Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/10.2.4
10.2.4 Vermoedens ontleend aan zwijgen
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940673:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 3 juli 2020, V-N 2020/33.25, waarin het zwijgen van de belastingplichtige volgens de Hoge Raad kon dienen als bevestiging van een reeds bestaand vermoeden. Zie voorts HR 27 juni 2001, BNB 2002/28, waarin het zwijgen evenmin nadrukkelijk als bewijsmiddel werd aangemerkt, maar uit de bewoordingen van het Hof bleek dat het wel als steunbewijs gebruikt was, alsmede HR 9 juni 1993, BNB 1993/253, r.o. 3.6, waarin het Hof aan het zwijgen c.q. niet-meewerken een versterking van een reeds bestaand vermoeden had ontleend, hetgeen de Hoge Raad accordeerde. De waarborgen van art. 6 EVRM waren in deze zaken niet van toepassing, aangezien het louter om de belastingheffing ging.
Zie paragraaf 7.3.4.3, waarbij met name te denken valt aan de tweede en de derde subregel.
Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 28 mei 2020, V-N 2020/40.8, r.o. 4.22.
Zie paragraaf 7.3.4.3. Laatstgenoemde partij zal altijd met een begin van bewijs moeten komen. Als dat niet gebeurt omdat die partij ‘zwijgt’, is er eenvoudigweg sprake van een situatie waarin het bewijs niet wordt geleverd. Het zwijgen hoeft dan als zodanig niet (meer) als steunbewijs in aanmerking te worden genomen.
Zie omtrent dat beginsel uitgebreid paragraaf 11.2. In dezelfde zin: Knigge in zijn noot bij EHRM 8 februari 1996 (Murray), NJ 1996/725 (punt 3-5).
Zie paragraaf 9.3.1.
Zie paragraaf 11.2.1. Zie ook EHRM 8 februari 1996 (Murray), NJ 1996/725, V-N 1997, p. 733, par. 45.
Uit het voorgaande is gebleken dat vermoedens alleen mogen worden ontleend aan vaststaande feiten. Het zwijgen of anderszins niet-meewerken door de belastingplichtige kan een dergelijk feit vormen. In de sfeer van de heffing is dat zwijgen door de rechter wel als steunbewijs aangemerkt.1 Dit is op zichzelf in lijn zijn met de subregels van bewijslastverdeling uit het algemene fiscale bewijsrecht.2 Als de belastingplichtige of de inspecteur desgevraagd weigert om opheldering te geven over een bepaalde kwestie, terwijl daarvoor geen geldige reden kan worden gegeven, kan beredeneerd worden dat de informatie die de betreffende partij wel heeft, maar niet geeft, kennelijk nadelig is voor die partij. Aan dat zwijgen of stilzitten kan aldus een vermoeden worden ontleend dat bewijsrechtelijk in het voordeel van de wederpartij (op wie de primaire bewijslast rust) werkt.3
Het ontlenen van een dergelijk vermoeden moet overigens nadrukkelijk worden onderscheiden van de situatie waarin de partij op wie de bewijslast rust, ter onderbouwing van zijn stelling, volstaat met erop te wijzen dat de wederpartij het tegendeel niet heeft bewezen. Aan het enkele feit dat de wederpartij, die bewijsrechtelijk niet aan zet is, het tegendeel niet heeft bewezen, kan– ook in de sfeer van de heffing – nooit het positieve bewijs van de stelling van de partij op wie de bewijslast (wél) rust, worden ontleend.4
Het ontlenen van vermoedens aan het zwijgen van de belastingplichtige staat in boetezaken op gespannen voet met zowel de onschuldpresumptie als met het nemo tenetur-beginsel.5
De onschuldpresumptie brengt mee dat alle elementen van het beboetbare feit door de inspecteur op eigen kracht moeten worden bewezen.6 De omstandigheid dat de belastingplichtige zwijgt of weigert openheid van zaken te geven, maakt die bewijslastverdeling niet anders. Ook een zwijgende of weigerachtige belastingplichtige krijgt het voordeel van de twijfel. Het nemo tenetur-beginsel beginsel houdt bovendien het recht in om ervoor te kiezen om geen belastende verklaringen af te leggen en in bredere zin niet mee te werken aan de bewijsvoering à charge. Het daaruit afgeleide zwijgrecht zou een lege huls zijn wanneer aan het inroepen ervan nadelige vermoedens zouden mogen worden ontleend.7
In het vervolg van deze paragraaf behandel ik achtereenvolgens hoe het EHRM en de Hoge Raad omgaan met het ontlenen van vermoedens aan het zwijgen.
10.2.4.1 Zwijgrecht en vermoedens volgens het EHRM: het arrest Murray10.2.4.2 Zwijgrecht en vermoedens volgens de Hoge Raad