De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/5.4.3:5.4.3 Waarom ‘onafhankelijke’ deskundigen in het onteigeningsrecht?
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/5.4.3
5.4.3 Waarom ‘onafhankelijke’ deskundigen in het onteigeningsrecht?
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701950:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ik verwijs naar een eerdere bijdrage: Schuite 2022, § 18.3.
Sluysmans 2011, p. 190; De Groot 2008, p. 170 e.v.
EHRM 18 maart 1997, ECLI:NL:XX:1997:AD4449, NJ 1998/278 (Mantovanelli/Frankrijk).
EHRM 6 mei 1985, ECLI:NL:XX:1985:AB9401, NJ 1989/38(Bönisch/Oostenrijk); EHRM 5 juli 2007, ECLI:NL:XX:2007:BB5086, NJ 2010/323 (Sara Lind Eggertsdóttir/IJsland).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Waar komt de eis dat onteigeningsdeskundigen onafhankelijk moeten zijn eigenlijk vandaan? Zoals gezegd, is in de onteigeningswet immers niets bepaald omtrent de onafhankelijkheid van deskundigen. Dat is verklaarbaar omdat Thorbecke – grondlegger van die wet – slechts een summiere rol aan deskundigen had toebedacht. De rol van onteigeningsdeskundigen is met de jaren in belangrijke mate gegroeid, maar de wetgever heeft daar nooit nieuwe wetsbepalingen aan gewijd. Dat de onafhankelijkheid niet wettelijk is geregeld, betekent evenwel niet dat deskundigen niet onafhankelijk moeten zijn.
Onteigeningsdeskundigen zijn als rechtbankdeskundigen immers een verlengstuk van de rechter.1 De rechter moet op grond van art. 6 EVRM te allen tijde onpartijdig en onafhankelijk zijn. Een schending van die vereisten brengt het recht op een eerlijk proces in het geding. Deskundigen zijn uiteraard niet op één lijn te stellen met de rechter. Niet alle rechterlijke waarborgen zijn dan ook op hen van overeenkomstige toepassing. Wél zullen deskundigen – in gevallen waarin hun advies een grote invloed heeft op het rechterlijk oordeel (zoals in het onteigeningsrecht het geval is) – voldoende onafhankelijk en onpartijdig moeten zijn.2 Dat geldt in het bijzonder wanneer de vraag die de deskundige moet beantwoorden vrijwel gelijk is aan de vraag die de rechter moet beantwoorden en voor de beantwoording van die vraag een grote mate van specialistische kennis is vereist.3 Ook dat is in het onteigeningsrecht veelal het geval. Onafhankelijkheids- (en onpartijdigheids)gebreken die kleven aan deskundigen, kunnen dus in een latere fase de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter aantasten.4