Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/16.2.2:16.2.2 ‘Bezinningssamenkomst’
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/16.2.2
16.2.2 ‘Bezinningssamenkomst’
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS454035:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1970/71, 9538, nr. 37 (amendement Vellinga-Franssen).
De Blieck e.a. online.
Scherff 2016.
Rb. Rotterdam 25 november 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:8599, r.o. 2.2.
HR 12 augustus 2016, nr. 15/05590, BNB 2016/200, V-N 2016/41.22.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de totstandkoming van artikel 220d Gemeentewet dat de vrijstelling voor onroerendezaakbelasting voor kerkelijke en levensbeschouwelijke instellingen regelt, wordt ten aanzien van de term ‘bezinningssamenkomst’ verwezen naar de Wet Premie Kerkenbouw.1 Deze wet regelde destijds de subsidie aan kerkgenootschappen en ‘andere genootschappen op geestelijke grondslag’ voor het bouwen van nieuwe kerken en ‘bezinningscentra’. In de Wet Premie Kerkenbouw wordt voor het eerst over ‘bezinning’ en ‘bezinningscentra’ gesproken. De regering spreekt in het kader van die wet over:
‘… rechtspersoonlijkheid bezittende genootschappen op geestelijke grondslag, andere dan kerkgenootschappen, ter zake van de stichting van gebouwen, welke bestemd zijn tot het houden van openbare bijeenkomsten voor het gezamenlijk beleven van en zich bezinnen op de aan die genootschappen ten grondslag liggende levensovertuiging.’2
We kunnen hieruit afleiden dat een bezinningssamenkomst betrekking heeft op levensovertuiging. De wetgever geeft verder geen afgebakende definitie van ‘bezinningssamenkomst’. In de literatuur stelt men dat de bezinningssamenkomsten een geestelijk karakter dienen te hebben zonder dat er sprake is van een eredienst. Het verschil zou er in zijn gelegen dat de kerkgenootschappen bijeenkomsten organiseren ter verering van een opperwezen en dat genootschappen op geestelijke grondslag bijeenkomsten organiseren ter beleving van en bezinning op de aan die genootschappen ten grondslag liggende levensovertuiging.3 Met de term genootschappen op geestelijke grondslag bedoelt de wetgever, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis, ‘niet-kerkelijke organisaties – zoals het Humanistisch Verbond – die zich de bevordering van het geestelijk leven harer leden ten doel stellen’.4 We kunnen uit de wetsgeschiedenis afleiden dat de wetgever met de opneming van de term ‘bezinningssamenkomsten’ tegemoet wilde komen aan burgers die geen lid waren van een kerkgenootschap maar in plaats daarvan van een genootschap op geestelijke grondslag. Scherff gaat ervan uit dat ook de betekenis van de openbare bezinningssamenkomst naar gangbaar spraakgebruik moet worden uitgelegd.5 Deze uitleg is vanuit het gelijkheidsbeginsel geredeneerd niet onwaarschijnlijk. Aangezien godsdienst en levensbeschouwing (in 1983) juridisch aan elkaar gelijk zijn gesteld, is er veel voor te zeggen dat de bijeenkomsten van levensovertuigingen net als die van godsdiensten naar gangbaar spraakgebruik moeten worden uitgelegd.
In dit kader is een arrest van het Hof Arnhem uit 2004 over de OZB-vrijstelling van een klaslokaal interessant. Dat overwoog in een geschil dat ging over de kwalificatie van christelijke activiteiten voor kinderen, jongeren en vrouwen:
‘Belanghebbende [de kerk, JV] maakt met hetgeen zij aanvoert aannemelijk dat de volgende door haar beschreven bijeenkomsten in de klaslokalen (namelijk bijeenkomsten waarbij kinderen uit christelijke liederenbundels zingen, verhalen uit de Bijbel lezen, knutselen met christelijk materiaal, video’s met Bijbelse thema’s kijken; vergelijkbare bijeenkomsten voor vrouwen en jongeren; gebedsbijeenkomsten) onder de noemer bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard kunnen worden gerangschikt (…).’6
Klaarblijkelijk was het hof van oordeel dat deze bijeenkomsten die een christelijk karakter droegen konden worden gekwalificeerd als levensbeschouwelijk. Het hof geeft geen motivering waarom deze activiteiten als ‘bezinnings’activiteiten moeten worden gekwalificeerd. Het hanteert daarmee een autonome wijze van kwalificeren. Van den Ban tekent in zijn annotatie bij dit arrest aan dat het hof zich schuldig maakt aan een categoriefout. Hij stelt dat het onjuist is om deze activiteiten als bezinningsbijeenkomst te kwalificeren omdat een bezinningsbijeenkomst de ‘eredienst’ is van een geestelijk genootschap. Het betrof hier echter een kerkgenootschap dat activiteiten voor kinderen, jongeren en vrouwen organiseerde. Het doet volgens Van der Ban gekunsteld aan wanneer deze bijeenkomsten dan maar worden gerangschikt onder een categorie die in het leven is geroepen om de bijeenkomsten van levensovertuigingen vrij te stellen van belasting.7
Deze zaak roept de vraag op of de termen eredienst en bezinningsbijeenkomst, bezien vanuit het gelijkheidsbeginsel, wel een even ruime reikwijdte hebben. De term eredienst heeft vanuit het gangbare spraakgebruik een veel duidelijkere inhoud dan de term bezinningsbijeenkomst. Bij een eredienst kan men zich naar gangbaar spraakgebruik nog een voorstelling maken, met name wanneer het traditionele kerkgenootschappen betreft. Voor een bezinningsbijeenkomst is dit echter moeilijker. Want welke rituelen, gebruiken (orde van dienst, liturgie) zijn nu kenmerkend voor een bezinningsbijeenkomst?
In een zaak voor de Rechtbank Rotterdam in 2015 wordt ook door een kerkgenootschap geprobeerd om christelijke activiteiten die geen eredienst zijn in aanmerking te laten komen voor de kwalificatie bezinningssamenkomst in plaats van eredienst om zodoende toch vrijstelling te krijgen van de onroerendezaakbelasting. Het ging in dit geval om de activiteiten van de crèche, de Bijbelklassen, de Ga met God-club, de tienerclub, catechisatie en de bijeenkomsten van de mannen- en vrouwenvereniging. De rechtbank overwoog in dit geval echter:
‘Met deze uitbreiding [dat naast openbare erediensten ook bezinningssamenkomsten in aanmerking komen voor belastingvrijstelling, JV] heeft de wetgever beoogd onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor dergelijke bijeenkomsten onder de vrijstelling te brengen teneinde geen onderscheid te maken tussen – kort gezegd – godsdienstige en andere levensbeschouwingen, niet om christelijke activiteiten die niet zijn aan te merken als een openbare eredienst alsnog onder de vrijstelling te brengen.’8
We zien hier dat de rechter op basis van de wetsgeschiedenis tot de kwalificatie komt dat hier geen sprake is van activiteiten in het kader van een bezinningssamenkomst. In 2016 bekrachtigt de Hoge Raad, na hoger beroep, de uitleg van de Rotterdamse rechter. Uit het arrest blijkt ondubbelzinnig dat de uitbreiding van de kerkenvrijstelling voor gebouwen voor openbare bezinningssamenkomsten niet bedoeld was om alsnog christelijke activiteiten die niet zijn aan te merken als een eredienst, onder de vrijstelling te brengen.9
Naar aanleiding van de term bezinningssamenkomst hanteert de wetgever een open definitie. De wetgever heeft de term echter zo afgebakend dat niet bedoeld is hieronder kerkelijke activiteiten te scharen. Aangezien voor de term eredienst in de jurisprudentie is bepaald dat hij naar gangbaar spraakgebruik moet worden uitgelegd ligt het gezien het gelijkheidsbeginsel voor de hand dat de grammaticale uitleg ook geldt voor de openbare bijeenkomst van levensovertuigingen. Ook voor openbare bezinningssamenkomst geldt in beginsel dus een objectiverende kwalificatiewijze. Hiervoor objectieve criteria vinden is echter lastig aangezien het gangbare spraakgebruik hierover weinig duidelijkheid geeft. Opmerkelijk is dat het Hof Arnhem een autonome kwalificatie hanteert en christelijke activiteiten onder deze term brengt. De Rechtbank Rotterdam en de Hoge Raad volgen wel weer de bedoeling van de wetgever en maken een scherp onderscheid tussen bijeenkomsten met een godsdienstig (eredienst) en die met een levensbeschouwelijk (bezinningssamenkomst) karakter.