1) Vervolgens gaat de A-G in op de accijnswetgeving, de tariefposten 2206, 2208 van de GN en de indelingsregels. Hierna behandelt zij de indeling van Ferm Fruit, en (in) de GN. Zij komt tot de slotsom dat Ferm Fruit, nu vaststaat dat het een door gisting verkregen alcoholhoudende drank is, onder post 2206 moet worden ingedeeld het product Ferm Fruit valt haars inziens onder de bewoordingen van die post.. Zo ervan moet worden uitgegaan dat Ferm Fruit ook vatbaar is voor indeling onder post 2208 van de GN, is die conclusie volgens A-G Van Hilten niet anders, aangezien de 'drankenpost' 2206 van de GN haars inziens hetzij als specifiekere post voorrang moet krijgen (algemene indelingsregel 3a), hetzij voorgaat omdat het wezenlijke karakter van het product wordt gevormd door haar hoedanigheid als (gegiste) drank (algemene indelingsregel 3b). A-G van Hilten komt tot de conclusie dat het Hof met juistheid heeft geoordeeld dat ferm Fruit onder post 2206 van de GN moet worden ingedeeld. Het oordeel van het Hof is niet onvoldoende gemotiveerd, het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris faalt. Hierna gaat A-G Van Hilten in op de indeling in de GN van de dranken waarvan Ferm Fruit de basis is. Uit de GS-toelichting op post 2206 leidt A-G van Hilten af dat - kortgezegd - een mengsel van een gegiste drank met (bijvoorbeeld) limonade, kennelijk nog steeds de objectieve eigenschappen (c.q. het wezenlijke karakter) van een gegiste drank heeft en dat toevoegingen derhalve niet het wezenlijke karakter van een drank hoeven aan te tasten. Gelet op de voor indeling in aanmerking te nemen objectieve kenmerken en eigenschappen en de invulling die het HvJ daaraan heeft gegeven in de drankensfeer meent de A-G dat een product in ieder geval een drank moet zijn en bovendien gegist moet zijn om onder post 2206 van de GN te kunnen worden gebracht, en niet elders genoemd moet zijn of elders onder begrepen. A-G Van Hilten meent dat een '2206-drank' niet een bepaalde geur of smaak hoeft te hebben, zodat organoleptische eigenschappen van 'de' 2206-drank eigenlijk niet te geven zijn. Grammaticaal gezien lijkt post 2208 van de GN, in ieder geval in de Nederlandse versie, en afgezien van de in post 2208 ook vermelde ethylalcohol, louter te zien op dranken die gedistilleerde alcohol bevatten. De GS-toelichting op post 2208 van de GN roept echter de vraag op of de daarin vermelde likeuren ook per se gedistilleerde alcohol moeten bevatten om als likeur in de zin van de post te kunnen worden aangemerkt. De toelichting suggereert dat dit niet het geval is. A-G Van Hilten heeft haar aarzelingen bij de beantwoording van de vraag of het begrip likeur alleen dranken met gedistilleerde alcohol omvat. Zij adviseert de Hoge Raad hieromtrent de volgende prejudiciële vraag aan het HvJ voor te leggen: 'Moet een alcoholhoudende drank die enkel gegiste en geen gedistilleerde alcohol bevat en die is samengesteld door aan een wat geur-, kleur- en smaak betreft neutrale drank van post 2206 van de GN, suiker, aroma's, kleur- en smaakstoffen, verdikkingsmiddelen en conserveermiddelen toe te voegen, als likeur worden ingedeeld in post 2208 van de GN?' Ten slotte concludeert A-G Van Hilten dat de middelen die zien op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de toepassing van artikel 90 EG geen doel treffen. Ook ziet de A-G geen reden tot toekenning van proceskosten aan belanghebbende. 1 Bij Wet aanpassing bestuursprocesrecht van 20 december 2012 is artikel 29b, lid 2, van de Awr gewijzigd. Incidenteel beroep in cassatie hoeft niet meer bij het verweerschrift te worden ingediend, maar dient - net als het verweerschrift - binnen acht weken na verzending van het beroepschrift in cassatie te worden ingediend. De wijziging is bij Besluit van 25 juni 2013, Stb. 2013,258 per 1 juli 2013 in werking getreden
Partij(en)
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
mr. M.E. van Hilten
Advocaat-Generaal
Conclusie van 13 september 2013 inzake:
HR nr. 12/05758 | [X] B.V. |
Hof nrs. 09/00673 en 09/00674 Rb nr. AWB 09/2334 | |
Derde Kamer A | tegen |
Accijns 1 oktober 2008 - 31 oktober 2008 | staatssecretaris van Financiën |
1. Inleiding
1.1
De onderhavige zaak is één van de drie zaken die belanghebbende bij de Hoge Raad aanhangig heeft gemaakt. Alle zaken betreffen de indeling respectievelijk de accijnsheffing van alcoholhoudende (mix)dranken.1.Het gaat om de zaken met nummers 12/01620, 12/05757 en 12/05758 (de onderhavige zaak). Behalve in de onderhavige zaak neem ik heden conclusie in de zaak met nummer 12/01620. De zaak met nummer 12/05757 is zodanig vergelijkbaar met de onderhavige zaak, dat in die zaak een conclusie overbodig is.
1.2
Zaak 12/01620 en zaak 12/057582.verschillen in zoverre dat in de eerst vermelde zaak de indeling in de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: GN) centraal staat van een alcoholische drank waaraan onder meer gedistilleerde alcohol is toegevoegd, terwijl in de onderhavige zaak de accijnsheffing centraal staat van verschillende alcoholische dranken waaraan van alles is toegevoegd, maar geen gedistilleerde alcohol. Het basisproduct waarvan de verschillende dranken gemaakt worden, vormt in deze procedure (maar niet in zaak nr. 12/01620) eveneens onderwerp van geschil. Voor de in deze zaak in geschil zijnde accijnsheffing heeft te gelden dat deze afhankelijk is van de indeling in de GN van het desbetreffende alcoholhoudende product. Derhalve concentreer ik me in deze conclusie, net als in de conclusie in zaak 12/01620, op de indeling van de in geschil zijnde producten.
1.3
Dat is in dit geval een twaalftal alcoholhoudende dranken en het (gegiste alcohol bevattende) basisproduct waarvan die dranken worden gemaakt. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat alle genoemde producten onder post 2206 van de GN (andere gegiste dranken) moeten worden gebracht. De staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) meent dat die producten alle als ‘ethylalcohol (…) gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten’ onder post 2208 van de GN moeten worden gebracht (en daarom onderworpen zijn aan een hogere accijnsheffing).
1.4
Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) en hof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) hebben beide geoordeeld dat het basisproduct een drank is die onder post 2206 van de GN moet worden ingedeeld, terwijl de (overige) dranken onder post 2208 van de GN vallen.
1.5
Wat betreft het basisproduct deel ik de opvatting van de Rechtbank en het Hof. Ik meen dat het basisproduct als gegiste drank moet worden aangemerkt en daarom onder post 2206 van de GN moet worden gebracht. Omtrent de indeling van de (overige) dranken twijfel ik. Die twijfel wordt ingegeven doordat onduidelijk is of post 2208 ook dranken omvat die geen gedistilleerde alcohol bevatten, zoals de in geding zijnde dranken. Ik stel de Hoge Raad dan ook voor om op dit punt een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie (HvJ) voor te leggen.
1.6
De middelen waarin belanghebbende zich beroept op algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de toepassing van artikel 90 EG, treffen mijns inziens geen doel.
2. De feiten en het procesverloop
2.1
Belanghebbende beschikt over een vergunning voor een accijnsgoederenplaats. Gedurende het litigieuze tijdvak – oktober 2008 – heeft zij diverse alcoholhoudende producten uitgeslagen, te weten:
- Petrikov Red
- Petrikov Blue
- FT3.African
- FT Cafe
- FT Coconut4.
- FT Banana
- FT Passion
- FT Amaretto
- FT Apfel
- FT Blue Curaçao
- FT Drop
- FT Jonge Bessen
- Ferm Fruit
Ferm Fruit heeft een alcoholpercentage van 16% vol, alle andere vermelde producten hebben een alcoholpercentage van 14% vol.
2.2
Het product Ferm Fruit5.vormt de basis voor alle overige in 2.1 vermelde alcoholhoudende producten. Het bestaat uit gefermenteerde alcohol die is verkregen door de vergisting van vruchtenconcentraat. Een liter Ferm Fruit (door het Hof aangeduid als ‘ferment’) wordt bereid uit 275 ml suikerstroop, 711 ml gedemineraliseerd water, 10 ml appelsapconcentraat en 4 ml mineralen en vitaminen. Deze bestanddelen worden gemengd, er vindt pasteurisatie plaats en er wordt wijngist toegevoegd, waarna aerobe en anaerobe gisting plaatsvindt. Vervolgens wordt het ferment gezuiverd door verschillende filtratieprocessen. Alle alcohol in Ferm Fruit is uitsluitend door gisting verkregen, aan het ferment is geen gedistilleerde alcohol toegevoegd en tijdens de bereiding vindt geen concentratie van alcohol plaats. Ferm Fruit is neutraal wat betreft geur, kleur en smaak.
2.3
Voor de bereiding van de andere in 2.1 vermelde producten (hierna tezamen aangeduid als: de dranken) worden aan Ferm Fruit suiker, aroma’s, kleurstoffen, smaakstoffen, verdikkingsmiddelen en/of conserveermiddelen toegevoegd en in een enkel geval ook (een) room(base). Aan de dranken wordt geen gedistilleerde alcohol toegevoegd. De producten bestaan voor 80% tot 90% uit Ferm Fruit.
2.4
Belanghebbende heeft ter zake van de uitslag van de in punt 2.1 vermelde producten aangifte accijns gedaan. In deze aangifte heeft zij alle vermelde producten (inclusief Ferm Fruit) aangegeven als ‘niet-mousserende tussenproducten’ en heeft zij accijns naar het ter zake geldende accijnstarief voldaan. Bij brief van 19 november 2008 heeft zij de inspecteur verzocht haar ter zake van de uitslag van de goederen een naheffingsaanslag accijns op te leggen voor het verschil tussen het voor ‘overige alcoholhoudende producten’ geldende accijnstarief en de op aangifte voldane accijns.
2.5
Aan dit verzoek heeft de Inspecteur6.voldaan bij naheffingsaanslag van 3 december 2008 ten bedrage van € 77,61. De Inspecteur heeft het door belanghebbende tegen deze aanslag ingediende bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 22 april 2009 ongegrond verklaard en heeft belanghebbendes verzoek om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt, afgewezen.
3. Geding voor de Rechtbank en het Hof
3.1
De Rechtbank
3.1.1
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij rechtbank Arnhem. Rechtbank Arnhem heeft op de voet van het (destijds) bepaalde in artikel 8:13, lid 1, tweede volzin,7.van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de zaak ter verdere behandeling verwezen naar: de Rechtbank.8.
3.1.2
Voor de Rechtbank is tussen partijen in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de beantwoording van de vraag of de dranken en Ferm Fruit moeten worden ingedeeld onder tariefpost 2206 van de GN, dan wel onder post 2208 van de GN.
3.1.3
Naar het oordeel van de Rechtbank is Ferm Fruit een drank van post 2206 van de GN. Zij overweegt daartoe het volgende:
“2.6. (…) Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende (…) aannemelijk gemaakt dat Ferm Fruit (…) een drank is. Een drank is een vloeistof die geschikt is voor menselijke consumptie en daarvoor ook bestemd is. De rechtbank hecht geloof aan belanghebbendes stelling dat Alko, de leverancier van Ferm Fruit, reeds vóór aanvang van het onderhavige tijdvak serieus marketingonderzoek deed betreffende dit product en dat Ferm Fruit, onder de naam Vin Mix, ook daadwerkelijk op de markt is gebracht en onder andere bij C1000 verkrijgbaar is. Dat Ferm Fruit gedurende het onderhavige tijdvak nog niet op de markt verkrijgbaar was is niet van belang, nu deze omstandigheid niet afdoet aan de bestemming voor menselijke consumptie.
2.7.
Gelet op hetgeen is overwogen in 2.59.en 2.6 dient Ferm Fruit naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als een gegiste drank als bedoeld in post 2206 van de GN. Derhalve valt het product onder de omschrijving van artikel 11b van de WA en is het tarief van artikel 11d van de WA van toepassing. (…).”
3.1.4
De dranken moeten naar het oordeel van de Rechtbank worden ingedeeld onder post 2208 van de GN. Dit onder de volgende overwegingen:
“2.8.3. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de slotzin van de algemene GN Toelichting op post 2208 dat de onderhavige dranken, nu zij alleen gegiste alcohol bevatten, niet als likeur kunnen worden aangemerkt. De omschrijving in de GS-Toelichting geeft daarentegen aan dat ook drank op basis van gegiste alcohol een likeur kan zijn en de GN Toelichting op post 22087010 verwijst daar expliciet naar. Dit een en ander, in onderling verband bezien, leidt de rechtbank (in afwijking van haar uitspraak van 29 oktober 2007) tot de conclusie dat de (…) dranken, met uitzondering van Ferm Fruit, moeten worden aangemerkt als likeuren en dus vallen onder GN Code post 2208 van de GN.
2.9.
Daar komt nog het volgende bij. Naar het oordeel van de rechtbank zijn door de toevoegingen aan Ferm Fruit om te komen tot de overige producten, de smaak, de geur en het uiterlijk van een uit appels vervaardigde gegiste (vruchten)drank, en daarmee de bijzondere organoleptische eigenschappen daarvan verloren gegaan. De producten passen daardoor qua wezenlijke karaktereigenschappen niet meer in de omschrijving van post 2206 van de GN. Zij kunnen dan uitsluitend nog onder de omschrijving van post 2206 van de GN vallen omdat onder een in een post vermelde stof niet alleen wordt verstaan die stof in zuivere vorm maar ook vermengd of verbonden met andere stoffen (bepaling 2b van de Algemene indelingsregels GN). Zelfs indien geen sprake zou zijn van likeuren omdat slechts sprake is van gegiste alcohol, vallen de producten ook onder de omschrijving van tariefgroep 2208 omdat deze post heel in het algemeen geldt voor (producten met) ethylalcohol en ethylalcohol of ethanol is door vergisting ontstane alcohol.
2.10.
Voor producten die vallen onder twee posten van de GN zoals in dit geval, heeft alsdan de post met de meest specifieke omschrijving voorrang. Naar het oordeel van de rechtbank is geen van beide posten in dit geval echt specifiek. Evenmin is te bepalen aan welke stof het product zijn wezenlijke karakter ontleent; het karakter van gegiste drank als bedoeld in post 2206 van de GN is immers, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, verloren gegaan. Als dan moet volgens de Algemene indelingsregels GN de post worden toegepast die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst. Dat is post 2208.
2.11.
Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat voor de overige producten het gelijk is aan de inspecteur.”
3.1.5
Bij uitspraak van 16 oktober 2009, nr. AWB 09/2334, ECLI:NL:RBBRE:2009:BK1545, NTFR 2009, 2654 heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot € 72,50.
3.2
Het Hof
3.2.1
Tegen de uitspraak van de Rechtbank hebben zowel belanghebbende als de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het geschil voor het Hof betreft het antwoord op de volgende vragen:
“I. Dient het ferment te worden ingedeeld in post 2206 GN of 2208 GN?
II. Dienen de producten [MvH: lees: de dranken] te worden ingedeeld in post 2206 GN of 2208 GN?
III. Zo vraag I en II moeten worden beantwoord in de door de Inspecteur voorgestane zin: Kan belanghebbende aan het besluit van 7 oktober 2005 het vertrouwen ontlenen dat het ferment en de producten zouden worden ingedeeld in post 2206 GN?
IV. Is sprake van een verboden discriminatie (als bedoeld - naar het Hof verstaat - in artikel 90 EG-verdrag (artikel 110 VWEU)), doordat de Inspecteur het ferment en de producten indeelt in tariefpost 2208 GN en het ferment en de producten niet indeelt als ware deze (likeur)wijn(en) (tariefpost 2204 GN)?
V. Kan belanghebbende aan door andere landen aan belanghebbende en derden afgegeven Bindende Tarief Inlichtingen (hierna: BTI's) met betrekking tot enkele van de producten, alsmede met betrekking tot enkele - volgens belanghebbende - met de producten vergelijkbare goederen, het vertrouwen ontlenen dat het ferment en de producten zouden worden ingedeeld in tariefpost 2206 GN?”
3.2.2
Het Hof oordeelt dat Ferm Fruit (‘het ferment’) moet worden ingedeeld in tariefpost 2206 van de GN. Daartoe overweegt het Hof als volgt:
“4.2. Het Hof stelt voorop dat de Inspecteur in zijn brief van 26 mei 2010 zijn stelling dat het ferment geen drank is in de zin van post 2206 GN, heeft laten varen. Het Hof zal partijen volgen in hun standpunt dat het ferment een drank is, nu tussen partijen niet in geschil is dat het ferment vloeibaar is, voor menselijke consumptie geschikt en bestemd is en dat de primaire bestemming van het ferment niet uitsluitend de bereiding van eindproducten als de onderhavige is (…).
(…)
4.6.
Vaststaat dat het ferment een alcoholhoudende drank is, welke alcohol geheel door vergisting is verkregen.
4.7.
Gelet op de GN-toelichting op tariefpost 2208 GN, waarin is vermeld dat van deze tariefpost zijn uitgesloten door gisting verkregen alcoholhoudende dranken, is daarmede de indeling van het ferment onder deze post uitgesloten.
(…)
4.9.
Het Hof is van oordeel dat een belangrijk objectief kenmerk en eigenschap van het ferment is, dat het een gegiste drank is. Gelet op de bewoordingen van de tariefpost 2206 GN en de onder 4.7 vermelde GN-toelichting is het Hof van oordeel dat het ferment op grond van de indelingsregels 1 en 6 moet worden ingedeeld in tariefpost 2206 GN.
4.10.
De omstandigheid dat het ferment neutraal is voor wat betreft geur, kleur en smaak, is onvoldoende om het ferment, zoals de Inspecteur betoogt, aan te merken als ethylalcohol als bedoeld in tariefpost 2208 GN. Het Hof is van oordeel dat het objectieve kenmerk en de objectieve eigenschap van het ferment, namelijk gegiste drank, het meest past bij de bewoordingen van tariefpost 2206 GN en dat gelet op de GN-toelichting op tariefpost 2208 GN een indeling in die laatste post geen steun vindt in die toelichting. ”
3.2.3
De dranken (door het Hof aangeduid als ‘de producten’), daarentegen, moeten naar het oordeel van het Hof onder post 2208 van de GN worden ingedeeld:
“4.12. Vaststaat dat de producten worden verkregen door aan het ferment suiker, aroma's, kleurstoffen, smaakstoffen, verdikkingsmiddelen en/of conserveermiddelen toe te voegen en in een enkel geval ook (een) room(base). Aan de producten is geen gedistilleerde alcohol toegevoegd. Alle alcohol in de producten is uitsluitend door gisting verkregen. De producten bestaan voor 80% tot 90% uit het ferment.
4.13.
Gelet op hetgeen onder 4.12 is overwogen, zijn de producten aan te merken als een mengsel van twee (of meer) stoffen als bedoeld in indelingsregel 2b. Alsdan moet indeling plaatsvinden met inachtneming van indelingsregel 3.
(…)
4.15. [
Er is] (…) sprake (…) van een mengsel, samengesteld uit of met verschillende stoffen, als bedoeld in indelingsregel 3b. Hieruit volgt dat voor de tariefindeling van de producten, op grond van indelingsregel 3b, moet worden vastgesteld aan welke van de stoffen, waaruit deze zijn samengesteld, deze hun wezenlijke karakter ontlenen.
4.16.
Voor producten als de onderhavige wordt het wezenlijke karakter (mede) bepaald door hun organoleptische eigenschappen. Voor de bereiding van de producten worden toegevoegd suiker, aroma's, kleurstoffen, smaakstoffen, verdikkingsmiddelen en/of conserveermiddelen. Derhalve dient het Hof te beoordelen wat de smaak, de geur en het uiterlijk van de producten is. In het bijzonder dient het Hof te beoordelen of de producten, na de toevoeging van de andere stoffen, de smaak, de geur en het uiterlijk van een uit een bepaalde vrucht of uit een bepaald natuurproduct vervaardigde drank, dat wil zeggen van een gegiste drank, hebben verloren.
4.17.
Het Hof stelt voorop dat uit de omstandigheid dat de Inspecteur accijns heeft nageheven, volgt dat in eerste instantie op hem de last rust te bewijzen wat de organoleptische eigenschappen van de producten, die hun wezenlijke karakter bepalen, zijn, en of deze organoleptische eigenschappen een indeling rechtvaardigen in de door hem voorgestane tariefpost 2208 GN.
4.18.
Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur met betrekking tot de organoleptische eigenschappen van de producten, die hun wezenlijke karakter bepalen, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende niets aannemelijk heeft gemaakt.
(…)
4.20.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met betrekking tot de organoleptische eigenschappen van de producten, die hun wezenlijke karakter bepalen, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niets aannemelijk heeft gemaakt.
4.21.
Uit het vorenoverwogene volgt dat een indeling van de in geding zijnde dranken aan de hand van indelingsregel (2, 3a en) 3b niet mogelijk is, zodat de indeling van de producten dient plaats te vinden op basis van indelingsregel 3c, zijnde de toepassing van de post die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst. Gelet op de omstandigheid dat de producten alcoholhoudende vloeistoffen zijn, volgt hieruit dat de producten moeten worden ingedeeld in tariefpost 2208 GN.”
3.2.4
Nu Ferm Fruit naar het oordeel van het Hof moet worden ingedeeld onder tariefpost 2206 van de GN, dienen de vragen III, IV en V volgens het Hof uitsluitend voor de dranken te worden beantwoord, en niet voor het ferment.
3.2.5
Wat betreft het door belanghebbende gestelde bij haar gewekte vertrouwen (vraag III) komt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende aan het besluit van 7 oktober 200510.niet het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat de dranken onder post 2206 zouden worden ingedeeld. Het Hof overwoog daartoe:
“4.26. Nu belanghebbende zich beroept op een voor haar gunstiger indeling van de producten op grond van het besluit van 7 oktober 2005, rust op haar de last te bewijzen dat de producten voldoen aan de in het besluit van 7 oktober 2005 opgenomen eisen voor indeling tariefpost 2206 GN.
4.27.
Het Hof is van oordeel, mede gelet op de (…) ultrafiltratie, Kiezelguhr-filtratie, microfiltratie en carbonfiltratie van het ferment, dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de producten voor meer dan 50 gewichtspercenten van het totale alcoholvolumepercentage de gistingskenmerken hebben van ongezuiverde, gegiste alcohol als bedoeld in het besluit van 7 oktober 2005. (…)”
3.2.6
Het Hof beantwoordt vraag IV ontkennend en overweegt hiertoe:
“4.28. (…) Het beroep van belanghebbende op - naar het Hof verstaat - artikel 90 EG-verdrag (artikel 110 VWEU) faalt reeds hierom, omdat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de producten vergelijkbaar zijn met (likeur)wijn.”
3.2.7
Ook vraag V beantwoordt het Hof ontkennend, overwegende:
“4.30. (…) De door andere landen aan belanghebbende en derden afgegeven BTI's met betrekking tot enkele van de producten, alsmede met betrekking tot enkele - volgens belanghebbende - met de producten vergelijkbare goederen, binden de Inspecteur voor de heffing van accijns niet; belanghebbende kan derhalve aan die BTI's voor de heffing van accijns geen vertrouwen ontlenen (vgl. overigens het arrest van het HvJ EU van 7 april 2011, Sony Supply Chain Solutions (Europe) B.V., C-153/10). Gesteld noch gebleken is dat de Inspecteur met betrekking tot een of meer van de producten aan belanghebbende een BTI heeft afgegeven waarbij dat product is ingedeeld in tariefpost 2206 GN.”
3.2.8
Bij uitspraak van 2 november 2012, nrs. 09/00673 en 09/00674, ECLI:NL:GHSHE:2012:BY3306, NTFR 2012, 2685 heeft het Hof de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
4. Het geding in cassatie
4.1
Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Zij stelt zes cassatiemiddelen voor, die ik als volgt groepeer:
- In middel 1 en middel 4 komt belanghebbende met rechts- en motiveringsklachten op tegen de oordelen van het Hof dat de dranken onder post 2208 van de GN moeten worden ingedeeld.
- In de middelen 2 en 3 betoogt belanghebbende dat haar beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door het Hof ten onrechte niet is gehonoreerd. Belanghebbende doelt in het bijzonder op de toepassing van het besluit van 7 oktober 2005 en het arrest van het HvJ van 7 mei 2009, Siebrand, C-150/08, BNB 2009/160 (hierna: arrest Siebrand).
- In middel 5 stelt belanghebbende dat het Hof het recht, meer in het bijzonder artikel 90 EG-Verdrag (thans art. 110 VWEU) heeft geschonden.
- In middel 6, ten slotte, klaagt belanghebbende over het niet toekennen van een integrale proceskostenvergoeding.
4.2
Bij brief van 20 februari 2013 heeft de Staatssecretaris een als ‘incidenteel beroep in cassatie’ aangeduid geschrift bij de Hoge Raad ingediend, waarin hij als (incidenteel) cassatiemiddel voordraagt:
“Schending van het Nederlandse recht, met name van artikel 12, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de accijns en/of van artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof het onderhavige intensief gefiltreerde ferment dat neutraal is wat betreft geur, kleur en smaak indeelt onder post 2206 van de gecombineerde nomenclatuur, zulks ten onrechte, althans op gronden welke de beslissing niet kunnen dragen.”
4.3
De Staatssecretaris heeft bij brief van 26 februari 2013 een verweerschrift ingediend.
4.4
Belanghebbende heeft het incidentele beroep in cassatie beantwoord.11.De Staatssecretaris heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden mogelijkheid om te repliceren op het door hem ingestelde incidentele cassatieberoep.12.
4.5
Belanghebbende heeft gerepliceerd op het verweerschrift van de Staatssecretaris13.. De Staatssecretaris heeft geen gebruik gemaakt van de aan hem geboden gelegenheid tot het nemen van een conclusie van dupliek.14.
5. Vooraf ambtshalve
5.1
Aan het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris kleeft een formeel vuiltje.
5.2
De mogelijkheid incidenteel beroep in cassatie in te stellen is geregeld in artikel 29b, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr). Die bepaling luidde15.als volgt:
“De partij kan bij het verweerschrift incidenteel beroep in cassatie instellen. In dat geval wordt de partij die beroep in cassatie heeft ingesteld, in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van het verweerschrift het incidentele beroep te beantwoorden.”
5.3
Als volgt uit het vorenopgenomen citaat kan incidenteel beroep in cassatie worden ingesteld bij het verweerschrift. Dit suggereert dat incidenteel beroep in cassatie gelijktijdig met het verweerschrift moet worden ingediend. In casu heeft de Staatssecretaris zijn incidentele beroep in cassatie echter voorafgaand aan zijn verweerschrift ingediend. De vraag is of het incidentele beroep in cassatie hierdoor prematuur is en, zo ja, wat de gevolgen daarvan zijn.
5.4
De mogelijkheid om incidenteel beroep in cassatie in te stellen is bij de aanpassing van het fiscale procesrecht aan de Algemene wet bestuursrecht, eind jaren negentig van de vorige eeuw, in de Awr opgenomen. Uit de nota naar aanleiding van het verslag16.valt af te leiden dat de wens om tot een zorgvuldige en effectieve rechtspleging in cassatie te komen, aan de introductie van de mogelijkheid van incidenteel beroep in cassatie heeft bijgedragen. Ik citeer uit de nota naar aanleiding van het verslag:
“Wij menen evenwel dat aan een zorgvuldige en effectieve rechtspleging in cassatie in dit opzicht geen belemmeringen in de weg moeten worden gelegd. Daarom zijn wij van oordeel dat deze voorziening thans in de Awr kan worden neergelegd, vooralsnog op een eenvoudige manier, d.w.z. zonder de heffing van griffierecht.”
5.5
Bij de nota van wijziging werd vervolgens – in de nota nog aangeduid als artikel 29ba, lid 2 – het huidige (tweede lid) van artikel 29b voorgesteld. Die bepaling werd als volgt toegelicht:
“(…) Voorgesteld wordt om de regeling van het incidentele beroep in cassatie zo eenvoudig mogelijk te houden. Dat heeft ook het voordeel dat de rechtspraak maximale ruimte krijgt om zelf invulling te geven aan dit nieuwe processuele instrument. (…) Dit beroep [MvH: het incidentele beroep in cassatie] kan worden ingediend in een afzonderlijk geschrift, maar kan ook worden opgenomen in het verweerschrift. (…)”17.
5.6
Uit de omstandigheid dat een incidenteel beroep in cassatie (kennelijk) niet hoeft te worden gedaan bij hetzelfde geschrift als het verweerschrift, zou kunnen worden afgeleid dat een incidenteel beroepschrift in cassatie ook niet per se op hetzelfde tijdstip hoeft te worden ingediend als het verweerschrift: de verweerder die ervoor kiest verweerschrift en incidenteel beroepschrift te scheiden, kan deze verschillende geschriften ook in verschillende enveloppen doen, mét de kans dat het ene geschrift er langer over doet dan het andere om de Hoge Raad te bereiken. Anderzijds pleit de term ‘bij het verweerschrift’ voor een gelijktijdige indiening.
5.7
Tegen de achtergrond van het doel van de zorgvuldige rechtspleging die (mede) ten grondslag ligt aan de mogelijkheid om incidenteel beroep in cassatie in te stellen valt er mijns inziens wat voor te zeggen om een incidenteel beroepschrift in cassatie als zodanig te accepteren indien het maar – net als het verweerschrift – binnen de voor het verweer gestelde termijn binnenkomt. Of een dergelijke invalshoek ook altijd de effectiviteit en de efficiency van de rechtspleging ten goede komt, is een tweede. Bedacht moet namelijk worden dat in artikel 29b, lid 2, van de Awr niet alleen is vastgelegd dat ‘bij’ verweer incidenteel beroep in cassatie kan worden ingesteld, maar ook dat het incidentele beroep in cassatie moet kunnen worden beantwoord ‘binnen vier weken na verzending van het verweerschrift’. Niettegenstaande de in artikel 29, lid 3, van de Awr aan de Hoge Raad geboden mogelijkheid die termijnen te verlengen, laat de wettelijke reactietermijn van vier weken na verzending van het verweerschrift de mogelijkheid open dat de verweerder annex incidenteel cassatieberoeper de facto de beantwoordingstermijn (van het incidentele beroep in cassatie) minimaliseert door tijdig verweer in te dienen en met het incidentele beroep in cassatie te wachten tot het einde van de verweertermijn.18.
5.8
Wanneer ik deze overwegingen bij elkaar optel, zou ik ervoor willen pleiten de term ‘bij verweer’ in artikel 29, lid 2, (oud) van de Awr in zoverre ruim op te vatten dat een ‘prematuur’ incidenteel beroep in cassatie, dat wil zeggen een beroep in cassatie dat binnenkomt vóór het verweerschrift als incidenteel beroep in cassatie mag meetellen in de procedure (de wederpartij wordt in dit geval niet beknot in zijn beantwoordingstermijn). Mits uiteraard, het verweerschrift binnen de daartoe gestelde termijn binnenkomt.
5.9
Uitgaande van het voorgaande, kom ik tot de slotsom dat het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris – zes dagen vóór het verweerschrift binnengekomen – tijdig is en dus als zodanig in de procedure moet worden meegenomen.
5.10
Ik kom nu tot een bespreking van de materiële kant van de zaak.
6. Accijnswetgeving en indeling in de GN
6.1
Hoewel het in casu draait om een naheffingsaanslag accijns, moet de kern van het geschil worden gezocht in de indeling van de dranken en van Ferm Fruit (‘het ferment’). De heffing van accijns van – voor zover hier van belang – tussenproducten en overige alcoholhoudende producten is namelijk (mede19.) afhankelijk van de indeling van de goederen in de GN.
6.2
Op grond van artikel 11d, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de accijns (hierna: de Wet) bedroeg de accijns in het onderhavige tijdvak voor niet-mousserende tussenproducten met een alcoholgehalte van niet meer dan 15% vol per hectoliter € 84,65. Voor niet-mousserende tussenproducten met een alcoholgehalte van meer dan 15% vol gold op grond van artikel 11d, lid 1, aanhef en onderdeel b, van de Wet een tarief van € 119,24. Artikel 13 van de Wet schreef destijds voor dat voor goederen die als overige alcoholhoudende producten moeten worden aangemerkt, de accijns per hectoliter bij een temperatuur van 20ºC per volume-percent alcohol € 15,04 bedraagt.
6.3
De definitie van een niet-mousserend tussenproduct is gegeven in artikel 11b van de Wet en luidt (met mijn cursivering):
“Onder niet-mousserende tussenproducten worden verstaan alle niet als bier of wijn aan te merken producten van GN-codes 2204, 2205 en 2206 met een alcoholgehalte van meer dan 1,2%vol maar niet meer dan 22%vol, (…).”20.
6.4
In de categorie ‘overige alcoholhoudende producten’ vallen ingevolge artikel 12 van de Wet (cursivering MvH):
“1. Onder overige alcoholhoudende producten worden verstaan:
a. alle producten van GN-codes 2207 en 2208 met een alcoholgehalte van meer dan 1,2%vol, ook wanneer deze producten bestanddeel zijn van een product van een GN-code uit een ander hoofdstuk van de gecombineerde nomenclatuur;
b. (…).
2. Onder overige alcoholhoudende producten worden mede verstaan gedistilleerde dranken als bedoeld in het eerste lid, wanneer deze dranken andere producten, al dan niet in oplossing, bevatten.”21.
6.5
Voor de beoordeling van de (juistheid van de) naheffingsaanslag is dan ook doorslaggevend de indeling van Ferm Fruit en van de dranken. Bij die indeling staan de tariefposten 2206 en 2208 van de GN centraal. Deze tariefposten maken deel uit van hoofdstuk 22 van de GN, getiteld ‘Dranken, alcoholhoudende vloeistoffen en azijn’.
7. Tariefposten 2206 en 2208 van de GN en de indelingsregels
7.1
Als hiervoor aangegeven, zijn in casu de posten 2206 en 2208 van de GN relevant voor de indeling van Ferm Fruit en van de dranken, en daarmee voor de beoordeling van de naheffingsaanslag accijns. Deze posten luiden, met inbegrip van de relevante postonderverdelingen en toelichtingen als hierna aangegeven.
7.2
Post 2206 van de GN
7.2.1
De tekst van post 2206 luidt, voor zover relevant:
“22 06 | Andere gegiste dranken (bijvoorbeeld appelwijn, perenwijn, honingdrank); mengsels van gegiste dranken en mengsels van gegiste dranken met alcoholvrije dranken, elders genoemd noch elders onder begrepen (…): |
(…) | (…) |
- andere | |
(…) | (…) |
- - niet mousserend, in verpakkingen inhoudende - - - niet meer dan 2 l: | |
(…) | (…) |
2206 00 59 | - - - - andere” |
7.2.2
In de GS-toelichting bij post 2206 is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
“Deze post omvat gegiste dranken van alle soorten, andere dan die bedoeld bij de posten 22.03 tot en met 22.05.22.
Onder deze post wordt onder meer ingedeeld:
(…)
5. vruchtenwijn, verkregen door gisting van most of van sap van andere vruchten dan verse druiven (…) met een alcoholvolumegehalte van meer dan 0,5% vol;
(…)
Zij blijven ook onder deze post ingedeeld wanneer alcohol is toegevoegd of het alcoholvolumegehalte is verhoogd door een verdere gisting, voor zover zij het karakter hebben behouden van producten als bedoeld bij deze post.
Deze post omvat eveneens mengsels van alcoholvrije dranken en gegiste dranken en mengsels van gegiste dranken als bedoeld bij de voorgaande posten van dit hoofdstuk, bijvoorbeeld mengsels van limonade en bier of wijn, mengsels van bier en wijn, met een alcoholgehalte van meer dan 0,5% vol.”
7.3
Post 2208 van de GN
7.3.1
Onder post 2208 vallen, voor zover hier van belang:
“2208 | Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcohol-volumegehalte van minder dan 80% vol; gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten: |
(…) | (…) |
2208 70 | - likeuren |
2208 70 10 | - - in verpakkingen inhoudende niet meer dan 2 l |
- andere | |
- - ethylalcolhol, niet gedenatureerd, met een alcoholvolumegehalte van minder dan 80% vol, in verpakkingen inhoudende: | |
2208 90 91 | - - - niet meer dan 2 l” |
7.3.2
Opmerkelijk is dat de tekst van post 2208 niet in alle talen helemaal gelijk lijkt te zijn. In de Nederlandse en Engelse tekst van de post lijken alleen dranken die gedistilleerde alcohol bevatten onder de post te kunnen worden gebracht – de Engelse versie spreekt van “spirits, liqueurs and other spirituous beverages” –. In het Frans en het Duits lijkt wat meer ruimte te zijn gegeven om ook dranken die geen gedistilleerde alcohol bevatten onder de post te brengen. Zo worden in de Franse versie onder de post gebracht “eaux-de-vie, liqueurs et autres boissons spiritueuses” en in de Duitse versie “zusammengesetzte alkoholhaltige Zubereitungen der zum Herstellen von Getränken verwendeten Art.”
7.3.3
Post 2208 is in de GS als volgt toegelicht:
“Deze post omvat, ongeacht het volumegehalte alcohol:
(…)
B. likeuren, dat wil zeggen alcoholhoudende dranken waaraan suiker, honing of andere natuurlijke zoetstoffen en extracten of essences zijn toegevoegd (bijvoorbeeld alcoholhoudende dranken verkregen door distillatie of door het mengen van ethylalcohol of gedistilleerde dranken met een of meer van de navolgende producten: vruchten, bloemen of andere plantendelen, extracten, essences, etherische oliën of vruchtensappen, ook indien geconcentreerd). Van deze producten kunnen onder meer worden genoemd: likeuren die suikerkristallen bevatten, likeuren van vruchtensappen, eierlikeuren, likeuren op basis van kruiden, bessen of specerijen, likeuren van thee, chocolade, melk of honing;
C. alle andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten en die niet zijn genoemd of niet zijn begrepen onder andere posten van dit hoofdstuk.
(...)
Bedoelde ethylalcohol kan worden onderkend van de producten bedoeld onder A, B en C hiervoor, ook indien hij bestemd is voor menselijke consumptie, doordat hij geen aromatische bestanddelen bevat.
Van de producten bij deze post kunnen behalve ethylalcohol met een alcoholvolumegehalte van minder dan 80% vol, worden genoemd:
(…)
7. likeuren, ook wel crèmes genoemd in verband met hun stroperigheid en hun kleur. Zij hebben in het algemeen een betrekkelijk laag alcoholgehalte, maar zijn zeer zoet (crème de cacao, crème de banane, crème de vanille, crème de café, crème de cassis, enz.). Hiertoe behoren eveneens zogenaamde emulsielikeuren, bestaande uit emulsies in alcohol van eieren (advocaat) of van room;”
7.3.4
De GN-toelichting op post 2208 luidt:
“Gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten, in de zin van deze post, zijn in het algemeen voor menselijke consumptie bestemde alcoholhoudende vloeistoffen die verkregen worden:
- hetzij door rechtstreeks distilleren (al dan niet onder toevoeging van aromatische stoffen) uit gegiste natuurlijke vloeistoffen, zoals wijn en cider, of uit gegiste vruchten, gegiste draf, gegiste granen of andere gegiste producten van plantaardige oorsprong;
- hetzij door het enkel toevoegen van bepaalde aromatische stoffen en eventueel suiker aan door distillatie verkregen alcohol.
(…)
Door gisting verkregen alcoholhoudende dranken vallen niet onder deze post (posten 22.03 tot en met 22.06).”
7.4
Bij de indeling van goederen vormen de zogenoemde algemene indelingsregels23.het uitgangspunt. Primair heeft te gelden (indelingsregel 1) dat voor de indeling wettelijk bepalend zijn de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofstukken. GS- en GN-toelichtingen24.dienen (slechts) als belangrijke hulpmiddelen bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten.25.
7.5
Het is daarbij vaste prik in de jurisprudentie van het HvJ dat – omwille van de rechtszekerheid en gemakkelijke controle – het doorslaggevende criterium voor de indeling in beginsel26.moet worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen zoals omschreven in de tekst van de tariefposten en in de aantekeningen op de afdelingen of hoofdstukken.27.
7.6
Met betrekking tot de elementen die bepalend zijn voor de objectieve kenmerken en eigenschappen van een drank kan worden gewezen op het arrest Siebrand. Kort gezegd stond in dit arrest centraal de indeling van dranken die – anders dan in onderhavige zaak – zowel gegiste als gedistilleerde alcohol bevatten. Uit de punten 35 tot en met 39 van het arrest Siebrand leid ik af dat het HvJ in ieder geval als objectieve kenmerken en eigenschappen van een (gemengde) drank beschouwt: de smaak, de geur en het uiterlijk.28.
7.7
Het kan gebeuren - bijvoorbeeld bij mengsels van stoffen - dat een goed vatbaar is voor indeling in twee of meer tariefposten. In die gevallen geschiedt de indeling op grond van algemene indelingsregels (2b en) 3 als volgt. Ik citeer uit regel 3:
“a. De post met de meest specifieke omschrijving heeft voorrang boven de posten met een meer algemene strekking. Indien echter twee of meer posten elk afzonderlijk slechts betrekking hebben op een gedeelte van de stoffen of bestanddelen waaruit een mengsel of een goed is samengesteld (…) worden die posten, met betrekking tot bedoelde mengsels en goederen, aangemerkt als even specifiek, zelfs indien een van de andere posten daarvan een volledigere of nauwkeurigere omschrijving geeft;
b. Mengsels, werken die zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen dan wel zijn vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen (…), waarvan de indeling niet mogelijk is aan de hand van het bepaalde onder 3a, worden ingedeeld naar de stof of het goed waaraan de mengsels, de werken (…) hun wezenlijk karakter ontlenen, indien die kan worden bepaald;
c. In de gevallen waarin de indeling aan de hand van het bepaalde onder 3a en 3b niet mogelijk is, wordt van de verschillende in aanmerking komende posten, de post toegepast die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst.”
7.8
Naar volgt uit punt VIII van de GS-toelichting op (de hiervóór aangehaalde) algemene regel 3b kan het voor het karakter van een goed bepalende kenmerk naargelang de soort van goederen bijvoorbeeld blijken uit de soort en aard van de stof of van de bestanddelen, uit hun omvang, hoeveelheid, gewicht, waarde of hun belang in verband met het gebruik ervan.29.
7.9
Aan de hand van de hiervóór vermelde vuistregels dient te worden bepaald onder welke post Ferm Fruit en de dranken moeten worden ingedeeld.
8. Ferm Fruit en (in) de GN
8.1
In cassatie staat vast30.dat Ferm Fruit een drank is, dat wil zeggen dat het vloeibaar is, geschikt en bestemd is voor menselijke consumptie en dat de primaire bestemming van het ferment niet uitsluitend de bereiding van het eindproduct is.31.Daarbij is niet in geschil dat sprake is van een alcoholhoudende drank en dat alle alcohol in Ferm Fruit door vergisting is verkregen.
8.2
Daarmee voldoet Ferm Fruit aan de omschrijving van post 2206 van de GN.
8.3
De vraag is echter of Ferm Fruit niet ook onder post 2208 van de GN kan worden gebracht. Dit met name omdat de in post 2208 van de GN vermelde ‘ethylalcohol’ niet alleen gedistilleerde alcohol lijkt te omvatten, maar ook gegiste alcohol. Ik leid dat althans af uit de GS-toelichting op post 2207 van de GN.32.Daarin is onder meer opgenomen (cursivering MvH):
“(…) Gefermenteerde dranken en gedistilleerde dranken bevatten ethylalcohol verkregen door fermentatie van bepaalde soorten suiker door middel van gist of andere fermenten. Niet-gedenatureerde ethylalcohol bedoeld bij de posten 2207 of 2208 wordt verkregen door een gefermenteerd product achtereenvolgende zuiveringsprocessen (bijvoorbeeld distillatie, filtratie enz.) te laten doorlopen op een zodanige wijze dat het karakter van een gefermenteerd product verloren is gegaan, waarbij een heldere, kleurloze, niet-mousserende vloeistof ontstaat met uitsluitend de reuk en smaak van ethylalcohol. (...)”
8.4
Dit lijkt aan te sluiten bij de GS-toelichting op post 2208 (zie ook punt 7.3.3 van deze conclusie) waarin is vermeld dat onder post 2208 ook ethylalcohol voor menselijke consumptie valt en dat deze ethylalcohol kan worden onderscheiden van gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten doordat hij geen aromatische bestanddelen bevat.33.
8.5
Anderzijds vermeldt de GN-toelichting op post 2208 uitdrukkelijk (zie punt 7.3.4 van deze conclusie) dat door gisting verkregen alcoholhoudende dranken niet onder post 2208 van de GN vallen, en wordt in de GS-toelichting op post 2206 van de GN expliciet aangegeven dat deze post gegiste dranken van alle soorten (andere dan bedoeld bij de posten 2203 tot en met 2205) omvat.
8.6
Bezie ik de tekst van de beide aan de orde zijnde posten, de toelichtingen daarop en het arrest van het HvJ van 14 juli 2011, Paderborner Brauerei Haus Cramer, C-196/10 (hierna: arrest Paderborner), dan kom ik tot de slotsom dat het essentiële kenmerk van een ‘2206-product’ is dat het een drank is, terwijl de ethylalcohol uit post 2208 zeer wel voor menselijke consumptie geschikt kan zijn, maar juist geen drank is in de zin van de omschrijving in punt 8.1 van deze conclusie. Ik citeer uit het arrest Paderborner (cursivering MvH):
“35. Daarentegen is in de GS-toelichting op post 2208 uitdrukkelijk aangegeven dat deze ook ethylalcohol omvat, ongeacht of deze voor menselijke consumptie of industrieel gebruik bestemd is. Het feit dat ‘malt beer base’ slechts een tussenproduct is, leidt er dus niet toe dat het buiten deze post valt.
36. Hoewel de GN-toelichting op GN-post 2208 door gisting verkregen alcoholhoudende dranken daarvan uitsluit, volstaat het voor de onderhavige zaak eraan te herinneren dat dit geen betrekking kan hebben op ‘malt beer base’ (…), aangezien het (…) geen alcoholhoudende drank is.”
8.7
Steun voor de aanname dat met de term ethylalcohol niet op dranken (maar hooguit op ingrediënten daarvan) wordt gedoeld, ontleen ik aan de tekst van de posten 2207 en 2208, waarin ethylalcohol als afzonderlijk product is vermeld (‘ethylalcohol en gedistilleerde dranken’ in post 2207 van de GN en ‘ethylalcohol; gedistilleerde dranken, (…)’ in post 2208 van de GN).
8.8
Gelet op het voorgaande kom ik tot de slotsom dat Ferm Fruit, nu vaststaat dat het een door gisting verkregen alcoholhoudende drank is, onder post 2206 moet worden ingedeeld: Ferm Fruit past mijns inziens onder de bewoordingen van post 2206 van de GN (gegiste drank). Zo ervan moet worden uitgegaan dat Ferm Fruit ook vatbaar is voor indeling onder post 2208 van de GN, is die conclusie niet anders, aangezien de ‘drankenpost’ 2206 van de GN mijns inziens hetzij als specifiekere post voorrang moet krijgen (algemene indelingsregel 3a), hetzij voorgaat omdat het wezenlijke karakter van het product wordt gevormd door haar hoedanigheid als (gegiste) drank (algemene indelingsregel 3b).
8.9
In dit verband verdient nog opmerking dat het HvJ in (punt 37 van) het arrest Paderborner belang hechtte aan de omstandigheid dat het in dat arrest centraal staande ‘malt beer base’ niet eenvoudigweg uit vergisting was verkregen, maar dat na de gisting ultrafiltratie volgde. Na deze ultrafiltratie verloor de ‘malt beer base’ van Paderborner – dat uit gebrouwen bier werd gewonnen – het karakter van bier: het leek niet (meer) op bier en smaakte er niet meer naar. Deze omstandigheden waren voor het HvJ aanleiding (overigens min of meer ten overvloede, omdat de omstandigheid dat de ‘malt beer base’ geen drank was al leidde tot de slotsom dat het product niet onder post 2203 kon worden gebracht) te oordelen dat de objectieve kenmerken en eigenschappen van de ‘malt beer base’ niet overeenstemden met die van bier van post 2203 van de GN, maar wel met die van ethylalcohol van post 2208 van de GN.
8.10
Het komt mij voor dat deze overweging uit het arrest Paderborner voor dranken van post 2206 van de GN niet van belang is, ook al vindt na gisting – zoals in casu – filtratie plaats. Bedacht moet worden dat bier een drank met specifieke eigenschappen is en dat post 2206 van de GN, oneerbiedig gezegd, een verzamelpost is voor gegiste dranken van alle soorten. Weliswaar is in de GS-toelichting (zie punt 7.2.2 van deze conclusie) een aantal dranken genoemd die onder de post vallen, maar deze opsomming is, gezien de tekst (‘onder deze post worden onder meer ingedeeld’) niet limitatief en sluit andere dan de vermelde dranken niet uit. Ik meen - nog afgezien van het gegeven dat in casu niet feitelijk vaststaat wat de gevolgen van de filtratie bij de productie van Ferm Fruit zijn voor het uiterlijk en de smaak daarvan - dat dan ook niet gezegd kan worden dat een ‘2206-drank’ een specifieke smaak, geur of uiterlijk heeft. Ook een neutrale drank zoals Ferm Fruit34.kan, met andere woorden, een ‘2206-drank’ zijn.35.
8.11
De vraag is of aan deze laatste conclusie wordt afgedaan door overwegingen van het HvJ in het arrest Siebrand. Uit dit arrest – met name punt 27 daarvan – zou kunnen worden afgeleid dat een gegiste drank van tariefpost 2206 van de GN het uiterlijk, de smaak en de geur moet hebben van een uit een bepaalde vrucht of uit een bepaald natuurproduct vervaardigde drank:
“27 Blijkens de verwijzingsbeslissing hebben de in het hoofdgeding aan de orde zijnde dranken [MvH: het ging om appelwijn waaraan gedistilleerde alcohol, water, aroma’s, suikersiroop en geur- en smaakstoffen waren toegevoegd] echter de smaak, de geur en het uiterlijk van een uit een bepaalde vrucht of uit een bepaald natuurproduct vervaardigde drank, dat wil zeggen van een gegiste drank, verloren. Dergelijke producten kunnen niet in post 2206 van de GN worden ingedeeld.”
8.12
De overweging suggereert dat een ‘post 2206-drank’ moet smaken, ruiken en er uitzien als een product dat uit een bepaalde vrucht of natuurproduct is vervaardigd, en dat (dus) een gegiste drank die neutraal van kleur, smaak en uiterlijk is, daar niet onder kan vallen. Om de volgende redenen verwerp ik deze suggestie.
8.13
In de eerste plaats worden in de tariefpost zelf geen andere eisen aan de daaronder vallende drank gesteld, dan dat het moet gaan om een gegiste drank. De in de post genoemde appelwijn, perenwijn en honingdrank zijn slechts voorbeeldsgewijs gegeven. Voorts moet de overweging van het HvJ worden gelezen in de context van het arrest, waarin de vraag van de Hoge Raad – enigszins geparafraseerd – was of appelwijn (zonder twijfel een ‘2206-drank’) waaraan zodanige toevoegingen waren gedaan dat het in te delen (eind)product ‘de smaak, de geur en/of het uiterlijk van een drank uit een bepaalde vrucht [MvH: in die zaak appel] of een bepaald natuurproduct heeft verloren’, nog onder post 2206 van de GN kon worden gebracht. In de in punt 8.11 aangehaalde overweging 27 herhaalt het HvJ in wezen de woorden van de Hoge Raad. Ik meen dan ook dat in de overweging niet een definitie van een gegiste drank moet worden gelezen. In dit verband wijs ik op de bijdrage van (rechter in het HvJ) K. Lenaerts, ‘The Court of Justice and EU law’ in G. Maesto, Taxation of Intercompany Dividends under Tax Treaties en EU Law (Amsterdam, IBFD 2012, blz. 4) (curs. MvH):
‘Judgments of the ECJ should not be read like statutory provisions, which they are not. Paragraphs of a judgment should not be singled out and then put between quotation marks preceded by ‘The Court of Justice held that’. This is misleading. The ECJ works indeed with paragraphs and linguistically speaking they can be singled out; legally speaking, however, they cannot, as they are to be related to the context in which they have been drafted as steps in the reasoning towards the operative part of the judgment.”
8.14
Ik blijf derhalve bij mijn conclusie dat neutraliteit van smaak, geur en uiterlijk niet hoeft af te doen aan de indeling van een drank onder post 2206 van de GN.
8.15
Die conclusie wordt ook niet anders door de omstandigheid dat het Harmonized System Committee van de WDO voor een (blijkens de omschrijving) vergelijkbaar product een advies voor indeling onder post 2208 heeft gegeven,36.dat door de Europese Commissie is overgenomen door middel van een mededeling in het PB EU van 14 december 2011, C364. Niet alleen dateert het advies van enige jaren ná het litigieuze tijdvak, ook lijkt het in het advies omschreven product – zie voetnoot 36 – niet als drank te zijn gekwalificeerd. Dit alles nog afgezien van het feit dat adviezen voor de indeling van goederen hooguit hulpmiddelen zijn, en geen bindende kracht hebben.
8.16
Al met al kom ik tot de slotsom dat het Hof met juistheid heeft geoordeeld dat Ferm Fruit onder post 2206 van de GN moet worden ingedeeld. Dat oordeel is ook niet onvoldoende gemotiveerd. Het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris faalt derhalve.
8.17
Ik merk hierbij op – ambtshalve: partijen noch Rechtbank en Hof melden daar iets over – dat mij opvalt dat belanghebbende kennelijk (ook) voor Ferm Fruit aangifte heeft gedaan naar het accijnstarief dat geldt voor ‘2206-dranken’ met een alcoholgehalte van niet meer dan 15% vol (artikel 11d, lid 1, onder a, van de Wet (tekst destijds): € 84,65 per hectoliter). Het staat echter vast – zie punt 2.1 van deze conclusie – dat Ferm Fruit een alcoholgehalte heeft van 16% vol. Mijns inziens zou ter zake van de uitslag van Ferm Fruit dan ook accijns verschuldigd zijn naar het in artikel 11d, lid 1, onder b, van de Wet genoemde tarief van € 119,24 per hectoliter (tarief 2008).
9. De dranken en (in) de GN
9.1
Naar uit het voorgaande volgt, is de basis van de in geding zijnde dranken – Ferm Fruit – mijns inziens een gegiste drank van tariefpost 2206 van de GN. Deze dranken worden bereid door aan Ferm Fruit suiker, aroma’s, kleur- en smaakstoffen, verdikkingsmiddelen en/of conserveermiddelen toe te voegen en in een enkel geval ook nog (een) room(base). Ik ga ervan uit dat de toevoegingen voor alle (twaalf) dranken verschillend zijn, het dossier biedt geen aanknopingspunten voor de samenstelling van elk van de dranken. Wel staat vast dat bij de bereiding van geen van de in deze procedure in geding zijnde dranken gedistilleerde alcohol wordt toegevoegd.
9.2
Met het oog op hetgeen vaststaat omtrent de toevoegingen aan Ferm Fruit om tot (elk van de) dranken te komen, meen ik dat geen sprake is van toevoeging van een alcoholvrije drank aan Ferm Fruit: uit de vaststaande feiten leid ik af dat het gaat om ‘losse’ toevoegingen van diverse stoffen. Ik meen dan ook dat de dranken niet kunnen worden aangemerkt als een mengsel van een alcoholvrije drank en een gegiste drank, die – gezien de in punt 7.2.1 aangehaalde tekst van de GS-toelichting op post 2206 – ook onder post 2206 valt (‘deze post omvat eveneens mengsels van alcoholvrije dranken en gegiste dranken (…)’).
9.3
Uit de vorenbedoelde toelichting kan overigens wel worden afgeleid dat toevoegingen aan een gegiste drank nog niet meebrengen dat een drank niet meer onder post 2206 kan worden gebracht. Anders gezegd: een mengsel van een gegiste drank met (bijvoorbeeld) limonade, heeft kennelijk nog steeds de objectieve eigenschappen (c.q. het wezenlijke karakter) van een gegiste drank. In een iets andere context kan dat ook worden afgeleid uit het arrest van het HvJ van 17 oktober 1995, Société Pardo & Fils en Camicas, gevoegde zaken C-59/94 en C-64/95. In dat arrest ging het om de vraag of sangria, een mengsel van (meer dan) 50% druivenwijn, water, suiker en vruchtenextracten als ‘wijn van verse druiven, bereid met aromatische planten of met aromatische stoffen’ onder post 2205 van de GN moest worden ingedeeld, dan wel als ‘gegiste drank’ onder post 2206 van de GN. Het HvJ overwoog dat de sangria onder post 2205 van de GN zou vallen indien geen water en suiker was toegevoegd en spitste zich vervolgens toe op de vraag of de toevoeging van water en suiker gevolgen voor de indeling zou hebben. Dat bleek in de voorgelegde zaak niet het geval:
“19. Vaststaat, dat een drank als de betrokken sangria, die wijn van verse druiven (meer dan 50%), vruchtenextracten, water en suiker bevat, zijn wezenlijk karakter ontleent aan de gearomatiseerde wijn. De toevoeging van water en suiker in redelijke hoeveelheden kan het wezenlijk karakter van de gearomatiseerde wijn niet veranderen. (…)”
9.4
Toevoegingen hoeven derhalve niet het wezenlijke karakter van een drank aan te tasten. Dat roept de vraag op wat het wezenlijk karakter is van een ‘2206-drank’. Gelet op de voor indeling in aanmerking te nemen objectieve kenmerken en eigenschappen en de invulling die het HvJ daaraan heeft gegeven in de drankensfeer – ik verwijs naar punt 7.6 van deze conclusie – meen ik dat een product in ieder geval een drank moet zijn en bovendien gegist moet zijn37.om onder post 2206 van de GN te kunnen worden gebracht, en niet elders genoemd moet zijn of elders onder begrepen. Naar volgt uit hetgeen ik eerder in deze conclusie betoogde, meen ik dat een ‘2206-drank’ niet een bepaalde geur of smaak hoeft te hebben, zodat organoleptische eigenschappen van ‘de’ 2206-drank eigenlijk niet te geven zijn. Dit brengt tevens met zich dat een gegiste drank waaraan toevoegingen worden gedaan waardoor smaak en geur wijzigen, niet reeds daardoor post 2206 ‘uitvliegen’.
9.5
Omtrent de individuele dranken van de onderhavige zaak staat feitelijk niets anders vast dan dat zij geproduceerd worden door diverse verschillende stoffen toe te voegen aan Ferm Fruit, en dat aan geen van de dranken alcohol wordt toegevoegd. Daarvan uitgaande lijkt het er op het eerste gezicht op dat de dranken hun karakter (drank en gegist) hebben behouden. Omtrent het uiterlijk van elke afzonderlijk drank – ook een objectieve eigenschap – is echter niets vastgesteld. Ik acht het niet ondenkbaar dat een gewijzigd uiterlijk tot de slotsom moet leiden dat het wezenlijke karakter van een drank is gewijzigd. Daarover valt, nu daaromtrent niets vaststaat, in cassatie echter niets te zeggen.38.
9.6
Als eerder aangegeven, geldt voor indeling van een drank in post 2206 van de GN dat het in te delen product elders niet is genoemd c.q. niet elders onder wordt begrepen. In dit verband rijst de vraag of de dranken als likeur in de zin van post 2208 kunnen worden beschouwd. De eerste vraag die daartoe moet worden beantwoord, is of dranken van post 2208 (‘gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten’) per se gedistilleerde alcohol moeten bevatten. Is dat het geval, dan kunnen de dranken niet onder post 2208 worden begrepen, uitgaande van de juistheid van mijn veronderstelling (zie onderdeel 7 van deze conclusie) dat met de in post 2208 ook gehanteerde term ‘ethylalcohol’ niet wordt gedoeld op dranken, en dat de dranken van belanghebbende aromatische bestanddelen bevatten (vgl. de in punt 7.3.3 aangehaalde GS-toelichting, waarin is vermeld dat ethylalcohol zich onderscheidt van de in post 2208 genoemde dranken doordat ethylalcohol geen aromatische bestanddelen bevat).39.
9.7
Grammaticaal gezien lijkt post 2208 van de GN, in ieder geval in de Nederlandse versie, en afgezien van de in post 2208 ook vermelde ethylalcohol, louter te zien op dranken die gedistilleerde alcohol bevatten. Ook het Harmonized System Committee van de WDO lijkt dat standpunt in te nemen. Zo wordt in het verslag van de 39ste vergadering onder meer overwogen:
“29. Furthermore, the Committee felt that “heading 22.08 was restricted to distilled products only”.”
9.8
Uit de GS-toelichting kan evenwel worden afgeleid dat met name likeuren niet per se uit of met gedistilleerde alcohol hoeven te zijn bereid. Ik wijs hier op de in punt 7.3.3 aangehaalde passage uit de GS-toelichting op post 2208, waarin likeuren worden omschreven als “alcoholhoudende dranken waaraan suiker, honing of andere natuurlijke zoetstoffen en extracten of essences zijn toegevoegd (bijvoorbeeld40.alcoholhoudende dranken verkregen door distillatie of door het mengen van ethylalcohol of gedistilleerde dranken met een of meer van de navolgende producten (….)”. Ook met name de Duitse versie van post 2208 van de GN, aangehaald in punt 7.3.2 van deze conclusie, lijkt ruimte te bieden om ook andere dranken dan dranken met gedistilleerde alcohol onder de post te brengen.
9.9
Al met al lijkt de indeling van de dranken te staan of te vallen met het antwoord op de vraag of het begrip likeur ook dranken omvat die geen gedistilleerde alcohol bevatten en zo ja, of de dranken het wezenlijke karakter hebben van een likeur. Dat laatste dient per drank te worden vastgesteld. Aangezien omtrent de individuele dranken niets is vastgesteld, en de vaststelling van de objectieve eigenschappen en kenmerken van elk van de dranken een onderzoek van feitelijke aard vergt, waarvoor in cassatie geen plaats is, meen ik dat de Hoge Raad de zaak niet zelf kan afdoen, maar dat verwijzing aan de orde is. Dit tenzij alle dranken van post 2208 van de GN gedistilleerde alcohol moeten bevatten om onder die post te vallen.
9.10
Ik heb mijn aarzelingen bij de beantwoording van de vraag of het begrip likeur alleen dranken met gedistilleerde alcohol omvat. Die aarzeling brengt mij ertoe uw Raad te adviseren hieromtrent de volgende prejudiciële vraag aan het HvJ voor te leggen.
‘Moet een alcoholhoudende drank die enkel gegiste en geen gedistilleerde alcohol bevat en die is samengesteld door aan een wat geur-, kleur- en smaak betreft neutrale drank van post 2206 van de GN, suiker, aroma’s, kleur- en smaakstoffen, verdikkingsmiddelen en conserveermiddelen toe te voegen, als likeur worden ingedeeld in post 2208 van de GN?’
9.11
Het komt mij voor dat de door het Hof gekozen oplossing, te weten dat indeling op grond van algemene indelingsregel 3c moet plaatsvinden (tariefpost die in nummervolgorde de laatste is), nu geen van de partijen argumenten naar voren heeft gebracht omtrent de (organoleptische) eigenschappen die het wezenlijk karakter van die dranken bepalen, en daarom kan niet worden ingedeeld aan de hand van indelingsregels 2, 3a of 3b, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de indelingsregels. De omstandigheid dat partijen niet aangeven wat huns inziens het wezenlijk karakter is, wil nog niet zeggen dat dat karakter niet te bepalen is. Dit alles afgezien van het antwoord op de (prejudiciële) vraag of dranken met uitsluitend gegiste alcohol überhaupt onder post 2208 van de GN kunnen worden gebracht.
9.12
Gezien het voorgaande meen ik dat de beoordeling van cassatiemiddelen I en IV in afwachting van de beantwoording op de in punt 9.10 geformuleerde vraag moet worden aangehouden. Ik geef de Hoge Raad dan ook in overweging om met betrekking tot deze cassatiemiddelen iedere verdere beslissing aan te houden en het geding te schorsen totdat het HvJ naar aanleiding van voormeld verzoek uitspraak heeft gedaan.
10. Beginselen van behoorlijk bestuur
10.1
Met betrekking tot de beginselen van behoorlijk bestuur heeft belanghebbende zich voor het Hof in de eerste plaats beroepen op bij haar gewekt vertrouwen door het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 7 oktober 2005, nr. CPP2005/1510M (verder: het besluit). Dit besluit is destijds gepubliceerd naar aanleiding van vragen over de indeling van dranken die zowel gegiste als gedistilleerde alcohol bevatten en moet mijns inziens dan ook in die context worden bezien. Ik citeer enkele passages uit het besluit (cursivering MvH):
“(…) Alcoholhoudende dranken die zowel gegiste alcohol als gedistilleerde alcohol bevatten moeten worden ingedeeld onder post 2208 van de gecombineerde nomenclatuur. Indien deze dranken, niet zijnde gedistilleerde dranken en likeuren, het karakter van een gegiste drank hebben moeten zij onder post 2206 worden ingedeeld. Hiervan is sprake als wordt vastgesteld dat meer dan 50 gewichtspercenten van het totale alcoholvolumepercentage de gistingskenmerken heeft van ongezuiverde, gegiste alcohol.
(…)
Overeenkomstig de toelichting op de nomenclatuur van het Geharmoniseerd Systeem (…) blijven dranken als bedoeld bij post 2206 onder die post ingedeeld indien (gedistilleerde) alcohol is toegevoegd, voorzover zij het karakter hebben behouden van producten als bedoeld bij deze post, dit zijn gegiste dranken, andere dan die bedoeld bij de posten 2203 tot en met 2205, mengsels van gegiste dranken en mengsels van gegiste dranken met alcoholvrije dranken, elders genoemd noch elders onder begrepen. Van het karakter van een product als bedoeld bij post 2206 is sprake indien wordt vastgesteld dat meer dan 50 gewichtspercenten van het totale alcoholvolumegehalte de gistingskenmerken vertoont, dat wil zeggen de kenmerken van ongezuiverde, gegiste alcohol.”
10.2
Hoewel het besluit draait om de indeling van dranken die – anders dan de onderhavige dranken – zowel gegiste als gedistilleerde alcohol bevatten, meen ik dat de staatssecretaris van Financiën met het besluit wel het vertrouwen wekt dat dranken waarvan meer dan 50 gewichtsprocenten van het totale alcoholvolumepercentage de gistingskenmerken heeft van ongezuiverde, gegiste alcohol, onder post 2206 van de GN wordt ingedeeld.
10.3
Mijns inziens vermag dit belanghebbende echter niet helpen.
10.4
In de eerste plaats omdat het besluit is ingetrokken voordat de feiten van de onderhavige zaak (oktober 2008) zich voordeden. Daarna is het besluit zelfs nóg een keer ingetrokken. De eerste intrekking geschiedde dat bij het besluit van 21 maart 2008, nr. CPP2007/3285M, Stcrt. 2008, 7041.en wel per 12 april 2008, en vervolgens nog eens (per 1 januari 2010) bij besluit van 7 december 2009, nr. CPP2009/2274M, Stcrt 2009, 19143. Wat de reden ook is waarom bij het besluit van 7 december 2009 het besluit nogmaals werd ingetrokken, dat neemt niet weg dat het besluit toen al meer dan een jaar was ingetrokken. Ik zie niet in waarom de eerste intrekking geen gelding zou hebben (of het moest zijn vanwege de verschrijving in de vermelding in het besluit van 21 maart 2008, maar daarover wordt nergens iets gezegd). Ik ga er dan ook vanuit dat het besluit per 12 april 2008 is ingetrokken.
10.5
Indien – toch – ervan moet worden uitgegaan dat de ‘echte’ intrekking van het besluit pas per 1 januari 2010 plaatsvond (dus nádat de feiten van de onderhavige zaak hadden plaatsgehad), heeft mijns inziens het volgende te gelden. Aan het besluit kan dan mijns inziens vertrouwen worden ontleend42.dat producten (ook indien zij geen gedistilleerde alcohol bevatten) onder post 2206 van de GN worden ingedeeld, indien meer dan 50 gewichtspercenten van het totale alcoholvolumegehalte de kenmerken vertoont van ongezuiverde, gegiste alcohol. In de hoger beroepsfase van de procedure heeft de Inspecteur betoogd43.dat door (onder meer) ultrafiltratie de kenmerken van ongezuiverde gegiste alcohol verloren zijn gegaan. Het Hof heeft dit betoog mijns inziens kunnen opvatten als een betwisting door de Inspecteur van belanghebbendes stelling dat de dranken voor meer dan 50 gewichtsprocenten de kenmerken van ongezuiverde gegiste alcohol als bedoeld in het besluit hadden. Ik acht het oordeel van het Hof dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de dranken voor meer dan 50 gewichtspercenten van het totale alcoholvolumepercentage de gistingskenmerken hebben van ongezuiverde gegiste alcohol als bedoeld in het besluit, dan ook niet onbegrijpelijk.
10.6
Wat betreft belanghebbendes beroep op bij haar door het Verslag van de 39ste vergadering van het Harmonized System Committee van de WDO44.gewekt vertrouwen dat de dranken onder post 2206 van de GN moeten worden ingedeeld, zij opgemerkt dat de adviezen van de WDO weliswaar hulpmiddelen zijn bij de uitlegging van de draagwijdte van de tariefposten, maar dat zij geen bindende kracht hebben.45.Daarbij komt dat in hetzelfde verslag wordt aangehaald dat de Europese Commissie indeling in post 2208 van de GN voorstaat.46.Het document waar belanghebbende meent vertrouwen aan te mogen ontlenen betreft een verslag van een vergadering waarin aan de het Harmonized System Committee van de WDO wordt gevraagd een standpunt in te nemen dat op zichzelf geen officiële status heeft. Belanghebbende kan zich mijns inziens dan ook niet met recht beroepen op vertrouwen gewekt door dit document.
10.7
Hetzelfde lot is mijns inziens belanghebbendes beroep op het gelijkheids- en het vertrouwensbeginsel beschoren ten aanzien van voor andere producten (aan derden) afgegeven bindende tariefinlichtingen, nu niet kan worden vastgesteld - omtrent het karakter van de afzonderlijke dranken staat immers niets vast, behalve dan dat zij geen gedistilleerde alcohol bevatten - dat de dranken van belanghebbende überhaupt vergelijkbaar zijn met die waarvoor (aan derden) bindende tariefinlichtingen zijn afgegeven.
10.8
Het tweede en derde middel falen derhalve.
11. Artikel 90 EG (thans artikel 110 VWEU)
11.1
Het Hof is volgens belanghebbende in haar vijfde middel ten onrechte voorbij gegaan aan haar stelling dat ongelijke behandeling van wijn van druiven en wijn van vruchten leidt tot verboden discriminatie in de zin van artikel 90 EG (thans artikel 110 VWEU).
11.2
Op grond van artikel 90 EG is het de lidstaten verboden om op producten van andere lidstaten, al dan niet rechtstreeks een hogere binnenlandse belasting te heffen van welke aard ook dan die welke al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten wordt geheven.
11.3
Hoewel (mogelijke) strijdigheid van nationale regelgeving met artikel 90 EG in de sfeer van alcoholhoudende dranken voor het HvJ in verschillende arresten47.aan de orde is geweest, mist de bepaling in de onderhavige zaak mijns inziens toepasbaarheid: belanghebbende is accijns verschuldigd ter zake van de uitslag van dranken. Er is geen sprake van dranken die uit een andere lidstaat afkomstig zijn, laat staan dat het gaat om buitenlandse dranken die zwaarder zouden worden belast dan binnenlandse dranken. Een vergelijking tussen (hoger belaste) buitenlandse dranken met (lager belaste) binnenlandse dranken is niet aan de orde, zodat ook toepassing van artikel 90 niet aan de orde is. Het vijfde middel faalt dan ook.
12. Proceskostenvergoeding
12.1
Belanghebbende meent dat het Hof haar ten onrechte geen integrale vergoeding van de proceskosten heeft toegekend48.omdat de Belastingdienst/Douane ‘lichtvaardig en derhalve in verregaande mate onzorgvuldig, zo niet onrechtmatig’ heeft gehandeld door een standpunt in te nemen dat naderhand door de rechter wordt vernietigd.’
12.2
Uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding blijkt niet dat deze stelling, reeds voor het Hof is aangevoerd. De stelling is ook niet eerder in de procedure ingebracht. Ik meen dan ook dat de inbreng hiervan in cassatie een novum betreft en derhalve niet in de cassatieprocedure aan de orde kan worden gesteld zodat het middel reeds hierom faalt.
13. Conclusie
De conclusie strekt ongegrondverklaring van het incidentele beroep in cassatie, alsmede van het beroep in cassatie voor zover het betreft de middelen II, III, V en VI. Voor het overige strekt de conclusie tot het aanhouden van iedere verdere beslissing en schorsing van het geding totdat het HvJ naar aanleiding van het in punt 9.10 van deze conclusie bedoelde verzoek uitspraak heeft gedaan.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑09‑2013
Dezelfde verschillen gelden tussen zaak 12/01620 en zaak 12/05757.
De afkorting FT staat blijkens de uitspraak van het Hof voor ‘Famous Tastes’.
Het Hof en de Rechtbank vermelden deze drank als FT Coconot, in andere gedingstukken wordt deze drank FT Coconut genoemd.
In de stukken ook wel aangeduid als ferment V, Ferment 9394 en Vinmix.
Inspecteur van Belastingdienst/[P].
De tweede volzin luidde tot 31 december 2012: “Zij kan een bij haar aanhangig gemaakte zaak ter verdere behandeling verwijzen naar een andere rechtbank, indien naar haar oordeel door betrokkenheid van de rechtbank behandeling van die zaak door een andere rechtbank gewenst is.” Deze tweede volzin is bij Besluit van 12 juli 2012, Stb. 2013, 314 per 1 januari 2013 komen te vervallen.
Kennelijk, zie punt 1.2 van de uitspraak van het Hof, omdat de ex-echtgenote van de financial controller van belanghebbende als griffier werkzaam was bij de belastingkamer van rechtbank Arnhem.
In punt 2.5 overwoog de Rechtbank: “Tussen partijen is niet in geschil dat Ferm Fruit neutraal is wat betreft geur, kleur en smaak. De overige in 2.3 genoemde producten (hierna: de overige producten) bestaan voor zeker 80% tot 90% uit Ferm Fruit. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de overige producten fel gekleurd zijn en een nadrukkelijk aanwezige geur hebben, veroorzaakt door kunstmatige fruitaroma's.”
Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 7 oktober 2005, nr. CPP2005/1510M, Stcrt. 2005, 228.
Zie zijn brief van 16 april 2013.
Zie haar brief van 15 mei 2013.
Zie zijn brief van 16 april 2013.
Zie haar brief van 15 mei 2013.
Bij Wet aanpassing bestuursprocesrecht van 20 december 2012 is artikel 29b, lid 2, van de Awr gewijzigd. Incidenteel beroep in cassatie hoeft niet meer bij het verweerschrift te worden ingediend, maar – net als het verweerschrift – binnen acht weken na verzending van het beroepschrift in cassatie. De wijziging is bij Besluit van 25 juni 2013, Stb. 2013,258 per 1 juli 2013 in werking getreden. De gewijzigde regeling is voor belastingzaken van toepassing ten aanzien van uitspraken die zijn bekendgemaakt op of na 1 juli 2013.
Zie Kamerstukken II 1997/98, 25 175, nr. 6, blz. 6. In de toelichting werd overigens ervan uitgegaan dat incidenteel beroep in cassatie niet bestemd was om een partij die deels in het ongelijk is gesteld door het Hof en die geen beroep in cassatie heeft ingesteld, alsnog die mogelijkheid te geven. Bij de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is de minister daarop teruggekomen. Zie Handelingen II, 8 april 1998, p. 71-5313.
De wetgever heeft, naar ik eerder aangaf, ervoor gekozen het instellen van incidenteel beroep in cassatie mogelijk te maken binnen de verweertermijn. Zie het besluit van 25 juni 2013, Stb. 2013,258.
Ook het alcoholgehalte speelt een rol.
Zie ook artikel 17, lid 1, van Richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken (hierna: structuurrichtlijn), PB van 31 oktober 1992, nr. 316/21, op grond waarvan als ‘tussenproducten’ worden verstaan: “alle producten van de GN-codes 2204, 2205 en 2206 met een effectief alcoholvolumegehalte van meer dan 1,2 doch niet meer dan 22% vol die niet onder de artikelen 2, 8 en 12 vallen”.
Zie ook artikel 12, lid 1, van de structuurrichtlijn: “wordt onder ‘andere niet-mousserende gegiste dranken’ verstaan: alle niet in artikel 8 genoemde producten van de GN-codes 2204 en 2205 alsmede producten van GN-code 2206 (…)”, alsmede artikel 20 van die richtlijn: “In deze richtlijn wordt onder ‘ethylalcohol’ verstaan: - alle producten van de GN codes 2207 en 2208 met een effectief alcoholvolumegehalte van meer dan 1,2%vol, ook wanneer deze producten bestanddeel zijn van een product uit een ander hoofdstuk van de gecombineerde nomenclatuur; (…).”
MvH: post 2203 betreft bier van mout, post 2204 wijn van verse druiven (ook indien alcohol is toegevoegd) en in post 2205 worden ingedeeld vermout en andere wijn van verse druiven, bereid met aromatische planten of aromatische stoffen.
Gebaseerd op verordening EEG nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, Pb L 256, blz. 1.
Overwegingen als hier geparafraseerd komen voor in vele arresten over de indeling van goederen. Ik verwijs - zonder volledigheid na te streven - naar de arresten van het HvJ van 4 maart 2004, Krings, C-130/02, punt 28, van 17 maart 2005, Ikegami, C-467/03, DR 2005/66 m.nt. Possen, punt 17, van 13 juli 2006, Anagram, C-14/05, DR 2007/21 m.nt. Hesselink, punt 20, van 5 juni 2008, JVC France SAS, C-312/07, DR 2008/59, punt 34, en van 18 juni 2009, Kloosterboer, C-173/08, DR 2009/56 m.nt. Hesselink, punt 25, HvJ 18 juli 2007, Olicom, C-142/06, punt 17, van 11 december 2008, Kip Europe e.a., gevoegde zaken C-362/07 en C-363/07, punt 27, en van 7 mei 2009, C-150/08, Siebrand, BNB 2009/160, punt 25.
Onder omstandigheden kan ook de bestemming van goederen van invloed kan zijn op de indeling. Voor een uitgebreider uiteenzetting over de invloed van de bestemming van goederen op de indeling verwijs ik naar onderdeel 5.2 van mijn conclusie van 15 november 2010, voor het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2011, nr. 10/01369, ECLI:NL:PHR:2011:BO6782, NTFR 2011, 2205 m.nt. Stuijt en Van Dam.
Zie bijvoorbeeld de arresten van het HvJ van 18 juli 2007, Olicom, C-142/06, punt 16, van 19 februari 2009, Kamino International Logistics, C-376/07, BNB 2010/29 m.nt. Van Slooten, punt 31, van 7 mei 2009, C-150/08, Siebrand, BNB 2009/160, punt 24, van 20 mei 2010, Data I/O, C-370/08, punt 29, van 14 juli 2011, Paderborner Brauerei Haus Cramer, C-196/10, (hierna: arrest Paderborner) punt 31, van 19 mei 1994, Siemens Nixdorf, C-11/93, punt 11, van 18 december 1997, Techex, C-382/95, punt 11, van 19 oktober 2000, Peacock, C-339/98, punt 9, het arrest van het Gerecht van 30 september 2003, Sony Computer Entertainment Europe, T-243/01, punt 104.
Alsmede, maar dat speelt in de onderhavige zaak niet, de verhouding waarin de in het product aanwezige gedestilleerde alcohol tot gegiste alcohol staat. In dit verband valt ook te wijzen op het arrest Paderborner, punt 37.
Zie ook punt 34 van het arrest Siebrand.
Zie Hofuitspraak punt 4.2, maar ook blz. 1 en 2 van het incidenteel cassatieberoep d.d. 20 februari 2013 van de Staatssecretaris en blz. 1 en 2 van de beantwoording van het incidenteel beroepschrift in cassatie gedateerd 6 april 2013 van belanghebbende.
Deze omschrijving van ‘drank’ is terug te voeren op de arresten van het HvJ van 26 maart 1981, Ritter, nr. 114/80, punt 9. Zie ook arrest Paderborner, punt 34.
Deze post luidt: “Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcoholvolumegehalte van 80% vol of meer; ethylalcohol en gedistilleerde dranken, gedenatureerd, ongeacht het gehalte.
Uit het al vermelde arrest Paderborner leid ik af dat dit met een korrel zout moet worden genomen. De moutbase die in dat arrest aan de orde was, werd onder post 2208 van de GN ingedeeld ondanks dat het naar alcohol rook en licht bitter smaakte. Zie punten 38-40 van het arrest Paderborner.
Waarvan vaststaat dat deze qua geur, kleur en smaak neutraal is.
Zie in dit verband ook het verslag van de 39ste vergadering van de WDO, waarin onder meer wordt overwogen: “28 The secretariat takes this (…) to mean that the fact that it is not possible to identify an alcoholic solution as fermented product by organoleptic evaluation does not prevent it from being classified in heading 22.06.”
Het gaat om “neutral alcoholic base, of a kind used for the preparation of beverages, of an alcoholic strength by volume of 12% vol, in the form of a clear, colourless liquid exhibiting the smell and taste of ethanol. The product is obtained by fermentation of fruit juices and subsequent clarification and filtration.” Het Harmonized System Committee van de WDO adviseert het product onder postonderverdeling 2208 90 te brengen, hetgeen erop duidt dat het het product beschouwt als ethylalcohol (zie de tekst van post 2208, als aangehaald in punt 7.3.1 van deze conclusie).
Ik laat de mengsels van gegiste en alcoholvrije dranken buiten beschouwing.
Zie in dit verband ook overweging 2.1.2 van het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2009, nr. 43038bis, ECLI:NL:HR:2009:BK3086, BNB 2010/10 en NTFR 2010,100 m.nt. Benning.
Uit het arrest Paderborner volgt overigens dat de smaak of het aroma van ethylalcohol neutrale factoren zijn bij de indeling van een product onder post 2208. Het ging in die zaak evenwel om een product dat niet als drank viel aan te merken, en waaraan, althans zo begrijp ik de feiten van het arrest, geen aromatische bestanddelen waren toegevoegd.
MvH: het gebruik van deze term veronderstelt ruimte in de uitlegging van het begrip ‘likeur’.
Wel valt op dat in deze Staatscourant het ingetrokken besluit het kenmerk CPOP 2005/1510M, in plaats van CPP 2005/1510M, heeft. Ik ga ervan dat dit een verschrijving is.
Hoewel het indeling van goederen betreft, gaat het in wezen om de uitlegging van de nationale wetgeving (zij het wetgeving die gebaseerd is op richtlijnen van de Raad). Het komt mij voor dat in deze situatie – waarin geen sprake is van rechtstreeks werkend Europees recht – wel degelijk ‘nationaal’ vertrouwen kan worden gewekt en dat het oordeel van het HvJ in het arrest van 7 april 2011, Sony, C-153/10 dat nationale autoriteiten geen te honoreren vertrouwen kunnen wekken met betrekking tot het (rechtstreeks werkende) CDW niet op deze gevallen ziet. In dit verband wijs ik nog op het arrest van het HvJ van 14 september 2006, Elmeka, C-181/04 tot en met 183/04. Daaruit leid ik af dat door nationale autoriteiten ‘contra richtlijn’ gewekt gewettigd vertrouwen inzake de uitlegging van richtlijnen (het ging in het arrest Elmeka over de toepassing van het nultarief in de btw) gehonoreerd moet worden.
Zie zijn brief van 11 augustus 2010.
Documenten NC1111E1a (HSC/38) en NC1171E1a van februari 2007.
In het verslag waar belanghebbende op doelt, wordt geanalyseerd hoe vier verschillende soorten bases voor alcoholische dranken en een voorbeeld van een alcoholische drank met een dergelijke basis moeten worden ingedeeld. Drie van de vier bases die in het verslag worden beschreven worden niet net als het ferment aangemerkt als dranken, bij één basis wordt in het midden gelaten of het product bedoeld is voor directe consumptie. Voor alle vier de bases geldt dat zij worden gebruikt om zogenaamde ‘Ready-to-drink beverages (RTD’) te maken.
HvJ 4 maart 1986, Commissie/Denemarken, nr. 106/84, en HvJ 11 augustus 1995, Roders e.a., gevoegde zaken C-367/93 tot en met 377/93.
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht en/of verzuim van vorm die nietigheid met zich brengt, omdat het Hof geen vergoeding van proceskosten heeft toegekend.
Beroepschrift 20‑02‑2013
Den Haag, [20 FEB 2013]
Kenmerk: DGB 2013-874M
Incidenteel beroepschrift in cassatie (rolnummer 12/05758) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch van 2 november 2012, nr. 09/00673 en 09/00674, inzake [X] B.V. te [Z] betreffende de aan haar opgelegde naheffingsaanslag in de accijns over het tijdvak van 1 oktober 2008 tot en met 31 oktober 2008.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het Nederlandse recht, met name van artikel 12, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de accijns en/of van artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof het onderhavige intensief gefiltreerde ferment dat neutraal is wat betreft geur, kleur en smaak indeelt onder post 2206 van de gecombineerde nomenclatuur, zulks ten onrechte, althans op gronden welke de beslissing niet kunnen dragen.
Ter toelichting merk ik het volgende op.
De eindproducten, zoals Petrikov Blue (zie uw rolnummer 12/05758), worden bereid op basis van gefermenteerde alcohol welke is verkregen door de vergisting van vruchtenconcentraat, ferment. Een liter ferment wordt door de leverancier bereid uit suikersiroop, gedemineraliseerd water, appelsapconcentraat en mineralen en vitaminen. De bestanddelen worden gemengd, er vindt pasteurisatie plaats op 95o Celsius gedurende 16 seconden, er wordt wijngist toegevoegd, er vindt aerobe gisting plaats op 18o Celsius gedurende 48 uren, er vindt anaerobe gisting plaats op 18o Celsius gedurende 9 dagen, er wordt vervolgens gezuiverd door ultrafiltratie, Kiezelguhr-filtratie, microfiltratie en carbonfiltratie. Aan het ferment is geen gedistilleerde alcohol toegevoegd en tijdens de bereiding vindt geen concentratie van alcohol plaats. Alle alcohol in het ferment is uitsluitend door gisting verkregen. Het ferment is neutraal wat betreft geur, kleur en smaak.
Voor de bereiding van de eindproducten worden aan het ferment suiker, aroma's, kleurstoffen, smaakstoffen, verdikkingsmiddelen en/of conserveermiddelen toegevoegd en in een enkel geval ook (een) room(base). Het ferment is een drank, nu tussen partijen niet in geschil is dat het ferment vloeibaar is, voor menselijke consumptie geschikt en bestemd is en dat de primaire bestemming van het ferment niet uitsluitend de bereiding van eindproducten is.
Het Hof overweegt dat de omstandigheid dat het ferment neutraal is voor wat betreft geur, kleur en smaak, onvoldoende is om het ferment aan te merken als ethylalcohol als bedoeld in tariefpost 2208 GN. Het Hof is van oordeel dat het objectieve kenmerk en de objectieve eigenschap van het ferment, namelijk gegiste drank, het meest past bij de bewoordingen van tariefpost 2206 GN en dat gelet op de GN-toelichting op tariefpost 2208 GN een indeling in die laatste post geen steun vindt in die toelichting.
Met dit oordeel kan ik mij niet verenigen.
Post 2206 omvat andere gegiste dranken (bijvoorbeeld appelwijn, perenwijn, honigdrank); mengsels van gegiste dranken en mengsels van gegiste dranken met alcoholvrije dranken, elders genoemd noch elders onder begrepen. Post 2208 ziet op ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcohol-volumegehalte van minder dan 80 % vol; gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten. De GN-toelichting bij tariefpost 2208 GN vermeldt ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcohol-volumegehalte van minder dan 80 % vol. Opgemerkt wordt dat niet-gedenatureerde gedistilleerde dranken onder deze post blijven ingedeeld, ook indien zij een alcoholgehalte hebben van 80 % vol of meer, en ongeacht of het al dan niet gebruiksklare dranken betreft. Door gisting verkregen alcoholhoudende dranken vallen niet onder deze onderverdeling (posten 2203 00 t/m 2206 00). De GS-toelichtingen bij tariefpost 2206 vermeldt: Onder de post wordt onder meer ingedeeld:
- 1.
appeldrank, ook cider of appelwijn genoemd, verkregen door gisting van appelsap.
Alcoholhoudende dranken lijken thuis te horen onder post 2208, tenzij het product specifiek wordt genoemd bij een andere post. In die zin is post 2206 als een uitzondering te beschouwen. Het onderhavige ferment is dermate intensief gefiltreerd dat het neutraal is qua kleur, geur en smaak. Het is geen appelwijn (meer) en kan derhalve niet onder post 2206 worden ingedeeld. Het Hof Amsterdam heeft in zijn uitspraak van 9 februari 2012, nr. 08/000110, LJN: BV6616, waarbij de indeling van ferment aan de orde was, het volgende geoordeeld.
‘6.2.
De beide benoemde deskundigen hebben bij brief van 31 december 2010 aan het Hof bericht, kort samengevat, dat de gegiste drank, ferment […], op basis waarvan A is vervaardigd, door haar productiewijze zo weinig mogelijk eigen geur en eigen smaak heeft, en nagenoeg kleurloos is, zodat het zeer moellijk zou zijn om de karakteristieke geur, smaak en/of het uiterlijk van het het basisproduct in het eindproduct vast te stellen. De deskundigen ontraden dan ook het opgedragen sensorische onderzoek aangezien het onwaarschijnlijk is dat het basisproduct ferment […] is waar te nemen. Zij achten ook analytisch onderzoek zinloos.(…) 6.6. Ten overvloede overweegt het Hof nog dat het Hof van Justitle in zijn sub 6.1. vermelde arrest voor recht heeft verklaard dat dranken op basis van gegiste alcohol, die aanvankelijk strookten met post 2206 van de GN en waaraan in enige mate gedistilleerde alcohol, water, suikersiroop, aroma's, kleur- en smaakstoffen en — wat enkele daarvan betreft — een roombase zijn toegevoegd, waardoor zij de smaak, geur en/of het uiterlijk van een uit een bepaalde vrucht of uit een bepaald natuurproduct vervaardigde drank hebben verloren, niet onder post 2206 van de GN vallen, maar onder post 2208 daarvan.
De deskundigen hebben aan het Hof te kennen gegeven dat het basisproduct ferment […] door zijn productiewijze zo weinig mogelijk eigen geur en smaak heeft en nagenoeg kleurloos is. Zij stellen zich op het standpunt dat een oorspronkelijke karakteristieke geur, smaak en/of uiterlijk nagenoeg afwezig is. Partijen hebben dit standpunt van de deskundigen niet bestreden.
Dit duldt erop dat het onderhavige ferment nimmer de smaak, geur en/of het uiterlijk van een uit een bepaalde vrucht of uit een bepaald natuurproduct door vergisting verkregen drank heeft gehad, en dus — mede gelet op de GS-toelichting op post 2206 — ook niet onder post 2206 kon worden gerangschikt. Veeleer diende dit product onder post 2208 van de GN te worden Ingedeeld. De toevoeging van suiker, roombase en aroma's waardoor het (eind)product A ontstaat, kan er bezwaarlijk toe leiden dat dit (eind)product dan wel onder post 2206 kan worden gerangschikt.’
Deze zaak is bij uw Raad aanhangig onder nr. 12/01620. Zoals vermeld is door het Hof vastgesteld dat het ferment neutraal is voor wat betreft geur, kleur en smaak. Naar ik aanneem is dit het resultaat van de zuivering van het oorspronkelijke (door vergisting van suikersiroop en appelsapconcentraat ontstane) product intensief te zuiveren door ultrafiltratie, Kiezelguhr-filtratie, microfiltratie en carbonfiltratie. In het geval dit ferment ooit de smaak, de geur en/of het uiterlijk van een uit een bepaalde vrucht of uit een bepaald natuurproduct vervaardigde drank heeft gehad (hetgeen te betwijfelen valt gezien de grote hoeveelheid suikersiroop en de zeer geringe hoeveelheid appelsapconcentraat die bij de vergisting is gebruikt), dan zijn deze objectieve kenmerken en eigenschappen na de filtratie duidelijk verloren gegaan. In HvJ EG 7 mei 2009, zaak C-150/08 (Siebrand), is beslist:
- ‘26.
Opgemerkt zij dat volgens de GS-toelichting op post 2206 van de GN de toevoeging van alcohol aan de onder deze post vallende dranken zich er niet tegen verzet dat die dranken daaronder ingedeeld blijven, voor zover zij het karakter hebben behouden van de in deze post ingedeelde producten, te weten dat van gegiste dranken.
- 27.
Blijkens de verwijzingsbeslissing hebben de in het hoofdgeding aan de orde zijnde dranken echter de smaak, de geur en het uiterlijk van een uit een bepaalde vrucht of uit een bepaald natuurproduct vervaardigde drank, dat wil zeggen van een gegiste drank, verloren. Dergelijke producten kunnen niet in post 2206 van de GN worden ingedeeld.(…)
- 37.
Zoals dienaangaande reeds is opgemerkt, hebben producten als die van het hoofdgeding door de toevoeging van water en andere stoffen de smaak, de geur en het uiterlijk van een uit een bepaalde vrucht of uit een bepaald natuurproduct vervaardigde drank, dat wil zeggen van een gegiste drank, verloren. De bijzondere organoleptische eigenschappen van voornoemde producten, die hun wezenlijke karakter bepalen, stroken dus met die van de in post 2208 van de GN ingedeelde producten.’
De in dit arrest in geschil zijnde producten hebben de smaak, de geur en/of het uiterlijk van een uit een bepaalde vrucht of uit een bepaald natuurproduct vervaardigde drank verloren door allerlei toevoegingen (aroma's, suiker, e.d.). Bij het in de onderhavige zaak in geschil zijnde ferment is dit geschied door verwijdering van bepaalde componenten uit dit ferment door middel van diverse opeenvolgende filtraties. Het ferment heeft de smaak, de geur en het uiterlijk van een uit een bepaalde vrucht of uit een bepaald natuurproduct vervaardigde drank, dat wil zeggen van een gegiste drank, verloren. Het oordeel van het Hof is in strijd met het oordeel in bovengenoemd arrest.
GN-toelichtingen zijn belangrijke hulpmiddelen bij de uitleg van de draagwijdte van verschillende tariefposten. Zij zijn echter rechtens niet bindend. Het Hof overweegt:
‘4.7.
Gelet op de GN-toelichting op tariefpost 2208 GN, waarin is vermeld dat van deze tariefpost zijn uitgesloten door gisting verkregen alcoholhoudende dranken, is daarmede de indeling van het ferment onder deze post uitgesloten.’
Kennelijk meent het Hof dat een GN-toelichting rechtens bindend is. Deze opvatting is niet juist. Ik moge wijzen op bijvoorbeeld Hof Amsterdam 27 maart 2007, nr., 04/03978, LJN: BA5184, welk College besliste:
‘6.4.
Gelet op de objectieve kenmerken en eigenschappen dient het onderhavige product te worden ingedeeld in post 2208 90 99 van het GDT. Het product voldoet geheel aan de bewoordingen van deze post, die — anders dan belanghebbende meent — geen niet gedistilleerde producten uitsluit.
De IDR-Toelichting op post 2207 geeft een aanduiding van de wijze van totstandkoming van ethylacohol, maar verzet zich er niet tegen dat producten, waarin gedistilleerde alcohol aanwezig is, maar die zelf niet door distillatie tot stand zijn gekomen, in post 2207 worden ingedeeld, nog daargelaten dat de tekst van de Toelichtingen niet wettelijk bepalend voor de indeling is.’
Het beroep in cassatie tegen deze uitspraak werd ongegrond verklaard (arrest van 19 juni 2009, nr. 44 029, BNB 2009, 211c, LJN: BC5878).
Het Hof leidt uit HvJ EU 4 juli 2011, zaak C-196/10 (Paderborner Brauerei), af dat de enige grond om de in die zaak aan de orde zijnde ‘malt beer base’ in te delen in tariefpost 2208, ondanks dat de alcohol (ook) geheel door gisting was verkregen, het feit was, dat dit product geen drank was. Ik moge echter wijzen op rechtsoverweging 35 van dit arrest.
- ‘35.
Daarentegen is in de GS-toelichting op post 2208 uitdrukkelijk aangegeven dat deze ook ethylalcohol omvat, ongeacht of deze voor menselijke consumptie of industrieel gebruik bestemd is. Het feit dat ‘malt beer base’ slechts een tussenproduct is, leidt er dus niet toe dat het buiten deze post valt.’
Ook tussenproducten kunnen onder post 2208 vallen. Het Hof vermeldt onder de feiten bij r.o. 2.17. een drietal indelingsadviezen die het Harmonized System Committee van de Wereld Douane Organisatie (WDO) heeft vastgesteld in de vergadering van september 2010. Deze indelingsadviezen zijn door de Europese Commissie overgenomen door middel van de mededeling van 14 december 2011 in het Publicatieblad van de Europese Unie met kenmerk C-364. Het betreft gefermenteerde producten die worden gebruikt bij de productie van dranken. Deze zijn aan te merken als ‘neutral alcohol base’, dit wil zeggen kleurloze, niet-mousserende vloeistoffen met de geur en smaak van ethanol. De WDO deelt deze producten in onder post 2208.90. Aan deze indelingsbesluiten wordt door het Hof kennelijk geen betekenis toegekend, naar ik meen ten onrechte. Uit de indelingsadviezen valt niet af te leiden dat het om tussenproducten gaat of dat geen sprake is van dranken. Met gebruikmaking van de indelingsregels 1 en 6 (voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten c.q. de onderverdelingen van een post) zijn de producten door de WDO immers ingedeeld onder post 2208.90, welke luidt:
‘Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcoholvolume gehalte van minder dan 80 % vol; gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten:
- —
andere’
De WDO heeft bedoeld de genoemde kleurloze, niet-mousserende vloeistoffen met de geur en smaak van ethanol in te delen als ‘Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcoholvolume gehalte van minder dan 80 % vol’, ongeacht of deze producten (conform het gestelde in rechtsoverweging 35 van HvJ EU 4 juli 2011, zaak C-196/10 (Paderborner Brauerei)) voor menselijke consumptie of industrieel gebruik bestemd zijn. Deze indelingsbesluiten geven derhalve aanleiding het in geschil zijnde ferment in te delen onder GN-post 2208. In zijn brief van 13 januari 2011 heeft de Inspecteur gewezen op de grote gelijkenis tussen het ferment en het in r.o. 2.17. vermelde product nr. 3 (Neutral alcoholic base, of a kind used for the preparation of beverages, of an alcoholic strength by volume of 12 % vol., in the form of a clear, colourless liquid exhibiting the smell and taste of ethanol. The product is obtained by fermentation of fruit juices and subsequent clarification and filtration. 2208.90 21.06, 22.06 and 22.08 GIRs 1 and 6). Het ferment behoort onder post 2208 90 te worden ingedeeld.
Hoogachtend,
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco