Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/5.3.3
5.3.3 HR 18 december 1985, nr. 23 160, BNB 1986/104 (noot L.F. Ploeger)
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS301961:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
Ploeger formuleert het als volgt: ‘Zoals een kameleon zijn kleur aan die van zijn omgeving aanpast, zo moet ook van de nationale wet worden verondersteld dat zijn regels invloed ondergaan van een wijziging van de richtlijnen waaronder hij functioneert.’
‘Ook indien...voor 1 januari 1979 de in artikel 15, lid 2, der Wet opgenomen zinsnede ‘prestaties van de ondernemer als zijn bedoeld in artikel 11” aldus moest worden opgevat dat daaronder niet kunnen worden begrepen prestaties welke niet zijn belast omdat zij niet binnen het Rijk worden verricht, volgt daaruit niet dat..’
In dit arrest ging het om een bank die bancaire prestaties (leveringen en diensten als genoemd in art. 11, lid 1, letters i en j, wet) verrichtte aan afnemers/ ondernemers in andere EG-landen. Deze prestaties werden geacht verricht te worden op de plaats waar de afnemer was gevestigd, dus niet in Nederland. Omdat de plaats van dienst buiten Nederland was gelegen, was geen sprake van aan Nederlandse btw onderworpen prestaties. Met een beroep op BNB 1979/102 dacht deze ondernemer recht op aftrek van voorbelasting te hebben toerekenbaar aan de niet aan Nederlandse btw onderworpen prestaties. Weliswaar was de Zesde richtlijn inmiddels van kracht geworden, met in art. 17 een van art. 11 Tweede richtlijn afwijkende aftrekregeling, en was art. 15, lid 2, wet gewijzigd, maar belanghebbende meende dat niet uit deze wetswijziging en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan volgde dat de uitspraak van het Hof Den Haag (BNB 1979/102) – in het buitenland verrichte prestaties kunnen niet zijn ‘prestaties als bedoeld in artikel 11’ – niet meer gehandhaafd kan blijven. De Hoge Raad stelt belanghebbende echter niet in het gelijk, met de volgende overweging:
De Wet is bij wet van 28 december 1978, Staatsblad 677, aangepast aan het bepaalde in de Zesde richtlijn. De daarbij ingevoerde nieuwe tekst van artikel 15, lid 2, der Wet geeft uitvoering aan het bepaalde in artikel 17, lid 3, aanhef en letter c, van de Zesde richtlijn. Aangenomen moet worden dat de wetgever daarbij een resultaat heeft beoogd dat gelijk is aan het resultaat waartoe toepassing van het in evengenoemd richtlijnvoorschrift bepaalde, in samenhang met de overige richtlijnvoorschriften omtrent aftrek van voorbelasting, leidt.
Ook indien, gelijk in de toelichting op het middel wordt betoogd, voor 1 januari 1979 de in artikel 15, lid 2, der Wet opgenomen zinsnede ‘prestaties van de ondernemer als zijn bedoeld in artikel 11’ aldus moest worden opgevat dat daaronder niet kunnen worden begrepen prestaties welke niet zijn belast omdat zij niet binnen het Rijk worden verricht, volgt daaruit niet dat de wetgever aan de gelijkluidende zinsnede opgenomen in de nieuwe, aan de Zesde richtlijn aangepaste, tekst van artikel 15, lid 2, der Wet dezelfde strekking heeft toegekend.
Ploeger zegt het aldus in zijn noot onder BNB 1986/104:
Het gebruik van dezelfde woorden als voorheen mag niet doen vermoeden dat deze woorden dezelfde betekenis hebben als voorheen.
Dezelfde woorden hebben dus een andere betekenis gekregen. In feite doet zich hier het kameleoneffect voor (de door Ploeger in zijn noot onder BNB 1984/212 geïntroduceerde term).1 Opvallend is dat Ploeger hieraan niet refereert in zijn noot onder BNB 1986/104. Wellicht was hij van mening dat in het in BNB 1986/104 besliste geval het kameleoneffect zich niet voordeed omdat niet alleen de richtlijn was gewijzigd maar ook art. 15, lid 2, wet was gewijzigd. Weliswaar ging het arrest over de interpretatie van een ongewijzigde zinsnede (‘prestaties van de ondernemer als zijn bedoeld in art. 11’), maar deze zinsnede stond vanaf 1 januari 1979 in een geheel andere context.
Overigens kan men zich afvragen of het Hof Den Haag in BNB 1979/102 een richtlijnconforme uitleg gaf aan art. 15, lid 2, wet, of dat hij een beroep van belanghebbende op directe werking van de (gunstigere) richtlijnbepaling honoreerde. Voor de uitkomst maakte dit niet veel uit, die zou in beide benaderingen hetzelfde zijn geweest. Of de opvatting van het Hof Den Haag juist was laat de Hoge Raad in BNB 1986/104 in het midden door het gebruik van een voorwaardelijke formulering.2 Als de Hoge Raad de opvatting van het Hof Den Haag juist had gevonden had hij als volgt kunnen formuleren: ‘Weliswaar moest,...., de voor 1 januari 1979 in artikel 15, lid 2, der Wet opgenomen zinsnede ‘prestaties van de ondernemer als zijn bedoeld in artikel 11’ aldus worden opgevat dat daaronder niet kunnen worden begrepen prestaties welke niet zijn belast omdat zij niet binnen het Rijk worden verricht, maar daaruit volgt niet dat...’.
Wat hier ook van zij, met zijn beslissing heeft de Hoge Raad een richtlijnconform resultaat bereikt. Ondanks het feit dat de wet ruimte lijkt te bieden aan een andersluidende interpretatie, kan de Nederlandse ondernemer, die prestaties als bedoeld in art. 11, lid 1, letter i en j, wet, verricht aan andere ondernemers die wonen of zijn gevestigd buiten Nederland maar in de EU, de aan deze prestaties toerekenbare voorbelasting niet in aftrek brengen.