De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/2.6:2.6 Samenvatting en conclusie
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/2.6
2.6 Samenvatting en conclusie
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949620:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Autonomie is een complex en veelzijdig begrip dat pas een concretere betekenis krijgt als het in context wordt geplaatst. Van autonomie is sprake als iemand zonder te zijn beïnvloed, zijn verlangens, doelen en waarden heeft geïdentificeerd en vervolgens naar deze verlangens, doelen en waarden kan handelen. De mate van autonomie die aan iemand toekomt, is tevens afhankelijk van de specifieke sociale relaties die het betreffende individu is aangegaan en die zijn autonomie kunnen vergroten of verkleinen. Dit geldt in het bijzonder voor een professional zoals de leraar die zijn werk in een complexe sociale omgeving doet.
De autonomie van de leraar wordt in de literatuur aangeduid als professionele of pedagogische autonomie, beide begrippen worden daar door elkaar heen gebruikt. Deze begrippen kunnen evenwel verschillend ingevuld worden. Bij professionele autonomie hangt de autonomie van de individuele beroepsbeoefenaar samen met de autonomie van de beroepsgroep die de beroepsuitoefening van haar beroepsbeoefenaren reguleert. De leraar beschikt op dit moment nog niet over een samenhangende beroepsgroep die bijvoorbeeld door het opstellen van een professionele standaard zijn beroepsuitoefening reguleert. Hij kan (op dit moment) dan ook geen aanspraak maken op professionele autonomie.
Wel kan de leraar aanspraak maken op pedagogische autonomie. Hierdoor wordt aanspraak gemaakt op zijn vakdeskundigheid en ontstaat ruimte voor betekenisvol werk en werkplezier. Pedagogische autonomie komt toe aan de individuele leraar op basis van zijn kennis en kunde, met als doel om kwalitatief goed onderwijs te kunnen geven aan zijn leerlingen. Hiervoor is autonomie onontbeerlijk.
Het onderwijs kan immers niet geheel in procedures gegoten worden. De autonomie van de leraar is echter niet onbegrensd. Zijn autonomie is functioneel en wordt begrensd door het doel waarvoor hij het gekregen heeft, namelijk in het belang van de leerling goed onderwijs aanbieden. Van de leraar wordt verwacht dat hij met zijn kennis en kunde kan inspringen op actuele situaties, daarbij moet hij voor zijn leerlingen de juiste inschattingen maken. Hierbij maakt hij gebruik van zijn autonomie. Zijn autonomie past de leraar ook toe bij het beoordelen van de onderwijsprestaties van zijn leerlingen. Die beoordeling berust op de kennis, ervaring en deskundigheid van de leraar.