Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/10.3.5
10.3.5 Analyse van de rechtspraak en eigen mening
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS441401:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Deze wijze van toetsen impliceert een ruime ‘margin of appreciation’ en komt overeen met de wijze van toetsen in de zaak-Antunes Rodrigues/Portugal en de zaak-Allen e.a./VK (zie EHRM 26 april 2011, Antunes Rodrigues/Portugal, r.o. 36 (zaaknr. 18070/08) en EHRM 6 oktober 2009 (ontvankelijkheidsbeslissing), Allen e.a./VK, r.o. 64 (zaaknr. 5591/07)). Beide zaken betreffen schadevergoeding bij een indirecte aantasting van het eigendomsbelang en komen in de volgende hoofdstukken aan de orde.
Zie EHRM 19 februari 2009, A. e.a./VK, r.o. 174 en 184 (zaaknr. 3455/05). Vergelijk ook Gerards 2014, p. 31-32, Hoge Raad der Nederlanden: Verslag over 2009 ~ 2010, p. 21-22 en B.P. Vermeulen in punt 7 van zijn noot onder EHRM 29 juni 2004, Leyla Şahin/Turkije (zaaknr. 44774/98), AB 2004/338. Volgens HR 22 november 2013, r.o. 3.3.1, ECLI:NL:HR:2013:1211 bestaat er op grond van art. 94 Grondwet evenwel geen ruimte voor een verdergaande bescherming dan mag worden aangenomen op grond van de rechtspraak van het EHRM. Uit eerdere rechtspraak (namelijk HR 10 augustus 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3598) leek slechts te volgen dat de Nederlandse rechter het toepassingsbereik van de rechten van het EVRM niet ruimer mag uitleggen dan uit de rechtspraak van het EHRM volgt (hetgeen mij juist lijkt). Uit het genoemde arrest uit 2013 volgt echter (waarschijnlijk) dat de Nederlandse rechter een overheidsmaatregel ook niet eerder niet-noodzakelijk of disproportioneel mag oordelen dan volgt uit de rechtspraak van het EHRM. Jak en Vermont betogen evenwel terecht en overtuigend dat de Nederlandse rechter bij de beoordeling van de noodzakelijkheid en proportionaliteit van een overheidsmaatregel wel degelijk verder mag gaan (meer bescherming mag bieden) dan het EHRM (zie Jak en Vermont 2007, p. 136-137).
Zie EHRM 19 januari 2010, Huoltoasema Matti Eurén Oy e.a./Finland, r.o. 38 (zaaknr. 26654/08).
Zie hierover nader (in kritische zin) paragraaf 10.3.3.
De gedachte dat de door het EVRM beschermde rechten praktisch en effectief in tegenstelling tot theoretisch en illusoir moeten zijn is reeds lang een leidend beginsel bij de uitleg en toepassing van het EVRM (zie hierover met verwijzingen naar literatuur en rechtspraak ook paragraaf 2.3.2).
De gedachte dat niet elke aantasting van het eigendomsbelang met schadevergoeding gepaard kan gaan omdat dat het bestuur bij het nemen van wenselijke maatregelen in het algemeen belang zou verlammen, komt in de literatuur naar voren (zie bijvoorbeeld Van den Broek 2011, p. 989, Tjepkema 2010, p. 675-676, Wahlhäuser 2003, p. 1488 en Van Ravels 1999, p. 200). Die gedachte lijkt ook in de rechtspraak van het EHRM een rol te spelen. Zo heeft het geoordeeld dat ‘the broad right to peaceful enjoyment of property does not generally require that compensation be available to all those who have suffered an interference with that right’ (zie EHRM 6 oktober 2009 (ontvankelijkheidsbeslissing), Allen e.a./VK, r.o. 64 (zaaknr. 5591/07)) en ook dat ‘[p]roperty, including privately owned property, has also a social function’ (zie EHRM 29 maart 2011, Potomska en Potomski/Polen, r.o. 67 (zaaknr. 33949/05)). Het EHRM heeft bij mijn weten echter nog nooit expliciet gewezen op de beheersing van de overheidsfinanciën en het verlammende effect dat schadevergoedingsplichten op de overheid kunnen hebben.
Zie over investeringen en voorzienbaarheid (dan wel gerechtvaardigde verwachtingen) ook: EHRM 18 februari 1991, Fredin/Zweden, r.o. 54 (zaaknr. 12033/86); HR 16 november 2001, r.o. 7.3, ECLI:NL:HR:2001:AD5493 (NVV c.s./Staat); HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5098 (Staat/Lohuis).
De burger dient de overheid mijns inziens dan overigens te kunnen dwingen de betreffende eigendom te kopen of te onteigenen tegen vergoeding van de waarde ervan (vergelijk EHRM 29 maart 2011, Potomska en Potomski/Polen, r.o. 69-71 en 75 (zaaknr. 33949/05)). Bij de bepaling van die waarde zal uiteraard de gebruiksbeperking weggedacht moeten worden. Overigens zal een inkomstenderving slechts vergoed hoeven te worden gedurende de periode die nodig is om elders dezelfde inkomsten te gaan verwerven.
Bij het antwoord op de vraag of het niet vergoeden van een inkomstenderving de beperking van het gebruik van eigendom disproportioneel maakt is van belang of met die eigendom nog op andere wijze (dus door een ander gebruik) dan voorheen inkomsten kunnen worden verworven (zie ook paragraaf 10.2.3).
Daarbij merk ik op dat de vraag of de inkomstenderving absoluut of relatief aanzienlijk is niet beantwoord behoort te worden aan de hand van alle inkomsten van de getroffen eigenaar, maar slechts aan de hand van de inkomsten die hij voorheen met de door een gebruiksbeperking getroffen eigendommen verwierf (vergelijk in het kader van het égalitébeginsel ook HR 3 april 1998, r.o. 3.3, AB 1998/256, JB 1998/127, NJ 1998/726 (Meiland/Staat) en (bij indirecte schade) ten onrechte anders ABRvS 13 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3966). Een andere benadering zou de verplichting tot het aanbieden van schadevergoeding immers afhankelijk maken van toevalligheden betreffende de eigenaar die los staan van de aangetaste eigendom, terwijl het eigendomsrecht ten aanzien van die aangetaste eigendom wel de grondslag van de schadevergoedingsverplichting vormt.
Overigens volgt uit deze formuleringen dat ik het hanteren van een vast algemeen drempelpercentage van de omzet afwijs, voor zover een omzetderving die onder het drempelpercentage blijft per definitie niet voor vergoeding in aanmerking komt (vergelijk voor de afwijzing van een drempel in het kader van het égalitébeginsel onder meer Van den Broek 2011, p. 988, Van Ettekoven 2011, p. 8 en Horlings 2007). Een dergelijke drempel leidt namelijk, zoals Horlings helder heeft uiteengezet, in bepaalde gevallen tot onbillijkheden, zoals een faillissement. Daarbij is van belang dat zulke onbillijkheden vaak niet mede het gevolg zijn van slechte ondernemerskeuzes, maar van omzetstructuren die eigen zijn aan de ondernemingssoort. De ene ondernemingssoort is nu eenmaal gevoeliger voor een omzetdaling dan de andere vanwege verschillen in de kostenstructuur en de verhouding tussen kosten en omzet per ondernemingssoort. De ABRvS heeft dit inmiddels ook onderkend en eist in het kader van het égalitébeginsel dat een eventueel drempelpercentage afgestemd wordt op de ondernemingssoort in kwestie (zie ABRvS 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5105 en ABRvS 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1868).
Bij stukken grond en gebouwen zal verplaatsing overigens neerkomen op verkoop van de bestaande en aankoop van nieuwe stukken grond of gebouwen.
Deze uitzondering op de schadevergoedingsplicht dient niet te lichtvaardig toegepast te worden. Maatregelen om de inkomsten op peil te houden (zoals verplaatsing of wijziging van het gebruik van de eigendommen) kunnen immers zeer kostbaar zijn. Dat betekent dat zij alleen gevergd kunnen worden, indien de beperking van het gebruik van de eigendom en dus de inkomstenderving zodanig concreet voorzienbaar en waarschijnlijk zijn dat het maken van aanpassingskosten in de rede ligt en die kosten ook overigens opwegen tegen de inkomstenderving.
Vergelijk EHRM 29 maart 2011, Potomska en Potomski/Polen, r.o. 67 (zaaknr. 33949/05): ‘Consideration must be given in particular to whether the applicant, on acquiring the property, knew or should have reasonably known about the restrictions on the property or about possible future restrictions (…) [and] the existence of legitimate expectations with respect to the use of the property or acceptance of the risk on purchase (…).’
Uit deze formulering volgt dat ook een waardedaling van minder dan tien procent aanzienlijk kan zijn. Wat betreft dit percentage van tien procent valt in verband met het égalitébeginsel (bij indirecte schade) ter vergelijking nog te wijzen op ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1198. In deze zaak waren de appartementen van enkele burgers met tien procent in waarde gedaald, doordat het zicht vanuit die appartementen op het strand en de branding nagenoeg geheel verloren was gegaan als gevolg van kustversterkingswerkzaamheden. In deze zaak oordeelde de ABRvS dat een waardedaling van tien procent een zware schade is die niet als behorend tot het normaal maatschappelijk risico kan worden aangemerkt. De ABRvS hanteerde vervolgens een drempel van vijf procent van de waarde van de appartementen.
Vergelijk opnieuw EHRM 29 maart 2011, Potomska en Potomski/Polen, r.o. 67 (zaaknr. 33949/05).
Vergelijk ook het advies van de Raad van State over het drempelpercentage voor indirecte planschade in art. 6.2 lid 2 Wro (zie Kamerstukken II, 2002/03, 28 916, A, p. 21).
Dit percentage van tien procent is, zo besef ik, lager dan de percentages die volgens het EHRM onvergoed mochten blijven in de zaak-Chagnon en Fournier/Frankrijk. In die zaak achtte het EHRM het vereiste van de ‘fair balance’ niet geschonden, hoewel de ene klager 15,5 % en de andere klager 28% van de schade zelf moest dragen. In deze zaak ging het om het preventief ruimen van (achteraf gezond gebleken) schapen in het kader van de bestrijding van een uitbraak van mond-en-klauwzeer, waarbij de klagers niet de gehele waarde van hun geruimde schapen vergoed kregen (zie EHRM 15 juli 2010, Chagnon en Fournier/Frankrijk, r.o. 57-58 (zaaknr. 44174/06)). Mijns inziens zijn de door het EHRM in deze zaak geaccepteerde percentages (veel) te hoog.
Vergelijk ook bijvoorbeeld: EHRM 19 juni 2006, Hutten-Czapska/Polen, r.o. 225 (zaaknr. 35014/97); EHRM 21 december 2006, Radanović/Kroatië, r.o. 49-50 (zaaknr. 9056/02); EHRM 21 februari 2008, Anonymos Touristiki Etairia Xenodocheia Kritis/Griekenland, r.o. 45 (zaaknr. 35332/05); EHRM 22 april 2010, Gulmammadova/Azerbeidzjan, r.o. 47 (zaaknr. 38798/07); EHRM 12 juni 2012, Lindheim e.a./Noorwegen, r.o. 134 (zaaknr. 13221/08).
Uit de rechtspraak van het ehrm komt het beeld naar voren dat het heel terughoudend is met het aannemen van een (uit artikel 1ep voortvloeiende) verplichting voor de overheid om een gehele of gedeeltelijke schadevergoeding te bieden voor de schade die veroorzaakt wordt door beperkingen van het gebruik van eigendommen dat belastend is voor de omgeving (anders dan bouwbeperkingen). Het ehrm toetst blijkens de zaak-Pindstrup Mosebrug A/S/Denemarken en de zaak-Alatulkkila e.a./Finland slechts of de weigering van de nationale autoriteiten om een gehele of gedeeltelijke schadevergoeding te bieden (manifest) arbitrair of onredelijk is.1 Dat is een zeer hoge drempel die het ehrm bij mijn weten in het kader van beperkingen van omgevingsbelastend gebruik van eigendommen (anders dan bouwbeperkingen) nog nooit overschreden heeft geoordeeld. De Nederlandse rechtspraak laat wel een voorbeeld zien waarin dergelijke beperkingen wegens het ontbreken van schadevergoeding in strijd met de vereiste ‘fair balance’ werden geoordeeld. Het betreft hier de arresten van de HR inzake NVV c.s./Staat en Staat/Lohuis. Gelet op de zeer terughoudende toetsing van het ehrm is het niet uitgesloten dat het ehrm in de zaak-Staat/Lohuis geen uit artikel 1 ep voortvloeiende plicht tot schadevergoeding zou hebben aangenomen. Desalniettemin is de uitkomst in de zaak-Staat/Lohuis mijns inziens juist. Van belang daarbij is ook dat de nationale rechter niet even terughoudend hoeft te zijn als het ehrm, omdat de ‘margin of appreciation’ die het ehrm laat aan de nationale autoriteiten ook aan de nationale rechter toekomt. De nationale rechter heeft binnen die ‘margin of appreciation’ een eigen rol om in het licht van de omstandigheden van het geval de proportionaliteit van de aantastende overheidsmaatregel te beoordelen.2 In het arrest Huoltoasema Matti Eurén Oy e.a./Finland beantwoordde het ehrm niet de vraag of het uitblijven van schadevergoeding (manifest) arbitrair of onredelijk was. Het stelde namelijk dat de klagers naar nationaal recht nog schadevergoeding konden vorderen. De implicaties van dit arrest voor het recht op schadevergoeding op grond van artikel 1 ep zijn niet duidelijk. Het is mogelijk dat het ehrm meende dat het proportionaliteitsvereiste in deze zaak niet geschonden was vanwege de nog bestaande mogelijkheid om naar nationaal recht schadevergoeding te vorderen.3 Het ehrm overwoog echter ook dat de klagers geen gerechtvaardigde verwachting konden hebben gehad dat zij een milieuvergunning zouden krijgen (omdat het hun eerste aanvraag was) en dat zij beseft moesten hebben dat milieubescherming steeds belangrijker was geworden. Het is daarom ook mogelijk dat het ehrm van oordeel was dat het proportionaliteitsvereiste ook niet geschonden zou zijn, indien de klagers in het geheel geen schadevergoeding zou worden aangeboden. Als de klagers volgens het ehrm in deze zaak inderdaad in het geheel geen schadevergoeding aangeboden hoefde te worden, dan heeft het een plicht tot schadevergoeding niet aangenomen vanwege een erg abstracte ontwikkeling (namelijk het feit dat milieubescherming steeds belangrijker was geworden) die geenszins voorzienbaar maakte dat een bepaald bedrijf zijn activiteiten (het gebruik van zijn eigendommen) uit milieuoverwegingen geheel zou moeten staken. Met het afwijzen van een plicht tot schadevergoeding op basis van een abstracte ontwikkeling moet mijns inziens terughoudendheid worden betracht.4 Dat is temeer het geval in een situatie als in deze zaak waarin enige andere activiteit dan de door milieuregelgeving onmogelijk geworden activiteit niet toegestaan was op grond van andere regelgeving (zoals een bestemmingsplan).5 Al met al is de rechtspraak van het ehrm naar mijn mening te terughoudend en zou vaker een schadevergoedingsplicht aangenomen kunnen en moeten worden om recht te doen aan de gedachte dat ernstig nadeel dat door overheidsmaatregelen ten behoeve van het algemeen belang wordt veroorzaakt ook door de maatschappij die bij die overheidsmaatregelen baat heeft gedragen dient te worden.
Het is niet goed mogelijk in algemene zin aan te geven in welke gevallen zo’n schadevergoedingsplicht aangenomen zou moeten worden. Dat hangt immers sterk van de omstandigheden van het geval af. Niettemin doe ik een poging om in hoofdlijnen aan te geven in welke gevallen de overheid naar mijn oordeel op grond van artikel 1ep verplicht zou moeten zijn schadevergoeding aan te bieden voor beperkingen van omgevingsbelastend gebruik van eigendommen (anders dan bouwbeperkingen) ter verzekering van een ‘fair balance’ tussen het algemeen belang en het eigendomsbelang. Bij deze poging laat ik mij leiden door twee gedachten die met elkaar op gespannen voet staan. Enerzijds is dat de gedachte dat het eigendomsrecht een fundamenteel recht is dat een praktische en effectieve bescherming verdient.6 Anderzijds is dat de gedachte dat het vanwege de beheersing van de overheidsfinanciën praktische noodzaak is dat niet elke aantasting van het eigendomsbelang met schadevergoeding gepaard kan gaan.7
Schade die bestaat uit het verloren gaan van investeringen dient in ieder geval grotendeels vergoed te worden, tenzij de beperking van het gebruik van de eigendom waardoor de investering verloren is gegaan ten tijde van de investering op grond van een openbaar gemaakt beleidsdocument zodanig waarschijnlijk en concreet voorzienbaar was dat een redelijk handelende eigenaar (meestal ondernemer) in de omstandigheden van het geval van die investering zou hebben afgezien.8
Schade bestaande uit inkomstenderving moet de overheid in ieder geval grotendeels vergoeden, indien met de eigendommen waarvan het gebruik ten behoeve van de omgeving beperkt wordt ook niet op andere wijze dan voorheen inkomsten gegenereerd kunnen worden.9 Indien ondanks de gebruiksbeperking nog wel inkomsten verworven kunnen worden met het (al dan niet vanwege de gebruiksbeperking gewijzigde10) gebruik van de eigendommen maar niet meer zoveel als voorheen, behoeft de inkomstenderving slechts vergoed te worden indien zij absoluut of relatief aanzienlijk is.11 Wat een aanzienlijke inkomstenderving is hangt af van de omstandigheden van het geval, maar ik zou menen dat een inkomstenderving in ieder geval aanzienlijk is indien de inkomsten die met het gebruik van de eigendommen verworven kunnen worden door de gebruiksbeperking zodanig laag zijn geworden dat het gebruik van de eigendommen (objectief bezien) niet meer rendabel is.12 Op deze plichten tot het vergoeden van inkomstenderving kan een uitzondering gemaakt worden, voor zover de beperking van het gebruik van de eigendom waardoor de inkomstenderving veroorzaakt wordt op grond van een openbaar gemaakt beleidsdocument zodanig waarschijnlijk en concreet voorzienbaar was dat een redelijk handelende eigenaar (meestal ondernemer) tijdig en rendabel maatregelen had kunnen en dus moeten treffen (bijvoorbeeld verplaatsing of wijziging van het gebruik van de eigendom13) om zijn inkomsten op peil te houden.14 Op deze plichten tot het vergoeden van inkomstenderving kan bovendien een uitzondering gemaakt worden, indien de beperking van het gebruik van de eigendom waardoor de inkomstenderving veroorzaakt wordt ten tijde van de aankoop van die eigendom op grond van een openbaar gemaakt beleidsdocument zodanig voorzienbaar was dat een redelijk handelende koper (meestal ondernemer) vanwege de mogelijke inkomstenderving zou hebben afgezien van de koop of ten minste die mogelijke inkomstenderving zou hebben verdisconteerd in de koopprijs.15
Schade in de vorm van een waardedaling van eigendommen dient eveneens vergoed te worden als zij aanzienlijk is. Wat aanzienlijk is hangt ook hier weer van de omstandigheden van het geval af, maar een waardedaling van meer dan tien procent zou ik steeds aanzienlijk willen noemen.16 Op deze plicht om een waardedaling van eigendommen te vergoeden kan een uitzondering gemaakt worden, indien de beperking van het gebruik van de eigendom waardoor de waardedaling veroorzaakt wordt ten tijde van de aankoop van die eigendom op grond van een openbaar gemaakt beleidsdocument zodanig voorzienbaar was dat een redelijk handelende koper vanwege de mogelijke waardedaling zou hebben afgezien van de koop of ten minste die mogelijke waardedaling zou hebben verdisconteerd in de koopprijs.17 Wat betreft het genoemde percentage van tien procent is het natuurlijk zo dat het in zekere zin willekeurig is, zoals elk ander percentage in deze context ook in meer of mindere mate willekeurig zou zijn.18 Mijns inziens zou bij een hoger percentage dan tien procent in het licht van een effectieve bescherming van het eigendomsrecht echter geen sprake meer zijn van een ‘fair balance’.19 De reden daarvoor is dat waardeschommelingen binnen een marge van tien procent als gevolg van niet aan de overheid toerekenbare marktomstandigheden (naar algemene ervaringsregels) niet als uitzonderlijk beschouwd kunnen worden. Grotere schommelingen kunnen wel als uitzonderlijk gezien worden. Het is dan in het licht van de beheersing van de overheidsfinanciën aanvaardbaar dat een wel aan de overheid toerekenbare waardedaling behoudens individuele bijzondere omstandigheden niet vergoed hoeft te worden, zolang die waardedaling binnen een marge van tien procent blijft. Met een dergelijke waardedaling had de eigenaar immers ook als gevolg van niet-uitzonderlijke marktomstandigheden geconfronteerd kunnen worden. Een marge van in beginsel tien procent is voor de overheid bovendien moeilijk bezwaarlijk te noemen, omdat die marge er in het algemeen voor zal zorgen dat zij niet wordt overspoeld met kleine schadevorderingen terwijl aangenomen mag worden dat de grotere vorderingen klein in getal zullen zijn. Een andere reden om bij waardedalingen van meer dan tien procent een schadevergoedingsplicht aan te nemen om het eigendomsrecht effectief te doen zijn is mijns inziens dat dergelijke waardedalingen ook een wanverhouding (wat betreft de lasten ten behoeve van het algemeen belang) doen ontstaan tussen de eigenaar die toevallig daardoor wordt getroffen enerzijds en andere eigenaars in de maatschappij die daardoor toevallig niet getroffen worden anderzijds.20