Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/10.3.2
10.3.2 Enkele praktijkcasus uit de rechtspraak
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS448761:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 19 januari 2010, Huoltoasema Matti Eurén Oy e.a./Finland (zaaknr. 26654/08).
EHRM 3 juni 2008 (ontvankelijkheidsbeslissing), Pindstrup Mosebrug A/S/Denemarken (zaaknr. 34943/06).
EHRM 28 juli 2005, Alatulkkila e.a./Finland (zaaknr. 33538/96).
Zie HR 16 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5493 (NVV c.s./Staat) en HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5098 (Staat/Lohuis).
Zie voor een uitgebreidere weergave van het feitencomplex en de oordelen van het Hof Arnhem en de HR paragraaf 10.2.4.
Er is niet veel rechtspraak over de vraag in hoeverre artikel 1ep ter waarborging van een ‘fair balance’ eist dat de overheid schadevergoeding aanbiedt voor beperkingen van het gebruik van eigendommen dat belastend is voor de omgeving (anders dan bouwbeperkingen). De volgende uitspraken geven echter een representatief beeld van die rechtspraak.
In de zaak-Huoltoasema Matti Eurén Oy e.a./Finland exploiteerden de klagers al sinds 1965 een benzinestation.1 In 2000 trad vervolgens een nieuwe wet ter bescherming van het milieu in werking. Deze wet vereiste een vergunning voor de exploitatie van een benzinestation. De klagers vroegen deze vergunning dan ook aan. De vergunning werd uiteindelijk geweigerd vanwege gevaar voor grondwaterverontreiniging, waardoor het benzinestation in 2008 gesloten moest worden. De overheid had de klagers hiervoor geen schadevergoeding betaald. Het ehrm overwoog bij de proportionaliteitsbeoordeling enerzijds dat het voor hen onder nationaal recht nog mogelijk was een vordering tot schadevergoeding tegen de overheid in te dienen. Anderzijds overwoog het echter ook dat de klagers geen gerechtvaardigde verwachting konden hebben gehad dat zij een milieuvergunning zouden krijgen (omdat het hun eerste aanvraag was) en dat zij beseft moesten hebben dat milieubescherming steeds belangrijker was geworden.
Te wijzen valt ook op de zaak-Pindstrup Mosebrug A/S/Denemarken.2 In deze zaak was de klaagster een onderneming die turf won in veengebieden. In 1954 had zij daarom een overeenkomst met de overheid gesloten op grond waarvan zij vijftig jaar lang exclusief en onherroepelijk gerechtigd was turf te winnen in een aan de overheid in eigendom toebehorend veengebied. In 1979 trad een wijziging van de Deense natuurbeschermingswet in werking, waardoor het veranderen van veengebieden (waaronder ook het winnen van turf viel) zonder vergunning verboden werd. De klaagster vroeg een vergunning aan, maar deze werd (uiteindelijk) geweigerd voor een deel van het veengebied. Dit zuidelijke deel van het veengebied was volgens de autoriteiten namelijk nationaal uniek, zowel geografisch als biologisch. Voor het noordelijke deel van het veengebied, dat ongeveer 56% van de turf bevatte, werd wel een vergunning verleend. De klaagster wilde schadevergoeding hebben voor het feit dat zij in het zuidelijke deel geen turf meer mocht winnen. Zij voerde aan dat een vergunning voor enkel het noordelijke deel voor haar geen waarde had, aangezien dit deel enkel zogenaamde donkere turf bevatte. Donkere turf had volgens haar enkel commerciële waarde als het gemengd werd met lichtere turf en die lichtere turf was in het algemeen schaars maar bevond zich wel in het zuidelijke deel van het veengebied. De vordering tot schadevergoeding werd uiteindelijk in hoogste nationale instantie afgewezen. De reden hiervan was dat de klaagster volgens de hoogste Deense rechter niet bijzonder ernstig getroffen was door het verbod. De Deense rechter had hiertoe overwogen dat het verbod alle turfproducenten had getroffen en dat de klaagster in het betreffende veengebied niet had geïnvesteerd in productiemiddelen. Bovendien had de Deense rechter erop gewezen dat de klaagster in andere delen van Denemarken toegang had tot aanzienlijke hoeveelheden turf. Het ehrm zag in het gebrek aan schadevergoeding geen reden om de aantasting van het eigendomsbelang van de klaagster in strijd met de vereiste ‘fair balance’ te oordelen. Het overwoog dat de door de Deense rechter gegeven redenen om geen schadevergoeding toe te kennen relevant en geschikt waren voor het beoordelen van de vraag of de klaagster bijzonder ernstig getroffen was. Het voegde daaraan nog toe dat de schadevordering van de klaagster op nationaal niveau in twee instanties zorgvuldig was beoordeeld en dat er geen aanwijzingen waren dat hun oordelen arbitrair of onredelijk waren.3
Van belang is ook het arrest-Alatulkkila e.a./Finland.4 In deze zaak klaagden verschillende eigenaars van (delen van) wateren over door de overheid ingestelde visverboden in die wateren. Deze visverboden beoogden de stand van de zalm en de zeeforel te beschermen. De eigenaars klaagden bij het ehrm over deze visverboden en in het bijzonder ook over het feit dat hun schade als gevolg van die verboden op grond van het nationale recht niet voor volledige vergoeding in aanmerking kwam. Het ehrm overwoog naar aanleiding hiervan dat de nationale autoriteiten een ruime ‘margin of appreciation’ hebben bij de beoordeling van de noodzaak van regulering van eigendom, maar ook bij het bepalen welke door een dergelijke regulering veroorzaakte schade voor vergoeding in aanmerking komt. Het voegde daaraan toe dat het in dit verband het oordeel van de nationale wetgever respecteert, tenzij dat oordeel manifest arbitrair of onredelijk is. In casu was het ehrm van mening dat het niet onredelijk was dat de Finse autoriteiten besloten hadden het verlies aan inkomsten ten behoeve van het levensonderhoud wel te vergoeden, maar andere schade niet.
In deze paragraaf mogen tot slot de arresten van de HR over de Wet herstructurering varkenshouderij (Whv) niet onvermeld blijven. Het gaat om het arrest-NVV c.s./Staat en het arrest-Staat/Lohuis.5 In de zaak-Staat/Lohuis (dat een vervolg is op het arrest-NVV c.s./Staat) liet de HR uiteindelijk het oordeel van het Hof Arnhem, inhoudende dat varkenshouder Lohuis wegens het niet vergoeden van zijn investeringen in zijn varkensschuren disproportioneel getroffen was door de Whv, in stand.6