Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/10.2.1
10.2.1 Inleiding
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940385:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.11.3, HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, r.o. 3.5.2 en r.o. 3.8.4, alsmede Pechler in zijn noot bij in BNB 2013/207 (punt 4). Zie voorts par. 25 lid 4 BBBB (tekst tot 1 januari 2016), waarin dit als zodanig was opgemerkt.
HR 25 oktober 2002, BNB 2003/14, V-N 2002/57.7, r.o. 3.2.4. Zie voorts paragraaf 7.3.8.3.2.
HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, r.o. 3.5.3 (onder verwijzing naar HR 25 oktober 2002, BNB 2003/14). Wel merk ik op dat de Hoge Raad zich hier wat ongelukkig heeft uitgedrukt, door te stellen dat de boeteling de ter ontzenuwing gebezigde feiten zo nodig ‘aannemelijk’ moet maken.
EHRM 6 december 1988 (Barberà, Messegué en Jabardo), nr. 10590/83, Publ. Ser. A 146, NJCM-Bulletin 1989, p. 90, par. 77. Zie daaromtrent nader paragraaf 9.3.1 en paragraaf 13.3.1.
In dezelfde zin: Feteris 2002, p. 377.
Zie paragraaf 7.3.5.4 en 7.3.9.3.3.
Zie ten aanzien van vermoedens (in algemene zin) bijvoorbeeld HR 9 juni 1993, BNB 1993/253, r.o. 3.5.
Zoals ik in paragraaf 7.3.5.4 uiteen heb gezet, ontstaan vermoedens in mijn opvatting als een gevolgtrekking uit andere, indirecte bewijsmiddelen, en tellen ze daarna op reguliere wijze mee als zelfstandig, direct bewijsmiddel. Als algemene voorwaarde geldt, dat vermoedens moeten zijn ontleend aan concrete, vaststaande feiten en omstandigheden. Voor wat betreft het gebruik van vermoedens in de sfeer van de boete heeft de Hoge Raad dat eveneens expliciet overwogen.1 Voor het leveren van tegenbewijs hoeft een vermoeden slechts te worden ontzenuwd: het zaaien van redelijke twijfel is daarvoor reeds voldoende.2 Ook dit punt heeft de Hoge Raad voor de sfeer van de boete bevestigd.3 Tot zover lijken er dus geen grote verschillen te bestaan tussen de sfeer van de heffing en de sfeer van de boete.
Naar mijn mening gelden bij het gebruik van vermoedens als bewijsmiddel voor de boete niettemin enkele bijzondere randvoorwaarden. Deze randvoorwaarden vloeien met name voort uit de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM. Het EHRM leidde daaruit af dat het voordeel van de twijfel te allen tijde aan de boeteling toekomt.4 Het gaat er daarbij om, dat elke twijfel ten voordele strekt van de boeteling.5 Een vermoeden is in wezen niets anders dan de tussenstap die benodigd is om een rechtstreeks verband te leggen tussen enerzijds de indirecte bewijsmiddelen waar het vermoeden (een gevolgtrekking) op gebaseerd is en anderzijds de te bewijzen feiten. Om die reden is onzekerheid inherent aan het vermoeden: op basis van hetzelfde indirecte bewijsmateriaal zullen ook andere gevolgtrekkingen mogelijk zijn.6 Naar mijn mening geeft een vermoeden dan ook per definitie voeding aan ten minste enige twijfel. Als die twijfel ten voordele van de boeteling kan worden uitgelegd, zal dat – in afwijking van de sfeer van de heffing – vanwege de onschuldpresumptie ook daadwerkelijk moeten gebeuren.
Dat de soep wellicht niet zo heet gegeten wordt als ik hem bovenstaand heb opgediend, volgt uit het feit dat het gebruik van vermoedens als bewijsmiddel voor de fiscale bestuurlijke boete in de jurisprudentie dikwijls impliciet wordt aanvaard. Het ontbreken van rechterlijk ingrijpen betekent naar mijn mening echter niet automatisch rechterlijke goedkeuring. De Hoge Raad toetst de bewijswaardering door de rechter immers slechts marginaal.7 Het gebruik van vermoedens als bewijsmiddel in boetezaken moet naar mijn mening wel degelijk met meer voorzichtigheid worden benaderd dan in de sfeer van de heffing.
In het navolgende ga ik, gelet op de reikwijdte van de onschuldpresumptie, afzonderlijk in op het gebruik van vermoedens bij centrale stellingen en bij perifere stellingen. Daarna sta ik stil bij de vraag of vermoedens ontleend mogen worden aan het zwijgen van de boeteling en ten slotte bij enkele andere aspecten van het gebruik van vermoedens in de sfeer van de boete.