Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking
Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/6.1:6.1 Inleiding
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196930:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zij beperkt zich niet tot de gevolgen voor de rechtspersoon; ook gevolgen voor anderen worden in de beslissing betrokken, zie bijv. 3.9. Die spelen in de hier primair onderzochte afweging geen rol (nr. 23).
Vgl. onderzoeksvraag f. naar een mogelijke rangorde tussen (verplichtingen uit) contractuele verhoudingen en (verplichtingen uit) onmiddellijke voorzieningen.
Onderzoeksvragen c. en d.
Onderzoeksvraag e.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
[189] Bij het treffen van een onmiddellijke voorziening maakt de Ondernemingskamer een afweging van de verwachte positieve en negatieve effecten van zo’n voorziening voor de rechtspersoon.1 Als de beoogde maatregel dreigt te interfereren met een contractuele verplichting van de rechtspersoon, betrekt ze die feitelijkheid in haar beslissing. De reactie van de wederpartij is wellicht dermate bezwaarlijk voor de rechtspersoon, dat de onmiddellijke voorziening per saldo in diens nadeel uitwerkt. Om zich een voorstelling van zulke nadelige gevolgen te kunnen maken heeft de Ondernemingskamer daarom inzicht in de rechtspositie van de wederpartij nodig (onderzoeksvraag a.).
Die rechtspositie vloeit voort uit de overeenkomst tussen de rechtspersoon en zijn wederpartij. Dat is een vermogensrechtelijke verhouding die niet onder de jurisdictie van de Ondernemingskamer valt (6.2). Als de enquêterechter de rechtspositie van een wederpartij verdisconteert in de beslissing over een onmiddellijke voorziening, speelt het mogelijke oordeel van de bevoegde rechter een rol.
[190] In dit hoofdstuk worden een paar facetten besproken van deze bevoegdheidsverdeling, vanuit het perspectief van de Ondernemingskamer, die over de onmiddellijke voorziening heeft te beslissen. Onderzocht wordt in hoeverre de beslisruimte van de enquêterechter wordt beperkt door een eerder rechterlijk oordeel.2 Nagegaan wordt of de afstemmingsregel toegepast moet worden door de enquêterechter (6.3.2). Het verschil in aard tussen de procedure voor de gewone burgerlijke bodemrechter en de enquêteprocedure, en het bijzondere karakter van het enquêterecht blijken telkens relevant.
[191] De onderzoeksvragen c., d., en e. stellen het verwerven van informatie over de rechtspositie van de wederpartij door de Ondernemingskamer aan de orde. Aan die vragen wordt in dit hoofdstuk ook aandacht besteed. Paragraaf 6.3.3 gaat over het nut van uitspraken van andere rechters voor beslissingen in de enquêteprocedure, in gevallen waarin de afstemmingregeling niet toepasselijk is.3 Als vreemd recht van toepassing is, of als partijen arbitrage hebben afgesproken, doen zich bijzonderheden voor, die de Ondernemingskamer kunnen belemmeren in het verwerven van informatie over de rechtspositie van de wederpartij (6.4).4