De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/2.5:2.5 Pedagogische autonomie bij de beoordeling van onderwijsprestaties
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/2.5
2.5 Pedagogische autonomie bij de beoordeling van onderwijsprestaties
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949461:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hieronder wordt verstaan het schooladvies in het primair onderwijs, de school/instel-lings- en centrale examens in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs en de tentamens in het hoger onderwijs die gezamenlijk het examen vormen.
Noorlander 2005, p. 522.
Avenarius en Heckel 2000, p. 345.
R.J.G.M. Widdershoven, ‘De voorgeschiedenis: een drama in drie bedrijven’ in A. Heertje e.a., Het cijfer van de rechter, Alphen aan de Rijn: Samson H.D. Tjeenk Willink 1991, p. 93.
Huisman e.a. 2018, p. 66.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De pedagogische autonomie van de leraar speelt een grote rol bij het beoordelen van de onderwijsprestaties van zijn leerlingen. Het is immers in principe aan de leraar om aan de hand van een toets te beoordelen of de leerling zijn onderwijsdoelen heeft bereikt. De leraar heeft daarbij een mate van autonomie ofwel beoordelingsruimte. Dit is in het bijzonder van belang waar het de beoordeling van een examen betreft. Met het examen wordt hier bedoeld de verzameling van beoordelingsbeslissingen waarmee het onderwijs in een bepaalde sector wordt afgesloten.1 Door de autonomie van de leraar is het voor de leerling, het bevoegd gezag en de samenleving niet eenvoudig te controleren of de beoordeling van het examen juist is uitgevoerd. In deze paragraaf wordt daarom beschreven waaruit de pedagogische autonomie van de leraar bij de beoordeling van onderwijsprestaties van leerlingen bestaat.
Voor de leraar is het noodzakelijk dat hij bij het beoordelen van de onderwijsprestaties van een leerling beschikt over een zekere mate van autonomie. Hierbij moet hij een afweging kunnen maken op basis van onder meer het antwoordmodel, maar ook zijn eigen kennis en ervaring. Het beoordelen van onderwijsprestaties is dan ook vaak deels een persoonlijk proces dat afhankelijk is van de leraar of leraren die de beoordeling uitvoeren.2 Bij de beoordeling of bij het opstellen van het examen en de modelantwoorden spelen de (persoonlijke) ervaringen en deskundigheid van de leraar immers een belangrijke rol. Vanwege het persoonlijke karakter van het beoordelingsproces en vanwege de deskundigheid van de leraar, moet volgens Noorlander aan de leraar vrije ruimte gelaten worden om de leerling te beoordelen. Hierbij ligt dan ook het primaat bij de leraar. De ruimte die de leraar heeft om zelf een leerling te beoordelen, behoort tot de kern van zijn pedagogische autonomie.
De leraar handelt volgens Avenarius en Heckel op eigen verantwoordelijkheid wanneer hij de prestaties van leerlingen beoordeelt.3 Deze eigen verantwoordelijkheid baseren zij niet op de pedagogische autonomie, maar op de eigenaardigheid van de beoordeling. Die beoordeling is eigenaardig omdat het een persoonlijk en specialistisch oordeel van de leraar omvat. Mijns inziens maakt juist het feit dat het gaat om een persoonlijk en specialistisch oordeel dat deze beoordeling valt onder de pedagogische autonomie van de leraar. De pedagogische autonomie van de leraar omvat immers dat hij op basis van zijn vakdeskundigheid eigen keuzes kan maken en eigen oordelen kan vormen.
Widdershoven schrijft dat uit de pedagogische autonomie voortvloeit dat de leraar een vrije (beoordelings)ruimte gelaten moet worden bij het beoordelen van de onderwijsprestaties van de leerling.4 Deze beoordeling berust op de kennis, ervaring en deskundigheid van de leraar. De beoordeling van de leerling is daardoor in zekere mate subjectief en afhankelijk van de leraar die de beoordeling uitvoert. Uit die subjectiviteit blijkt dat de leraar autonomie heeft, het is immers aan de leraar om een knoop door te hakken en bijvoorbeeld te bepalen welk cijfer aan de leerling toekomt of hoeveel punten toegekend moeten worden voor een bepaald antwoord.
De subjectiviteit van de beoordeling van de onderwijsprestaties van de leerling is mijns inziens drieledig. Ten eerste is de beoordeling subjectief omdat de leraar (in meer of mindere mate) de onderwijsstof, de onderwijsdoelen en de toets vormgeeft en vervolgens bepaalt in welke mate de leerling de onderwijsdoelen heeft behaald. Een andere leraar die de beoordeling over zou willen doen, kan dit enkel als hij weet met welke bedoeling de onderwijsdoelen, de onderwijsstof en de toets zijn vormgegeven. De beoordeling zal, ten tweede, gebaseerd zijn op de eigen kennis en ervaring van de leraar. Deze eigen kennis en ervaring van de beoordelaar kan verschillen van andere leraren. Een leraar in een bepaald vakgebied kan bijvoorbeeld over bepaalde kennis en ervaring beschikken waarover een andere leraar niet beschikt. Ook kan de ene leraar andere opvattingen hebben over een bepaald onderwerp dan een andere leraar. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan twee hoogleraren die in hetzelfde vakgebied werkzaam zijn en over een bepaald onderwerp van mening verschillen en naargelang ander onderwijs geven, andere onderwijsdoelen hanteren en studenten anders beoordelen. Ten derde heeft de leraar – naast zijn eigen kennis en ervaring – in sommige gevallen ook eigen subjectieve ervaringen met de leerling die meewegen in de beoordeling. De leraar heeft bijvoorbeeld kennis van bepaalde eigenschappen en leerdoelen van een specifieke leerling die hij kan meewegen in de beoordeling van deze leerling. Bij het schooladvies speelt dergelijke kennis over de leerling bijvoorbeeld een belangrijke rol.
De mate waarin subjectiviteit bij de beoordeling van een leerling een rol speelt, hangt af van het type beoordeling. Bij bijvoorbeeld een multiple choice examen dat van overheidswege is opgesteld, bestaat geen ruimte voor een eigen beoordeling door de leraar. De leraar beoordeelt immers enkel aan de hand van een antwoordmodel of de leerling het juiste vakje heeft aangevinkt. Het vaststellen van het schooladvies is een voorbeeld waarbij subjectiviteit juist een grote rol speelt. Bij het geven van een schooladvies weegt de leraar naast de toetsresultaten van de leerling ook zijn eigen ervaringen met de leerling mee.5 Deze ervaringen van de leraar bestaan bijvoorbeeld uit zijn perspectief op de motivatie om te leren, de ondersteuning vanuit thuis, de sociale en emotionele ontwikkeling en de aanleg en interesses van de leerling. Deze beoordeling is subjectief omdat de beoordeling is gebaseerd op de kennis en subjectieve ervaring van de leraar met deze leerling en omdat de leraar vervolgens vanuit zijn eigen kennis en ervaring een inschatting maakt over het niveau van voortgezet onderwijs dat passend is voor deze leerling. Deze subjectiviteit maakt evenwel dat de leraar autonomie heeft en moet hebben, het is immers aan hem om als vakdeskundige om een afweging te maken en vervolgens een oordeel te geven.
De pedagogische autonomie van de leraar bij het beoordelen van de onderwijsprestaties van leerlingen kan problematisch zijn voor andere actoren in het onderwijs, zoals de leerling en zijn ouders en het bevoegd gezag en de staat. De leerling en zijn ouders worden immers onderworpen aan een subjectief oordeel van de leraar waartegen zij nauwelijks op kunnen komen. Het bevoegd gezag en de Staat kunnen daarnaast de kwaliteit van de beoordeling moeilijk controleren. De pedagogische autonomie van de leraar verdraagt zich volgens Huisman e.a. daarom moeilijk met de juridisering van de beoordeling van de onderwijsprestaties van leerlingen.6 Dit geldt mijns inziens in het bijzonder voor de beoordeling van examens. Daarbij zijn immers de belangen van de leerling, het bevoegd gezag en de samenleving groot. Het primaat van de leraar bij het beoordelen van de examens is daarom in de meeste onderwijssectorwetten ingeperkt. In bijvoorbeeld het voortgezet onderwijs worden de centrale examens van overheidswege opgesteld en werkt een externe leraar mee aan de beoordeling. Hierop wordt dieper ingegaan in hoofdstuk 6. Op de verhouding tussen de leraar en het bevoegd gezag wordt nader ingegaan in hoofdstuk 4 en in hoofdstuk 5 staat de relatie tussen de leerling en de leraar centraal.