Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/8.1
8.1 Inleiding
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268465:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 1, par. 1.2.
Zie de Wijzigingswet financiële markten 2015, Stb. 2014, 472.
Zie voor een toelichting op deze begrippen hoofdstuk 1, par. 1.10.
Art. 3:8 en 3:9 Wft, nader uitgewerkt in het Bpr Wft, de Beleidsregel Geschiktheid (Stcrt. 2020/ 1725) en EBA/ESMA Richtsnoeren voor het beoordelen van de geschiktheid van leden van het leidinggevend orgaan en medewerkers met een sleutelfunctie van banken en beleggingsondernemingen (“de Richtsnoeren van EBA en ESMA 2017”, of “de Richtsnoeren”). Zie voor een toelichting op de betrouwbaarheids- en geschiktheidseisen: Hoofdstuk 2, par. 2.2.1 en 2.2.2.
Zie het advies van de Raad van State, van 14 november 2012 (W06.12.0382/III), p. 3 en in diezelfde zin bijvoorbeeld ook S.A. Gawronski & A.J.P. Tillema, ‘De Bankierseed: panacee of symboolpolitiek?’, FR 2013, afl. 3, p. 66 en 68 en F.D. Crul, ‘Bankentuchtrecht-op weg naar vertrouwen?, FR 2015, afl. 7/8, p. 287-288.
De bankierseed zoals deze per 1 januari 2013 werd ingevoerd gold uitsluitend voor dagelijks beleidsbepalers en interne toezichthouders in de financiële sector. Bedoeling was om juist bankbestuurders een moreel-ethische verklaring te laten ondertekenen om de verantwoordelijkheid van het bankbestuur te onderstrepen voor een integere en zorgvuldige taakvervulling en het voorop stellen van de belangen van klanten (rapport “Naar herstel van vertrouwen” van de Adviescommissie Toekomst Banken van 7 april 2009, p. 14, en Kamerstukken II, 2008/09, 31 371, nr. 163, p. 3).
TRB-2018-3618. De Tuchtcommissie oordeelde dat niet integer en niet zorgvuldig was gehandeld omtrent de vertrekregeling.
Zo weten melders de STB steeds beter te vinden, zie Jaarverslag Stichting Tuchtrecht Banken, 2018, p. 15 (https://www.tuchtrechtbanken.nl/over-stichting-tuchtrecht-banken/jaarverslagen). Ook de STB zelf stelt zich actief op, bijvoorbeeld naar aanleiding van de in september 2018 door ING getroffen schikking met het OM wegens schending van de antiwitwaswetgeving. Niet alleen riepen advocaten op om tuchtklachten in te dienen jegens de bestuurders en commissarissen van ING (zie www.leeuwonwaardig.nl), ook de Aanklager van de STB zelf startte een onderzoek (zie “Tuchtzaak dreigt voor bankiers ING na witwaszaak”, www.rtlz.nl).
Zie bijvoorbeeld J.H. van Dam-Lely, ‘De interactie tussen rechtspraak in tuchtzaken en civiele zaken’, AA 2016, afl. 7/8, p. 499-505, W.F. Hendriksen & L.H. Rammeloo, ‘Tuchtrecht en civiel recht: gescheiden systemen’, WPNR 2008, afl. 6778, p. 952-957, J. Geertsma & M.M.R. Slaghekke, ‘Het ontzetten uit beroep of ambt. Op de weg van de straf- en/of tuchtrechter?’, NJB 2015/2170, afl. 43, p. 3000-3006 en specifiek over het bancair tuchtrecht: C.F.J. van Tuyll van Serooskerken, ‘Tuchtrecht banken: over klachten, sancties en arbeidsrechtelijke maatregelen’, ArbeidsRecht 2015/55, afl. 12, p. 14-23 en E.T. Visser, ‘Tuchtrecht banken: de eerste uitspraken’, A&O 2017, afl. 2, p. 62-66.
De relatie tussen tuchtrecht en toezicht is uiteraard niet geheel onbesproken gebleven, zie bijvoorbeeld S.A. Gawronski & A.J.P. Tillema, ‘De Bankierseed: panacee of symboolpolitiek?’, FR 2013, afl. 3, p. 66-74 en S. M. Peek & S. Marić, ‘Tuchtrecht en toezicht: impact op banken’, FR 2015, afl. 7/8, p. 292-298.
Sinds 1 april 2015 kent Nederland, als enige land ter wereld, bancair tuchtrecht. Het bancair tuchtrecht en de bankierseed kunnen, net als de aanscherpingen van de personentoetsingen, worden beschouwd als een implementatie van de lessen van en na de financiële crisis en hebben als doel het vertrouwen in de financiële sector te herstellen en te behouden.1 Banken dienen zorg te dragen voor een tuchtrechtelijke regeling en daar – kort gezegd – al hun medewerkers aan te onderwerpen (3:17c Wft).2 Hieronder valt ook “de top” van de bank, zoals dagelijks beleidsbepalers (bestuurders), interne toezichthouders (commissarissen) en leden van het tweede echelon (zoals het hoofd van de afdeling vermogensbeheer, risk, compliance of internal audit).3 Deze personen zijn zowel onderworpen aan bancair tuchtrecht, als aan de wettelijke geschiktheids- en betrouwbaarheidseisen.4
De groep dagelijks beleidsbepalers, interne toezichthouders en leden van het tweede echelon is, in verhouding tot het gehele personeelsbestand van de bank maar klein. Het tuchtrecht wordt echter juist voor deze groep personen passend gevonden, nu zij door de geschiktheidsbepalingen als een formeel af te bakenen groep “bankiers” kunnen worden beschouwd.5 Oorspronkelijk diende de bankierseed ook alleen door dagelijks beleidsbepalers en interne toezichthouders te worden afgelegd.6
Tot op heden heeft de tuchtrechter zich nog niet vaak uitgesproken over het hoger kader, al is bijvoorbeeld wel een voormalig bestuursvoorzitter van een lokale bank tuchtrechtelijk veroordeeld tot een beroepsverbod van achttien maanden.7 Mogelijk nemen dergelijke zaken, nu de Stichting Tuchtrecht Banken (“STB”) haar positie in de eerste jaren na oprichting heeft gevestigd, toe.8 In dat geval kunnen vragen ontstaan over de wisselwerking met het toezicht, nu de door de toezichthouders uit te voeren toetsingen van de vereiste betrouwbaarheid en geschiktheid en daarop gebaseerde (handhavings-)besluiten niet alleen de betrokken bank, maar ook het individu zullen raken.
De introductie van het bancair tuchtrecht roept daarom de vraag op in hoeverre er sprake is van samenloop tussen bancair tuchtrecht en toezicht, en in hoeverre dergelijke samenloop leidt tot juridische knelpunten. Hoewel diverse auteurs zich hebben gebogen over de vraag hoe het (bancair) tuchtrecht zich verhoudt tot andere rechtsgebieden, zoals het strafrecht, het civiele recht en het arbeidsrecht,9 is de relatie tussen bancair tuchtrecht en financieel toezichtrecht relatief onderbelicht gebleven.10 In dit hoofdstuk staat juist deze relatie centraal.
Leeswijzer
In dit hoofdstuk wordt al eerste nader ingegaan op de inrichting van het bancair tuchtrecht (paragraaf 8.2). Het bancair tuchtrecht is privaatrechtelijk georganiseerd, maar publiekrechtelijk verankerd in de Wet op het financieel toezicht (“Wft”). De Nederlandsche Bank (DNB) ziet toe op de naleving van deze verplichtingen. Er is sprake van een “hybride” vorm van tuchtrecht. Dit toezicht dient te worden onderscheiden van het toezicht op de bankierseed (art. 3:17b Wft).
Hierna worden de raakvlakken besproken tussen bancair tuchtrecht en het toezicht, toegespitst op het toezicht op de verplichting van banken tot het voeren van een beheerste en integere bedrijfsvoering (paragraaf 8.3). Bij het toezicht op de naleving van deze verplichting zal de toezichthouder zich in de meeste gevallen richten tot de betrokken bank. In bepaalde gevallen is de toezichthouder echter bevoegd om (ook) handhavend op te treden jegens de voor schending van deze verplichting verantwoordelijke natuurlijke personen, bijvoorbeeld door het opleggen van een persoonlijke boete. Dit kan leiden tot een samenloop in bevoegdheden van toezichthouder en tuchtrechter.
Vervolgens wordt de relatie tussen bancair tuchtrecht en de personentoetsingen nader geanalyseerd. Nagegaan wordt in hoeverre de tuchtrechter en de toezichthouders, bij het uitvoeren van de betrouwbaarheids- en de geschiktheidstoets, toetsen aan dezelfde normen (paragraaf 8.4 en 8.5). Deze inventarisatie leidt tot de conclusie dat de tuchtrechtelijke en bestuursrechtelijke normstellingen elkaar op meerdere punten overlappen. Tuchtrechter en toezichthouder kunnen beide bevoegd zijn om, op grond van dezelfde gedraging, op te treden jegens dezelfde natuurlijke persoon.
In paragraaf 8.6 wordt, aan de hand van een vergelijking tussen de door beide instanties op te leggen sancties, de vraag beantwoord of de geconstateerde samenloop in bevoegdheden tussen toezichthouder en tuchtrechter kan leiden tot dubbele sanctionering of tot schending van het ne bis in idem-beginsel. Onderzocht wordt of de tuchtrechter en de toezichthouder situaties van ongewenste samenloop kunnen voorkomen, en in hoeverre zij in staat zijn om bij het bepalen van een evenredige sanctie rekening te houden met elkaars optreden (paragraaf 8.7).
In paragraaf 8.8 wordt tot slot onderzocht op welke wijze de toezichthouders bekend kunnen raken met voor het toezicht relevante tuchtrechtelijke informatie en of, ter voorkoming van dubbele procedures en ter waarborging van een evenredige sanctionering, de informatiedeling tussen tuchtrechter en toezichthouders verbetering behoeft.
Het hoofdstuk wordt afgerond met enkele afsluitende opmerkingen (paragraaf 8.9).