Morganatisch burgerschap
Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/5.1:5.1 Inleiding
Morganatisch burgerschap 2019/5.1
5.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181182:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
COM(2008) 383.
COM(2009) 623.
In dit kader verdient opmerking dat in dit hoofdstuk wordt verwezen naar de Engelstalige versies van documenten die tevens in het Nederlands te raadplegen zijn. Een reden voor deze aanpak betreft de omstandigheid dat met betrekking tot deze documenten met name Engelstalige rechtswetenschappelijke literatuur is geraadpleegd.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit onderzoek nam als startpunt de vraag wat de essentialia zijn van het begrip burgerschap. In Hoofdstuk II is stilgestaan bij deze vraag. Daar is naar voren gekomen dat het begrip burgerschap een wederkerige rechtsverhouding, dat wil zeggen een verhouding met rechten en plichten over en weer, met zich brengt tussen de burger en zijn rechtsorde. Een (politiek) burgerschapsrecht betreft het kiesrecht voor het vertegenwoordigende orgaan van de desbetreffende entiteit. Een burgerplicht kan het sterven voor het vaderland betreffen. Deze wederkerige rechtsverhouding wordt na de Franse Revolutie ingekleurd door middel van politieke representatie. Dat houdt in dat de burger in zijn rechtsorde wordt gerepresenteerd door een door hem gekozen representant. De burger heeft, zo volgt daaruit, bij het kiesrecht voor de eigen politieke representant direct zeggenschap. Dat wil zeggen dat de burger door middel van algemene, rechtstreekse verkiezingen zijn representant kiest.
In de Hoofdstukken III en IV is aandacht besteed aan het ontstaan en de ontwikkeling van de LGO in zowel de regelgeving van de EU als de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU. Een bestudering van het ontstaan en de ontwikkeling van de LGO is noodzakelijk om het Nederlanderschap te duiden vanuit het perspectief van de LGO-Unieburger. Het Europeesrechtelijk fenomeen van de LGO kent zijn historische wortels in het Franse recht, zo blijkt uit Hoofdstuk III. Het onderscheid in het Franse recht met betrekking tot de DOM en de TOM is gevolgd in het toenmalige Gemeenschapsrecht. In het Gemeenschapsrecht, en thans ook in het Unierecht, wordt immers een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de LGO en anderzijds de UPG. In Hoofdstuk IV kwam aan het licht dat de relatie tussen de E(E)G/EU en de LGO zich sinds de beginjaren van hun ontstaan tot het heden beweegt van een klassieke ontwikkelingssamenwerking naar een wederkerig partnerschap tussen de LGO en de Unie. In het Groenboek van de Commissie uit 20081 en de Mededeling uit 20092 blijkt dat de Commissie afstand wil nemen van de LGO-associatieregeling die de nadruk legt op ontwikkelingssamenwerking tussen de LGO en de EU ter bestrijding van armoede. In het meest recente LGO-besluit, uit 2013, wordt de LGO-regeling zodanig ingekleurd dat de aandacht voornamelijk komt te liggen op het bevorderen van duurzaamheid in de LGO, het verminderen van de kwetsbaarheid van de LGO en tot slot het bevorderen van onderlinge samenwerking van de LGO in hun regio. Dit duidt op een kwalitatieve inkleuring van de rechtsbetrekking tussen de LGO en de Unie. Teneinde vast te stellen wat de betekenis is van de toepassing van het Unieburgerschap op de Franse (Hoofdstuk VI) en de Koninkrijkse (Hoofdstuk VII) LGO, is vooreerst van belang om de rechtsrelatie tussen de LGO-Unieburger en de Unie aan een analyse te onderwerpen.
In dit vijfde hoofdstuk staat de rechtsverhouding centraal die het Unieburgerschap met zich brengt tussen de Unieburger overzee en de rechtsorde van de Unie. Op welke wijze wordt deze rechtsverhouding politiek vormgegeven? Is deze rechtsverhouding wederkerig? Welke rechten en plichten hebben de overzeese burgers ten aanzien van de Unie, gezien de recente ontwikkelingen van de LGO zoals geschetst in de Hoofdstukken III en IV? Het analyseren van de rechtsverhouding tussen de Europese Unieburger overzee en de Unie en het beantwoorden van de genoemde en vergelijkbare vragen is noodzakelijk om de betekenis te achterhalen van de toepassing van het Unieburgerschap in de LGO van het Koninkrijk der Nederlanden met het oog op de duiding van het Nederlanderschap.
De opzet van dit hoofdstuk is als volgt. In de volgende, tweede, paragraaf wordt aandacht besteed aan het ontstaan van het Unieburgerschap. In dit hoofdstuk wordt onder meer de vraag beantwoord waartoe dit burgerschap is ontstaan. Is het Unieburgerschap ontstaan om het Europese integratieproces te legitimeren en de Unieburgers te belonen en, zo ja, waarmee? In dit hoofdstuk zullen twee aan elkaar verwante onderwerpen, die uitvoerig zijn behandeld in Hoofdstuk II, terugkeren. Deze zijn ten eerste de individuele vrijheid en het emancipatiemotief die verwant zijn aan het burgerschapsdenken en ten tweede de intimiteit die het burgerschapsbegrip met zich brengt in de rechtsbetrekking tussen de burger en de desbetreffende rechtsorde. In de derde paragraaf komt vervolgens het fundamentele karakter dat het Unieburgerschap heeft in het integratieproject van de Europese Unie ter sprake. Daar zal worden getracht de ontwikkelingsgeschiedenis van het Unieburgerschap in ’s Hofs rechtspraak en de verslagen van de Europese Commissie aangaande het Unieburgerschap in het licht te plaatsen van de ontwikkelingsgeschiedenis van het burgerschapsconcept zoals uiteengezet in Hoofdstuk II.3 Op welke wijze benaderen de Commissie en het Hof van Justitie het Unieburgerschap en hoe kan dit begrip worden gekwalificeerd in het licht van de ontwikkeling van het begrip burgerschap? Daarbij zal aandacht worden besteed aan uiteenlopende doch aan elkaar verwante onderwerpen, zoals de toekenning van het Unieburgerschap, het mogelijk zelfstandige en wederkerige karakter ervan, de correlatie tussen het kiesrecht voor het Europees Parlement en het Unieburgerschap, enzovoorts. In dit kader wordt de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ten aanzien van de term ‘wetgevende macht’, voor zover relevant voor het Unierecht en in de rechtspraak van het Hof van Justitie, kort besproken. Vervolgens wordt in de vierde paragraaf met behulp van de voorgaande hoofdstukken de rechtsbetrekking tussen de overzeese Unieburger in de LGO en de Unie, waarbij het kiesrecht voor het Europees Parlement centraal staat, geduid en onderworpen aan een analyse. Het hoofdstuk wordt afgesloten met enkele observaties aangaande deze rechtsbetrekking.