De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/5.4.1:5.4.1 Inleiding
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/5.4.1
5.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702015:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over ‘onafhankelijkheid’ als aspect van kwaliteit voor een schadedeskundige ook: Van Ravels, O&A 2015/88, p. 163-165; Lubach 2014, p. 73-83. Zie ook de geschiktheidseisen die het IMG aan schadedeskundigen stelt (https://www.schadedoormijnbouw.nl/schade-gebouwen-objecten/advies-deskundigen/vereisten-voor-deskundigen).
Smits 2008, i.h.b.z. § 6.3 t/m § 6.7; Van den Eijnden 2011, i.h.b.z. § 1.4 en 3.4 t/m § 3.7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het eerste aspect van kwaliteit is de onafhankelijkheid van de deskundige.1 Een nadere terminologische afbakening van dit begrip is nodig. Het begrip ‘onafhankelijkheid’ kent immers geen vastomlijnde definitie.
Met betrekking tot alleen al de rechterlijke onafhankelijkheid worden er in de literatuur meerdere ‘soorten’ onafhankelijkheid onderscheiden. Veelbetekenend is de categorisering die Smits en Van den Eijnden in hun respectievelijke proefschriften hebben aangebracht.2 Zij onderscheiden onder andere de rechtspositionele, functionele, constitutionele, intercollegiale en organisatorische onafhankelijkheid. Daaruit wordt al duidelijk dat een deliberatie over ‘onafhankelijkheid’ snel kan verworden in een semantisch labyrint. Om een dergelijke dwaaltuin te ontlopen, geef ik in § 5.4.2 een definitie van onafhankelijkheid in relatie tot onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen. Vervolgens geef ik in § 5.4.3 een antwoord op de vraag waarom die onafhankelijkheid nu zo een belangrijke, aan schadedeskundigen te stellen, eis is.