De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/2.1:2.1 Inleiding
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/2.1
2.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949354:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Alvorens dieper in te gaan op de verschillende juridische aspecten die van invloed zijn op de autonomie van de leraar bij het geven van onderwijs en in het bijzonder bij het nemen van examenbeslissingen, wordt in dit hoofdstuk aan de hand van de literatuur eerst in het algemeen ingegaan op de autonomie van de leraar. Met de leraar wordt diegene of worden diegenen bedoeld die onderwijs geeft of geven in het primair, voortgezet, middelbaar beroeps- en hoger onderwijs. In dit hoofdstuk staat de volgende vraag centraal: wat is het oogmerk en de rechtvaardiging van de autonomie van de leraar? Om deze vraag te beantwoorden wordt eerst kort geschetst wat onder autonomie verstaan wordt (§ 2.2). Vervolgens wordt onderzocht wat de ratio is achter de autonomie van de leraar en aan welke grenzen zijn autonomie is gebonden. Hiertoe wordt onderscheid gemaakt tussen professionele autonomie en pedagogische autonomie.
De professionele autonomie van de individuele leraar hangt samen met de regulering van zijn beroepsuitoefening door de beroepsgroep van leraren. Professionele autonomie heeft dan ook een collectieve component. In § 2.3 wordt het ontstaan, de legitimatie en kenmerken van professionele autonomie in het algemeen beschreven. Vervolgens worden deze kenmerken toegepast op het beroep van leraar om te bepalen in welke mate aan de leraar professionele autonomie toekomt. In § 2.4 wordt toegelicht dat de leraar aanspraak kan maken op pedagogische autonomie. Hier staat de autonomie van de individuele leraar of het team van leraren bij het geven van onderwijs centraal. In deze paragraaf wordt onder meer onderzocht met welk doel deze autonomie aan de leraar toekomt en aan welke grenzen zijn autonomie is gebonden. Ten slotte wordt in § 2.5 toegelicht welke rol de pedagogische autonomie van de leraar speelt bij het beoordelen van onderwijsprestaties in het algemeen.