Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/6.8.3
III.6.8.3 Tenzij-renteclausule
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624633:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik ontleen deze clausule aan de testamentmodellen van ScholsBurgerhartSchols, te weten model versie 6.0a: model combi-testament van de 21e eeuw. Variant met ‘quasi-wettelijke verdeling’ (bewind én last). Vgl. in dit kader ook art. 4:13 lid 4 BW: ‘De in lid 3 bedoelde geldsom wordt, tenzij de erflater, dan wel de echtgenoot en het kind tezamen, anders hebben bepaald, vermeerderd met een percentage dat overeenkomt met dat van de wettelijke rente, voor zover dit percentage hoger is dan zes, berekend per jaar vanaf de dag waarop de nalatenschap is opengevallen, bij welke berekening telkens uitsluitend de hoofdsom in aanmerking wordt genomen (curs. NB).’ Zie voor de fiscale gevolgen van het verlenen van een dergelijke delegatiebevoegdheid, B. Schols 2011. In Kamerstukken II 2008/09, 31930, 10, p.12 (NvW) wordt opgemerkt dat: ‘Een rentevaststelling heeft in beginsel gevolgen voor de erfbelasting indien de bevoegdheid tot deze vaststelling voortvloeit uit artikel 13, vierde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek of uit een testament (bijvoorbeeld via een zogenoemde tenzij-clausule). Hierbij maakt het niet uit of de bevoegdheid in het testament alleen aan de langstlevende of aan de erfgenamen in gezamenlijk overleg is gegeven (curs. NB).’
Zie ook mijn opmerking in noot 133 van dit hoofdstuk met betrekking tot Kamerstukken II 2008/09, 31930, 10, p. 12 (NvW).
Zie ook paragraaf 4.3.5.
In de huidige testamentenpraktijk wordt de volgende clausule, of een hiermee vergelijkbare, toelaatbaar geacht:
‘Indien en voor zover een kind naar aanleiding van mijn overlijden een vordering verkrijgt op mijn echtgenote op basis van mijn uiterste wil of op basis van een testamentaire verdeling (al dan niet door vertegenwoordiging) dan wel een vrije verdeling van mijn nalatenschap tussen mijn erfgenamen onderling, dan bepaal ik hierbij dat over deze vordering een rente van 6% verschuldigd is, tenzij mijn echtgenote binnen 8 maanden en bij notariële akte anders bepaalt, @ waarbij slechts de bevoegdheid bestaat de rente vast te stellen binnen @ [bandbreedte] (curs. NB).’1
Met deze ‘tenzij’-bepaling kan erflater de werking van de renteclausule afhankelijk maken van de wil van bijvoorbeeld zijn echtgenote.2 Er is anders gezegd sprake van een wilsafhankelijke ontbindende voorwaarde. Ontbindende voorwaarden zijn in beginsel in het erfrecht toegestaan (zie paragraaf 6.3 t/m 6.7). Althans voorzover de aard van de uiterste wilsbeschikking zich hiertegen niet verzet (art. 3:38 lid 1 BW), er niet gehandeld wordt in strijd met het bepaalde in art. 4:45 BW en, met betrekking tot voorwaardelijke makingen of voorwaardelijke testamentaire lasten, in beginsel rekening wordt gehouden met de dertigjaarstermijn (art. 4:140 jo. 4:133 lid 3 BW). Voor wat de wilsafhankelijke voorwaarden betreft, geldt bovendien dat met de voorwaarde niet op ontoelaatbare wijze wordt geknutseld aan de inhoud/aard van een beschikking (schema deel II van dit onderzoek) en dat bij het inroepen van de ‘tenzij-clausule’ de redelijkheid en billijkheid niet uit het oog wordt verloren.
Mijns inziens verzet de aard van een rentebepaling zich niet tegen een voorwaardelijk karakter en leidt de hierboven geformuleerde voorwaarde evenmin tot strijd met art. 4:45 BW. Noch speelt de dertigjaarstermijn van art. 4:140 lid 1 BW in bovengenoemde formulering een rol. Of de langstlevende handelt als redelijk denkend mens zal getoetst kunnen worden nadat zij van haar bevoegdheid om een andere rente vast te stellen gebruik heeft gemaakt. Blijft de vraag over of met de voorwaarde op ontoelaatbare wijze wordt geknutseld aan de inhoud/aard van de beschikking. Voor het beantwoorden van deze vraag dient te worden gerealiseerd dat de erflater met de ‘tenzij-clausule’ niet alleen de werking van de uiterste wilsbeschikking kan beïnvloeden, maar dat zij ook zelf een rente kan vaststellen. De ‘tenzij-clausule’ betreft dus niet alleen een delegatiebevoegdheid ten aanzien van de werking van de uiterste wilsbeschikking (‘tenzij mijn echtgenote dit niet wil’), maar ook een delegatiebevoegdheid ten aanzien van de inhoud van de uiterste wilsbeschikking (‘tenzij mijn echtgenote anders bepaalt’; zie deel II van dit onderzoek). Verzet de aard van de renteclausule zich tegen een dergelijke voorwaarde? Voor het beoordelen van de vraag in hoeverre inhoudelijke wilsdelegatie is toegestaan, dient gekeken te worden naar het aan het slot van deel II weergegeven schema ‘Toetsing geoorloofde of ongeoorloofde delegatie’. In bovenstaande clausule betreft het verbintenisrechtelijke verhoudingen en daarvoor geldt dat in beginsel bepaalbaarheid voldoet. Naar mijn mening is het afbakenen van de bevoegdheid, door het geven van kaders waarbinnen de rente kan worden vastgesteld (‘waarbij slechts de bevoegdheid bestaat de rente vast te stellen binnen [bandbreedte]’) dan ook aan te bevelen. Indien erflater dit overigens niet doet, is er nog geen man overboord. In dat geval kan namelijk, indien nodig, worden aangestuurd op de objectiverende werking van de redelijkheid en billijkheid.3
Hierna heb ik het toetsingskader om te beoordelen wat geoorloofde en wat ongeoorloofde wilsdelegatie is voor wat wilsdelegatie ten aanzien van de werking betreft, voor een duidelijk overzicht, in een schema gezet.
* Art. 4:140 BW bepaalt dat indien een aan een making toegevoegde voorwaarde dertig jaren na het overlijden van de erflater nog niet is vervuld, de beschikking vervalt wanneer het een opschortende voorwaarde is; is het een ontbindende voorwaarde, dan vervalt de voorwaarde. Hiermee strijdige beschikkingen van de erflater zijn nietig. Zie ook art. 4:133 lid 3 BW, met betrekking tot de voorwaardelijke last, dat art. 4:140 lid 1 BW van overeenkomstige toepassing verklaart.