EHRM 1 december 2020, nr. 88/05 (Danilov tegen Rusland), § 109.
HR, 18-11-2025, nr. 24/00315
ECLI:NL:HR:2025:1711
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-11-2025
- Zaaknummer
24/00315
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1711, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑11‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2024:787
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:722
ECLI:NL:PHR:2025:722, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑06‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1711
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑01‑2025
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0353
NJ 2026/47 met annotatie van W.H. Vellinga
EeR 2026/5, p.30
Uitspraak 18‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Doodslag door in 2010 in Nieuwegein een ander met scherp voorwerp in zijn hartstreek te steken, art. 287 Sr. Afwijzing van ttz. in hoger beroep (voorwaardelijk) gedaan verzoek tot horen van deskundige t.a.v. belastende rapportage m.b.t. moment van oplopen letsel i.v.m. alternatief scenario, op de grond dat noodzaak daartoe niet is gebleken. Post-Keskin en deskundigenbewijs. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:1198 m.b.t. toepasselijkheid van post-Keskin kader op beoordeling van verzoeken tot horen van belastende deskundigen. HR verduidelijkt dit arrest mede n.a.v. discussie in literatuur hierover. HR stelt voorop dat verdachte o.g.v. art. 6 EVRM recht heeft om betrouwbaarheid van deskundigenverklaring met belastende strekking te onderzoeken. Er mag geen nadere onderbouwing van belang bij zo’n onderzoek worden verlangd. In HR:2022:1198 genoemde motiveringsplicht voor verdediging ziet niet hierop maar houdt ermee verband dat horen van deskundigen niet enige manier is waarop onderzoek naar betrouwbaarheid van belastende deskundigenverklaringen kan plaatsvinden. In het licht van alternatieve toetsingsmogelijkheden houdt motiveringsplicht verband met 2 factoren die van belang zijn voor beoordeling door rechter van verzoek tot horen van deskundige. Allereerst moet verdediging aanduiden welke onderdelen van belastende deskundigenverklaring zij betwist en/of aan nader onderzoek wil onderwerpen. Daarnaast betreft het toelichting waarom dit onderzoek bij voorkeur in vorm van horen van deskundige zou moeten plaatsvinden, mede gelet op andere manieren van toetsing die (mogelijk) in aanmerking komen. Deze motiveringsplichten strekken niet ertoe dat verdediging belang van onderzoek naar betrouwbaarheid van belastende deskundigenverklaring moet toelichten. Het gaat erom dat rechter in staat wordt gesteld te beoordelen of (gegeven dat belang en in het licht van de bij verdediging gerezen vragen over of bezwaren tegen belastende deskundigenverklaring) horen van deskundige (meest) aangewezen manier is om dat onderzoek te doen plaatsvinden met oog op effectieve toetsing van betrouwbaarheid van die deskundigenverklaring. Daarmee wordt niet alleen waarheidsvinding gediend maar wordt ook gewaarborgd dat wordt voldaan aan vereisten van eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM. In geval dat onderbouwing niet voldoet aan hiervoor omschreven eisen en rechter ook ambtshalve geen grond aanwezig acht voor horen van deskundige, kan rechter het verzoek met daarop toegesneden motivering afwijzen. Dat doet niet eraan af dat rechter voorafgaand aan einduitspraak moet nagaan of procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces. Dit betekent dat rechter hetzij ambtshalve alsnog zal overgaan tot bieden van gelegenheid van onderzoek naar betrouwbaarheid van belastende deskundigenverklaring, hetzij bij zijn beslissing over bewezenverklaring onder ogen zal moeten zien of en, zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan niet gebruik kunnen maken van mogelijkheid om deskundige te ondervragen. Tot slot is nog van belang dat net als bij verklaring van getuige met belastende strekking (vgl. HR:2021:576), het voorgaande niet met zich brengt dat rechter elk verzoek tot oproepen en horen van deskundigen z.m. moet toewijzen. Verdediging heeft aan verzoek tot horen van deskundige ten grondslag gelegd dat zijn deskundigenrapport een belastende strekking heeft. Ook is verzoek gedaan i.v.m. een naar voren gebracht alternatief scenario over 3 incidenten die de bewuste avond hebben plaatsgevonden. Dat houdt in dat slachtoffer niet door toedoen van verdachte is overleden maar dat hij al fataal hartletsel had opgelopen bij eerder incident (incident 1 of 2), voordat hij confrontatie had met verdachte (incident 3). Hof heeft uit bewijsmiddelen afgeleid dat slachtoffer nog niet gewond was t.t.v. incident met verdachte (incident 3) en heeft geoordeeld dat verdachte het slachtoffer opzettelijk heeft gedood. Hof heeft geoordeeld dat door verdediging aangevoerd scenario niet aannemelijk is geworden. Dat oordeel is niet alleen gebaseerd op belastende deskundigenverklaring over beperkte duur van periode die er moet zijn geweest tussen ontstaan van geconstateerd hartletsel en bewustzijnsverlies. Bij bewijsbeslissing en verwerping van verweer heeft hof i.h.b. betrokken dat uit b.m. volgt dat tijdens eerste 2 incidenten geen sprake is geweest van fysiek contact tussen slachtoffer en een ander en dat dossier daarom geen aanknopingspunten biedt voor mogelijkheid dat slachtoffer (steek)letsel heeft opgelopen bij die incidenten. Dat slachtoffer tijdens incident met verdachte (incident 3) moet zijn gestoken heeft hof verder afgeleid uit vaststellingen over (i) fysiek contact tussen verdachte en slachtoffer waarbij verdachte het slachtoffer een duw heeft gegeven ter hoogte van plek waar steekletsel is geconstateerd en (ii) verklaring van getuige dat verdachte bij dat incident een voorwerp in zijn handen leek te hebben. Verder heeft hof de plaats van en patroon van bloedsporen en manier waarop slachtoffer vrijwel direct na incident bleek werd, niet meer reageerde en vervolgens in elkaar zakte, in aanmerking genomen. Belastende deskundigenverklaring is uitvoering onderwerp geweest van debat, waarbij betrouwbaarheid ervan is beoordeeld in het licht van verklaringen van andere deskundigen en van aanvullend rapport van deskundige dat is opgesteld n.a.v. rapportage door andere deskundige. Hof heeft verzoek tot horen van deskundige afgewezen en heeft verwezen naar overwegingen over betrouwbaarheid van betreffende deskundigenverklaring in het licht van andere forensische rapportages. Hof heeft kennelijk geoordeeld dat procedure, ook zonder gelegenheid te bieden om deskundige te horen, in haar geheel voldoet aan recht op eerlijk proces. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daaruit volgt immers dat gewicht van betreffende deskundigenverklaring in het licht van bewijsvoering als geheel beperkt is, (i) nu o.g.v. overige b.m. kan worden uitgesloten dat slachtoffer bij eerdere incidenten (1 en 2) fataal steekletsel heeft opgelopen en (ii) gelet ook op wat anderszins uit die b.m. volgt over verloop van incident waarbij verdachte betrokken was. Verder is van belang dat betrouwbaarheid van rapport van deskundige uitvoerig is onderzocht, mede aan de hand van verklaringen van andere deskundigen. Van het stellen van prejudiciële vragen aan HvJ EU kan worden afgezien, omdat genoemde vragen mede in het licht van wat hiervoor is overwogen niet relevant zijn voor uitkomst van geschil. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00315
Datum 18 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 januari 2024, nummer 21-001994-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] in het jaar 1977,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J. Kuijper en Th.O.M. Dieben bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 26 januari 2024, maar uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde straf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat de afwijzing door het hof van het door de verdediging gedane (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van [betrokkene 6] als deskundige niet verenigbaar is met het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
2.2.1
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank gedeeltelijk bevestigd met onder meer aanvulling van de gronden. In dat vonnis is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij:
“op of omstreeks 11 juli 2010 te [plaats] , opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer] met een scherp voorwerp in het hart gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”
2.2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“145. De vraag die van essentieel belang is, is de locatie waar het dodelijke steekletsel is toegebracht, en in het verlengde daarvan, hoe lang [slachtoffer] daarna nog kon hebben gelopen en handelingsbekwaam is geweest.
146. Voor de beantwoording van die vraag waar [slachtoffer] is gestoken, is ook het sectierapport van belang. Bij de sectie beschikte de patholoog over informatie van de politie over wat er vermoedelijk gebeurd was, waarnaar in het rapport ook verwezen wordt. Het slachtoffer zou na het oplopen van de verwonding aan zijn borst nog enkele meters gewandeld hebben voordat hij in elkaar zakte. De patholoog merkt hierover in zijn rapport op: “Na oplopen van dergelijk letsel is het bekend dat het slachtoffer nog enige tijd (hooguit één tot enkele minuten) bij bewustzijn en handelingsbekwaam kan zijn”.
147. Op dit punt zijn er binnen het onderzoek verschillende pathologen en deskundigen aan bod gekomen die iets gezegd hebben over de handelingsbekwaamheid van [slachtoffer] en hoe lang [slachtoffer] nog gelopen had kunnen hebben met een dergelijke steekverwonding.
148. Arts en patholoog [betrokkene 1] stelt het volgende: De letsels aan de long, het hartzakje en het hart zijn bij het leven opgelopen door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig snijdend en stekend/perforerend geweld. Het aspect van de defecten kan passen bij een éénzijdig snijdend voorwerp, bijvoorbeeld een éénzijdig snijdend mes, waarvan de letsels ten gevolge van het snijdend deel afmetingen hadden in de grootteorde van circa 3-4 cm. Vast is komen te staan dat het slachtoffer is komen te overlijden aan een steekverwonding.
149. Voorts stelt [betrokkene 1] : er kunnen geen uitspraken gedaan worden over het moment waarop de verwonding uitwendig is gaan bloeden, onmiddellijk of pas na enige tijd. Ook zegt hij dat een duw op de borst, als op dat moment de verwonding aan de borst niet of niet hevig bloedde, waarschijnlijk tot heviger bloeden zou hebben geleid.
150. Dan de bevindingen van [betrokkene 6] . Om de plaats delict nauwkeuriger te kunnen bepalen is [betrokkene 6] in 2010 als deskundige benoemd. [betrokkene 6] concludeert in zijn rapport van 29 november 2010 dat het slachtoffer waarschijnlijk minder dan een minuut bij bewustzijn is geweest en maximaal zo een dertig meter heeft kunnen lopen voordat hij in elkaar zakte.
151. In 2020 is patholoog [betrokkene 2] in gegaan op het rapport van [betrokkene 6] uit 2010. [betrokkene 2] plaatst de kanttekening dat in “zeldzame gevallen” een langer bewustzijn tot meerdere minuten ook voor kan komen. Ook stelt hij dat het slachtoffer een grotere afstand dan de door [betrokkene 6] genoemde tientallen meters kan hebben afgelegd, onder verwijzing naar een handboek.
152. Nu de bevindingen van [betrokkene 6] en [betrokkene 2] dusdanig uiteen liepen heeft de verdediging zelf een patholoog ingeschakeld, te weten [betrokkene 5] van het UZA.
153. [betrokkene 5] is verzocht antwoord te geven op een aantal vragen. Onder andere is de vraag gesteld hoe lang [slachtoffer] nog had kunnen lopen met een dergelijke steekverwonding. [betrokkene 5] heeft een deskundig verslag opgesteld die de verdediging aan u heeft doen toekomen.
154. [betrokkene 5] is een gerenommeerd deskundige die in vele strafzaken als getuige-deskundige is opgetreden. Zijn expertise staat niet ter discussie. Enkel en alleen een zoekslag op rechtspraak.nl levert een zeer groot aantal hits op. Doch ook en met name in België wordt hij door zijn expertise vaak geraadpleegd. Zijn oordeel is in al die zaken waarin hij is opgetreden, waaronder meerdere geruchtmakende strafzaken, steevast door uw collega’s gevolgd.
(...)
159. Dan nu de uiteenzetting van [betrokkene 5] ten aanzien van de zaak.
160. [betrokkene 5] stelde als eerste het volgende vast: Wanneer men slachtoffer wordt van een messteek in de hartstreek kunnen er zich (minstens vanuit theoretische invalshoek) een aantal medische fenomenen (al dan niet) voordoen die bepalend gaan zijn voor de uiteindelijke outcome (overleving en overlevingsduur). Problematisch bij de analyse is echter dat men vaak niet weet of deze fenomenen zich in het concrete geval wel of niet hebben voorgedaan alsook de biologische variabiliteit hetgeen betekent dat eenzelfde fenomeen zich bij verschillende personen anders kan uiten. Bij overlijden en navolgende sectie ziet men slecht het eindresultaat op het ogenblik van overlijden. Het inschatten van de pathofysiologie tussen het moment van de messteek en het moment van overlijden is veel moeilijker te maken. Dit alles creëert belangrijke variabiliteit zodat het antwoord per definitie eerder een theoretische overweging is.
161. Voorts zijn bepaalde fenomenen volgens [betrokkene 5] van belang. Verwijzen naar fenomenen in rapport.
162. Wat de verdediging een belangrijk punt vindt in het rapport is het voorbeeld dat [betrokkene 5] aanhaalt.
163. Ter illustratie citeren we het artikel “Multiple complex penetrating cardiac injuries: role of civilian trauma in the education of the combat general surgeon” door Vu et al. (2014). (...) Conclusions: This case illustrates several points for the combat surgeon. First, young men are able to tolerate catastrophic injuries, presenting with normal hemodynamics...” en nog “During the 18-minute transport, the patient was awake, alert and hemodynamically stable. ...”
164. Deze casus demonstreert dus duidelijk dat ondanks significant penetrerend trauma in het hart, een slachtoffer van dergelijk letsel nog geruime tijd kan blijven leven én functioneren.
(...)
167. In de zaak van client gaat het om een relatief “ondiepe” steekwond. (...)
168. De rechtbank heeft de hele bewijsconstructie gebouwd rondom de stelling c.q. de gedachte dat [slachtoffer] zeer kort na de steekverwonding te hebben opgelopen, moet zijn neergevallen. Ten onrechte. Ik verwijs naar de relevante antwoorden van de deskundige.
169. Op de gestelde vragen menen we als volgt te kunnen antwoorden.
170. Hoe lang kan een slachtoffer van een steekincident (uiterlijk) na een messteek in de hartstreek zoals wij die in deze zaak zien, nog bij bewustzijn zijn?
171. Antwoord: Zie theoretische overweging hierboven. De praktijk en gepubliceerde literatuur leert dat meerdere minuten tot zelfs tientallen minuten mogelijk is na het oplopen van 1 of meerdere steekwonden in het hart.
172. Hoe ver kan een slachtoffer van een steekincident (maximaal) na een messteek in de hartstreek zoals wij die in deze zaak zien, nog lopen.
173 Antwoord: Zie theoretische overweging hierboven. Een messteek in het hart hoeft niet noodzakelijk een onmiddellijke handelingsonbekwaamheid te veroorzaken.
174. Maakt de sekse en de leeftijd van het slachtoffer nog uit bij het beantwoorden van de vorige vragen?
175. Antwoord: Sekse: nee. Leeftijd: deels, ttz gemiddeld gezien zullen oudere personen dergelijk trauma minder goed verdragen dan jongere personen. Bovendien is de kans groter dat oudere personen reeds onderliggende hartpathologie zullen hebben, hetgeen de overlevingsduur en -kansen zal compromitteren.
176. Kan een duw tegen het lichaam van een slachtoffer van een steekincident, welk incident zich direct voorafgaand aan die duw heeft afgespeeld, leiden tot het versterken van het bloeden van die (steek)wond? Zou dat dan met name kunnen gelden indien het gaat om een wat krachtigere duw, in de directe omgeving van het steekkanaal?
177. Antwoord: waarschijnlijk wel. Daar waar er initieel nog geen hemopericard was, kan bijkomende stomp botsende geweldsinwerking op de romp die wel doen laten ontstaan, waardoor er bloeduitstorting kan ontstaan in de borst of zelfs uittredend via de huidvertoning naar buiten toe (zichtbaar bloedverlies). Dat kan ook de trigger zijn waarop iemand plots hemodynamisch instabiel geraakt en bewustzijn verliest.
178. Hoe lang duurt het (maximaal) bij een lopend én gekleed slachtoffer van een steekincident dat een messteek in de hartstreek oploopt zoals wij die in deze zaak zien, voordat er bloeddruppels op straat vallen?
179. Antwoord: Men zal initieel inwendig bloeden; het veruitwendigen van een interne bloeding kan enige tijd duren. Bij het veruitwendigen van een interne bloeding moet er rekening mee gehouden worden dat het uitwendige bloed initieel nog door de kledij zal geabsorbeerd worden zodat de ontwikkeling van significant bloedverlies ‘op straat’ meestal pas laattijdig (of soms zelfs niet) optreedt. Dit neemt niet weg dat wanneer een mes uit het lichaam getrokken wordt, hierdoor een beperkte hoeveelheid bloed kan ‘meegetrokken’ worden buiten het lichaam.
180. De rechtbank heeft de hele bewijsconstructie gebouwd rond de stelling c.q. de aanname dat [slachtoffer] na de opgelopen verwonding heel erg snel buiten bewustzijn moet zijn geraakt; zo snel dat hij enkel bij incident III kan zijn gestoken.
181. Het standpunt van de verdediging in eerste aanleg dat het buiten het bewustzijn geraken veel langer kon hebben geduurd, werd weggewuifd. De verdediging zou niets hebben ingebracht waardoor twijfel over de deskundigheid van [betrokkene 6] zou kunnen ontstaan, werd er – ik zou bijna willen zeggen neerbuigend – gezegd (p. 8/22 van het vonnis).
182. Maar het gaat in een strafzaak niet zozeer over de vraag of een deskundige deskundig is, het gaat over de vraag of de deskundige het aan het rechte eind heeft. De deskundige in de Puttense moordzaak die met de sleeptheorie kwam, was ook deskundig. Net zoals de deskundige van de rekenmethode in de zaak van Lucia de B. Ze hadden het beiden echter wel hartstikke fout. Met mega (negatieve) gevolgen voor de betrokkenen én de rechtspraak in Nederland.
183. Zelfs de overwegingen van de rechtbank dat er wel bij incident 3 gestoken moet zijn gezien het ontbreken van bloedsporen bij de incidenten I en II dienen genuanceerd te worden. Bij een dergelijke steekverwonding bloedt de wond eerst naar binnen, voordat het bloed naar buiten stroomt.
184. Verder moet niet vergeten worden dat bloed als het eenmaal naar buiten stroomt, ook eerst door de kleding kan worden opgevangen, voordat het daadwerkelijk op de grond gaat druppelen.
185. De bewijsconstructie en de bewijsoverwegingen van de rechtbank kunnen niet gevolgd worden. De conclusie van de deskundige [betrokkene 6] kan niet gevolgd worden. Voor zover uw hof in de conclusies van de deskundigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] belastende elementen zou zien die het standpunt van cliënt onderuit halen, meent de verdediging dat ook dat deel van de conclusies van die twee deskundigen niet overgenomen kan worden.
186. Voor zover uw hof zou neigen naar een bewezenverklaring en in dat kader de standpunten van één van deze deskundigen in een bewijsconstructie zou wensen te bezigen, wordt bij deze het uitdrukkelijke verzoek gedaan om een tussenarrest te wijzen, het onderzoek te heropenen en te bepalen dat deze deskundigen door de verdediging gehoord kunnen worden.”
2.2.3
Het proces-verbaal houdt daarnaast onder meer in:
“Aanvullend op de pleitnota merkt de verdediging op, zakelijk weergegeven:
(...)
Als aanvulling op punt 150 van de pleitnota: de rechtbank gaf een sneer naar de raadsman in eerste aanleg, hij zou niet de deskundigheid van [betrokkene 6] kunnen betwisten. [betrokkene 5] heeft goed gedocumenteerd zijn standpunten onderbouwd. Jonge mensen kunnen veel hebben.
De verdediging verzoekt om een tussenarrest te wijzen en daarin aan te geven van welke deskundigenrapportages u in de bewijsconstructie uitgaat en te beslissen dat de betreffende deskundigen nader worden gehoord. Deze deskundigen kunnen dan in persoon en op zitting gehoord worden. Dit verzoek is gedaan onder de voorwaarde dat het hof zou neigen naar een bewezenverklaring.
(...)
De raadsman van verdachte voert het woord tot dupliek, zakelijk weergegeven:
(...)
Er is geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid van [betrokkene 6] . Het is de vraag of hij met zijn deskundigheid gelijk heeft. Hij kan deskundig zijn, maar toch tot verkeerde conclusies komen. Er is een reële mogelijkheid dat iemand langer kan blijven leven dan de afstanden en de tijd die [betrokkene 6] noemt. Uit de rapportage van [betrokkene 5] komt naar voren dat het ook anders kan zijn gegaan. Bij een veroordeling moet dit nader onderzocht worden. ”
2.2.4
De bewezenverklaring steunt op de volgende in het bevestigde vonnis opgenomen bewijsvoering:
“Inleiding
In de avond van 11 juli 2010 speelden Nederland en Spanje de finale van het WK-voetbal. Ter gelegenheid hiervan was in [plaats] op de [a-straat] nabij winkelcentrum [B] een groot tv-scherm geplaatst waarop publiek de wedstrijd live kon volgen. Zowel [slachtoffer] (het latere slachtoffer) als verdachte hebben ieder met een eigen groepje vrienden/familie op de [a-straat] naar de wedstrijd gekeken.
Omstreeks 23:20 uur ontving de toenmalige regiopolitie Utrecht een telefonische melding met betrekking tot een steekpartij die even daarvoor nabij het politiebureau in [plaats] zou hebben plaatsgevonden. Door de politie werd op de uitrit van de parkeergarage [B] een gewonde man, naar later bleek [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), aangetroffen. [slachtoffer] bloedde en was bewusteloos. Eerste hulp en medisch ingrijpen mochten niet baten. [slachtoffer] overleed kort daarop in het ziekenhuis. Uit sectie op het lichaam bleek dat [slachtoffer] was overleden aan een steekwond in zijn hart.
Uit onderzoek van de politie is gebleken dat er op de avond van 11 juli 2010 drie incidenten hebben plaatsgevonden op de route die [slachtoffer] en zijn vrienden van [a-straat] richting parkeergarage [B] hebben afgelegd. De rechtbank zal in haar bewijsoverwegingen nader ingaan op deze incidenten. In het kader van deze inleiding merkt de rechtbank op dat uit de bewijsmiddelen in het dossier blijkt dat verdachte alleen betrokken is geweest bij het derde incident. Verdachte wordt door het Openbaar Ministerie verweten [slachtoffer] bij dit (derde) incident in zijn hart te hebben gestoken waardoor [slachtoffer] uiteindelijk is overleden.
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht verdachte vrij te spreken van moord. Zij acht niet bewezen dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade heeft gedood. De officier van justitie acht de ten laste gelegde doodslag wel wettig en overtuigend bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ook vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde moord om dezelfde reden als de officier van justitie. De raadsman heeft ook om vrijspraak verzocht van doodslag en daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd.
Voor wat betreft de aan verdachte verweten doodslag op [slachtoffer] bevat het dossier geen wettig en overtuigend bewijs. Bij incident drie, het enige incident waarbij verdachte betrokken was, heeft geen fysieke confrontatie plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer] . De getuigenverklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] op dit punt zijn wisselend en onduidelijk. De wisselende getuigenverklaringen van [getuige 3] , [getuige 2] en [getuige 4] hierover zijn door de officier van justitie (op voorhand al) aangemerkt als onbruikbaar voor het bewijs. Er is geen (DNA-)bewijs voor fysiek contact tussen verdachte en [slachtoffer] , en er is geen bewijs waaruit blijkt dat verdachte ten tijde van het incident in het bezit was van een mes. Op grond van het dossier is bovendien niet uit te sluiten dat [slachtoffer] bij incidenten 1 of 2 reeds de fatale steekwond heeft opgelopen, daar hij, blijkens onder meer verklaringen van getuige [getuige 3] en verdachte, fysiek bij beide incidenten betrokken is geweest.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak moord, bewezenverklaring doodslag
De rechtbank acht de aan verdachte ten laste gelegde moord niet wettig en overtuigend bewezen. Niet is gebleken dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachte rade zou hebben gedood. Verdachte wordt van deze verdenking dan ook vrijgesproken. De rechtbank komt wel tot het oordeel dat verdachte schuldig is aan doodslag van [slachtoffer] .
Bewijsmiddelen
[getuige 1] (hierna: [getuige 1] ), de toenmalige vriendin van [slachtoffer] , is meermaals gehoord als getuige. Zij heeft in een getuigenverhoor van 20 juli 2010 onder meer het volgende verklaard:
Ik liep met [slachtoffer] de hoek om, van de [b-straat] naar de inrit van de parkeergarage. Dat wordt positie 7 op de plattegrond. Ik hoorde en zag dat [verdachte] [de rechtbank begrijpt: verdachte] daar was en dat hij stond te schreeuwen tegen [getuige 2] [de rechtbank begrijpt: [getuige 2] ]. (...) Ik zag dat [slachtoffer] zijn rechterarm tussen [verdachte] en [getuige 2] stak. (...) Ik zag toen dat [slachtoffer] schuin voor [verdachte] kwam te staan. (...) Eigenlijk op hetzelfde moment zag ik dat [verdachte] [slachtoffer] een duw geeft met zijn beide armen. Ik zag dat die armen [slachtoffer] duwden ter hoogte van de borst van [slachtoffer] . Het kan iets boven of onder de tepelhoogte van [slachtoffer] zijn geweest, maar in ieder geval op zijn borst. Ik zag dat [slachtoffer] achteruit stapte en ik hoorde hem zeggen: “Eeej”. Dat was het laatste dat ik [slachtoffer] heb horen zeggen. Ik hoorde dat [slachtoffer] dat zei met een normale stem. Geen stemverheffing of zo. Meer een reactie zo van: “joh, blijf van mij af.” (...) Ik was ondertussen al bij hem aangekomen en ik heb hem vastgepakt en meegetrokken in de richting van [getuige 2] , die de parkeergarage inliep. (...) [slachtoffer] en ik liepen op de stoep, aan de kant van de flat / [a-straat] . Op positie 8 voel en zie ik opeens dat [slachtoffer] tegen mijn aan viel. (...) Ik merkte dat [slachtoffer] door zijn knieën zakte en via mijn lichaam op zijn rug op straat zakte. (...) Ik zag dat er bloed aan mijn handen zat en aan het shirt van [slachtoffer] aan de linkerkant van zijn borst.
[situatieschets]
In een getuigenverhoor van 12 juli 2010 heeft [getuige 1] onder meer het volgende verklaard:
Ik trok mijn vriend [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ] weg. Ik sloeg een arm om zijn rug en trok hem mee. Ik liep met hem weg naar de parkeergarage in. Ik zei nog dingen tegen hem maar kreeg geen antwoord, hij reageerde niet meer. Dat vond ik vreemd. Hij keek me ook vreemd aan. Hij zag er wit uit. Na 15 passen zakte hij ineens in elkaar, tegen mij aan. (...) Zijn ogen draaiden weg en hij snakte naar adem.
Verdachte heeft tijdens een politieverhoor op 11 december 2019, onder meer het volgende verklaard:
Ik heb [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ] zo’n duwtje gegeven, hou even afstand.
Verbalisant [verbalisant 1] is ter plaatse gekomen nadat [slachtoffer] op straat was ineengezakt. [verbalisant 1] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen van 12 juli 2010 hierover onder meer het volgende gerelateerd:
11 juli 2010 omstreeks 23.19 uur reed ik op de [b-straat] te [plaats] ter hoogte van het politiebureau. Ik hoorde dat er werd gezegd dat er een vechtpartij was bij de parkeergarage van [B] en dan bij ingang oost, tegenover het politiebureau. (...) Ik was vrijwel direct ter plaatse en zag dat er op de stoep aan de linkerzijde, naast het weggedeelte voor het verkeer dat de parkeergarage verlaat, een grote groep stond. Ik zag tevens dat er in die groep een jongen op zijn rug op de grond lag. (...) lk zag dat de jongen ter hoogte van zijn linkerborst een snijwond had waar bloed uitkwam. Ik zag dat de jongen zijn ogen open had en dat hij probeerde te praten. Ik zag dat het slachtoffer bleek was en dat er naast hem een plas bloed op de grond lag.
Uit een pathologisch onderzoek naar het stoffelijke overschot van [slachtoffer] van 9 oktober 2010, opgemaakt door arts en patholoog [betrokkene 1] , blijkt onder meer het volgende:
Overledene: [slachtoffer] . De overledene is overleden te [plaats] op 12 juli 2010.
(...)
Uit de aangeleverde medische gegevens bleek het slachtoffer bij onderzoek op de traumakamer een defect links-zijwaarts aan de borst, onder de tepel, te hebben waaruit bloed stroomde, welke toen geduid werd als insteekopening. Aansluitend aan deze verwonding was er een wondkanaal (steekkanaal) dat doorheen de linkerborstholte verliep, met beschadiging aan het oppervlak van de linkerlong, en welke doorheen het hartzakje verliep tot in het hart (sub 4 t/m 6). Dit steekkanaal heeft geleid tot fors bloedverlies.
Het overlijden wordt zondermeer verklaard door schade aan het hart en functieverlies van het hart, en al zeker in combinatie met algehele weefselschade ten gevolge van het opgetreden bloedverlies.
De letsels aan de long, het hartzakje en het hart zijn bij leven opgelopen door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig snijdend en stekend/perforerend geweld. Het aspect van de defecten kan passen bij een éénzijdig snijdend voorwerp, bijvoorbeeld een éénzijdig snijdend mes, waarvan de letsels ten gevolge van het snijdend deel afmetingen hadden in de grootteorde van circa 3-4 cm.
In een deskundigenrapport van 29 november 2010 heeft [betrokkene 6] , hoofd van de afdeling Chirurgie Trauma Unit van het AMC, na vragen van de rechter-commissaris, onder meer het volgende gerelateerd:
1. Hoe lang is het slachtoffer nog bij bewustzijn geweest nadat de fatale steek in het hart was toegebracht?
Het slachtoffer zal waarschijnlijk minder dan een minuut bij bewustzijn zijn geweest.
Uit sporenonderzoek op en rondom de plaats delict is onder meer het volgende gebleken:
Gezien en gemeten vanaf de openbare weg [b-straat] troffen wij aan de linkerzijde op het trottoir van de in- uitrit parkeergarage op ongeveer 14 meter afstand een concentratie bloed aan. (sporen 1 en 2). Vervolgens zagen wij dat dit bloedspoor zichtbaar was in de richting van de slagbomen van de parkeergarage. Dit was op ongeveer 17,90 meter afstand gemeten van de openbare weg [b-straat] (spoor 3). (...) Vervolgens zagen wij dat op de door verbalisanten aangewezen plek van het aangetroffen slachtoffer een plas gedeeltelijk ingedroogd bloed lag (spoor 7). Dit was op ongeveer 28 meter afstand. (...)
Spoor 1: bloed. SIN: AACP0983NL.
Spoor 3: bloed. SIN: AACP0985NL.
Spoor 7: bloed. SIN: AACP0987NL. (...)
SIN: AACP0983NL. Resultaat: [slachtoffer] .
SIN: AACP0985NL. Resultaat: [slachtoffer] .
SIN: AACP0987NL. Resultaat: [slachtoffer] .
De locatie van bovenstaande resultaten uit het sporenonderzoek is door de politie weergegeven op een kaart van de plaats delict (hierna: kaart plaats delict), zoals hieronder weergegeven.
[situatieschets]
Bewijsoverwegingen
De rechtbank stelt op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen het volgende vast.
[slachtoffer] is in het hart gestoken met een scherp voorwerp en als gevolg daarvan overleden. Uit de verklaring van deskundige [betrokkene 6] leidt de rechtbank af dat [slachtoffer] kort voordat hij ineenzakte, moet zijn gestoken. [betrokkene 6] verklaart immers dat [slachtoffer] vanaf het moment van toebrengen van het bij hem geconstateerde steekletsel waarschijnlijk minder dan één minuut bij bewustzijn is geweest.
Deze conclusie is door de verdediging in twijfel getrokken waarbij is gewezen op het rapport van deskundige [betrokkene 1] , patholoog (hierna: [betrokkene 1] ) d.d. 29 oktober 2010, waarin wordt geconcludeerd dat een bewustzijn van hooguit één tot enkele minuten mogelijk is. Ook wijst de verdediging op het rapport van 6 april 2020 van deskundige [betrokkene 2] , forensisch patholoog (hierna: [betrokkene 2] ). Volgens de verdediging concludeert ook [betrokkene 2] dat een bewustzijn tot meerdere minuten mogelijk is geweest.
De rechtbank constateert dat er tussen de conclusie van [betrokkene 6] en [betrokkene 1] ten aanzien van de maximale termijn van bewustzijn (beperkt) verschil bestaat. Naar aanleiding hiervan is deskundige [betrokkene 2] geraadpleegd. De rechtbank deelt niet de visie van de verdediging dat de conclusies van [betrokkene 6] en [betrokkene 2] ten aanzien van de maximale tijd van bewustzijn in dit concrete geval afwijken. [betrokkene 2] onderschrijft de conclusie van [betrokkene 6] over de maximale tijd van bewustzijn (maximaal één minuut) immers goeddeels, maar plaatst daarbij enkel de kanttekening dat in zeldzame gevallen een bewustzijn tot enkele minuten kan voorkomen. Daarnaast heeft deskundige [betrokkene 6] in een aanvullend rapport onderbouwd dat de kans dat [slachtoffer] langer dan één minuut bij bewustzijn is geweest op klinische gronden zeer klein is, gelet op de zeer grote verwonding in het hart (een daarvan was maar liefst 3,5 cm lang en reikte tot in de linker hartkamer; de hartkamer die het bloed in de lichaamscirculatie pompt). De rechtbank heeft ook geen aanleiding te twijfelen aan de deskundigheid van [betrokkene 6] , zoals door de verdediging is aangevoerd. [betrokkene 6] is werkzaam als traumachirurg bij het AMC. Ten tijde van het eerste rapport had [betrokkene 6] tien jaar werkervaring, ten tijde van de aanvullende rapportage twintig jaar. Uit de rapportage blijkt dat [betrokkene 6] zijn conclusie (mondeling) heeft getoetst bij een traumachirurg uit een groot traumacentrum in de Verenigde Staten alsmede bij de hoogleraar cardiothoracale chirurgie in het AMC. De verdediging heeft ook niets ingebracht waardoor twijfel over de deskundigheid van [betrokkene 6] zou kunnen ontstaan.
Op basis van vorenstaande stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] naar alle waarschijnlijkheid minder dan één minuut bij bewustzijn is geweest vanaf het moment dat hij gestoken is.
In de korte periode direct voorafgaand aan het verliezen van zijn bewustzijn heeft [slachtoffer] slechts deelgenomen aan een discussie tussen verdachte en [getuige 2] . Zowel [getuige 1] als verdachte zelf hebben verklaard dat verdachte [slachtoffer] tijdens deze discussie een duw heeft gegeven. De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van [getuige 1] onvoldoende betrouwbaar is om als bewijs te gebruiken en dat verdachte steeds heeft bedoeld te verklaren dat hij niet [slachtoffer] , maar alleen [getuige 2] een duw heeft gegeven.
De rechtbank overweegt als volgt. [getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] op enig moment tijdens de ruzie tussen [getuige 2] en verdachte tussen hen is ingekomen, kennelijk met de bedoeling om de ruzie te sussen, en dat verdachte [slachtoffer] vervolgens met twee armen een duw gaf in de borststreek, ter hoogte van de tepel. [getuige 1] hoorde [slachtoffer] daarop ‘Eeej’ zeggen. [getuige 1] heeft [slachtoffer] vervolgens vastgepakt en meegetrokken in de richting van [getuige 2] , die op het moment van de duw al was omgedraaid en richting de parkeergarage liep. Na de duw reageerde [slachtoffer] niet meer op [getuige 1] , keek hij haar vreemd aan en zag hij er wit uit. Na vijftien passen zakte [slachtoffer] in elkaar. [getuige 1] zag toen bloed op haar handen en op het shirt van [slachtoffer] , aan de linkerkant van zijn borst. Verbalisant [verbalisant 1], die kort hierna ter plaatse kwam, heeft gezien dat [slachtoffer] ter hoogte van zijn linkerborst een snijwond had waar bloed uitkwam. [slachtoffer] was bleek, snakte naar adem en naast hem lag een plas bloed op de grond. Forensisch onderzoek op het lichaam van [slachtoffer] heeft uitgewezen dat [slachtoffer] in zijn hart was gestoken.
De verklaringen van [getuige 1] over het moment voor, van en na de duw die verdachte zou hebben gegeven aan [slachtoffer] zijn consequent en (op de cruciale punten) consistent geweest. [getuige 1] heeft haar verhaal bovendien niet aangedikt en zij heeft verklaard bepaalde dingen ook niet goed (meer) te weten of te hebben kunnen zien. Zo heeft zij verklaard dat [getuige 2] de duw niet gezien kan hebben omdat hij al was weggelopen op het moment van de duw, en dat zij de handen van verdachte niet kon zien toen hij [slachtoffer] duwde. Daarnaast heeft [getuige 1] niet alleen verklaard een duw te hebben gezien, maar verklaart zij ook dat zij op dat moment [slachtoffer] ‘Eeej’ hoorde zeggen; een geluid dat goed kan passen bij een fysieke aanraking. De rechtbank acht de verklaringen van [getuige 1] geloofwaardig en betrouwbaar.
Verdachte heeft op 10, 11 en 13 december 2019 verklaard [slachtoffer] een duw te hebben gegeven, althans hem in ieder geval te hebben aangeraakt. Verdachte heeft op 24 december 2019 hierover verklaard zich te hebben vergist: hij had het niet over het duwen van [slachtoffer] maar van [getuige 2] . Verdachte heeft dit ter terechtzitting herhaald. De rechtbank acht deze vergissing onaannemelijk. Door de rechercheurs alsmede door de rechter-commissaris is de naam van [slachtoffer] expliciet genoemd in de vraagstelling over de duw. Verdachte heeft vervolgens op drie verschillende dagen en op meerdere vragen hierover verklaard dat hij [slachtoffer] , en niet [getuige 2] , heeft geduwd, ook nadat hij expliciet geconfronteerd werd met zijn tegenstrijdige eerdere verklaringen op dit punt. Hiermee is voor de rechtbank uitgesloten dat verdachte zich – op alle drie de momenten – ten aanzien van deze cruciale vraag zich telkens zou hebben vergist.
De verklaring van verdachte, dat hij [slachtoffer] een duw heeft gegeven, biedt ondersteuning aan de verklaring van [getuige 1] in die zin dat deze verklaring bevestigt dat er fysiek contact is geweest tussen verdachte en [slachtoffer] . Ook de plaats waar verdachte [slachtoffer] geraakt heeft, ter hoogte van zijn tepel, komt overeen met de plaats waar de steekverwonding is toegebracht. Voor de vaststelling van de wijze waarop dit contact heeft plaatsgevonden volgt de rechtbank de verklaring van [getuige 1] , omdat deze om eerder genoemde redenen geloofwaardig is.
Op basis van bovenstaande is er naar het oordeel van de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte [slachtoffer] – tijdens de duw – met een scherp voorwerp in het hart heeft gestoken als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden. Hoewel geen van de getuigen daadwerkelijk heeft gezien dat verdachte [slachtoffer] met een mes heeft gestoken – verschillende getuigen spreken over een duw – weegt mee dat verdachte [slachtoffer] ter hoogte van zijn tepel raakte en het letsel rond dezelfde plek is toegebracht. Voor de overtuiging weegt de rechtbank daarnaast mee dat het bloedspoor van [slachtoffer] start (spoor 1 op de ‘kaart plaats delict’) op korte afstand van de locatie waar [slachtoffer] volgens [getuige 1] door verdachte is geduwd (locatie 7 op de situatieschets bij haar verhoor). Op de route die [slachtoffer] heeft afgelegd voor hij op de locatie van incident 3 aankwam, is geen bloed van [slachtoffer] aangetroffen. Verder blijkt uit de verklaring van [getuige 1] dat [slachtoffer] vrijwel direct na incident 3 vreemd uit zijn ogen keek, niet meer reageerde en bleek werd. Ook dit weegt voor de rechtbank mee in de overtuiging dat [slachtoffer] tijdens de duw door verdachte in zijn hart is gestoken.
(On)mogelijkheid ontstaan dodelijk steekletsel voorafgaand aan incident drie
Mede op basis van de rapporten van [betrokkene 6] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] valt echter volgens de verdediging niet uit te sluiten dat [slachtoffer] al was gestoken voorafgaand aan de confrontatie met verdachte. Daarbij komt dat de groep waartoe [slachtoffer] behoorde, die avond betrokken was bij twee eerdere incidenten. De verdediging is van mening dat op basis van het forensisch onderzoek en de diverse verklaringen in het dossier niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] bij het zogenoemde ‘incident 1’ of ‘incident 2’ is gestoken. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat [slachtoffer] ook (per ongeluk) door [getuige 2] kan zijn gestoken tijdens incident 3. De rechtbank zal hierna de door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario’s bespreken en haar conclusies hierover toelichten.
Feitelijke gang van zaken incident 1
Na afloop van de wedstrijd vond op de [a-straat] waar de voetbalwedstrijd werd uitgezonden (weergegeven met een A op de kaart plaats delict) een confrontatie plaats tussen [betrokkene 3] en [getuige 3] , het broertje van [slachtoffer] . In het dossier wordt deze confrontatie aangeduid als incident 1, omdat dit blijkens het opsporingsonderzoek het eerste incident was waarbij [slachtoffer] op de avond voor zijn dood betrokken is geweest. [getuige 3] heeft bekend [betrokkene 3] bij dit incident te hebben geslagen. [getuige 3] heeft verklaard dat [slachtoffer] hem bij het incident tussen [getuige 3] en [betrokkene 3] , samen met anderen, had tegengehouden. Deze verklaring vindt steun in andere getuigenverklaringen. Na het incident zijn [getuige 3] , [getuige 2] , [getuige 1] en [slachtoffer] samen weggelopen richting de kopse kant van de flat aan de [b-straat] , alwaar vervolgens incident 2 plaatsvond.
Beoordeling incident 1
Bij de beoordeling van incident 1 is allereerst van belang dat het dossier geen concrete aanwijzing(en) bevat dat [slachtoffer] bij of kort na incident 1 (steek)letsel heeft opgelopen in of nabij zijn hartstreek. Geen van de getuigen verklaart over fysiek contact tussen [slachtoffer] of een derde. Los daarvan kan ook op grond van het sporenonderzoek en de conclusies van de deskundigen worden uitgesloten dat [slachtoffer] bij dit incident het uiteindelijk fatale steekletsel heeft opgelopen. Uit het deskundigenrapport van [betrokkene 6] heeft de rechtbank geconcludeerd dat [slachtoffer] waarschijnlijk maximaal één minuut bij bewustzijn is geweest nadat hij is gestoken. Op grond van het dossier en de afstand tussen de locatie van incident 1 en het neerstorten van [slachtoffer] kan worden vastgesteld dat er tussen het eerste incident en het ineenstorten van [slachtoffer] meer tijd is verstreken dan één of enkele minuten. Daarbij komt dat de eerste bloedsporen van [slachtoffer] zijn aangetroffen op het trottoir van de in- uitrit van de parkeergarage, op 14 meter afstand van de openbare weg [b-straat] , op aanzienlijke afstand van de plek waar incident 1 zich afspeelde.
Tussenconclusie (1)
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] bij incident 1, of kort daarna, het fatale steekletsel heeft opgelopen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat geen van de getuigen tijdens of na incident 1 iets opvallends aan [slachtoffer] heeft opgemerkt, hetgeen wel te verwachten zou zijn als [slachtoffer] een acuut levensbedreigende steekwond in zijn hart zou hebben opgelopen.
Feitelijke gang van zaken incident 2
Nadat [slachtoffer] met [getuige 3] , [getuige 2] en [getuige 1] de [a-straat] had verlaten, deed zich een tweede incident voor, opnieuw met [betrokkene 3] . [betrokkene 3] zou naar aanleiding van incident 1 hebben geroepen dat hij ‘hun’ - kennelijk doelend op [getuige 3] en [slachtoffer] - ging schieten en dat hij een ‘pipa’ (kennelijk een pistool) zou gaan halen. [getuige 2] heeft dit gehoord en heeft [betrokkene 3] hierop een vuistslag gegeven, waardoor [betrokkene 3] op de grond viel en tijdelijk buiten bewustzijn raakte. Uit de getuigenverklaringen en het sporenonderzoek volgt dat dit incident zich heeft voorgedaan aan de kopse kant van de flat, vlak naast of op de openbare weg [b-straat] (op ‘kaart plaats delict’ aangeduid met een ster en de letter 'B').
Getuigenverklaringen incident 2
Verdachte en zijn toenmalige vriendin, [betrokkene 4] , stonden gedurende incident 2 aan de overkant van de straat, bij de Rabobank. [betrokkene 4] heeft de klap die [getuige 2] aan [betrokkene 3] gaf waargenomen, en is naar [betrokkene 3] toegerend. [betrokkene 4] heeft verklaard dat zij zag dat [betrokkene 3] voorover plat op de grond lag. Zij zag toen dat [betrokkene 3] zijn hoofd optilde en schuin naar achteren naar boven keek in haar richting. [betrokkene 3] keek wat wazig uit zijn ogen. Nadat [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] vroeg of het ging, zag zij dat [betrokkene 3] opstond en verder niks zei. Hierna liep hij meteen weg in de richting van de [a-straat] . [betrokkene 4] denkt dat [betrokkene 3] één a twee minuten buiten westen is geweest.
Naast [betrokkene 4] was ook [getuige 5] - een toevallige voorbijganger - getuige van incident 2. [getuige 5] , die blijkens haar verklaring ook aan de overkant van de straat stond, heeft verklaard de straat te zijn overgestoken en naar [betrokkene 3] te zijn toegelopen. Zij heeft aan [betrokkene 3] , die op dat moment weer op de been was, gevraagd of het ging. [getuige 5] zag dat [betrokkene 3] dronken was en dat hij haar wazig aankeek. Zij zag geen verwondingen bij [betrokkene 3] . [betrokkene 3] is door zijn vrienden op de stoep geholpen en daarna samen met hen weggelopen. [getuige 5] is vervolgens teruggekeerd naar de overkant van de straat.
Getuige [getuige 6] heeft over dit incident verklaard dat [betrokkene 3] na de klap van [getuige 2] ongeveer een paar seconden bleef liggen. Hij zag niemand in de buurt van [betrokkene 3] op het moment dat [betrokkene 3] op de grond lag. Nadat hij zag dat [betrokkene 3] opstond zag hij dat [getuige 3] , [slachtoffer] , [getuige 1] en [getuige 2] wegliepen richting de parkeergarage.
Verdachte en getuige [getuige 3] hebben op verschillende momenten verklaringen afgelegd over incident 2 die niet in overeenstemming zijn met de hiervoor weergegeven verklaringen. Verdachte heeft op 15 juli 2010 verklaard te hebben gezien dat [betrokkene 3] knock-out werd geslagen en daarna werd getrapt. Op 26 juli 2010 heeft verdachte in aanvulling hierop verklaard dat vier personen [betrokkene 3] zouden hebben vastgehouden. Op 17 september 2010 heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] half mee naar beneden viel toen [getuige 2] [betrokkene 3] sloeg. [slachtoffer] en zijn broer zouden [betrokkene 3] vervolgens hebben getrapt toen hij op de grond lag. [slachtoffer] zou door [betrokkene 3] naar beneden getrokken zijn. Verdachte zou hebben gezien dat [betrokkene 3] [slachtoffer] met twee handen vasthad bij zijn bovenarmen, dat [slachtoffer] zich lostrok en dat [slachtoffer] en [getuige 3] [betrokkene 3] allebei begonnen te trappen. Ter terechtzitting van 14 april 2022 heeft verdachte verklaard niet te hebben gezien dat iemand [slachtoffer] heeft aangeraakt. Hij heeft [betrokkene 3] wel in elkaar zien zakken, maar had na incident 2 vooral oog voor de weglopende [getuige 2] , omdat hij bij hem verhaal wilde gaan halen. Later op de zitting corrigeerde verdachte dit, door te zeggen dat hij wel gezien had dat [betrokkene 3] , toen hij wilde opstaan, zich aan [slachtoffer] omhoog trok/probeerde te trekken.
[getuige 3] heeft wisselend verklaard over incident 2. In de nacht van de dood van [slachtoffer] verklaart [getuige 3] dat [betrokkene 3] [slachtoffer] heeft doodgestoken. Uit het verhoor van 12 juli 2010 volgt dat hij dit niet gezien heeft, maar het vermoedde omdat [betrokkene 3] bekend stond als iemand die vaker een mes bij zich heeft. Hij verklaarde dat hij die avond geen mes bij [betrokkene 3] heeft gezien. Bij de reconstructie in oktober 2010 verklaarde [getuige 3] dat [betrokkene 3] op de grond viel door de klap van [getuige 2] en dat onder meer twee vrouwen [betrokkene 3] opraapten, vermoedelijk getuigen [betrokkene 4] en [getuige 5] . [getuige 3] plaatste [slachtoffer] bij de reconstructie op de stoep, zonder fysiek contact met [betrokkene 3] . In een politieverhoor van 3 november 2010 verklaarde [getuige 3] te hebben gezien dat [betrokkene 3] , op het moment dat hij werd neergeslagen, iets uit zijn zak wilde halen. Toen [betrokkene 3] viel, kwam hij toevallig met zijn arm langs [slachtoffer] . In hetzelfde verhoor verklaart [getuige 3] dat dit zou zijn gebeurd toen [betrokkene 3] al op de grond lag.
Beoordeling incident 2
De rechtbank gaat bij de beoordeling van incident 2 uit van de verklaringen van getuigen [betrokkene 4] , [getuige 5] en [getuige 6] . [getuige 5] is een onafhankelijke getuige en [betrokkene 4] was destijds de vriendin van verdachte en had geen kennelijke reden om in zijn nadeel te verklaren. Zij zijn beiden direct naar [betrokkene 3] toegerend nadat ze doorhadden dat hij was neergeslagen. Deze getuigen zijn volledig gefocust geweest op [betrokkene 3] , en hun verklaringen zijn in lijn met elkaar. Zo hebben de getuigen meermaals en onafhankelijk van elkaar verklaard dat er na de klap van [getuige 2] geen fysiek contact is geweest tussen [betrokkene 3] en [slachtoffer] , dat [betrokkene 3] wazig uit zijn ogen keek, en dat hij na te zijn opgestaan, is weggelopen. Ook [getuige 6] heeft blijkens zijn verklaring goed zicht gehad op [betrokkene 3] . Ook hij heeft verklaard dat er niemand in de buurt van [betrokkene 3] was op het moment dat [betrokkene 3] op de grond lag. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid van de verklaringen van voornoemde getuigen.
De verklaringen van verdachte en [getuige 3] worden weersproken door de verklaringen van getuigen [betrokkene 4] en [getuige 5] . Verdachte en [getuige 3] hebben bovendien beiden wisselend verklaard, en hun verklaringen zijn niet in lijn met elkaar. Uit de verklaringen van verdachte blijkt bovendien dat hij, in tegenstelling tot [betrokkene 4] en [getuige 5] , na de klap van [getuige 2] aan [betrokkene 3] vooral was gefocust op [getuige 2] . De rechtbank concludeert dat [slachtoffer] rondom incident 2 geen fysieke confrontatie heeft gehad met [betrokkene 3] (of een ander).
Na incident 2
Nadat [getuige 2] [betrokkene 3] een klap gaf, is [getuige 2] omgedraaid en weggelopen richting de parkeergarage. Ook [getuige 3] , [getuige 1] en [slachtoffer] liepen vervolgens achter [getuige 2] aan richting de parkeergarage. Gedurende deze wandeling is [slachtoffer] kennelijk zelfstandig en zonder problemen in staat geweest om de hoek van de [b-straat] richting de parkeergarage te lopen, en, zoals ook uit de bewijsmiddelen volgt, zich vervolgens zowel fysiek (door tussenbeide te komen) als verbaal te bemoeien met de ruzie tussen verdachte en [getuige 2] . Het dossier bevat geen aanwijzingen dat [slachtoffer] tijdens of na incident 2 fysiek (motorisch) of mentaal niet goed functioneerde, hetgeen wel voor de hand had gelegen als hij op dat moment reeds in zijn hart was gestoken, gelet op de aard van dit letsel (acuut levensbedreigend). Alleen verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] bij incident 3 zwalkte en een aantal keren de stoep op en af ging, maar deze verklaring vindt geen enkele ondersteuning in het dossier. Geen van de getuigen heeft bovendien rond incident 2 iets opvallends aan (het functioneren van) [slachtoffer] gemerkt, waaruit kan worden opgemaakt dat [slachtoffer] op dat moment ergens last van had. Dit zijn contra-indicaties voor het scenario dat [slachtoffer] het uiteindelijk fatale steekletsel heeft opgelopen voorafgaand of bij incident 2, of gedurende de wandeling richting de plek waar incident 3 heeft plaatsgevonden.
Tussenconclusie (2)
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] voor, bij of kort na incident 2 het uiteindelijk fatale steekletsel heeft opgelopen, en concludeert dat [slachtoffer] op het moment dat incident 3 plaatsvond nog niet gewond was.
Incident 3
Feitelijke gang van zaken
Kort nadat [getuige 2] de hoek aan de kopse kant van de parkeergarage was omgelopen, sprak verdachte hem aan. Verdachte had gezien dat [betrokkene 3] door [getuige 2] tegen de grond was geslagen en besloot hierop de straat over te steken en verhaal te gaan halen. Terwijl [getuige 2] en verdachte ruzie maakten, is [slachtoffer] samen met [getuige 1] erbij gaan staan en sloot (iets later) [betrokkene 4] zich ook aan. Na de ruzie is [slachtoffer] samen met [getuige 1] doorgelopen richting de parkeergarage en onderweg ineengezakt. Op dat moment is bij hem steekletsel in de borststreek geconstateerd dat hem uiteindelijk fataal is geworden.
Zoals hiervoor is weergegeven is de rechtbank van oordeel dat er wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte [slachtoffer] tijdens dit incident in zijn hart heeft gestoken. De rechtbank zal voor de volledigheid het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario dat [getuige 2] [slachtoffer] (per ongeluk) heeft neergestoken, bespreken.
Alternatief scenario incident 3
Naast verdachte en [slachtoffer] was verder alleen [getuige 2] actief betrokken bij incident 3. Bij de beoordeling van de vraag hoe het fatale steekletsel kan zijn ontstaan, is het daarom van belang om het scenario te onderzoeken dat niet verdachte, maar [getuige 2] [slachtoffer] (al dan niet per ongeluk) het fatale steekletsel heeft toegebracht. De rechtbank stelt bij de beoordeling van de waarschijnlijkheid van dit scenario voorop dat [getuige 2] op grond van het dossier geen motief had om [slachtoffer] , één van zijn beste vrienden, opzettelijk te steken. Dat betekent niet dat [getuige 2] [slachtoffer] niet per ongeluk kan hebben gestoken. Voor een ongewilde handeling van [getuige 2] waarbij [slachtoffer] door hem zou kunnen zijn gestoken, biedt het dossier echter geen enkele aanwijzing. [getuige 2] heeft ontkend dat hij [slachtoffer] tijdens dit incident heeft aangeraakt. Zowel verdachte, die bij incident 3 dichtbij [getuige 2] en [slachtoffer] stond, als [getuige 1] en [betrokkene 4] hebben niet verklaard dat zij hebben gezien dat er tussen [getuige 2] en [slachtoffer] een handeling heeft plaatsgevonden waarbij [getuige 2] [slachtoffer] (per ongeluk) gestoken kan hebben. Ook ter zitting heeft verdachte herhaald dat niemand anders [slachtoffer] heeft aangeraakt tijdens incident 3. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verdachte en [betrokkene 4] een goed blikveld op [getuige 2] moeten hebben gehad, en dat als [getuige 2] [slachtoffer] (per ongeluk) zou hebben gestoken, een verklaring van hen daarover in de rede zou liggen. De rechtbank acht dit scenario uitgesloten.
Conclusie
[slachtoffer] is met een scherp voorwerk gestoken kort – waarschijnlijk maximaal een minuut – voordat hij ineenzakte en vervolgens zijn bewustzijn verloor. In de korte periode die daaraan voorafging heeft [slachtoffer] alleen een fysieke confrontatie gehad met verdachte. Voorafgaand aan deze confrontatie was [slachtoffer] nog niet gestoken. Verdachte heeft hem vervolgens ‘geduwd’ ter hoogte van de tepel en rond die plek is later een steekwond geconstateerd. Het bloedspoor van [slachtoffer] begint vlakbij de plek waar de confrontatie met verdachte heeft plaatsgevonden. Vrijwel direct na deze confrontatie vertoonde [slachtoffer] opmerkelijk gedrag: hij werd bleek, reageerde niet meer en keek raar uit zijn ogen. Enkele passen verder is hij ineengezakt. Nu geen van de door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario’s mogelijk is dan wel aannemelijk is geworden, blijft de conclusie van de rechtbank dat op grond van de bewijsmiddelen en voorafgaande bewijsoverwegingen wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte [slachtoffer] bij incident 3 opzettelijk (al dan niet in voorwaardelijke zin) heeft gedood, door [slachtoffer] met een scherp voorwerp in het hart te steken, ten gevolge waarvan hij uiteindelijk is overleden.”
2.2.5
Het hof heeft in aanvulling hierop onder meer overwogen:
“Verklaring [getuige 7]
Nadat zijn vrouw een jongen op de grond zag liggen en daarnaartoe ging, ziet getuige [getuige 7] een jongen samen met een meisje met blond haar. Het valt getuige daarbij op dat deze jongen diens rechterarm op een opvallende manier langs zijn lichaam hield en iets in zijn rechterhand vast leek te hebben. Zijn vingers wezen daarbij recht naar beneden.
Nu [getuige 7] verklaart over een jongen op de grond, moet deze waarneming zijn gedaan kort na het moment waarop [betrokkene 3] is geslagen en op de grond is gevallen. De jongen die getuige de straat ziet oversteken en naar een groep ziet toelopen, moet verdachte zijn geweest. Verdachte was immers met [betrokkene 4] en is, zo verklaren ook andere getuigen en verdachte zelf, naar de groep met [getuige 2] en [slachtoffer] gelopen. Na kort daar geweest te zijn, stak hij de straat weer over en vertrok hij gevolgd door [betrokkene 4] .
De verklaring geeft steun aan de vaststellingen die het hof in navolging van de rechtbank doet, dat verdachte bij het “duwen” van [slachtoffer] een voorwerp in zijn hand moet hebben gehad en [slachtoffer] met dat voorwerp heeft gestoken.
Het hof hecht waarde aan de waarneming van [getuige 7] , omdat [getuige 7] tijdens zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris in 2023 wederom van de houding van verdachte gewag maakt en daarbij opmerkt dat het “heel gek was”. Kennelijk was sprake van een opvallend detail dat getuige is bijgebleven.
Dat verdachte zijn hand en arm op de beschreven manier hield omdat hij reuma heeft zoals de verdediging in hoger beroep heeft gesteld, acht het hof niet aannemelijk geworden. Dat verdachte reuma heeft en daarvan ook al in 2010 last had, is door verdachte niet eerder aangevoerd en is op geen enkele manier onderbouwd.
Forensische rapportages
Door de verdediging is een verslag van 25 november 2022 van [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ) aan het hof overgelegd. [betrokkene 5] stelt daarin dat de praktijk en de literatuur leert dat een slachtoffer nog meerdere minuten tot tientallen minuten bij bewustzijn kan zijn na het oplopen van één of meerdere steekwonden in het hart. Op basis daarvan bepleit de verdediging dat [slachtoffer] na de opgelopen verwonding nog een langere periode bij bewustzijn kan zijn geweest dan [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6] ) heeft geconcludeerd in zijn rapportage van 29 november 2010 en zijn aanvulling op dat rapport van 19 januari 2021. Volgens de verdediging kan de redenering van de rechtbank dat [slachtoffer] enkel bij incident III kan zijn gestoken daarom niet worden gevolgd.
Vooropgesteld wordt dat het hof met de rechtbank vaststelt dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor de mogelijkheid dat [slachtoffer] het letsel heeft opgelopen bij incident I of incident II. Ook al zou met [betrokkene 5] moeten worden aangenomen dat iemand met een steekverwonding in het hart nog gedurende een langere tijd met dat letsel kan rondlopen, doet dat niet af aan de vaststellingen dat tijdens incident I en II geen sprake is geweest van fysiek contact tussen [slachtoffer] en een ander en [slachtoffer] om die reden het letsel wel bij het incident met verdachte moet hebben opgelopen.
Het hof stelt daarnaast vast dat [betrokkene 5] in zijn verslag twee situaties beschrijft: de situatie waarin het hart door het scherp trauma gaat fibrilleren (scenario 1) en de situatie waarin zich (deels) een harttamponade ontwikkelt (scenario’s 2 en 3). [betrokkene 5] beschrijft dat in de eerste situatie het overlijden zeer snel optreedt, binnen enkele seconden en merkt daarover later op dat men na een 10 à 15-tal seconden het bewustzijn zal verliezen. Ook [betrokkene 6] onderscheidt in zijn rapport de situatie waarin zich een harttamponade ontwikkelt en zet die af tegen de situatie waarin sprake is van een snel optredende verbloedingsshock. Op grond van de bij [slachtoffer] geconstateerde letsels concludeert [betrokkene 6] dat hier van die laatste situatie sprake moet zijn geweest, en dat die binnen enkele minuten (geschat 1-2 minuten) bewustzijnsverlies en kort daarna de dood tot gevolg moet hebben gehad (dossierpagina's 4893-4902). In de aanvulling van 2021 schrijft [betrokkene 6] dat hij niet tot andere inzichten is gekomen en dat bij [slachtoffer] sprake was van acuut levensbedreigend en veelal snel dodelijk letsel (dossierpagina’s 5007-5009).
Uit het rapport [betrokkene 6] en de aanvulling daarop volgt dat [betrokkene 6] onder ogen heeft gezien dat zich na een steekincident meerdere scenario’s kunnen voordoen. [betrokkene 6] zet uiteen dat en waarom hij het door hem beschreven scenario het meest waarschijnlijk acht. Het door de verdediging ingebrachte verslag van [betrokkene 5] beschrijft scenario’s, maar laat zich niet uit over de waarschijnlijkheid van die scenario’s gelet op de bevindingen in dit specifieke geval. Het hof ziet in het verslag van [betrokkene 5] dan ook geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het rapport van [betrokkene 6] zoals dat in de bewijsvoering is betrokken.
Door de verdediging is een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [betrokkene 6] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , te weten onder de voorwaarde dat het hof deze deskundigen in de bewijsconstructie gebruikt. Hiervoor is uiteengezet waarom het hof in het verslag van [betrokkene 5] geen aanleiding ziet te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de bevindingen van [betrokkene 6] . Het hof is van oordeel dat de noodzaak tot het horen van deskundige [betrokkene 6] daarom niet is gebleken. Evenmin ziet het hof noodzaak om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te horen. Daarbij betrekt het hof dat door de verdediging niet is aangevoerd over welke vragen deze deskundigen zouden moeten worden gehoord.”
Juridisch kader
2.3.1
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1198 enkele algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van deskundigen in gevallen waarin:(i) een deskundige een verklaring heeft afgelegd of(ii) een schriftelijk verslag van een deskundige in het dossier is gevoegd,terwijl die verklaring of dat verslag – bezien in samenhang met de overige resultaten van het opsporingsonderzoek – een voor de verdachte belastende strekking heeft (hierna worden die verklaring en dat verslag kortheidshalve ook aangeduid met: belastende deskundigenverklaring). In die zaak stond de in het cassatiemiddel opgeworpen vraag centraal of de regels die de Hoge Raad in zijn arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576 (post-Keskin) heeft geformuleerd over de beoordeling van verzoeken tot het horen van getuigen die een verklaring met een belastende strekking hebben afgelegd, onverkort moeten worden toegepast op de beoordeling van verzoeken tot het horen van een deskundige die een verklaring heeft afgelegd of die een verslag heeft opgesteld dat een belastende strekking heeft. De Hoge Raad overwoog hierover:
“2.3.2 In het genoemde arrest van 20 april 2021 heeft de Hoge Raad naar aanleiding van de uitspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) in de zaak Keskin tegen Nederland (EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16) onder meer het volgende overwogen:
“2.9.2 De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin heeft tot gevolg dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. Daarvan is in ieder geval sprake als de rechter in eerste aanleg een verklaring van een getuige voor het bewijs heeft gebruikt, en de verdediging in hoger beroep het verzoek doet deze getuige op te roepen en te (doen) horen.”
2.4.1
Voor de beantwoording van de vraag die het cassatiemiddel aan de orde stelt, kan aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het EHRM over ‘expert witnesses’. In die rechtspraak wordt tot uitgangspunt genomen dat de term ‘getuigen’ in artikel 6 lid 3, onder d, EVRM (in de authentieke Engelse tekst ‘witnesses’ en in de authentieke Franse tekst ‘témoins’) “has an autonomous meaning which also includes expert witnesses”. Dat betekent echter niet dat bij de beoordeling of beslissingen over het oproepen en horen van deskundigen alsook het gebruik van een deskundigenverklaring voor het bewijs in overeenstemming zijn met artikel 6 EVRM, getuigen en deskundigen steeds volledig op één lijn (kunnen of moeten) worden gesteld. Het EHRM heeft daarover het volgende overwogen:
“(...) the role of expert witnesses can be distinguished from that of an eye-witness who must give to the court his personal recollection of a particular event. In analysing whether the appearance in person of an expert at the trial was necessary, the Court will therefore be primarily guided by the principles enshrined in the concept of a “fair trial” under Article 6 § 1 of the Convention, and in particular by the guarantees of “adversarial proceedings” and “equality of arms”. That being said, some of the Court’s approaches to the examination in person of “witnesses” under Article 6 § 3 (d) are no doubt relevant in the context of the examination of expert evidence, and may be applied, mutatis mutandis, with due regard to the difference in their status and role (see Avagyan v. Armenia, no. 1837/10, § 40, 22 November 2018, and Khodorkovskiy and Lebedev v. Russia (no. 2), cited above § 476).1.”
In dit verband kan erop worden gewezen dat de verklaring of het schriftelijke verslag van een deskundige – anders dan de verklaring van een getuige – in de regel niet betrekking heeft op de waarneming van gebeurtenissen die verband houden met het begaan zijn van het strafbare feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd. De verklaring of het verslag van een deskundige is veeleer gericht op het geven van voor de strafzaak relevante informatie over of het ten behoeve van de strafzaak doen van onderzoek op een terrein waarvan die persoon specifieke of bijzondere kennis bezit.
2.4.2
Aan de rechtspraak van het EHRM over het gebruik voor het bewijs van een voor de verdachte belastende getuigenverklaring ligt als algemeen uitgangspunt ten grondslag dat een verdachte een behoorlijke en effectieve mogelijkheid moet hebben om de betreffende getuige te ondervragen. Daarmee wordt de verdachte in staat gesteld “to test the truthfulness and reliability of evidence provided by witnesses which incriminates him or her”.2.Op grond van artikel 6 EVRM heeft de verdachte eveneens het recht dat hij in de gelegenheid wordt gesteld om de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te onderzoeken van een door een deskundige afgelegde verklaring, waaronder ook kan worden begrepen het door de deskundige uitgebrachte schriftelijk verslag dat in het dossier is gevoegd, als die verklaring of dat verslag een voor de verdachte belastende strekking heeft. Van belang daarbij is echter ook dat een ondervraging van een ‘expert witness’ in aanwezigheid van de verdediging niet de enige mogelijkheid betreft om de bevindingen en de conclusies van het door de betreffende deskundige verrichte onderzoek aan een (nader) onderzoek ten behoeve van de verdediging te onderwerpen. Andere potentieel effectieve mogelijkheden om de bevindingen en de conclusies van de deskundige te onderzoeken en te betwisten betreffen onder meer:
- het laten opstellen van een nader rapport door de deskundige waarin vragen van de verdediging worden beantwoord;
- het laten uitvoeren van aanvullend onderzoek door dezelfde deskundige;
- het laten beoordelen van de resultaten van het onderzoek van de deskundige door een andere deskundige;
- het (zo mogelijk) opnieuw laten uitvoeren van onderzoek door een andere deskundige.
Het is afhankelijk van de aard en de inhoud van de bevindingen en de conclusies van de deskundige alsmede de concrete omstandigheden van het geval welke mogelijkheid of mogelijkheden voor onderzoek en betwisting aan de verdediging, met het oog op het waarborgen van de eerlijkheid van het proces als geheel (‘overall fairness of the trial’), moet of moeten worden geboden.
2.4.3
Gelet op het vorenstaande brengt de omstandigheid dat een deskundige een verklaring heeft afgelegd dan wel dat een schriftelijk verslag van een deskundige in het dossier is gevoegd, terwijl die verklaring of dat verslag - bezien in samenhang met de overige resultaten van het opsporingsonderzoek - een voor de verdachte belastende strekking heeft, niet met zich dat de regels die de Hoge Raad in zijn arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576 (post-Keskin) heeft geformuleerd over de beoordeling van verzoeken tot het horen van getuigen die een verklaring met een belastende strekking hebben afgelegd, onverkort toepassing vinden. Een verzoek tot het oproepen en het horen van een deskundige moet in de regel door de verdediging worden gemotiveerd. Daarbij mag van de verdediging worden verlangd dat wordt toegelicht welke onderdelen van het verrichte onderzoek en/of van de over dat onderzoek opgestelde of afgelegde verklaring zij wil (doen) toetsen door middel van het horen van de deskundige. Daarbij kan van belang zijn dat de verdediging ook toelicht waarom daarvoor het oproepen en horen van de deskundige nodig is en niet een andere wijze van toetsing in aanmerking komt.
2.4.4
Het vorenstaande geldt ook als een verzoek wordt gedaan tot het oproepen en horen als getuige van een opsporingsambtenaar die technisch opsporingsonderzoek heeft verricht, dat wil zeggen opsporingsonderzoek waarvoor een zekere mate van specifieke of bijzondere kennis is vereist.”
2.3.2
Mede naar aanleiding van de – in de conclusie van de advocaat-generaal onder 46 genoemde – discussie die in de literatuur is ontstaan over dit arrest, merkt de Hoge Raad het volgende op ter verduidelijking en nadere uitwerking van de daarin neergelegde overwegingen.
2.3.3
Vooropstaat dat de verdachte op grond van artikel 6 EVRM het recht heeft in de gelegenheid te worden gesteld om de “truthfulness and reliability” (hierna kortheidshalve: betrouwbaarheid) te onderzoeken van een door een deskundige afgelegde verklaring, waaronder ook kan worden begrepen een door de deskundige uitgebracht schriftelijk verslag dat in het dossier is gevoegd, als die verklaring of dat verslag een voor de verdachte belastende strekking heeft. In dit opzicht bestaat er geen verschil met het recht dat aan de verdachte in relatie tot getuigenverklaringen op grond van artikel 6 EVRM toekomt “to test the truthfulness and reliability of evidence provided by witnesses which incriminates him or her”. Dit betekent dat, als de verdachte kenbaar maakt dat hij de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring wil (doen) onderzoeken, van de verdediging geen nadere onderbouwing van het belang bij zo’n onderzoek mag worden verlangd. De motiveringsplicht die in het onder 2.3.1 genoemde arrest voor de verdediging is benoemd en die in het navolgende nader wordt verduidelijkt, ziet ook niet op dit belang. Een verzoek tot het oproepen en horen van een deskundige mag niet worden afgewezen op de enkele grond dat een onderbouwing door de verdediging ontbreekt van het belang van een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de deskundigenverklaring of het deskundigenverslag, als die verklaring of dat verslag een voor de verdachte belastende strekking heeft.
2.3.4
Dat in het onder 2.3.1 genoemde arrest, ook in het geval van een belastende deskundigenverklaring, tot op zekere hoogte een motivering van een verzoek door de verdediging wordt verlangd, houdt ermee verband dat het oproepen en horen van de deskundige niet de enige manier is waarop een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de belastende deskundigenverklaring kan plaatsvinden. Zo’n onderzoek kan ook plaatsvinden door bijvoorbeeld:
- het laten opstellen van een nader rapport door de deskundige waarin vragen van de verdediging worden beantwoord;
- het laten uitvoeren van aanvullend onderzoek door dezelfde deskundige;
- het laten beoordelen van de resultaten van het onderzoek van de deskundige door een andere deskundige;
- het (zo mogelijk) opnieuw laten uitvoeren van onderzoek door een andere deskundige.
Welke manier van (nader) onderzoek het meest geschikt is om – ten behoeve van de verdediging en ook, meer in het algemeen, in het belang van de waarheidsvinding – op effectieve wijze een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de belastende deskundigenverklaring te doen plaatsvinden, is afhankelijk van verschillende gezichtspunten. Daarbij zijn mede van belang de inhoud van de belastende deskundigenverklaring, de manier waarop die deskundige daarin verslag heeft gedaan van het verrichte onderzoek of anderszins daarin op grond van zijn specifieke of bijzondere kennis voor de strafzaak relevante uitlatingen heeft gedaan, de (soms) complexe of technische aard van het al verrichte of nog te verrichten onderzoek, alsmede de (overige) concrete feiten en omstandigheden van het geval.
2.3.5
In het licht van deze alternatieve toetsingsmogelijkheden houdt de motiveringsplicht die in het onder 2.3.1 genoemde arrest voor de verdediging is benoemd, verband met twee factoren die van belang zijn voor de beoordeling door de rechter van het verzoek tot het oproepen en horen van de deskundige. Allereerst moet de verdediging aanduiden welke onderdelen van de belastende deskundigenverklaring zij betwist en/of aan een nader onderzoek wil onderwerpen. Daarnaast betreft het een toelichting waarom dit onderzoek bij voorkeur in de vorm van het oproepen en horen van de deskundige zou moeten plaatsvinden, mede gelet op andere manieren van toetsing die (mogelijk) in aanmerking kunnen komen. Deze motiveringsplichten strekken er, als gezegd, niet toe dat de verdediging het belang van een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de belastende deskundigenverklaring moet toelichten. Het gaat erom dat de rechter in staat wordt gesteld te beoordelen of – gegeven dat belang en in het licht van de bij de verdediging gerezen vragen over of bezwaren tegen de belastende deskundigenverklaring – het oproepen en horen van de deskundige de (meest) aangewezen manier is om dat onderzoek te doen plaatsvinden met het oog op een effectieve toetsing van de betrouwbaarheid van die deskundigenverklaring. Daarmee wordt niet alleen de waarheidsvinding gediend maar wordt ook gewaarborgd dat wordt voldaan aan de vereisten van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.
2.3.6
In het geval dat de onderbouwing van het verzoek van de verdediging tot het oproepen en horen van de deskundige niet voldoet aan de onder 2.3.5 omschreven eisen en de rechter ook ambtshalve geen grond aanwezig acht voor het oproepen en horen van de deskundige, kan de rechter dat verzoek met een daarop toegesneden motivering afwijzen. Dat doet er echter niet aan af dat de rechter voordat hij einduitspraak doet, moet nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, waaronder ook het recht van de verdachte om in de gelegenheid te worden gesteld om de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring te (doen) onderzoeken. Dit betekent dat de rechter hetzij ambtshalve alsnog zal overgaan tot het bieden van gelegenheid voor een onderzoek naar de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring, op één van de manieren als bedoeld in 2.3.4, hetzij bij zijn beslissing over de bewezenverklaring – met het oog op de vraag of het proces als geheel eerlijk is verlopen – onder ogen zal moeten zien of en, zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de deskundige te ondervragen. Voor de beantwoording van deze vraag zijn van belang (i) de reden dat de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen met betrekking tot de deskundige van wie de verklaring of het verslag voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring of het verslag van de deskundige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. In dit verband is onder meer van belang of aan de verdediging mogelijkheden zijn geboden om de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring te onderzoeken.
2.3.7
Het vorenstaande houdt concreet in dat (a) als de verdediging het verzoek doet om een deskundige op te roepen en te horen omdat deze deskundige een belastende verklaring heeft afgelegd, en (b) de rechter dit verzoek niet toewijst omdat de onderbouwing van het verzoek niet voldoet aan de onder 2.3.5 omschreven eisen en de rechter ook ambtshalve geen grond aanwezig acht voor het oproepen en horen van de deskundige, (c) de rechter ervan blijk moet geven te hebben onderzocht of aan de verdediging op een andere manier gelegenheid moet worden geboden om de betrouwbaarheid van de belastende deskundigenverklaring te onderzoeken, en (d) – als die gelegenheid niet wordt geboden – de rechter moet motiveren dat en waarom de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
2.3.8
Tot slot is nog het volgende van belang. Net als het geval is bij de verklaring van een getuige met een voor de verdachte belastende strekking (vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverweging 2.9.3), brengt het recht van de verdachte om de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring te (doen) onderzoeken niet met zich dat de rechter elk verzoek tot het oproepen en horen van een deskundige door de rechter zonder meer moet toewijzen. Zo’n verzoek kan in voorkomende gevallen worden afgewezen op de in artikel 288 lid 1, aanhef en onder a en b, in samenhang met artikel 299 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) genoemde, maar ook voor de toepassing van artikel 315 Sv van belang zijnde, gronden. Verder verzet artikel 6 EVRM zich niet ertegen dat de rechter het verzoek afwijst als het oproepen en horen van een deskundige onmiskenbaar irrelevant of overbodig (“manifestly irrelevant or redundant”) is, omdat het (opnieuw) horen van de deskundige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als de belastende deskundigenverklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Een geval waarin het oproepen en horen van een deskundige onmiskenbaar irrelevant of overbodig is, kan zich verder ook voordoen als sprake is van veelvoorkomend onderzoek waarvan, gelet op zijn (gereglementeerde en routinematige) aard, niet ter discussie staat dat het voldoet aan de (methodologische) vakinhoudelijke eisen, en in het gegeven geval geen concrete aanwijzingen bestaan dat aan de betrouwbaarheid van het verrichte onderzoek en de resultaten ervan moet worden getwijfeld.
Beoordeling van deze zaak
2.4.1
In deze zaak heeft de verdediging verzocht [betrokkene 6] als deskundige op te roepen en te horen. Aan dat verzoek heeft de verdediging onder meer ten grondslag gelegd dat het door deze deskundige opgestelde rapport een voor de verdachte belastende strekking heeft. De verdediging heeft daarnaast dit verzoek gedaan in verband met een door de verdediging naar voren gebracht alternatief scenario over de drie incidenten, zoals bedoeld in de onder 2.2.4 weergegeven bewijsvoering, die de bewuste avond hebben plaatsgevonden. Dat scenario houdt, kort gezegd, in dat [slachtoffer] niet door toedoen van de verdachte is overleden, maar dat [slachtoffer] al fataal hartletsel had opgelopen bij een eerder incident (incident 1 of 2), voordat hij een confrontatie had met de verdachte (incident 3). De verdediging heeft aangevoerd dat, als wordt uitgegaan van dit scenario, [slachtoffer] gewond moet zijn geraakt voorafgaand aan het incident met de verdachte (incident 3) en dat hij nog enige tijd moet hebben geleefd nadat hij de steekwond in zijn hart had opgelopen.
2.4.2
Het hof heeft uit de bewijsmiddelen afgeleid dat [slachtoffer] nog niet gewond was op het moment dat het incident met de verdachte (incident 3) plaatsvond en heeft geoordeeld dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk heeft gedood. In dat verband heeft het hof ook geoordeeld dat het door de verdediging aangevoerde scenario niet aannemelijk is geworden. Dat oordeel heeft het hof niet alleen gebaseerd op de voor het bewijs gebruikte belastende deskundigenverklaring van [betrokkene 6] over – kort gezegd – de beperkte duur van de periode die er moet zijn geweest tussen het ontstaan van het geconstateerde hartletsel en het bewustzijnsverlies.. Bij zijn bewijsbeslissing en de verwerping van het verweer over het alternatieve scenario heeft het hof in het bijzonder betrokken dat uit de bewijsmiddelen volgt dat tijdens de eerste twee incidenten geen sprake is geweest van fysiek contact tussen [slachtoffer] en een ander, en dat het dossier daarom geen aanknopingspunten biedt voor de mogelijkheid dat [slachtoffer] (steek)letsel heeft opgelopen bij die incidenten. Dat het slachtoffer tijdens het incident met de verdachte (incident 3) moet zijn gestoken heeft het hof verder afgeleid uit onder meer zijn vaststellingen over (i) het fysieke contact tussen de verdachte en [slachtoffer] waarbij de verdachte het slachtoffer een duw heeft gegeven ter hoogte van de plek waar later het steekletsel is geconstateerd, en (ii) de verklaring van [getuige 7] dat de verdachte ten tijde van dat incident een voorwerp in zijn hand leek te hebben. Verder heeft het hof de plaats en het patroon van de bloedsporen en de manier waarop het slachtoffer vrijwel direct na het incident met de verdachte bleek werd, niet meer reageerde en vervolgens in elkaar zakte, in aanmerking genomen.
2.4.3
Zoals in de conclusie van de advocaat-generaal onder 67 nader uiteen is gezet, is de onder 2.4.2 bedoelde belastende deskundigenverklaring van [betrokkene 6] , uitvoerig onderwerp geweest van debat, waarbij de betrouwbaarheid van de deskundigenverklaring van [betrokkene 6] is beoordeeld in het licht van verklaringen van andere deskundigen en van een aanvullend rapport van [betrokkene 6] dat is opgesteld naar aanleiding van de rapportage door deskundige [betrokkene 2] .
2.4.4
Het hof heeft het verzoek tot het oproepen en horen van [betrokkene 6] afgewezen en heeft in dat verband verwezen naar zijn overwegingen, zoals weergegeven onder 2.2.5, over de betrouwbaarheid van de betreffende belastende deskundigenverklaring in het licht van de andere forensische rapportages. Het hof heeft in dat verband kennelijk geoordeeld dat de procedure, ook zonder dat de gelegenheid is geboden [betrokkene 6] te horen, in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. In het licht van wat hiervoor onder 2.3 en 2.4.1 tot en met 2.4.3 is overwogen getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Daaruit volgt immers onder meer dat het gewicht van de betreffende deskundigenverklaring in het licht van de bewijsvoering als geheel beperkt is, (i) nu op grond van de overige bewijsmiddelen kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] bij de eerdere incidenten (1 en 2) het fatale steekletsel heeft opgelopen en (ii) gelet ook op wat anderszins uit die bewijsmiddelen volgt over het verloop van het incident waarbij de verdachte betrokken was. Verder is daarbij van belang dat de betrouwbaarheid van het rapport van [betrokkene 6] uitvoerig is onderzocht, mede aan de hand van verklaringen van andere deskundigen.
2.5.1
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.
2.5.2
Van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie kan worden afgezien, omdat de in de cassatieschriftuur genoemde vragen mede in het licht van wat hiervoor onder 2.4.4 is overwogen niet relevant zijn voor de uitkomst van het geschil.
3. Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen jaren en zes maanden.
4. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze negen jaren en een maand beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, T. Kooijmans, C.N. Dalebout en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 november 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑11‑2025
EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin tegen Nederland), § 56.
Conclusie 24‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Cold case. Doodslag op [slachtoffer] uit 2010. Middelen over het bestaan van nieuwe bezwaren a.b.i. art. 255 Sv. Verzuim om machtiging nieuw opsporingsonderzoek te vorderen wordt voor gedekt gehouden. Bewijs van voorwaardelijk opzet op de dood. Klachten over afwijzing (voorwaardelijk) verzoek om deskundigen à charge ttz op te roepen. Post-Keskin-regels toepasselijk op oproeping deskundigen à charge? Middelen leiden niet tot cassatie. Middelen over overschrijding r.t. leiden tot partiële vernietiging en strafvermindering.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00315
Zitting 24 juni 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] in 1977,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht , heeft de verdachte bij vonnis van 13 mei 2022 (parketnummer 16-705346-18) vrijgesproken van moord, en wegens “doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaar en zes maanden, met aftrek van het voorarrest conform artikel 27 lid 1 Sr. Bij dit vonnis heeft de rechtbank de officier van justitie ontvankelijk verklaard, en heeft de rechtbank de vordering van de [benadeelde] (de moeder van het slachtoffer) toegewezen tot een bedrag van € 16.840,75, alsook, voor datzelfde bedrag, een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft zich bij arrest van 26 januari 2024 (parketnummer 21-001994-22) verenigd met het vonnis van de rechtbank, behalve voor zover het de beslissingen over de strafoplegging betreft, met verbetering van de gronden ten aanzien van de beslissing over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, en met aanvulling van de gronden waarop de bewezenverklaring rust. Ter zake van de strafoplegging opnieuw rechtdoende, heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren en zes maanden, met aftrek van het voorarrest conform artikel 27 lid 1 Sr, en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper en Th.O.M. Dieben, beiden advocaat in Amsterdam, hebben vijf middelen van cassatie voorgesteld. Die betreffen de volgende kwesties:
(1) (a) de ‘nieuwe bezwaren’ tegen de verdachte en
(b) de rechtsgevolgen van het verzuim om tijdig een voorafgaande machtiging ex artikel 255 lid 4 Sv te vorderen;
(2) bewijs van het (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer;
(3) de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek tot oproeping van drie deskundigen à charge;
(4) schending van de redelijke termijn in feitelijke aanleg en de hoogte van de strafkorting;
(5) schending van de redelijke termijn in cassatie (de inzendtermijn).
De zaak
4. De zaak betreft een zogeheten ‘cold case’ en gaat over het gewelddadig overlijden van [slachtoffer] op 11 juli 2010. Op 13 juli 2010 werd de verdachte aangehouden op verdenking van doodslag, maar op 24 september 2010 in vrijheid gesteld, waarna de zaak is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Naar aanleiding van nieuwe informatie is in 2017 aangevangen met nieuw opsporingsonderzoek, waarbij ook rechters-commissarissen waren betrokken, maar waarbij het OM heeft verzuimd om voorafgaand aan het nieuwe opsporingsonderzoek een machtiging als bedoeld in artikel 255 lid 4 Sv te vorderen. Resultaten van het opsporingsonderzoek waren aanleiding voor de strafvervolging die heeft geleid tot het bestreden arrest.
5. Voor het goede begrip van de zaak is het (met name voor de bespreking van het tweede en het derde middel) van belang om eerst kennis te nemen van de bewijsoverwegingen van de rechtbank, van ‘s hofs aanvulling van de bewijsgronden en van de bewezenverklaring, en om daarna kennis te nemen van de overwegingen die het hof ertoe brachten géén rechtsgevolgen te verbinden aan het geconstateerde vormverzuim.
De bewijsvoering en de bewezenverklaring
6. In het door het hof in zoverre bevestigde vonnis heeft de rechtbank (conform het promis-model) de volgende bewijsoverwegingen opgenomen (vonnis, p. 3-13, met weglating van voetnoten en afbeeldingen):
“4 WAARDERING VAN HET BEWIJS
Inleiding
In de avond van 11 juli 2010 speelden Nederland en Spanje de finale van het WK-voetbal. Ter gelegenheid hiervan was in [plaats ] op de Markt nabij winkelcentrum CityPlaza een groot tv-scherm geplaatst waarop publiek de wedstrijd live kon volgen. Zowel [slachtoffer] (het latere slachtoffer) als verdachte hebben ieder met een eigen groepje vrienden/familie op [a-straat] naar de wedstrijd gekeken.
Omstreeks 23:20 uur ontving de toenmalige regiopolitie Utrecht een telefonische melding met betrekking tot een steekpartij die even daarvoor nabij het politiebureau in [plaats ] zou hebben plaatsgevonden. Door de politie werd op de uitrit van de parkeergarage [B] een gewonde man, naar later bleek [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), aangetroffen. [slachtoffer] bloedde en was bewusteloos. Eerste hulp en medisch ingrijpen mochten niet baten. [slachtoffer] overleed kort daarop in het ziekenhuis. Uit sectie op het lichaam bleek dat [slachtoffer] was overleden aan een steekwond in zijn hart.
Uit onderzoek van de politie is gebleken dat er op de avond van 11 juli 2010 drie incidenten hebben plaatsgevonden op de route die [slachtoffer] en zijn vrienden van [a-straat] richting parkeergarage [B] hebben afgelegd. De rechtbank zal in haar bewijsoverwegingen nader ingaan op deze incidenten. In het kader van deze inleiding merkt de rechtbank op dat uit de bewijsmiddelen in het dossier blijkt dat verdachte alleen betrokken is geweest bij het derde incident. Verdachte wordt door het Openbaar Ministerie verweten [slachtoffer] bij dit (derde) incident in zijn hart te hebben gestoken waardoor [slachtoffer] uiteindelijk is overleden.
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht verdachte vrij te spreken van moord. Zij acht niet bewezen dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade heeft gedood. De officier van justitie acht de ten laste gelegde doodslag wel wettig en overtuigend bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ook vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde moord om dezelfde reden als de officier van justitie. De raadsman heeft ook om vrijspraak verzocht van doodslag en daartoe - kort samengevat - het volgende aangevoerd.
Voor wat betreft de aan verdachte verweten doodslag op [slachtoffer] bevat het dossier geen wettig en overtuigend bewijs. Bij incident drie, het enige incident waarbij verdachte betrokken was, heeft geen fysieke confrontatie plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer] . De getuigenverklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] op dit punt zijn wisselend en onduidelijk. De wisselende getuigenverklaringen van [getuige 3] , [getuige 2] en [getuige 4] hierover zijn door de officier van justitie (op voorhand al) aangemerkt als onbruikbaar voor het bewijs. Er is geen (DNA-)bewijs voor fysiek contact tussen verdachte en [slachtoffer] , en er is geen bewijs waaruit blijkt dat verdachte ten tijde van het incident in het bezit was van een mes. Op grond van het dossier is bovendien niet uit te sluiten dat [slachtoffer] bij incidenten 1 of 2 reeds de fatale steekwond heeft opgelopen, daar hij, blijkens onder meer verklaringen van [getuige 3] en verdachte, fysiek bij beide incidenten betrokken is geweest.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak moord, bewezenverklaring doodslag
De rechtbank acht de aan verdachte ten laste gelegde moord niet wettig en overtuigend bewezen. Niet is gebleken dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachte rade zou hebben gedood.
Verdachte wordt van deze verdenking dan ook vrijgesproken. De rechtbank komt wel tot het
oordeel dat verdachte schuldig is aan doodslag van [slachtoffer] .
Bewijsmiddelen
[getuige 1] (hierna: [getuige 1] ), de toenmalige vriendin van [slachtoffer] , is meermaals gehoord als getuige. Zij heeft in een getuigenverhoor van 20 juli 2010 onder meer het volgende verklaard:
Ik liep met [slachtoffer] de hoek om, van [b-straat] naar de inrit van de parkeergarage. Dat wordt positie 7 op de plattegrond. Ik hoorde en zag dat [verdachte] [de rechtbank begrijpt: verdachte] daar was en dat hij stond te schreeuwen tegen [getuige 2] [de rechtbank begrijpt: [getuige 2] ]. (...) Ik zag dat [slachtoffer] zijn rechterarm tussen [verdachte] en [getuige 2] stak. (...) Ik zag toen dat [slachtoffer] schuin voor [verdachte] kwam te staan. (...) Eigenlijk op hetzelfde moment zag ik dat [verdachte] [slachtoffer] een duw geeft met zijn beide armen. Ik zag dat die armen [slachtoffer] duwden ter hoogte van de borst van [slachtoffer] . Het kan iets boven of onder de tepelhoogte van [slachtoffer] zijn geweest, maar in ieder geval op zijn borst. Ik zag dat [slachtoffer] achteruit stapte en ik hoorde hem zeggen: "Eeej". Dat was het laatste dat ik [slachtoffer] heb horen zeggen. Ik hoorde dat [slachtoffer] dat zei met een normale stem. Geen stemverheffing of zo. Meer een reactie zo van: "joh, blijf van mij af."'(...) Ik was ondertussen al bij hem aangekomen en ik heb hem vastgepakt en meegetrokken in de richting van [getuige 2] , die de parkeergarage inliep. (...) [slachtoffer] en ik liepen op de stoep, aan de kant van [a-straat] . Op positie 8 voel en zie ik opeens dat [slachtoffer] tegen mijn aan viel. (...) Ik merkte dat [slachtoffer] door zijn knieën zakte en via mijn lichaam op zijn rug op straat zakte. (...) Ik zag dat er bloed aan mijn handen zat en aan het shirt van [slachtoffer] aan de linkerkant van zijn borst.
[situatieschets]
In een getuigenverhoor van 12 juli 2010 heeft [getuige 1] onder meer het volgende verklaard:
Ik trok mijn vriend [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ] weg. Ik sloeg een arm om zijn rug en trok hem mee. Ik liep met hem de weg naar de parkeergarage in. Ik zei nog dingen tegen hem maar kreeg geen antwoord, hij reageerde niet meer. Dat vond ik vreemd. Hij keek me ook vreemd aan. Hij zag er wit uit. Na 15 passen zakte hij ineens in elkaar, tegen mij aan. (...) Zijn ogen draaiden weg en hij snakte naar adem.
Verdachte heeft tijdens een politieverhoor op 11 december 2019, onder meer het volgende verklaard:
Ik heb [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ] zo’n duwtje gegeven, hou even afstand.
Verbalisanten [verbalisant 1] is ter plaatse gekomen nadat [slachtoffer] op straat was ineengezakt. [verbalisant 1] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen van 12 juli 2010 hierover onder meer het volgende gerelateerd:
11 juli 2010 omstreeks 23.19 uur reed ik op [b-straat] te [plaats ] ter hoogte van het politiebureau. Ik hoorde dat er werd gezegd dat er een vechtpartij was bij de parkeergarage van [B] en dan bij ingang oost, tegenover het politiebureau. (...) Ik was vrijwel direct ter plaatse en zag dat er op de stoep aan de linkerzijde, naast het weggedeelte voor het verkeer dat de parkeergarage verlaat, een grote groep stond. Ik zag tevens dat er in die groep een jongen op zijn rug op de grond lag. (...) lk zag dat de jongen ter hoogte van zijn linkerborst een snijwond had waar bloed uitkwam. Ik zag dat de jongen zijn ogen open had en dat hij probeerde te praten. Ik zag dat het slachtoffer bleek was en dat er naast hem een plas bloed op de grond lag.
Uit een pathologisch onderzoek naar het stoffelijke overschot van [slachtoffer] van 9 oktober 2010, opgemaakt door arts en patholoog [betrokkene 1] , blijkt onder meer het volgende:
Overledene: [slachtoffer] . De overledene is overleden te [plaats ] op 12 juli 2010.
Uit de aangeleverde medische gegevens bleek het slachtoffer bij onderzoek op de traumakamer een defect links-zijwaarts aan de borst, onder de tepel, te hebben waaruit bloed stroomde, welke toen geduid werd als insteekopening. Aansluitend aan deze verwonding was er een wondkanaal (steekkanaal) dat doorheen de linkerborstholte verliep, met beschadiging aan het oppervlak van de linkerlong, en welke doorheen het hartzakje verliep tot in het hart (sub 4 t/m 6). Dit steekkanaal heeft geleid tot fors bloedverlies.
Het overlijden wordt zondermeer verklaard door schade aan het hart en functieverlies van het hart, en al zeker in combinatie met algehele weefselschade ten gevolge van het opgetreden bloedverlies.
De letsels aan de long, het hartzakje en het hart zijn bij leven opgelopen door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig snijdend en stekend/perforerend geweld. Het aspect van de defecten kan passen bij een éénzijdig snijdend voorwerp, bijvoorbeeld een éénzijdig snijdend mes, waarvan de letsels ten gevolge van het snijdend deel afmetingen hadden in de grootteorde van circa 3-4 cm.
In een deskundigenrapport van 29 november 2010 heeft [betrokkene 6] , hoofd van de afdeling Chirurgie Trauma Unit van het AMC, na vragen van de rechter-commissaris, onder meer het volgende gerelateerd:
1. Hoe lang is het slachtoffer nog bij bewustzijn geweest nadat de fatale steek in het hart was toegebracht?
Het slachtoffer zal waarschijnlijk minder dan een minuut bij bewustzijn zijn geweest.
Uit sporenonderzoek op en rondom de plaats delict is onder meer het volgende gebleken:
Gezien en gemeten vanaf de openbare weg [b-straat] troffen wij aan de linkerzijde op het trottoir van de in- uitrit parkeergarage op ongeveer 14 meter afstand een concentratie bloed aan. (sporen 1 en 2). Vervolgens zagen wij dat dit bloedspoor zichtbaar was in de richting van de slagbomen van de parkeergarage. Dit was op ongeveer 17,90 meter afstand gemeten van de openbare weg [b-straat] (spoor 3). (...) Vervolgens zagen wij dat op de door verbalisanten aangewezen plek van het aangetroffen slachtoffer een plas gedeeltelijk ingedroogd bloed lag (spoor 7). Dit was op ongeveer 28 meter afstand. (...)
Spoor 1: bloed. SIN: AACP0983NL.
Spoor 3: bloed. SIN: AACP0985NL.
Spoor 7: bloed. SIN: AACP0987NL. (...)
SIN: AACP0983NL. Resultaat: [slachtoffer] .
SIN: AACP0985NL. Resultaat: [slachtoffer] .
SIN: AACP0987NL. Resultaat: [slachtoffer] .
De locatie van bovenstaande resultaten uit het sporenonderzoek is door de politie weergegeven op een kaart van de plaats delict (hierna: kaart plaats delict), zoals hieronder weergegeven.
[situatieschets]
Bewijsoverwegingen
De rechtbank stelt op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen het volgende vast.
[slachtoffer] is in het hart gestoken met een scherp voorwerp en als gevolg daarvan overleden. Uit de verklaring van deskundige [betrokkene 6] leidt de rechtbank af dat [slachtoffer] kort voordat hij ineenzakte, moet zijn gestoken. [betrokkene 6] verklaart immers dat [slachtoffer] vanaf het moment van toebrengen van het bij hem geconstateerde steekletsel waarschijnlijk minder dan één minuut bij bewustzijn is geweest.
Deze conclusie is door de verdediging in twijfel getrokken waarbij is gewezen op het rapport van deskundige [betrokkene 1] , patholoog (hierna: [betrokkene 1] ) d.d. 29 oktober 2010, waarin wordt geconcludeerd dat een bewustzijn van hooguit één tot enkele minuten mogelijk is. Ook wijst de verdediging op het rapport van 6 april 2020 van deskundige [betrokkene 2] , forensisch patholoog (hierna: [betrokkene 2] ). Volgens de verdediging concludeert ook [betrokkene 2] dat een bewustzijn tot meerdere minuten mogelijk is geweest.
De rechtbank constateert dat er tussen de conclusie van [betrokkene 6] en [betrokkene 1] ten aanzien van de maximale termijn van bewustzijn (beperkt) verschil bestaat. Naar aanleiding hiervan is deskundige [betrokkene 2] geraadpleegd. De rechtbank deelt niet de visie van de verdediging dat de conclusies van [betrokkene 6] en [betrokkene 2] ten aanzien van de maximale tijd van bewustzijn in dit concrete geval afwijken. [betrokkene 2] onderschrijft de conclusie van [betrokkene 6] over de maximale tijd van bewustzijn (maximaal één minuut) immers goeddeels, maar plaatst daarbij enkel de kanttekening dat in zeldzame gevallen een bewustzijn tot enkele minuten kan voorkomen. Daarnaast heeft deskundige [betrokkene 6] in een aanvullend rapport onderbouwd dat de kans dat [slachtoffer] langer dan één minuut bij bewustzijn is geweest op klinische gronden zeer klein is, gelet op de zeer grote verwonding in het hart (een daarvan was maar liefst 3,5 cm lang en reikte tot in de linker hartkamer; de hartkamer die het bloed in de lichaamscirculatie pompt).
De rechtbank heeft ook geen aanleiding te twijfelen aan de deskundigheid van [betrokkene 6] , zoals door de verdediging is aangevoerd. [betrokkene 6] is werkzaam als traumachirurg bij het AMC. Ten tijde van het eerste rapport had [betrokkene 6] tien jaar werkervaring, ten tijde van de aanvullende rapportage twintig jaar. Uit de rapportage blijkt dat [betrokkene 6] zijn conclusie (mondeling) heeft getoetst bij een traumachirurg uit een groot traumacentrum in de Verenigde Staten alsmede bij de hoogleraar cardiothoracale chirurgie in het AMC. De verdediging heeft ook niets ingebracht waardoor twijfel over de deskundigheid van [betrokkene 6] zou kunnen ontstaan.
Op basis van vorenstaande stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] naar alle waarschijnlijkheid minder dan één minuut bij bewustzijn is geweest vanaf het moment dat hij gestoken is.
In de korte periode direct voorafgaand aan het verliezen van zijn bewustzijn heeft [slachtoffer] slechts deelgenomen aan een discussie tussen verdachte en [getuige 2] . Zowel [getuige 1] als verdachte zelf hebben verklaard dat verdachte [slachtoffer] tijdens deze discussie een duw heeft gegeven. De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van [getuige 1] onvoldoende betrouwbaar is om als bewijs te gebruiken en dat verdachte steeds heeft bedoeld te verklaren dat hij niet [slachtoffer] , maar alleen [getuige 2] een duw heeft gegeven.
De rechtbank overweegt als volgt. [getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] op enig moment tijdens de ruzie tussen [getuige 2] en verdachte tussen hen is ingekomen, kennelijk met de bedoeling om de ruzie te sussen, en dat verdachte [slachtoffer] vervolgens met twee armen een duw gaf in de borststreek, ter hoogte van de tepel. [getuige 1] hoorde [slachtoffer] daarop ‘Eeej’ zeggen. [getuige 1] heeft [slachtoffer] vervolgens vastgepakt en meegetrokken in de richting van [getuige 2] , die op het moment van de duw al was omgedraaid en richting de parkeergarage liep. Na de duw reageerde [slachtoffer] niet meer op [getuige 1] , keek hij haar vreemd aan en zag hij er wit uit. Na vijftien passen zakte [slachtoffer] in elkaar. [getuige 1] zag toen bloed op haar handen en op het shirt van [slachtoffer] , aan de linkerkant van zijn borst. [verbalisant 1] , die kort hierna ter plaatse kwam, heeft gezien dat [slachtoffer] ter hoogte van zijn linkerborst een snijwond had waar bloed uitkwam. [slachtoffer] was bleek, snakte naar adem en naast hem lag een plas bloed op de grond. Forensisch onderzoek op het lichaam van [slachtoffer] heeft uitgewezen dat [slachtoffer] in zijn hart was gestoken.
De verklaringen van [getuige 1] over het moment voor, van en na de duw die verdachte zou hebben gegeven aan [slachtoffer] zijn consequent en (op de cruciale punten) consistent geweest. [getuige 1] heeft haar verhaal bovendien niet aangedikt en zij heeft verklaard bepaalde dingen ook niet goed (meer) te weten of te hebben kunnen zien. Zo heeft zij verklaard dat [getuige 2] de duw niet gezien kan hebben omdat hij al was weggelopen op het moment van de duw, en dat zij de handen van verdachte niet kon zien toen hij [slachtoffer] duwde. Daarnaast heeft [getuige 1] niet alleen verklaard een duw te hebben gezien, maar verklaart zij ook dat zij op dat moment [slachtoffer] ‘Eeej’ hoorde zeggen; een geluid dat goed kan passen bij een fysieke aanraking. De rechtbank acht de verklaringen van [getuige 1] geloofwaardig en betrouwbaar.
Verdachte heeft op 10, 11 en 13 december 2019 verklaard [slachtoffer] een duw te hebben gegeven, althans hem in ieder geval te hebben aangeraakt. Verdachte heeft op 24 december 2019 hierover verklaard zich te hebben vergist: hij had het niet over het duwen van [slachtoffer] maar van [getuige 2] . Verdachte heeft dit ter terechtzitting herhaald. De rechtbank acht deze vergissing onaannemelijk. Door de rechercheurs alsmede door de rechter-commissaris is de naam van [slachtoffer] expliciet genoemd in de vraagstelling over de duw. Verdachte heeft vervolgens op drie verschillende dagen en op meerdere vragen hierover verklaard dat hij [slachtoffer] , en niet [getuige 2] , heeft geduwd, ook nadat hij expliciet geconfronteerd werd met zijn tegenstrijdige eerdere verklaringen op dit punt. Hiermee is voor de rechtbank uitgesloten dat verdachte zich - op alle drie de momenten - ten aanzien van deze cruciale vraag zich telkens zou hebben vergist.
De verklaring van verdachte, dat hij [slachtoffer] een duw heeft gegeven, biedt ondersteuning aan de verklaring van [getuige 1] in die zin dat deze verklaring bevestigt dat er fysiek contact is geweest tussen verdachte en [slachtoffer] . Ook de plaats waar verdachte [slachtoffer] geraakt heeft, ter hoogte van zijn tepel, komt overeen met de plaats waar de steekverwonding is toegebracht. Voor de vaststelling van de wijze waarop dit contact heeft plaatsgevonden volgt de rechtbank de verklaring van [getuige 1] , omdat deze om eerder genoemde redenen geloofwaardig is.
Op basis van bovenstaande is er naar het oordeel van de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte [slachtoffer] - tijdens de duw - met een scherp voorwerp in het hart heeft gestoken als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden. Hoewel geen van de getuigen daadwerkelijk heeft gezien dat verdachte [slachtoffer] met een mes heeft gestoken - verschillende getuigen spreken over een duw - weegt mee dat verdachte [slachtoffer] ter hoogte van zijn tepel raakte en het letsel rond dezelfde plek is toegebracht. Voor de overtuiging weegt de rechtbank daarnaast mee dat het bloedspoor van [slachtoffer] start (spoor 1 op de ‘kaart plaats delict’) op korte afstand van de locatie waar [slachtoffer] volgens [getuige 1] door verdachte is geduwd (locatie 7 op de situatieschets bij haar verhoor). Op de route die [slachtoffer] heeft afgelegd voor hij op de locatie van incident 3 aankwam, is geen bloed van [slachtoffer] aangetroffen. Verder blijkt uit de verklaring van [getuige 1] dat [slachtoffer] vrijwel direct na incident 3 vreemd uit zijn ogen keek, niet meer reageerde en bleek werd. Ook dit weegt voor de rechtbank mee in de overtuiging dat [slachtoffer] tijdens de duw door verdachte in zijn hart is gestoken.
(On)mogelijkheid ontstaan dodelijk steekletsel voorafgaand aan incident drie
Mede op basis van de rapporten van [betrokkene 6] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] valt echter volgens de verdediging niet uit te sluiten dat [slachtoffer] al was gestoken voorafgaand aan de confrontatie met verdachte. Daarbij komt dat de groep waartoe [slachtoffer] behoorde, die avond betrokken was bij twee eerdere incidenten. De verdediging is van mening dat op basis van het forensisch onderzoek en de diverse verklaringen in het dossier niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] bij het zogenoemde ‘incident 1’ of ‘incident 2’ is gestoken. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat [slachtoffer] ook (per ongeluk) door [getuige 2] kan zijn gestoken tijdens incident 3. De rechtbank zal hierna de door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario’s bespreken en haar conclusies hierover toelichten.
Feitelijke gang van zaken incident 1
Na afloop van de wedstrijd vond op [a-straat] waar de voetbalwedstrijd werd uitgezonden (weergegeven met een A op de kaart plaats delict) een confrontatie plaats tussen [betrokkene 3] en [getuige 3] , het broertje van [slachtoffer] . In het dossier wordt deze confrontatie aangeduid als incident 1, omdat dit blijkens het opsporingsonderzoek het eerste incident was waarbij [slachtoffer] op de avond voor zijn dood betrokken is geweest. [getuige 3] heeft bekend [betrokkene 3] bij dit incident te hebben geslagen. [getuige 3] heeft verklaard dat [slachtoffer] hem bij het incident tussen [getuige 3] en [betrokkene 3] , samen met anderen, had tegengehouden. Deze verklaring vindt steun in andere getuigenverklaringen. Na het incident zijn [getuige 3] , [getuige 2] , [getuige 1] en [slachtoffer] samen weggelopen richting de kopse kant van de flat aan [b-straat] , alwaar vervolgens incident 2 plaatsvond.
Beoordeling incident 1
Bij de beoordeling van incident 1 is allereerst van belang dat het dossier geen concrete aanwijzing(en) bevat dat [slachtoffer] bij of kort na incident 1 (steek)letsel heeft opgelopen in of nabij zijn hartstreek. Geen van de getuigen verklaart over fysiek contact tussen [slachtoffer] of een derde. Los daarvan kan ook op grond van het sporenonderzoek en de conclusies van de deskundigen worden uitgesloten dat [slachtoffer] bij dit incident het uiteindelijk fatale steekletsel heeft opgelopen. Uit het deskundigenrapport van [betrokkene 6] heeft de rechtbank geconcludeerd dat [slachtoffer] waarschijnlijk maximaal één minuut bij bewustzijn is geweest nadat hij is gestoken. Op grond van het dossier en de afstand tussen de locatie van incident 1 en het neerstorten van [slachtoffer] kan worden vastgesteld dat er tussen het eerste incident en het ineenstorten van [slachtoffer] meer tijd is verstreken dan één of enkele minuten. Daarbij komt dat de eerste bloedsporen van [slachtoffer] zijn aangetroffen op het trottoir van de in- uitrit van de parkeergarage, op 14 meter afstand van de openbare weg Schakelstede, op aanzienlijke afstand van de plek waar incident 1 zich afspeelde.
Tussenconclusie (1)
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] bij incident 1, of kort daarna, het fatale steekletsel heeft opgelopen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat geen van de getuigen tijdens of na incident 1 iets opvallends aan [slachtoffer] heeft opgemerkt, hetgeen wel te verwachten zou zijn als [slachtoffer] een acuut levensbedreigende steekwond in zijn hart zou hebben opgelopen.
Feitelijke gang van zaken incident 2
Nadat [slachtoffer] met [getuige 3] , [getuige 2] en [getuige 1] [a-straat] had verlaten, deed zich een tweede incident voor, opnieuw met [betrokkene 3] . [betrokkene 3] zou naar aanleiding van incident 1 hebben geroepen dat hij ‘hun’ - kennelijk doelend op [getuige 3] en [slachtoffer] - ging schieten en dat hij een ‘pipa’ (kennelijk een pistool) zou gaan halen. [getuige 2] heeft dit gehoord en heeft [betrokkene 3] hierop een vuistslag gegeven, waardoor [betrokkene 3] op de grond viel en tijdelijk buiten bewustzijn raakte. Uit de getuigenverklaringen en het sporenonderzoek volgt dat dit incident zich heeft voorgedaan aan de kopse kant van de flat, vlak naast of op de openbare weg [b-straat] (op ‘kaart plaats delict’ aangeduid met een ster en de letter 'B').
Getuigenverklaringen incident 2
Verdachte en zijn toenmalige vriendin, [betrokkene 4] , stonden gedurende incident 2 aan de overkant van de straat, bij [A] . [betrokkene 4] heeft de klap die [getuige 2] aan [betrokkene 3] gaf waargenomen, en is naar [betrokkene 3] toegerend. [betrokkene 4] heeft verklaard dat zij zag dat [betrokkene 3] voorover plat op de grond lag. Zij zag toen dat [betrokkene 3] zijn hoofd optilde en schuin naar achteren naar boven keek in haar richting. [betrokkene 3] keek wat wazig uit zijn ogen. Nadat [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] vroeg of het ging, zag zij dat [betrokkene 3] opstond en verder niks zei. Hierna liep hij meteen weg in de richting van [a-straat] . [betrokkene 4] denkt dat [betrokkene 3] één a twee minuten buiten westen is geweest.
Naast [betrokkene 4] was ook [getuige 5] - een toevallige voorbijganger - getuige van incident 2. [getuige 5] , die blijkens haar verklaring ook aan de overkant van de straat stond, heeft verklaard de straat te zijn overgestoken en naar [betrokkene 3] te zijn toegelopen. Zij heeft aan [betrokkene 3] , die op dat moment weer op de been was, gevraagd of het ging. [getuige 5] zag dat [betrokkene 3] dronken was en dat hij haar wazig aankeek. Zij zag geen verwondingen bij [betrokkene 3] . [betrokkene 3] is door zijn vrienden op de stoep geholpen en daarna samen met hen weggelopen. [getuige 5] is vervolgens teruggekeerd naar de overkant van de straat.
[getuige 6] heeft over dit incident verklaard dat [betrokkene 3] na de klap van [getuige 2] ongeveer een paar seconden bleef liggen. Hij zag niemand in de buurt van [betrokkene 3] op het moment dat [betrokkene 3] op de grond lag. Nadat hij zag dat [betrokkene 3] opstond zag hij dat [getuige 3] , [slachtoffer] , [getuige 1] en [getuige 2] wegliepen richting de parkeergarage.
Verdachte en [getuige 3] hebben op verschillende momenten verklaringen afgelegd over incident 2 die niet in overeenstemming zijn met de hiervoor weergegeven verklaringen. Verdachte heeft op 15 juli 2010 verklaard te hebben gezien dat [betrokkene 3] knock-out werd geslagen en daarna werd getrapt. Op 26 juli 2010 heeft verdachte in aanvulling hierop verklaard dat vier personen [betrokkene 3] zouden hebben vastgehouden. Op 17 september 2010 heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] half mee naar beneden viel toen [getuige 2] [betrokkene 3] sloeg. [slachtoffer] en zijn broer zouden [betrokkene 3] vervolgens hebben getrapt toen hij op de grond lag. [slachtoffer] zou door [betrokkene 3] naar beneden getrokken zijn. Verdachte zou hebben gezien dat [betrokkene 3] [slachtoffer] met twee handen vasthad bij zijn bovenarmen, dat [slachtoffer] zich lostrok en dat [slachtoffer] en [getuige 3] [betrokkene 3] allebei begonnen te trappen. Ter terechtzitting van 14 april 2022 heeft verdachte verklaard niet te hebben gezien dat iemand [slachtoffer] heeft aangeraakt. Hij heeft [betrokkene 3] wel in elkaar zien zakken, maar had na incident 2 vooral oog voor de weglopende [getuige 2] , omdat hij bij hem verhaal wilde gaan halen. Later op de zitting corrigeerde verdachte dit, door te zeggen dat hij wel gezien had dat [betrokkene 3] , toen hij wilde opstaan, zich aan [slachtoffer] omhoog trok/probeerde te trekken.
[getuige 3] heeft wisselend verklaard over incident 2. In de nacht van de dood van [slachtoffer] verklaart [getuige 3] dat [betrokkene 3] [slachtoffer] heeft doodgestoken. Uit het verhoor van 12 juli 2010 volgt dat hij dit niet gezien heeft, maar het vermoedde omdat [betrokkene 3] bekend stond als iemand die vaker een mes bij zich heeft. Hij verklaarde dat hij die avond geen mes bij [betrokkene 3] heeft gezien. Bij de reconstructie in oktober 2010 verklaarde [getuige 3] dat [betrokkene 3] op de grond viel door de klap van [getuige 2] en dat onder meer twee vrouwen [betrokkene 3] opraapten, vermoedelijk getuigen [betrokkene 4] en [getuige 5] . [getuige 3] plaatste [slachtoffer] bij de reconstructie op de stoep, zonder fysiek contact met [betrokkene 3] . In een politieverhoor van 3 november 2010 verklaarde [getuige 3] te hebben gezien dat [betrokkene 3] , op het moment dat hij werd neergeslagen, iets uit zijn zak wilde halen. Toen [betrokkene 3] viel, kwam hij toevallig met zijn arm langs [slachtoffer] . In hetzelfde verhoor verklaart [getuige 3] dat dit zou zijn gebeurd toen [betrokkene 3] al op de grond lag.
Beoordeling incident 2
De rechtbank gaat bij de beoordeling van incident 2 uit van de verklaringen van getuigen [betrokkene 4] , [getuige 5] en [getuige 6] . [getuige 5] is een onafhankelijke getuige en [betrokkene 4] was destijds de vriendin van verdachte en had geen kennelijke reden om in zijn nadeel te verklaren. Zij zijn beiden direct naar [betrokkene 3] toegerend nadat ze doorhadden dat hij was neergeslagen. Deze getuigen zijn volledig gefocust geweest op [betrokkene 3] , en hun verklaringen zijn in lijn met elkaar. Zo hebben de getuigen meermaals en onafhankelijk van elkaar verklaard dat er na de klap van [getuige 2] geen fysiek contact is geweest tussen [betrokkene 3] en [slachtoffer] , dat [betrokkene 3] wazig uit zijn ogen keek, en dat hij na te zijn opgestaan, is weggelopen. Ook [getuige 6] heeft blijkens zijn verklaring goed zicht gehad op [betrokkene 3] . Ook hij heeft verklaard dat er niemand in de buurt van [betrokkene 3] was op het moment dat [betrokkene 3] op de grond lag. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid van de verklaringen van voornoemde getuigen.
De verklaringen van verdachte en [getuige 3] worden weersproken door de verklaringen van getuigen [betrokkene 4] en [getuige 5] . Verdachte en [getuige 3] hebben bovendien beiden wisselend verklaard, en hun verklaringen zijn niet in lijn met elkaar. Uit de verklaringen van verdachte blijkt bovendien dat hij, in tegenstelling tot [betrokkene 4] en [getuige 5] , na de klap van [getuige 2] aan [betrokkene 3] vooral was gefocust op [getuige 2] . De rechtbank concludeert dat [slachtoffer] rondom incident 2 geen fysieke confrontatie heeft gehad met [betrokkene 3] (of een ander).
Na incident 2
Nadat [getuige 2] [betrokkene 3] een klap gaf, is [getuige 2] omgedraaid en weggelopen richting de parkeergarage. Ook [getuige 3] , [getuige 1] en [slachtoffer] liepen vervolgens achter [getuige 2] aan richting de parkeergarage. Gedurende deze wandeling is [slachtoffer] kennelijk zelfstandig en zonder problemen in staat geweest om de hoek van de Schakelstede richting de parkeergarage te lopen, en, zoals ook uit de bewijsmiddelen volgt, zich vervolgens zowel fysiek (door tussenbeide te komen) als verbaal te bemoeien met de ruzie tussen verdachte en [getuige 2] . Het dossier bevat geen aanwijzingen dat [slachtoffer] tijdens of na incident 2 fysiek (motorisch) of mentaal niet goed functioneerde, hetgeen wel voor de hand had gelegen als hij op dat moment reeds in zijn hart was gestoken, gelet op de aard van dit letsel (acuut levensbedreigend). Alleen verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] bij incident 3 zwalkte en een aantal keren de stoep op en af ging, maar deze verklaring vindt geen enkele ondersteuning in het dossier. Geen van de getuigen heeft bovendien rond incident 2 iets opvallends aan (het functioneren van) [slachtoffer] gemerkt, waaruit kan worden opgemaakt dat [slachtoffer] op dat moment ergens last van had. Dit zijn contra-indicaties voor het scenario dat [slachtoffer] het uiteindelijk fatale steekletsel heeft opgelopen voorafgaand of bij incident 2, of gedurende de wandeling richting de plek waar incident 3 heeft plaatsgevonden.
Tussenconclusie (2)
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] voor, bij of kort na incident 2 het uiteindelijk fatale steekletsel heeft opgelopen, en concludeert dat [slachtoffer] op het moment dat incident 3 plaatsvond nog niet gewond was.
Incident 3
Feitelijke gang van zaken
Kort nadat [getuige 2] de hoek aan de kopse kant van de parkeergarage was omgelopen, sprak verdachte hem aan. Verdachte had gezien dat [betrokkene 3] door [getuige 2] tegen de grond was geslagen en besloot hierop de straat over te steken en verhaal te gaan halen. Terwijl [getuige 2] en verdachte ruzie maakten, is [slachtoffer] samen met [getuige 1] erbij gaan staan en sloot (iets later) [betrokkene 4] zich ook aan. Na de ruzie is [slachtoffer] samen met [getuige 1] doorgelopen richting de parkeergarage en onderweg ineengezakt. Op dat moment is bij hem steekletsel in de borststreek geconstateerd dat hem uiteindelijk fataal is geworden.
Zoals hiervoor is weergegeven is de rechtbank van oordeel dat er wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte [slachtoffer] tijdens dit incident in zijn hart heeft gestoken. De rechtbank zal voor de volledigheid het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario dat [getuige 2] [slachtoffer] (per ongeluk) heeft neergestoken, bespreken.
Alternatief scenario incident 3
Naast verdachte en [slachtoffer] was verder alleen [getuige 2] actief betrokken bij incident 3. Bij de beoordeling van de vraag hoe het fatale steekletsel kan zijn ontstaan, is het daarom van belang om het scenario te onderzoeken dat niet verdachte, maar [getuige 2] [slachtoffer] (al dan niet per ongeluk) het fatale steekletsel heeft toegebracht. De rechtbank stelt bij de beoordeling van de waarschijnlijkheid van dit scenario voorop dat [getuige 2] op grond van het dossier geen motief had om [slachtoffer] , één van zijn beste vrienden, opzettelijk te steken. Dat betekent niet dat [getuige 2] [slachtoffer] niet per ongeluk kan hebben gestoken. Voor een ongewilde handeling van [getuige 2] waarbij [slachtoffer] door hem zou kunnen zijn gestoken, biedt het dossier echter geen enkele aanwijzing. [getuige 2] heeft ontkend dat hij [slachtoffer] tijdens dit incident heeft aangeraakt. Zowel verdachte, die bij incident 3 dichtbij [getuige 2] en [slachtoffer] stond, als [getuige 1] en [betrokkene 4] hebben niet verklaard dat zij hebben gezien dat er tussen [getuige 2] en [slachtoffer] een handeling heeft plaatsgevonden waarbij [getuige 2] [slachtoffer] (per ongeluk) gestoken kan hebben. Ook ter zitting heeft verdachte herhaald dat niemand anders [slachtoffer] heeft aangeraakt tijdens incident 3. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verdachte en [betrokkene 4] een goed blikveld op [getuige 2] moeten hebben gehad, en dat als [getuige 2] [slachtoffer] (per ongeluk) zou hebben gestoken, een verklaring van hen daarover in de rede zou liggen. De rechtbank acht dit scenario uitgesloten.
Conclusie
[slachtoffer] is met een scherp voorwerp gestoken kort - waarschijnlijk maximaal een minuut - voordat hij ineenzakte en vervolgens zijn bewustzijn verloor. In de korte periode die daaraan voorafging heeft [slachtoffer] alleen een fysieke confrontatie gehad met verdachte. Voorafgaand aan deze confrontatie was [slachtoffer] nog niet gestoken. Verdachte heeft hem vervolgens ‘geduwd’ ter hoogte van de tepel en rond die plek is later een steekwond geconstateerd. Het bloedspoor van [slachtoffer] begint vlakbij de plek waar de confrontatie met verdachte heeft plaatsgevonden. Vrijwel direct na deze confrontatie vertoonde [slachtoffer] opmerkelijk gedrag: hij werd bleek, reageerde niet meer en keek raar uit zijn ogen. Enkele passen verder is hij ineengezakt. Nu geen van de door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario’s mogelijk is dan wel aannemelijk is geworden, blijft de conclusie van de rechtbank dat op grond van de bewijsmiddelen en voorgaande bewijsoverwegingen wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte [slachtoffer] bij incident 3 opzettelijk (al dan niet in voorwaardelijke zin) heeft gedood, door [slachtoffer] met een scherp voorwerp in het hart te steken, ten gevolge waarvan hij uiteindelijk is overleden.”
7. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard (vonnis p. 13) dat hij
“op of omstreeks 11 juli 2010 te [plaats ] , opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer] met een scherp voorwerp in het hart gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”
8. Aan de voorgaande bewijsoverwegingen heeft het hof het volgende bewijsmiddel toegevoegd (arrest, p. 4):
“Het proces-verbaal van verhoor [getuige 7] d.d. 22 juli 2010, pagina’s 700 en 701, opgemaakt door [verbalisant 2] brigadier van de politie Utrecht , voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:
Ik was op 11 juli 2010 in [plaats ] om samen met mijn vrouw op [a-straat] de WK finale te kijken. Na de wedstrijd zijn wij in de richting van het politiebureau gelopen. Mijn vrouw zag een jongen op de grond liggen en zij ging daar naartoe. Ik stond op het hoekje bij de bank, op de straat. Ik zag daar een jongen en een meisje onder de overkapping van de bank staan, links van mij. Het meisje had blond haar tot op haar schouders. Ik zag dat de jongen met zijn rechterhand heel vreemd stond. Ik zag dat zijn duim van zijn rechterhand niet te zien was. Ik zag dat zijn vingers van zijn rechterhand recht naar beneden wezen. Ik had het idee dat hij iets in zijn rechterhand vast had. Ik heb niet gezien of hij daadwerkelijk iets in zijn hand had. Zijn rechterarm hing gestrekt naar beneden. Op een gegeven moment zie ik dat die jongen de weg oversteekt. Ik zag dat die jongen rustig liep en de inrit van de parkeergarage op liep. Ik zag op de inrit van de parkeergarage een groep mensen staan of lopen. Ik zag dat die jongen naar die groep mensen liep. Ik zag dat die jongen kort bij die groep was. Ik zag dat die jongen rustig terug kwam lopen en gelijk is doorgelopen tussen de bank en het politiebureau door.”
9. Bij wijze van aanvullende overwegingen met betrekking tot het bewijs heeft het hof overwogen (arrest, p. 5-7):
“Verklaring [getuige 7]
Nadat zijn vrouw een jongen op de grond zag liggen en daarnaartoe ging, ziet [getuige 7] een jongen samen met een meisje met blond haar. Het valt getuige daarbij op dat deze jongen diens rechterarm op een opvallende manier langs zijn lichaam hield en iets in zijn rechterhand vast leek te hebben. Zijn vingers wezen daarbij recht naar beneden.Nu [getuige 7] verklaart over een jongen op de grond, moet deze waarneming zijn gedaan kort na het moment waarop [betrokkene 3] is geslagen en op de grond is gevallen. De jongen die getuige de straat ziet oversteken en naar een groep ziet toelopen, moet verdachte zijn geweest. Verdachte was immers met [betrokkene 4] en is, zo verklaren ook andere getuigen en verdachte zelf, naar de groep met [getuige 2] en [slachtoffer] gelopen. Na kort daar geweest te zijn, stak hij de straat weer over en vertrok hij gevolgd door [betrokkene 4] .De verklaring geeft steun aan de vaststellingen die het hof in navolging van de rechtbank doet, dat verdachte bij het “duwen” van [slachtoffer] een voorwerp in zijn hand moet hebben gehad en [slachtoffer] met dat voorwerp heeft gestoken.
Het hof hecht waarde aan de waarneming van [getuige 7] , omdat [getuige 7] tijdens zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris in 2023 wederom van de houding van verdachte gewag maakt en daarbij opmerkt dat het “heel gek was”. Kennelijk was sprake van een opvallend detail dat getuige is bijgebleven.
Dat verdachte zijn hand en arm op de beschreven manier hield omdat hij reuma heeft zoals de verdediging in hoger beroep heeft gesteld, acht het hof niet aannemelijk geworden. Dat verdachte reuma heeft en daarvan ook al 2010 last had, is door verdachte niet eerder aangevoerd en is op geen enkele manier onderbouwd.
Forensische rapportages
Door de verdediging is een verslag van 25 november 2022 van [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ) aan het hof overgelegd. [betrokkene 5] stelt daarin dat de praktijk en de literatuur leert dat een slachtoffer nog meerdere minuten tot tientallen minuten bij bewustzijn kan zijn na het oplopen van één of meerdere steekwonden in het hart. Op basis daarvan bepleit de verdediging dat [slachtoffer] na de opgelopen verwonding nog een langere periode bij bewustzijn kan zijn geweest dan [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6] ) heeft geconcludeerd in zijn rapportage van 29 november 2010 en zijn aanvulling op dat rapport van 19 januari 2021. Volgens de verdediging kan de redenering van de rechtbank dat [slachtoffer] enkel bij incident III kan zijn gestoken daarom niet worden gevolgd.
Vooropgesteld wordt dat het hof met de rechtbank vaststelt dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor de mogelijkheid dat [slachtoffer] het letsel heeft opgelopen bij incident I of incident II. Ook al zou met [betrokkene 5] moeten worden aangenomen dat iemand met een steekverwonding in het hart nog gedurende een langere tijd met dat letsel kan rondlopen, doet dat niet af aan de vaststellingen dat tijdens incident I en II geen sprake is - geweest van fysiek contact tussen [slachtoffer] en een ander en [slachtoffer] om die reden het letsel wel bij het incident met verdachte moet hebben opgelopen.
Het hof stelt daarnaast vast dat [betrokkene 5] in zijn verslag twee situaties beschrijft: de situatie waarin het hart door het scherp trauma gaat fibrilleren (scenario 1) en de situatie waarin zich (deels) een harttamponade ontwikkelt (scenario’s 2 en 3). [betrokkene 5] beschrijft dat in de eerste situatie het overlijden zeer snel optreedt, binnen enkele seconden en merkt daarover later op dat men na een 10 à 15-tal seconden het bewustzijn zal verliezen. Ook [betrokkene 6] onderscheidt in zijn rapport de situatie waarin zich een harttamponade ontwikkelt en zet die af tegen de situatie waarin sprake is van een snel optredende verbloedingsshock. Op grond van de bij [slachtoffer] geconstateerde letsels concludeert [betrokkene 6] dat hier van die laatste situatie sprake moet zijn geweest, en dat die binnen enkele minuten (geschat 1-2 minuten) bewustzijnsverlies en kort daarna de dood tot gevolg moet hebben gehad (dossierpagina's 4893-4902). In de aanvulling van 2021 schrijft [betrokkene 6] dat hij niet tot andere inzichten is gekomen en dat bij [slachtoffer] sprake was van acuut levensbedreigend en veelal snel dodelijk letsel (dossierpagina’s 5007-5009).
Uit het rapport [betrokkene 6] en de aanvulling daarop volgt dat [betrokkene 6] onder ogen heeft gezien dat zich na een steekincident meerdere scenario’s kunnen voordoen. [betrokkene 6] zet uiteen dat en waarom hij het door hem beschreven scenario het meest waarschijnlijk acht. Het door de verdediging ingebrachte verslag van [betrokkene 5] beschrijft scenario’s, maar laat zich niet uit over de waarschijnlijkheid van die scenario’s gelet op de bevindingen in dit specifieke geval. Het hof ziet in het verslag van [betrokkene 5] dan ook geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het rapport van [betrokkene 6] zoals dat in de bewijsvoering is betrokken.
Door de verdediging is een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [betrokkene 6] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , te weten onder de voorwaarde dat het hof deze deskundigen in de bewijsconstructie gebruikt. Hiervoor is uiteengezet waarom het hof in het verslag van [betrokkene 5] geen aanleiding ziet te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de bevindingen van [betrokkene 6] . Het hof is van oordeel dat de noodzaak tot het horen van deskundige [betrokkene 6] daarom niet is gebleken. Evenmin ziet het hof noodzaak om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te horen. Daarbij betrekt het hof dat door de verdediging niet is aangevoerd over welke vragen deze deskundigen zouden moeten worden gehoord.”
De aanvang van het nieuwe opsporingsonderzoek en de rechtsgevolgen die het hof aan het geconstateerde verzuim heeft verbonden
10. In het bestreden arrest (p. 2-4) heeft het hof het volgende overwogen:
“Op grond van artikel 255 lid 1 Sv kan een verdachte na een aan hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging niet ter zake van hetzelfde feit opnieuw in rechte worden betrokken, tenzij nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. Als waarborg dat de verdachte, van wiens verdere vervolging eerder was afgezien, niet lichtvaardig op grond van nieuwe bezwaren alsnog ter terechtzitting wordt gedagvaard moeten op grond van lid 3 van deze bepaling die nieuwe bezwaren worden getoetst tijdens een opsporingsonderzoek. Tot het instellen van een dergelijk onderzoek mag pas worden overgegaan als daarvoor op vordering van de officier van justitie een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen. Uiteindelijk moet de rechter die over de strafzaak oordeelt de vraag beantwoorden of van nieuwe bezwaren is gebleken op grond waarvan de verdachte opnieuw kan worden vervolgd. Als die vraag ontkennend wordt beantwoord moet de rechter het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk verklaren.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 11 juli 2010 overlijdt [slachtoffer] in het ziekenhuis aan de gevolgen van een steek in zijn hart. Op 13 juli 2010 wordt verdachte aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] , waarna hij op 24 september 2010 in vrijheid wordt gesteld. Uiteindelijk registreert het openbaar ministerie op 7 augustus 2012 een sepotbeslissing. De zaak tegen verdachte wordt wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs geseponeerd.
Op 9 september 2017 wordt door de moeder van [slachtoffer] , getuige [benadeelde] , melding gedaan bij de politie. Zij stelt nieuwe informatie over de dood van haar zoon te hebben. Zij verklaart dat [betrokkene 7] haar heeft verteld dat familieleden van [betrokkene 7] opdracht hebben gegeven om [slachtoffer] te vermoorden. Het motief van de moord zou gelegen zijn in de gewezen relatie tussen [slachtoffer] en de destijds minderjarige [betrokkene 7] . [slachtoffer] zou voor dit feit strafrechtelijk zijn vervolgd en gestraft en de opgelegde straf zou naar het oordeel van de familie niet zwaar genoeg zijn geweest. De politie hoort daarop [betrokkene 7] als getuige op 12 oktober 2017, 7 november 2017 en 9 januari 2018. [betrokkene 7] bevestigt dat zij van een onbekend gebleven man te horen kreeg dat [slachtoffer] in opdracht van een derde om het leven zou zijn gebracht. In de door deze derde gegeven omschrijving herkende [betrokkene 7] haar oom [betrokkene 8] . Ook gaf [betrokkene 7] aan dat zij van haar tante had gehoord dat een familieberaad had plaatsgevonden waarin was besloten [slachtoffer] iets aan te doen. De onbekend gebleven man had met haar kenmerken gedeeld van de pleger van het feit. Het zou gaan om een ongeveer dertigjarige Marokkaan uit [plaats ] die bij zijn moeder woonde. Nadat door de politie was vastgesteld dat inderdaad sprake was van een veroordeling van [slachtoffer] en dat verdachte, die eerder in beeld was als mogelijke dader van het doodsteken van [slachtoffer] , in het verstrekte signalement paste, zijn door de politie opsporingshandelingen verricht. Zo zijn familieleden van [betrokkene 7] gehoord, is er telecommunicatie van onder meer verdachte opgenomen en is er op grond van artikel 126j Sv stelselmatig informatie over verdachte ingewonnen. Voor de inzet van die opsporingsmiddelen zijn machtigingen door de rechter-commissaris afgegeven. Verzuimd is echter vooraf een machtiging als bedoeld in artikel 255 lid 4 Sv te vorderen. Die vordering is pas op 6 september 2018 gedaan. In een proces-verbaal van bevindingen van 17 september 2018 (dossierpagina 3997) zetten de rechters-commissarissen uiteen dat zij geen beslissing meer zullen nemen op deze vordering omdat het opsporingsonderzoek op dat moment al enkele maanden liep. Zij merken op dat voor de inzet van opsporingsmethoden door hen machtigingen zijn afgegeven nadat zij hadden vastgesteld dat jegens verdachte nieuwe bezwaren waren gerezen en dat zij van oordeel zijn dat, als de vordering ex artikel 255 lid 4 Sv tijdig aan hen was voorgelegd, zij machtiging hadden verleend tot het instellen van een nieuw opsporingsonderzoek.
In het opsporingsonderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden voor de juistheid van het scenario zoals dat door [betrokkene 7] is beschreven. Wel heeft verdachte in het 126j Sv-traject tegen een politionele informatie-inwinner gezegd dat hij destijds de jongen die overleden is tegen de schouder heeft geduwd (dossierpagina’s 3180-3181). Die verklaring heeft verdachte later op 13 december 2019 herhaald toen hij bij de rechter-commissaris werd gehoord in het kader van de toetsing inverzekeringstelling/inbewaringstelling, in die zin dat hij verklaarde dat hij [slachtoffer] heeft aangeraakt. Op de vraag of hij [slachtoffer] een duw heeft gegeven, antwoordde verdachte: "Ja, zo van 'blijf uit mijn buurt'. Ik weet niet of dat een duw is. Hij kwam tegen mij aan. Het leek wel alsof hij dronken was of zo. Hij zwalkte. Ik weet niet of hij dronken was of iets anders. Hij kwam veel te dichtbij. Ik wilde dat hij uit mijn buurt bleef’. En op de vraag of hij [slachtoffer] heeft aangeraakt, antwoordde verdachte met: "Ja" (dossierpagina 255).
Nadien is nader onderzoek door het NFI verricht, is aanvullend door deskundigen gerapporteerd en zijn getuigen gehoord.
De verklaringen van [betrokkene 7] en [benadeelde] over het nieuwe scenario leveren naar het oordeel van het hof geen nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255 lid 1 Sv op. Onderzoek door de politie naar die verklaringen heeft immers geen steun voor dat scenario opgeleverd, zodat die verklaringen niet als nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255 lid 1 Sv kunnen worden aangemerkt en die bepaling in de weg zou staan aan dagvaarding van verdachte. Dat neemt naar het oordeel van het hof niet weg dat de politie die verklaringen echter wel serieus mocht nemen en kon onderzoeken. De rechters-commissarissen hebben in hun proces-verbaal ook uiteengezet dat er naar hun oordeel voldoende nieuwe bezwaren aanwezig waren om (opnieuw) opsporingshandelingen te rechtvaardigen.
Tijdens dat opsporingsonderzoek heeft verdachte nieuwe verklaringen afgelegd en heeft hij verklaard dat hij [slachtoffer] destijds heeft geduwd. Die verklaringen gaan niet uit van het scenario dat door [benadeelde] en [betrokkene 7] werd geschetst maar van het scenario zoals dat in 2010-2012 door de politie al werd onderzocht. Nu verdachte eerder steeds heeft ontkend [slachtoffer] te hebben aangeraakt, kunnen deze verklaringen van verdachte uit 2019 naar het oordeel van het hof niettemin als nieuwe bezwaren tegen verdachte in de zin van artikel 255 lid 1 Sv worden aangemerkt. Die verklaringen en dat oorspronkelijke scenario zijn vervolgens onderwerp geweest van nader onderzoek. Van een situatie waarin lichtvaardig op grond van nieuwe bezwaren tot dagvaarding is overgaan is daarom geen sprake.
Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.
Met de verdediging en de advocaat-generaal constateert het hof dat door de rechter-commissaris niet een machtiging ex artikel 255 lid 4 Sv is verleend voorafgaand aan het starten van het nieuwe opsporingsonderzoek tegen de verdachte en dat in zoverre dus sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek.
Het vereiste van die machtiging verzekert dat de rechter-commissaris vóór de inzet van nieuwe opsporingshandelingen verifieert of sprake is van nieuwe bezwaren als bedoeld in artikel 255 lid 2 Sv. Uit het hiervoor al genoemde proces-verbaal van de rechters-commissarissen volgt dat zij weliswaar geen machtiging in de zin van 255 lid 4 Sv hebben afgegeven, maar dat zij wel ten aanzien van andere vorderingen in deze zaak vooraf hebben getoetst of sprake was van nieuwe bezwaren en dat die toets volgens hen niet anders was uitgevallen als (ook) om een machtiging in de zin van artikel 255 lid 4 Sv was verzocht. Gelet op het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en met het - in dit geval: ontbrekende - nadeel dat daarmee voor de verdachte is veroorzaakt, kan het geconstateerde verzuim daarom zonder gevolgen blijven.”
Middel 1
Een globale omschrijving van de klachten
11. Het eerste middel stelt in twee deelklachten de volgende oordelen ter discussie, te weten (a) het oordeel dat er nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255 lid 1 Sv bestaan, en (b) het oordeel dat het ontbreken van een machtiging van de rechter-commissaris als bedoeld in artikel 255 lid 4 Sv voorafgaand aan het instellen van het nieuwe opsporingsonderzoek niet hoeft te leiden tot uitsluiting van het daarmee verkregen bewijs.
Het bestreden oordeel
12. De onder randnummer 10 weergegeven vaststellingen en oordelen kunnen m.i. als volgt worden begrepen:
a. [benadeelde] (de moeder van het slachtoffer) heeft zich in september 2017 tot de politie gewend met de mededeling dat zij van [betrokkene 7] (de voormalige vriendin van het slachtoffer) had vernomen dat het slachtoffer in opdracht van de familie van [betrokkene 7] om het leven is gebracht.
b. Naar aanleiding hiervan heeft de politie [betrokkene 7] in de periode van oktober 2017 tot en met januari 2018 diverse malen als getuige gehoord. [betrokkene 7] bevestigde dat zij van een onbekend gebleven man had vernomen dat na familieberaad was besloten om het slachtoffer iets aan te doen wegens de relatie die tussen (de toen minderjarige) [betrokkene 7] en het slachtoffer had bestaan. De onbekende man gaf haar een omschrijving van de opdrachtgever (waarin zij haar oom meende te herkennen) en een omschrijving van de pleger (ik begrijp: van de doodslag).
c. De politie heeft van het voorgaande bevestiging gevonden in een veroordeling van het slachtoffer (ik begrijp: wegens de relatie met de minderjarige [betrokkene 7] ), terwijl [betrokkene 7] van de pleger kenmerken omschreef die correspondeerden met de persoon die eerder verdacht was geweest van het delict, te weten de verdachte.
d. Politie en justitie hebben vervolgens mede jegens de verdachte opsporingsonderzoek ingesteld ter zake van de nieuwe bezwaren, namelijk door diverse familieleden van [betrokkene 7] als getuige te horen, door van onder meer de verdachte telecommunicatie te onderscheppen, en door op grond van artikel 126j Sv stelselmatig informatie over de verdachte in te winnen, een en ander mét machtigingen van de rechter-commissaris tot toepassing van de genoemde opsporingsmethoden.
e. Verzuimd is echter om voorafgaand aan dit nieuwe opsporingsonderzoek op de voet van artikel 255 lid 4 Sv bij de rechter-commissaris machtiging tot het instellen ervan te vorderen. De officier van justitie heeft die vordering pas op 6 september 2018 gedaan.
f. De betrokken rechters-commissarissen hebben kort daarna bij proces-verbaal uiteengezet dat zij geen beslissing meer zullen nemen op deze vordering omdat het opsporingsonderzoek op dat moment al enkele maanden liep. Zij merken op dat zij voor de inzet van opsporingsmethoden machtigingen hebben afgegeven nadat zij hadden vastgesteld dat jegens de verdachte nieuwe bezwaren waren gerezen en dat zij, als de vordering ex artikel 255 lid 4 Sv tijdig aan hen was voorgelegd, machtiging zouden hebben verleend tot het instellen van een nieuw opsporingsonderzoek.
g. De politie mocht de verklaringen van [benadeelde] en [betrokkene 7] serieus nemen en kon deze verklaringen onderzoeken, aldus het hof. De rechters-commissarissen hebben in hun proces-verbaal ook uiteengezet dat er naar hun oordeel voldoende nieuwe bezwaren aanwezig waren om (opnieuw) opsporingshandelingen te rechtvaardigen.
h. Dit opsporingsonderzoek heeft niet geleid tot nieuwe bezwaren ter zake van hetzelfde feit (naar ik begrijp: geen nieuwe bezwaren die een dagvaarding rechtvaardigen), omdat het onderzoek naar die verklaringen geen steun heeft opgeleverd voor het door [benadeelde] en [betrokkene 7] geschetste scenario.
i. Wel heeft de verdachte in het opsporingsonderzoek in 2019 aan een politionele informatie-inwinner medegedeeld dat hij het slachtoffer (ik begrijp: bij gelegenheid van incident 3) tegen z’n schouder had geduwd. Deze verklaring heeft de verdachte later dat jaar bij de rechter-commissaris nog eens herhaald, terwijl de verdachte in het onderzoek dat in 2010-2012 plaatshad steeds had ontkend het slachtoffer te hebben aangeraakt.
j. De verklaringen van de verdachte die in dit onderzoek in 2019 bekend zijn geworden, te weten dat hij het slachtoffer (naar ik begrijp: bij incident 3) had geduwd, kunnen (naar ’s hofs oordeel) worden aangemerkt als nieuwe bezwaren tegen verdachte in de zin van artikel 255 lid 1 Sv.
k. Van een situatie waarin lichtvaardig op grond van nieuwe bezwaren tot dagvaarding is overgegaan is daarom (naar ’s hofs oordeel) geen sprake.
l. Aangezien de rechters-commissarissen hebben uiteengezet dat zij weliswaar geen machtiging in de zin van 255 lid 4 Sv hebben afgegeven, maar dat zij wel ten aanzien van andere vorderingen in deze zaak vooraf hebben getoetst of sprake was van nieuwe bezwaren en dat die toets volgens hen niet anders was uitgevallen als (ook) om een machtiging in de zin van artikel 255 lid 4 Sv was verzocht, heeft het geconstateerde verzuim om tijdig de machtiging te vorderen voor de verdachte geen nadeel veroorzaakt, en kan het geconstateerde verzuim zonder rechtsgevolgen blijven.
13. Als ik het goed zie, komen de stellers van het (eerste) middel in cassatie met hun eerste en tweede deelklacht met name op tegen de onder j, respectievelijk l weergegeven oordelen.
14. Ik merk ter inleiding allereerst op dat de onder j en l weergegeven oordelen geen verband houden met elkaar. Immers, ook als het geconstateerde verzuim achterwege was gebleven en dus tijdig een machtiging ex artikel 255 lid 4 Sv was gevorderd (en verkregen), had het (alsdan rechtmatig) ingestelde opsporingsonderzoek kunnen resulteren in de constatering dat er géén steun is gevonden voor de nieuwe bezwaren die aanleiding gaven voor het nieuwe opsporingsonderzoek, maar dat bij dit onderzoek wél nieuw bewijsmateriaal is verkregen voor een toedracht waarvoor aanvankelijk onvoldoende bewijs bestond. Dat betreft dan dus een opvolgend nieuw bezwaar als vrucht van opsporingsonderzoek dat (rechtmatig) is ingesteld naar aanleiding van een nieuw bezwaar waarvoor geen bevestiging is gevonden. Anders dan ten aanzien van het initiële nieuwe bezwaar, oordeelde het hof dat het opvolgende nieuwe bezwaar een dagvaarding ter terechtzitting rechtvaardigde.
Een bespreking van de eerste deelklacht: het bestaan van nieuwe bezwaren
15. De stellers van het middel werpen de vraag op of het opvolgende nieuwe bezwaar een voldoende sterke aanwijzing ten laste van de verdachte oplevert om het verschil te maken tussen enerzijds een sepot c.q. kennisgeving van niet verdere vervolging (hierna: knvv)1.en anderzijds een dagvaarding ter terechtzitting. Deze vraag laat zich m.i. – anders dan de stellers van het middel voorstaan – niet goed beantwoorden naar analogie van het buitengewone rechtsmiddel van herziening ten nadele. Ik zie wel een zekere overeenkomst, maar er zijn ook grote verschillen. Het maakt namelijk nogal uit of inbreuk wordt gemaakt op de rechtszekerheid die een onherroepelijke vrijspraak van de rechter meebrengt, of op de rechtszekerheid die uitgaat van een knvv.
16. Bovendien is de toets die de Hoge Raad als herzieningsrechter aanlegt een andere dan die de Hoge Raad als cassatierechter aanlegt. In het laatste geval, zoals thans, gaat het alleen om de begrijpelijkheidstoets van een oordeel dat sterk verweven is met waarderingen van feitelijke aard. ’s Hofs oordeel dat een nieuw bezwaar bestaat en dat dit sterk genoeg is om het voordien bestaande, door de officier van justitie onvoldoende geachte bewijs te verrijken tot een positie waarin de uitvaardiging van een dagvaarding ter terechtzitting gerechtvaardigd is, laat zich in cassatie slechts zeer beperkt toetsen.2.Ik loop in dat verband de in de eerste deelklacht verder voorgestelde sub-klachten successievelijk langs.
17. Voor zover de klacht berust op de veronderstelling dat het hof zou hebben geoordeeld “dat ieder nieuw, belastend bewijs reeds voldoende is om als ‘nieuw bezwaar’ te kwalificeren”, mist het feitelijke grondslag. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het hof zich op een dergelijke, algemene rechtsopvatting heeft gebaseerd.
18. Vervolgens is de vraag of het hof in zijn arrest voldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke juridische maatstaf het heeft toegepast bij de beoordeling of de verklaring van de verdachte over het duwen van het slachtoffer kan gelden als nieuw bezwaar in de zin van artikel 255 lid 1 Sv.
19. Uit het arrest blijkt dat het hof acht heeft geslagen op de verklaring van de verdachte uit 2019, afgelegd gedurende het nieuwe opsporingsonderzoek. Het hof overweegt dat deze verklaring, bezien in het licht van de eerdere, ontkennende verklaringen van de verdachte en het nadien gevoerde nieuwe opsporingsonderzoek, kwalificeert als een nieuw bezwaar in de zin van artikel 255 lid 1 Sv. Verder overweegt het hof dat van een situatie waarin lichtvaardig op grond van nieuwe bezwaren tot dagvaarding is overgegaan geen sprake is geweest.3.Hieruit volgt m.i. welke juridische maatstaf het hof heeft gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of de verklaring van de verdachte als nieuw bezwaar in de zin van artikel 255 lid 1 Sv kan worden aangemerkt. Dat oordeel getuigt m.i. niet van een onjuiste rechtsopvatting. De klacht treft in zoverre geen doel.
20. De deelklacht houdt verder in dat, voor zover het hof de juiste juridische maatstaf heeft gehanteerd, het oordeel dat de latere verklaring van de verdachte – inhoudende dat hij het slachtoffer een duw heeft gegeven – als nieuw bezwaar in de zin van artikel 255 lid 1 Sv kan worden aangemerkt, zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat reeds eerder in het dossier – met name op grond van de verklaring van getuige [getuige 1] (de partner van het slachtoffer) – duidelijk was dat de verdachte het slachtoffer zou hebben geduwd. Deze getuigenverklaring is ook door het hof tot het bewijs gebezigd. De erkenning van de verdachte levert dan weliswaar formeel nieuw bewijs op, maar zou inhoudelijk niets wezenlijks toevoegen aan het reeds bestaande bewijsmateriaal, aldus de stellers van het middel.
21. Die opvatting onderschrijf ik niet. Uit de bewoordingen van artikel 255 lid 2 Sv4.volgt dat niet vereist is dat nieuwe bezwaren in absolute zin nieuw zijn, in die zin dat zij voorheen geheel onbekend waren. De wet spreekt immers van bezwaren “welke later zijn bekend geworden of niet zijn onderzocht”. Of sprake is van een nieuw bezwaar moet worden beoordeeld in het licht van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij is niet doorslaggevend of de onderliggende feiten in een ander verband reeds aan de orde zijn geweest.5.
22. Het hof heeft in de onderhavige zaak geoordeeld dat de verklaring van de verdachte dat hij het slachtoffer een duw heeft gegeven, geldt als nieuw bezwaar in de zin van artikel 255 lid 1 Sv. Gelet op de locatie van de dodelijke verwonding, acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof aan deze verklaring waarde heeft toegekend en daarin een nieuw bezwaar heeft ontwaard. Dat is met name omdat de verdachte (tot die tijd) altijd had ontkend dat hij het slachtoffer überhaupt had aangeraakt en de verklaring van [getuige 1] door hem stellig werd betwist. Dat de verdachte bij gelegenheid van incident 3 een duwende beweging heeft gemaakt richting het slachtoffer en hem daarbij ter hoogte van de linker tepel heeft aangeraakt, stond vanaf het moment van de aanpassing van zijn verklaring echter niet wezenlijk meer ter discussie.
23. Nu alle resterende onderdelen van de eerste deelklacht evenmin opgaan, faalt de eerste deelklacht.
Een bespreking van de tweede deelklacht: aan het vormverzuim verbonden rechtsgevolgen
24. De tweede deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof – te weten dat kan worden volstaan met de enkele constatering van het verzuim – blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende is gemotiveerd.
25. Deze (deel)klacht berust blijkens de daarop gegeven toelichting (schriftuur p. 10-12) voor een groot deel op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het arrest moet m.i. als volgt worden begrepen. Het hof heeft vastgesteld dat de rechters-commissarissen op het moment dat zij machtiging gaven voor het toepassen van opsporingsmethoden waaraan (mede) de verdachte zou worden onderworpen, tevens hebben geoordeeld dat er – op dat moment – tegen de verdachte nieuwe bezwaren bestonden in de gedaante van de verklaringen van [benadeelde] en [betrokkene 7] . Het hof heeft vervolgens geoordeeld (zie randnummer 12 onder g, alsook arrest p. 4) dat de politie de verklaringen van [benadeelde] en [betrokkene 7] “serieus mocht nemen” en deze verklaringen “kon onderzoeken”. Daaraan voegt het hof toe dat de rechters-commissarissen in hun proces-verbaal “ook” uiteen hebben gezet dat er naar hun oordeel “voldoende nieuwe bezwaren aanwezig waren om (opnieuw) opsporingshandelingen te rechtvaardigen”.
26. In een en ander ligt besloten dat het hof zich kan vinden in het standpunt van de rechters-commissarissen dat vóór aanvang van het nieuwe opsporingsonderzoek tegen de verdachte zodanige nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255 lid 1 Sv bekend waren geworden dat een nieuw opsporingsonderzoek gerechtvaardigd was. Aan dit oordeel doet uiteraard niet af dat nadien, namelijk bij het nieuwe opsporingsonderzoek, voor die initiële nieuwe bezwaren geen bevestiging kon worden gevonden. Het hof oordeelt dan ook dat de initiële nieuwe bezwaren na sluiting van het nieuwe opsporingsonderzoek géén dagvaarding ter terechtzitting konden rechtvaardigen.
27. Het verzuim om tijdig een machtiging ex artikel 255 lid 4 Sv te vorderen heeft de verdachte niet in enig belang geschaad, omdat de rechters-commissarissen de aanwezigheid van nieuwe bezwaren bij aanvang van het opsporingsonderzoek wel degelijk hebben getoetst en vastgesteld, en redelijkerwijze ook konden vaststellen, aldus begrijp ik ’s hofs oordeel samengevat.
28. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en acht ik overigens ook niet onbegrijpelijk. De stellers van het middel brengen op voorhand tegen mijn lezing van het bestreden arrest in dat de door [betrokkene 7] gegeven omschrijving van de pleger van de doodslag (“ongeveer dertigjarige Marokkaan uit [plaats ] die nog bij zijn moeder woonde") te algemeen en weinigzeggend zou zijn om te kunnen doorgaan voor nieuwe bezwaren tegen de verdachte. Echter, ‘te algemeen en weinigzeggend’ is deze omschrijving uiteraard niet. Niet iedere destijds (ongeveer) dertigjarige Marokkaan uit [plaats ] die nog bij zijn moeder woonde, komt in aanmerking. Deze aanwijzing moet immers worden bezien tegen de achtergrond van de resultaten van het eerste opsporingsonderzoek. Zij versterkte een reeds bestaande (maar voor dagvaarding onvoldoende bevonden) verdenking jegens de verdachte.
29. Alle onderdelen van de tweede deelklacht van het eerste middel stuiten op het voorgaande af. Daarmee faalt het eerste middel.
Middel 2
30. Het middel bevat de klacht dat het hof zijn oordeel dat de verdachte opzettelijk het slachtoffer van het leven heeft beroofd door deze met een scherp voorwerp in het hart te steken, onvoldoende met redenen heeft omkleed. Volgens het middel is het bewijs van opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, onvoldoende gemotiveerd.
31. Ik merk ter inleiding op dat het debat ter terechtzitting zich toespitste op de vraag of de verdachte degene was die de steekverwonding had toegebracht, niet op de vraag of hij dat met opzet had gedaan. Er is ter terechtzitting dan ook omtrent het bewijs van (voorwaardelijk) opzet geen verweer gevoerd. Vanwege de bewezenverklaring van doodslag moet niettemin uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat de verdachte bij het teweegbrengen van de dodelijke steekverwonding met (voorwaardelijk) opzet heeft gehandeld. Hierover heeft de verdachte, die het toebrengen van de steekverwonding ontkende, echter geen verklaring afgelegd. In dat geval moet het bewijs van (voorwaardelijk) opzet met behulp van algemene ervaringsregels uit vaststaande omstandigheden – en dan met name de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging – kunnen worden afgeleid.
32. In dit verband heeft het hof vastgesteld dat de verdachte bij gelegenheid van incident 3 met beide armen een duwende beweging heeft gemaakt richting de borst van het slachtoffer, (mede) ter hoogte van de hartstreek. Daarbij had de verdachte een scherp snijdend voorwerp (zoals een mes) in z’n (rechter)hand. Met dit voorwerp heeft de verdachte het slachtoffer eenmaal gestoken in zijn hart, met voldoende kracht om het geconstateerde letsel toe te brengen. Bij gebrek aan contra-indicaties,6.heeft het hof uit het voorgaande kunnen afleiden dat de verdachte zodoende de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer bewust heeft aanvaard.7.Daaraan doet niet af dat het hof (mede vanwege de ontkenning van de verdachte)8.niet in staat was om vaststellingen te doen over de precieze kenmerken van het scherpe voorwerp waarmee is gestoken, noch over de precieze wijze waarop de verdachte het scherpe voorwerp heeft gehanteerd.
33. Het tweede middel faalt.
Middel 3
De klachten van het middel
34. Het middel bevat de deelklacht (1) dat de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek tot het horen van de deskundigen [betrokkene 6] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de waarborgen van artikel 6 lid 1 en lid 3 d EVRM, dan wel onvoldoende en onbegrijpelijk is gemotiveerd en (2) dat het hof ten onrechte niet kenbaar is nagegaan of de procedure als geheel eerlijk is verlopen.
35. Indien het middel geen doel treft, verzoeken de stellers van het middel de Hoge Raad (subsidiair) om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) op grond van artikel 267 VWEU.
De aan de klachten onderliggende processuele feiten
36. Het ter terechtzitting gedane voorwaardelijke verzoek tot het horen van de deskundigen [betrokkene 6] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] is als volgt gemotiveerd:
“185. De bewijsconstructie en de bewijsoverwegingen van de rechtbank kunnen niet gevolgd worden. De conclusie van de deskundige [betrokkene 6] kan niet gevolgd worden. Voor zover uw hof in de conclusies van de deskundigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] belastende elementen zou zien die het standpunt van cliënt onderuit zouden halen, meent de verdediging dat ook dat deel van de conclusies van die twee deskundigen niet overgenomen kan worden.
186. Voor zover uw hof zou neigen naar een bewezenverklaring en in dat kader de standpunten van één van deze deskundigen in een bewijsconstructie zou wensen te bezigen, wordt bij deze het uitdrukkelijke verzoek gedaan om een tussenarrest te wijzen, het onderzoek te heropenen en te bepalen dat deze deskundigen door de verdediging gehoord kunnen worden.”9.
“De verdediging verzoekt om een tussenarrest te wijzen en daarin aan te geven van welke deskundigenrapportages u in de bewijsconstructie uitgaat en te beslissen dat de betreffende deskundigen nader worden gehoord. Deze deskundigen kunnen dan in persoon en op zitting gehoord worden. Dit verzoek is gedaan onder de voorwaarde dat het hof zou neigen naar een bewezenverklaring.”10.
37. Het hof heeft het voorwaardelijk verzoek vervolgens bij arrest van 26 januari 2024 met de volgende motivering afgewezen (ik herhaal):
“Forensische rapportages
Door de verdediging is een verslag van 25 november 2022 van [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ) aan het hof overgelegd. [betrokkene 5] stelt daarin dat de praktijk en de literatuur leert dat een slachtoffer nog meerdere minuten tot tientallen minuten bij bewustzijn kan zijn na het oplopen van één of meerdere steekwonden in het hart. Op basis daarvan bepleit de verdediging dat [slachtoffer] na de opgelopen verwonding nog een langere periode bij bewustzijn kan zijn geweest dan [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6] ) heeft geconcludeerd in zijn rapportage van 29 november 2010 en zijn aanvulling op dat rapport van 19 januari 2021. Volgens de verdediging kan de redenering van de rechtbank dat [slachtoffer] enkel bij incident III kan zijn gestoken daarom niet worden gevolgd.
Vooropgesteld wordt dat het hof met de rechtbank vaststelt dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor de mogelijkheid dat [slachtoffer] het letsel heeft opgelopen bij incident I of incident II. Ook al zou met [betrokkene 5] moeten worden aangenomen dat iemand met een steekverwonding in het hart nog gedurende een langere tijd met dat letsel kan rondlopen, doet dat niet af aan de vaststellingen dat tijdens incident I en II geen sprake is geweest van fysiek contact tussen [slachtoffer] en een ander en [slachtoffer] om die reden het letsel wel bij het incident met verdachte moet hebben opgelopen.
Het hof stelt daarnaast vast dat [betrokkene 5] in zijn verslag twee situaties beschrijft: de situatie waarin het hart door het scherp trauma gaat fibrilleren (scenario 1) en de situatie waarin zich (deels) een harttamponade ontwikkelt (scenario’s 2 en 3). [betrokkene 5] beschrijft dat in de eerste situatie het overlijden zeer snel optreedt, binnen enkele seconden en merkt daarover later op dat men na een 10 à 15-tal seconden het bewustzijn zal verliezen. Ook [betrokkene 6] onderscheidt in zijn rapport de situatie waarin zich een harttamponade ontwikkelt en zet die af tegen de situatie waarin sprake is van een snel optredende verbloedingsshock. Op grond van de bij [slachtoffer] geconstateerde letsels concludeert [betrokkene 6] dat hier van die laatste situatie sprake moet zijn geweest, en dat die binnen enkele minuten (geschat 1-2 minuten) bewustzijnsverlies en kort daarna de dood tot gevolg moet hebben gehad (dossierpagina's 4893-4902). In de aanvulling van 2021 schrijft [betrokkene 6] dat hij niet tot andere inzichten is gekomen en dat bij [slachtoffer] sprake was van acuut levensbedreigend en veelal snel dodelijk letsel (dossierpagina’s 5007-5009).
Uit het rapport [betrokkene 6] en de aanvulling daarop volgt dat [betrokkene 6] onder ogen heeft gezien dat zich na een steekincident meerdere scenario’s kunnen voordoen. [betrokkene 6] zet uiteen dat en waarom hij het door hem beschreven scenario het meest waarschijnlijk acht. Het door de verdediging ingebrachte verslag van [betrokkene 5] beschrijft scenario’s, maar laat zich niet uit over de waarschijnlijkheid van die scenario’s gelet op de bevindingen in dit specifieke geval. Het hof ziet in het verslag van [betrokkene 5] dan ook geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het rapport van [betrokkene 6] zoals dat in de bewijsvoering is betrokken.
Door de verdediging is een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [betrokkene 6] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , te weten onder de voorwaarde dat het hof deze deskundigen in de bewijsconstructie gebruikt. Hiervoor is uiteengezet waarom het hof in het verslag van [betrokkene 5] geen aanleiding ziet te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de bevindingen van [betrokkene 6] . Het hof is van oordeel dat de noodzaak tot het horen van deskundige [betrokkene 6] daarom niet is gebleken. Evenmin ziet het hof noodzaak om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te horen. Daarbij betrekt het hof dat door de verdediging niet is aangevoerd over welke vragen deze deskundigen zouden moeten worden gehoord.”
Beoordelingskader voor middel 3: de verdedigingsrechten van artikel 6 lid 1 en lid 3 sub d EVRM
De uitoefening van tegenspraak en de toets van de bewijslevering
38. Volgens rechtspraak van het EHRM verankert artikel 6 lid 1 en lid 3 onder d EVRM de aanspraak dat al het bewijs dat de rechter ter onderbouwing van een veroordeling gebruikt, met het oog op de mogelijkheid van tegenspraak in verdachte’s aanwezigheid op een openbare terechtzitting moet worden geleverd en onderzocht.11.Wanneer de rechter de verklaring van een getuige ten laste van de verdachte voor het bewijs gebruikt, brengt deze aanspraak mee dat de verdediging de gelegenheid moet hebben (gehad) de getuige ter terechtzitting te ondervragen en zijn verklaring te bestrijden. Uitzonderingen op deze regel zijn toelaatbaar zolang verdachte’s verdedigingsrechten niet in het gedrang komen. Dit vergt in beginsel dat de verdediging op enig moment gedurende de procedure een adequate en behoorlijke gelegenheid heeft (gehad) om de getuige rechtstreeks te ondervragen en zijn verklaring te betwisten.12.
39. Aangezien het oordeel over de toelaatbaarheid, de relevantie en de waardering van het bewijs toekomt aan de nationale rechter, houdt het EHRM in dit verband vooral toezicht op de vraag of het strafproces in z’n geheel beschouwd, met inbegrip van de wijze waarop het door de rechter gebruikte bewijs is verkregen, ‘eerlijk’ is verlopen. Met andere woorden: het EHRM toetst the overall fairness of the trial.13.Wanneer het EHRM wordt geroepen om te oordelen over de klacht dat de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld om het bewijs op de terechtzitting te onderzoeken en te bestrijden, betrekt het EHRM bij de toets van the overall fairness of the trial de onderling samenhangende vragen naar (1) de reden waarom het door de rechter gebruikte bewijsmateriaal in kwestie niet ter terechtzitting is geleverd en onderzocht, (2) het belang van de bijdrage van dit bewijsmateriaal aan de door de rechter opgezette bewijsconstructie, en (3) compensatie voor de belemmering die de verdediging heeft ondervonden doordat bewijsmateriaal wordt toegelaten dat niet op de terechtzitting is geleverd en onderzocht.14.
40. Wat betreft vraag (2) in deze ‘driestappentoets’, zal een schending van artikel 6 EVRM zich niet voordoen indien het onderwerpelijke bewijsmateriaal binnen de bewijsvoering slechts van zeer ondergeschikte betekenis of overbodig (redundant) is.15.Ingeval het bewijsmateriaal voor de veroordeling echter van doorslaggevende invloed, althans van grote betekenis is, zal het EHRM de aanvaardbaarheid van de reden waarom het bewijs niet ter terechtzitting is geleverd en onderzocht, beoordelen (vraag (1): a good reason?) en acht slaan op de mate waarin de verdediging voor het gebrek in de bewijslevering compensatie is geboden (vraag (3): sufficient counterbalancing factors?).
41. Voor vraag (3) zijn relevant de punten (i) of de rechter behoedzaam is omgegaan met het bewijsmateriaal in kwestie en of hij zijn oordeel over de geloofwaardigheid ervan heeft onderbouwd,16.(ii) of er voor het ongetoetste bewijsmateriaal steunbewijs is waarmee de geloofwaardigheid ervan toeneemt,17.en (iii) of er krachtige procedurele maatregelen (strong procedural safeguards) zijn getroffen die het gebrek aan levering en toetsing van het bewijsmateriaal ter terechtzitting ondervangen. Wat punt (iii) betreft gaat het erom dat de verdediging op een andere wijze dan door de levering en toetsing van het bewijsmateriaal op een openbare terechtzitting een behoorlijke en effectieve mogelijkheid is geboden om de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal in kwestie te onderzoeken en aan te vechten.18.Vraag (3) punt (iii) van de driestappentoets betreft zodoende de vraag naar een alternatieve wijze waarop de toetsing van het bewijsmateriaal is verwezenlijkt en waarmee de verdediging adequaat is tegemoetgekomen.
Keskin en de noodzaak van het verhoor ter terechtzitting
42. De drietappentoets heeft zich uitgekristalliseerd in rechtspraak van het EHRM over verzoeken tot het horen van getuigen die (in het vooronderzoek) een verklaring hebben afgelegd met een voor de verdachte belastende strekking.19.Indien de rechter de veroordeling baseert op zo’n verklaring van een getuige à charge, moet de rechter in beginsel aannemen dat de verschijning en ondervraging van die getuige ter terechtzitting noodzakelijk is, aldus oordeelde het EHRM in zijn Keskin-uitspraak van 19 januari 2021.20.Anders dan bij een verzoek tot de oproeping ter terechtzitting van een getuige à decharge, hoeft de verdediging haar belang bij de ondervraging van een getuige à charge ter terechtzitting dus niet te onderbouwen, zo vervolgt het EHRM. In het verlengde hiervan ligt dat de rechter verzoeken tot de oproeping van een getuige à charge niet kan afwijzen op grond van tekortkomingen in de onderbouwing ervan.
43. De Hoge Raad reageerde op dit oordeel bij arrest van 20 april 2021 (post-Keskin), waarin hij onder meer overwoog:
“De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin heeft tot gevolg dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al - in het vooronderzoek of anderszins - een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. Daarvan is in ieder geval sprake als de rechter in eerste aanleg een verklaring van een getuige voor het bewijs heeft gebruikt, en de verdediging in hoger beroep het verzoek doet deze getuige op te roepen en te (doen) horen.”21.
De ondervraging van een deskundige à charge ter terechtzitting
44. Het EHRM acht zijn overwegingen over het oproepen van getuigen à charge ter terechtzitting in beginsel mutatis mutandis van toepassing indien bewijsmateriaal met een belastende strekking niet door getuigen maar door deskundigen wordt geleverd.22.Het EHRM realiseert zich dat getuigen en deskundigen op een verschillende manier (kunnen) bijdragen aan de bewijsvoering en de veroordeling.23.Dit neemt echter niet weg dat als de nationale rechter het nodig acht om het oordeel van deskundigen in te winnen, de verdediging in beginsel de mogelijkheid moet hebben om vragen te stellen aan deskundigen, hun deskundigheid en hun conclusies in twijfel te trekken en hen rechtstreeks op de terechtzitting te ondervragen.24.
45. Op 13 september 2022 oordeelde de Hoge Raad dat de regels die hij in zijn arrest van 20 april 2021 (post-Keskin) heeft geformuleerd over de beoordeling van verzoeken tot het horen van getuigen die een verklaring met een belastende strekking hebben afgelegd, “niet onverkort” toepassing vinden op verzoeken tot het oproepen van deskundigen die bewijs met een voor de verdachte belastende strekking hebben geleverd.25.In dit verband oordeelt de Hoge Raad dat getuigen à charge en deskundigen à charge “niet steeds volledig op één lijn” moeten of kunnen worden gesteld. Een verzoek tot het oproepen en het horen van een deskundige, zo vervolgt de Hoge Raad, moet in de regel door de verdediging worden gemotiveerd. Daarbij mag van de verdediging worden verlangd dat zij toelicht welke onderdelen van het verrichte onderzoek en/of van de over dat onderzoek opgestelde of afgelegde verklaring zij door middel van het horen van de deskundige wil (doen) toetsen. Daarbij kan van belang zijn dat de verdediging ook toelicht waarom daarvoor het oproepen en horen van de deskundige nodig is en niet een andere wijze van toetsing in aanmerking komt, aldus oordeelde de Hoge Raad.26.
Discussie over HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1198
46. Niet iedereen die zich in den lande bezighoudt met het strafrecht heeft dit arrest met een staande ovatie begroet.27.De stellers van het middel menen dat deze uitspraak onverenigbaar is met artikel 6 EVRM en betogen onder verwijzing naar rechtspraak van het EHRM en naar literatuur dat deskundigen die bewijs hebben geleverd met een voor de verdachte belastende strekking voor wat betreft de noodzaak van het verhoor ter terechtzitting met het oog op de mogelijkheid van tegenspraak wel degelijk op één lijn zouden moeten worden gesteld met getuigen à charge. De rechter zou dus in beginsel toewijzend moeten beslissen op een verzoek tot het horen van een deskundige wiens rapportage ten laste van de verdachte wordt (of kan worden) gebruikt en die hierover niet eerder door de verdediging is ondervraagd, zonder dat daarbij van de verdediging mag worden verlangd dat zij uiteenzet waarom dit verhoor noodzakelijk is en waarom niet (ook) een andere wijze van toetsing in aanmerking komt.
47. De vraag is op welke gronden de Hoge Raad precies oordeelt dat getuigen à charge en deskundigen à charge “niet steeds volledig op één lijn” moeten of kunnen worden gesteld. Welnu, allereerst merkt de Hoge Raad op dat “de verklaring van een getuige in de regel (…) betrekking heeft op de waarneming van gebeurtenissen die verband houden met het begaan zijn van het strafbare feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd”, terwijl het (schriftelijke) verslag van een deskundige “veeleer gericht [is] op het geven van voor de strafzaak relevante informatie over of het ten behoeve van de strafzaak doen van onderzoek op een terrein waarvan die persoon specifieke of bijzondere kennis bezit.”28.Daarnaast acht de Hoge Raad van belang “dat een ondervraging van een ‘expert witness’ in aanwezigheid van de verdediging niet de enige mogelijkheid betreft om de bevindingen en de conclusies van het door de betreffende deskundige verrichte onderzoek aan een (nader) onderzoek ten behoeve van de verdediging te onderwerpen.”29.
48. Onmiskenbaar zijn er verschillen in de aard van de bijdrage die getuigen, respectievelijk deskundigen aan de bewijsvoering (kunnen) leveren. Inderdaad wordt een (oog)getuige bevraagd naar zijn herinnering aan de zintuigelijke waarneming van een unieke gebeurtenis in het verleden. De deskundige treedt daarentegen voornamelijk op als tolk voor stille getuigen. Zijn taak is (1) het doen van zintuigelijke waarnemingen die expertise vergen (bijvoorbeeld: welk hartletsel is opgetreden?), en (2) voorzien in een wetenschappelijk verantwoorde interpretatie van waarnemingen (bijvoorbeeld: wat betekent dit hartletsel voor de doodsoorzaak? Hoe lang kan iemand met dit hartletsel leven zonder het bewustzijn te verliezen?). Voor beide, (1) waarneming en (2) interpretatie, geldt dat zij reproduceerbaar en controleerbaar zijn, mede vanwege de wijze waarop de deskundige wordt geacht zijn taak te vervullen. Dit verschil in de aard van de bijdrage van getuigen, respectievelijk deskundigen aan de bewijsvoering heeft tot gevolg dat een deskundige in principe inwisselbaar is, terwijl dat niet opgaat voor (oog)getuigen. De ooggetuige [getuige 1] is in deze zaak bijvoorbeeld onvervangbaar, terwijl over de gevolgen van het hartletsel bij het slachtoffer maar liefst vier deskundigen zich hebben uitgelaten. En dat aantal had moeiteloos hoger kunnen zijn.
49. Ik heb mij afgevraagd of het verschil in de aard van de bijdrage van getuigen respectievelijk deskundigen aan de bewijsvoering het door de Hoge Raad gemaakte onderscheid in motiveringseisen rechtvaardigt. De noodzaak van ruimte voor tegenspraak hangt m.i. namelijk niet af van de aard, maar van het belang van de bijdrage van het bewijsmateriaal in kwestie aan de (eventuele) veroordeling.30.Of dat bewijs wordt geleverd door bijvoorbeeld een ooggetuige van het delict of door een deskundige, maakt m.i. voor de uitoefening van verdedigingsrechten geen verschil.31.En als het belang om de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van een getuigenverklaring ter terechtzitting te onderzoeken en aan te vechten onder omstandigheden “verondersteld moet worden”, waarom geldt dat mutatis mutandis dan niet ook voor een deskundigenverklaring?
50. Met het voorgaande is niet gezegd dat de rechter elk verzoek tot het verhoor ter terechtzitting van een deskundige à charge zonder meer dient toe te wijzen.32.Er is mee gezegd dat de rechter het verzoek niet kan afwijzen op grond van tekortkomingen in de onderbouwing ervan.
51. Op welke gronden kan de rechter dat verzoek dan bijvoorbeeld wél afwijzen? In dit verband wijs ik erop dat het EHRM de driestappentoets presenteert als een toetsing achteraf van the overall fairness of the trial, met inbegrip van de wijze waarop het door de rechter gebruikte bewijs is verkregen. De toetsing achteraf werpt zijn schaduw vooruit. Bij de beoordeling van de noodzaak van het verhoor van een deskundige ter terechtzitting kan de rechter op dat moment reeds in aanmerking nemen of en in hoeverre er voor het verhoor van de deskundige ter terechtzitting een alternatief bestaat dat aan de verdedigingsrechten voldoende tegemoetkomt. De rechter kan dus op voorhand een inschatting maken van het antwoord op een vraag die bij uitstek wordt geadresseerd door vraag (3) punt (iii) uit de driestappentoets en dit antwoord meewegen in zijn beoordeling van de noodzaak van het verhoor ter terechtzitting.
52. Maakt dat dan zo’n groot verschil met het beoordelingskader dat de Hoge Raad in HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1198, voorschrijft? In dit arrest dicteert de Hoge Raad toch ook dat de rechter die moet oordelen over een verzoek tot de oproeping van een deskundige à charge acht slaat op de vraag “waarom het oproepen en horen van de deskundige nodig is en niet een andere wijze van toetsing in aanmerking komt”. Heeft de Hoge Raad dan niet gelijk met zijn overweging dat een ondervraging (ter terechtzitting) van een deskundige in aanwezigheid van de verdediging – juist vanwege de inwisselbaarheid van de (bijdrage van een) deskundige – “niet de enige mogelijkheid betreft om de bevindingen en de conclusies van het door de betreffende deskundige verrichte onderzoek aan een (nader) onderzoek ten behoeve van de verdediging te onderwerpen”?
53. De crux is echter dat de verantwoordelijkheid voor de inrichting van dat ‘nadere onderzoek ten behoeve van de verdediging’ in het arrest HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1198, voor een groot deel wordt neergelegd bij de verdediging zelf, die haar verzoek – op straffe van afwijzing – adequaat zal moeten motiveren. De beoordeling van vraag (3) punt (iii) legt daarentegen, net als de volvoering van de gehele driestappentoets, in eerste instantie de verantwoordelijkheid neer bij de nationale rechter, die gehouden is om – reeds tijdens het verloop ervan – toe te zien op de eerlijkheid van het strafproces als geheel. Bij de beoordeling van de noodzaak van het verhoor ter terechtzitting van een deskundige à charge aan de hand van déze maatstaven is het vertrekpunt dus een andere dan wanneer het vertrekpunt de beoordeling van de toereikendheid van de onderbouwing van het verzoek van de verdediging is.
De bespreking van middel 3, het primaire onderdeel
De twee primaire deelklachten
54. Op basis van het voorgaande meen ik dat de stellers van het middel met hun eerste deelklacht een gewichtig punt hebben. Immers, de rechter mag een verzoek tot oproeping van een deskundige à charge niet afwijzen, zoals het hof in deze zaak heeft gedaan, op de gronden (i) dat “door de verdediging niet is aangevoerd over welke vragen deze deskundigen zouden moeten worden gehoord” en (ii) dat de rechter de noodzaak van dit verhoor niet inziet. De rechter dient het belang van het verhoor van een deskundige à charge ter terechtzitting in beginsel ‘te veronderstellen’.
55. In kwestie is of dit verzuim in deze zaak tot cassatie moet leiden. Daarmee komt (tegelijk met de tweede deelklacht) de vraag op of het strafproces als geheel ‘eerlijk’, in de zin van artikel 6 EVRM, is verlopen. De stellers van het middel wijzen er met juistheid op dat het hof zich hierover, the overall fairness of the trial, niet heeft uitgelaten. Dat is correct en dat is spijtig. Wanneer verdedigingsrechten in het geding zijn, is het (op z’n minst) verstandig dat de rechter zijn oordeel hierover tot uitdrukking brengt.
56. Desalniettemin heeft te gelden dat het verzuim hiervan niet tot cassatie hoeft te leiden wanneer in de motivering van het bestreden arrest besloten ligt dat en waarom de bewijslevering in deze zaak – ondanks dat de verdediging tevergeefs heeft verzocht om deskundigen à charge ter terechtzitting te ondervragen – onder de streep verenigbaar is met de eisen van artikel 6 lid 1 en lid 3 onder d EVRM. Om die reden houd ik het bestreden arrest tegen het licht van de driestappentoets.
De driestappentoets: good reason?
57. Bij de beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen, bespreek ik (hoewel een andere volgorde ook had gekund) allereerst de vraag of het bestreden arrest blijk geeft van een aanvaardbare reden voor de afwijzing van het verzoek om drie deskundigen ter terechtzitting te ondervragen. Zoals hiervoor aangenomen, voldoet de door het hof gegeven motivering van de afwijzende beslissing niet, althans niet indien het werkelijk in alle drie de gevallen ( [betrokkene 6] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ) zou gaan om een deskundige à charge (daarop kom ik hieronder terug bij de bespreking van ieders rol in de bewijslevering). Verder constateer ik dat het hof geen vaststellingen heeft gedaan waaruit in cassatie andere mogelijke good reasons voor het manco in de bewijslevering kunnen worden afgeleid, zoals het overlijden, de gezondheid of de onbereikbaarheid van de deskundige. Hierna ga ik er dan ook van uit dat er in het bestreden arrest géén good reason besloten ligt voor de afwijzing van het verzoek van de verdediging om deskundigen à charge ter terechtzitting te ondervragen.
De driestappentoets: de bijdrage van de deskundigenverklaringen aan de bewijsconstructie
58. De tweede vraag van de driestappentoets gaat over het belang van de bijdrage van het onderwerpelijke bewijsmateriaal aan de door het hof opgetuigde bewijsconstructie. Bij deze vraag sta ik langer stil. Het hof heeft de rapportages van [betrokkene 6] in de bewijsvoering gebruikt ter beantwoording van de vraag of er op medische gronden uitspraken kunnen worden gedaan over de duur van de periode tussen het moment van het ontstaan van het hartletsel dat bij de inwendige schouw van het slachtoffer is vastgesteld en het moment van het intreden van bewustzijnsverlies (en de dood). Deze vraag houdt verband met de vraag naar de mogelijkheid en waarschijnlijkheid dat het slachtoffer een (dodelijke) steekverwonding is toegebracht op een eerder moment (incident 1 of incident 2) dan bij gelegenheid van incident 3. Niet ter discussie staat welk (hart)letsel precies bij de sectie is waargenomen, en evenmin wat dat betekent voor de doodsoorzaak.
59. Zoals de rechtbank heeft vastgesteld in de (door het hof overgenomen en hierboven aangehaalde) bewijsmotivering, heeft [betrokkene 6] bij zijn eerste rapportage te kennen gegeven dat het slachtoffer na de toediening van de steekverwonding waarschijnlijk minder dan een minuut bij bewustzijn zal zijn geweest.33.Daarnaast heeft [betrokkene 6] in een aanvullend rapport onderbouwd dat de kans dat het slachtoffer na het oplopen van de steekverwonding langer dan één minuut bij bewustzijn is geweest op klinische gronden zeer klein is, gelet op de zeer grote verwonding in het hart (een daarvan was maar liefst 3,5 cm lang en reikte tot in de linker hartkamer; de hartkamer die het bloed in de lichaamscirculatie pompt, aldus [betrokkene 6] ).34.
60. De rechtbank bespreekt in de bewijsmotivering wel de rapportages van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , maar uitsluitend om uiteen te zetten waarom zij hierin geen reden ziet om voorbij te gaan aan de conclusie van [betrokkene 6] .35.Het hof is in zijn arrest nog teruggekomen op dit debat, zulks naar aanleiding van de inbreng door de verdediging van een rapport d.d. 25 november 2022 van [betrokkene 5] .36.Het hof heeft in zijn (hierboven aangehaalde) overwegingen op inhoudelijke gronden uiteengezet waarom het in het rapport van [betrokkene 5] geen reden ziet om af te wijken van de conclusie van [betrokkene 6] . “Het door de verdediging ingebrachte verslag van [betrokkene 5] beschrijft scenario’s, maar laat zich niet uit over de waarschijnlijkheid van die scenario’s gelet op de bevindingen in dit specifieke geval”, aldus besluit het hof. In deze overwegingen van het hof komen de rapportages van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet voor.
61. Hieruit leid ik af dat de deskundigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in dit verband niet hebben te gelden als deskundigen à charge. Het hof heeft hun rapportages immers niet ten grondslag gelegd aan zijn (van de rechtbank overgenomen) vaststelling over de maximale duur van de periode tussen het moment van het ontstaan van het geconstateerde letsel en het moment van het intreden van bewustzijnsverlies (en de dood). Dit brengt mee dat het hof aan de onderbouwing van het verzoek tot de oproeping van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ter terechtzitting wel degelijk eisen had mogen stellen. Voor zover de klachten betrekking hebben op het verzoek tot de oproeping van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] strandt het middel dus nu reeds. Daaraan doet niet af dat het sectieverslag van [betrokkene 1] onder de bewijsmiddelen is opgenomen. De rechtbank onderbouwt daarmee immers uitsluitend de – door de verdediging niet weersproken – vaststelling van de doodsoorzaak.
62. Dit gaat echter niet op voor de rapportages van [betrokkene 6] . [betrokkene 6] heeft te gelden als deskundige à charge omdat de rechtbank en het hof ten laste van de verdachte gebruikmaken van zijn conclusie over de beperkte duur van de periode tussen het ontstaan van het geconstateerde hartletsel en het bewustzijnsverlies. Die kwestie was en is wel degelijk het onderwerp van tegenspraak. Thans kom ik te spreken over het belang van [betrokkene 6] ’ bijdrage aan de gevolgtrekking dat het slachtoffer de dodelijke steekverwonding niet eerder dan bij gelegenheid van incident 3 kan hebben opgelopen.
63. Dat belang is namelijk zeer beperkt. Het hof is (met overneming van de bewijsgronden van de rechtbank) langs twee andere wegen – onafhankelijk van de rapportage van [betrokkene 6] en op voornamelijk tactische gronden – tot diezelfde gevolgtrekking gekomen. Ik som de gronden (vaststellingen) op:
(a). het dossier bevat geen concrete aanwijzingen dat het slachtoffer bij of kort na incident 1 (steek)letsel heeft opgelopen in of nabij zijn hartstreek. Geen van de getuigen verklaart over fysiek contact tussen het slachtoffer en een derde;37.
(b). geen van de getuigen heeft tijdens of na incident 1 iets opvallends aan het slachtoffer opgemerkt;38.
(c). bij of rondom incident 2 heeft het slachtoffer geen fysieke confrontatie gehad;39.
(d). geen van de getuigen heeft rond incident 2 iets opvallends aan (het functioneren van) het slachtoffer gemerkt waaruit kan worden opgemaakt dat hij op dat moment ergens last van had. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat het slachtoffer tijdens of na incident 2 fysiek (motorisch) of mentaal niet goed functioneerde;40.
(e). het slachtoffer liep na incident 2 (met anderen) richting de parkeergarage. Gedurende deze wandeling is het slachtoffer kennelijk zelfstandig en zonder problemen in staat geweest om de hoek van [b-straat] richting de parkeergarage te lopen, en zich vervolgens zowel fysiek (door tussenbeide te komen) als verbaal te bemoeien met de ruzie tussen de verdachte en [getuige 2] ;
(f). bij gelegenheid van incident 3 heeft het slachtoffer deelgenomen aan een discussie tussen de verdachte en [getuige 2] , en is het slachtoffer tussen hen in gekomen, kennelijk met de bedoeling om de ruzie te sussen;
(g). het slachtoffer kreeg vervolgens een duw in de borststreek, ter hoogte van de tepel. [getuige 1] hoorde het slachtoffer daarop “Eeej” zeggen;
(h). [getuige 1] heeft het slachtoffer vervolgens vastgepakt en meegetrokken in de richting van [getuige 2] , die op het moment van de duw al was omgedraaid en richting de parkeergarage liep;
(i). na de duw reageerde het slachtoffer niet meer op [getuige 1] , keek hij haar vreemd aan en zag hij er wit uit;
(j). na vijftien passen zakte het slachtoffer in elkaar;
(k). het slachtoffer had ter hoogte van zijn linkerborst een snijwond waaruit bloed kwam;
(l). het slachtoffer was bleek, snakte naar adem en op de grond naast hem lag een plas bloed;
(m). een spoor van bloed dat afkomstig was van het slachtoffer start op korte afstand van de locatie waar het slachtoffer de duw kreeg (incident 3), en eindigt in de plas met bloed;
(n). op de route die het slachtoffer heeft afgelegd vóórdat hij op de locatie van incident 3 aankwam, is geen bloed van hem aangetroffen.
64. Deze opsomming van vaststellingen geeft het volgende beeld van de structuur van de bewijsvoering. De gevolgtrekking dat het slachtoffer de fatale steekverwonding niet eerder dan bij incident 3 heeft opgelopen, hebben de rechtbank en het hof in de eerste plaats afgeleid uit het cluster van vaststellingen (a) tot en met (d). Het hof heeft immers uit deze vaststellingen van de rechtbank (zie de voetnoten voor vindplaatsen) kunnen afleiden (arrest, p. 6) dat de rapportage van [betrokkene 5] niet afdoet aan “de vaststellingen dat tijdens incident I en II geen sprake is geweest van fysiek contact tussen [slachtoffer] en een ander en [slachtoffer] om die reden het letsel wel bij het incident met verdachte moet hebben opgelopen.”
Daarnaast heeft het hof de vaststellingen (e) tot en met (l) ten grondslag gelegd aan zijn gevolgtrekking dat het slachtoffer de steekverwonding moet hebben opgelopen bij incident 3 (“het incident met verdachte”). Die twee clusters van vaststellingen versterken elkaar, en zij kunnen het bewijsoordeel m.i. – in elk geval tezamen – zelfstandig dragen.
65. De gevolgtrekking die de rechtbank heeft gebaseerd op de medische rapportage van [betrokkene 6] , te weten dat de steekverwonding vanwege het tijdsverloop niet bij gelegenheid van incident 1 kan zijn toegebracht, is door het hof beschouwd als een vorm van ‘parallel bewijs’, dat onafhankelijk van het tactisch bewijs bestaat en dat dezelfde gevolgtrekking steunt. [betrokkene 6] ’ rapportage versterkt daarmee weliswaar het op basis van tactisch bewijs tot stand gekomen oordeel dat het slachtoffer de steekverwonding niet bij gelegenheid van incident 1 is toegebracht, maar het is daarvoor niet doorslaggevend (niet decisive dus). Sterker nog, het hof had evengoed kunnen oordelen dat de rapportage van [betrokkene 6] binnen de door de rechtbank en het hof unisono opgetuigde bewijsconstructie ‘overcompleet’ (redundant) en dus niet van toegevoegde waarde is.41.
66. Voor dat gebrek aan toegevoegde waarde is het volgende illustratief. De deskundigen hebben volgens de vaststellingen van de rechtbank en het hof antwoord gegeven op de vraag naar de maximale duur van de periode waarin het slachtoffer – na het oplopen van de geconstateerde steekverwonding in het hart – nog bij bewustzijn kan zijn geweest. Die vraag is (achteraf bezien) niet toegesneden op de door de rechtbank en het hof vastgestelde feiten. De vraag had moeten zijn of het op medische gronden überhaupt mogelijk is (en zo ja hoe waarschijnlijk het is) dat het slachtoffer de geconstateerde “zeer grote verwonding in het hart (tot in de linker hartkamer)” wordt toegebracht zonder dat hij zich daarvan bewust is, zonder dat zijn bewegingsapparaat daarvan (zichtbaar) hinder ondervindt en zonder dat dit onmiddellijk tot fors bloedverlies leidt.
De derde stap in de driestappentoets: compenserende maatregelen
67. Vanwege de voorgaande conclusie is de bespreking van de derde vraag binnen de ‘driestappentoets’ overbodig. Voor de volledigheid besteed ik daaraan niettemin enige aandacht. In dit verband kan uit de procesgang het volgende over de medische rapportages worden opgemaakt:
- het procesdossier bevatte aanvankelijk alleen het sectieverslag van [betrokkene 1] d.d. 9 oktober 2010;
- op vragen van de rechter-commissaris heeft [betrokkene 6] zijn (eerste) rapportage d.d. 29 november 2010 opgesteld;
- tijdens het nieuwe opsporingsonderzoek heeft [betrokkene 2] zijn rapportage d.d. 6 april 2020 uitgebracht;
- dit gaf aanleiding [betrokkene 6] te verzoeken om aanvullende rapportage, die hij op 19 januari 2021 heeft uitgebracht;
- (kort) voor de zitting in hoger beroep van 12 januari 2024 heeft de verdediging het rapport van [betrokkene 5] d.d. 25 november 2022 ingebracht;
- zowel in eerste aanleg als in hoger beroep hebben de procespartijen – aan de hand van de hiervoor genoemde rapportages – uitvoerig gedebatteerd over het onderwerp van de maximale duur van de periode tussen het ontstaan van het geconstateerde hartletsel en het intreden van bewustzijnsverlies;
- de rechtbank heeft in haar bewijsoverwegingen uitvoering stilgestaan bij de forensisch-medische rapportages over de maximale duur van deze periode en op inhoudelijke gronden uiteengezet waarom zij is uitgegaan van de juistheid van de rapportages van [betrokkene 6] ;
- het hof heeft zich verenigd met deze bewijsoverwegingen en heeft in een nadere bewijsoverweging uiteengezet op welke inhoudelijke gronden het rapport van [betrokkene 5] hem niet op andere gedachten heeft gebracht.
68. Het voorgaande laat zien dat in het bestreden arrest besloten ligt dat de verdediging een behoorlijke gelegenheid is geboden om de betrouwbaarheid van de rapportages van [betrokkene 6] te onderzoeken en te bestrijden, namelijk aan de hand van de rapportages van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 5] . Bovendien heeft het hof, mede door zich te verenigen met de heldere bewijsoverwegingen van de rechtbank, aangetoond dat hij behoedzaam is omgegaan met het bewijsmateriaal in kwestie en dat hij zijn oordeel over de geloofwaardigheid ervan omstandig en begrijpelijk heeft onderbouwd. De Nederlandse rechters hebben de verdediging dus wel degelijk compensatie geboden.
Conclusie over het primaire onderdeel van middel 3
69. In de overwegingen van het hof ligt m.i. besloten dat en waarom het proces als geheel (‘onder de streep’) eerlijk is geweest, hoewel de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld [betrokkene 6] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] rechtstreeks ter terechtzitting te ondervragen. De weinige argumenten waarmee de stellers van het middel deze conclusie over the overall fairness of the trial op zichzelf bestrijden, heb ik in het voorbijgaan al besproken en wat mij betreft te licht bevonden. De vele, meer juridisch georiënteerde argumenten van de stellers van het middel doen aan de voorgaande conclusie uiteraard niet af, want ik heb die conclusie bereikt onder de door hen verdedigde aanname dat rechtspraak van het EHRM – voor wat betreft de eis van motivering van het verzoek tot de oproeping ter terechtzitting – geen ruimte laat voor het door de Hoge Raad gemaakte onderscheid tussen getuigen à charge en deskundigen à charge.
70. Uit het voorgaande volgt dat de twee deelklachten van (het primaire onderdeel van) het derde middel geen doel treffen. Hoewel de eerste deelklacht, die gaat over de uitleg van artikel 6 lid 1 en lid 3 onder d EVRM, naar mijn inzicht terecht is voorgesteld, hoeft dit niet tot cassatie te leiden. De tweede deelklacht, te weten dat het hof zich niet uitdrukkelijk heeft uitgelaten over de vraag naar the overall fairness of the trial is eveneens terecht voorgesteld. De tweede deelklacht leidt echter niet tot cassatie omdat het gezochte antwoord besloten ligt in het bestreden arrest, terwijl dat antwoord overigens ook niet onbegrijpelijk is.
De bespreking van middel 3, het subsidiaire onderdeel: prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie
Inleiding
71. Voor het geval het primaire onderdeel van middel 3 strandt, wordt in de toelichting op het middel voorgesteld om – op de voet van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) – prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie over de uitlegging van Unierecht, en dan met name artikel 8 van de Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (hierna: de Richtlijn), gelezen in samenhang met de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
72. Ter inleiding het volgende. Artikel 8 lid 1 van de Richtlijn luidt: “De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden het recht hebben om aanwezig te zijn bij hun terechtzitting.” Deze bepaling verankert dus – overeenkomstig de titel van de richtlijn, en de rubricering van artikel 8 – het aanwezigheidsrecht. Bij arrest van 8 december 2022 (HYA) heeft het Hof van Justitie – in overeenstemming met de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Collins – geoordeeld dat het in artikel 8 lid 1 van de Richtlijn “neergelegde recht om bij de terechtzitting aanwezig te zijn zodanig moet worden gewaarborgd dat het in de gerechtelijke fase van de strafprocedure kan worden uitgeoefend op een wijze die voldoet aan de vereisten van een eerlijk proces. Dit recht waarborgt dus niet enkel de aanwezigheid van de beklaagde tijdens de zittingen die in het kader van de procedure tegen hem plaatsvinden, maar vereist dat deze persoon in staat is daar daadwerkelijk aan deel te nemen en daartoe de rechten van de verdediging uit te oefenen, waaronder het recht om de getuigen à charge tijdens die gerechtelijke fase te ondervragen of te doen ondervragen (…).” Het Hof van Justitie overweegt verder dat “een engere uitlegging van artikel 8 (…) – in die zin dat het recht om bij zijn proces aanwezig te zijn zich zou beperken tot de garantie dat de beklaagde in persoon aanwezig kan zijn bij de zittingen die in het kader van de procedure tegen hem plaatsvinden – immers tot gevolg [zou] hebben dat het grondrecht op een eerlijk proces zijn wezenlijke betekenis verliest.”42.Met andere woorden, het Hof van Justitie heeft over de band van het onmiddellijkheidsbeginsel uitgemaakt dat in de verzekering van het aanwezigheidsrecht ook de bescherming van verdedigingsrechten besloten ligt.
73. Artikel 52 lid 3 Handvest verhindert op zichzelf niet dat artikel 8 van de Richtlijn aan het daarin verzekerde aanwezigheidsrecht een ruimere bescherming geeft dan artikel 6 EVRM. Bovendien constateert het Hof van Justitie in het HYA-arrest dat artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van het Handvest corresponderen met artikel 6 EVRM, zodat het Hof van Justitie erop dient toe te zien dat de uitleg die het aan deze bepalingen in het Handvest geeft, zodanig is dat het daardoor geboden beschermingsniveau niet onderdoet voor het niveau dat wordt geboden door artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd door het EHRM. In het HYA-arrest, punten 53 tot en met 62, zet het Hof van Justitie vervolgens – geheel in lijn met de conclusie van A-G Collins – de rechtspraak van het EHRM inzake artikel 6 lid 1 en lid 3 sub d EVRM uiteen en beantwoordt het Hof van Justitie uitsluitend aan de hand van rechtspraak van het EHRM de prejudiciële vragen over artikel 8 van de Richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 47, tweede alinea, en artikel 48 lid 2 van het Handvest, die hem door de verwijzende rechter zijn gesteld. Daarmee geeft het Hof van Justitie onomwonden te kennen dat het beschermingsniveau van artikel 8 van de Richtlijn weliswaar niet onderdoet voor de bescherming die volgens rechtspraak van het EHRM besloten ligt in artikel 6 lid 1 en lid 3 sub d EVRM, maar dat het beschermingsniveau van artikel 8 van de Richtlijn ook niet hoger reikt dan dat van artikel 6 lid 1 en lid 3 sub d EVRM.
Het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie
74. In de schriftuur worden vier vragen (met sub-vragen) betreffende de uitlegging van artikel 8 van de Richtlijn in verbinding met de artikelen 47 en 48 van het Handvest geformuleerd, zulks in relatie tot:
- het uitgangspunt dat de verdediging een belastende deskundige ter terechtzitting mag horen zonder nadere motivering van het daartoe strekkende verzoek;
- de (on)toelaatbaarheid van een motiveringsplicht als grond voor de afwijzing van een dergelijk verzoek;
- de eerlijkheid van het proces indien het horen van de deskundige is uitgebleven zonder dat daartoe een legitieme reden bestond, terwijl diens bevindingen van wezenlijk belang zijn voor de bewezenverklaring;
- de relevantie van het ontbreken van een kenbare toepassing van de driestappentoets in de rechterlijke motivering.
75. Gerechten waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, zijn op de voet van artikel 267 VWEU verplicht zich met prejudiciële vragen te wenden tot het Hof van Justitie wanneer zich vragen met betrekking tot de geldigheid, de toepassing of de uitleg van Unierecht voordoen. Die verwijzingsverplichting bestaat niet ingeval43.
(a) de opgeworpen vraag niet relevant is voor de beslechting van het geschil,44.
(b) de betrokken bepaling van Unierecht door het Hof van Justitie reeds is uitgelegd (acte éclairé), of
(c) de juiste toepassing van het Unierecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan (acte clair).
76. Het HYA-arrest toont dat het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de uitleg van artikel 8 van de Richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 47, tweede alinea, en artikel 48 lid 2 van het Handvest, voor zover het verdedigingsrechten betreft die worden gewaarborgd door artikel 6 lid 1 en lid 3 sub d EVRM, resulteert in een schets van Straatsburgse rechtspraak. De bedoelde Straatsburgse rechtspraak is door mij hierboven onder de randnummers 38 tot en met 44 geparafraseerd weergegeven.
77. Hierboven onder randnummer 54 tot en met 69 heb ik laten zien dat het door de stellers van het middel verlangde antwoord op prejudiciële vragen naar de uitleg van – in wezen – artikel 6 lid 1 en lid 3 sub d EVRM, en over de houdbaarheid van het onderscheid in de benadering van getuigen à charge en deskundigen à charge, niet kan bijdragen aan de beslechting van het geschil, omdat middel 3 – ongeacht het antwoord van het Hof van Justitie – niet tot cassatie kan leiden. Dat houdt voornamelijk verband met de (althans: mijn) appreciatie van de zeer beperkte betekenis van de conclusies van [betrokkene 6] voor de bewezenverklaring en de veroordeling van de verdachte. Als gevolg daarvan kan de driestappentoets – over redundant bewijsmateriaal is de rechtspraak van het EHRM trouwens volkomen duidelijk – maar tot één conclusie leiden.
78. Mijn voorstel is om het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie gemotiveerd45.te passeren. Daarmee faalt het derde middel in al zijn onderdelen.
Middel 4: overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg
79. Het middel heeft betrekking op de overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg en bevat de klacht dat het hof heeft volstaan met een strafkorting van zes maanden (5%).
80. Ten aanzien van de redelijke termijn en de strafmaat heeft het hof in zijn arrest als volgt overwogen:
“Redelijke termijnIn artikel 6, eerste lid, EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt geldt in deze zaak dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen.
Verdachte is al op 13 juli 2010 voor het eerst in verzekering is gesteld, terwijl het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 13 mei 2022 en het hof arrest wijst op 26 januari 2024. Gelet op dit ruime tijdsverloop is het hof van oordeel dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden en dat dit matiging van de op te leggen gevangenisstraf tot gevolg moet hebben van hierna te noemen duur.
Verandering in wetgevingVanwege het ruime tijdsverloop houdt het hof in stafmatigende zin er ook rekening mee dat sinds de pleegdatum van het feit (11 juli 2010) de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling ten nadele van veroordeelden is gewijzigd. Daardoor zal verdachte effectief een langer deel van zijn straf moeten uitzitten.
StrafopleggingAlles afwegend en gelet op de ernst van het door verdachte gepleegde feit komt naar het oordeel van het hof geen andere straf in aanmerking dan een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf. In beginsel acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaren passend geboden. Het hof zal de gevangenisstraf, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren en zes maanden, met aftrek van het door verdachte reeds ondergane voorarrest. (…).”
81. Allereerst voeren de stellers van het middel aan dat de procedure in hoger beroep ruim twintig maanden heeft geduurd terwijl voor de behandeling in hoger beroep, ingeval de verdachte in voorlopige hechtenis verblijft, zestien maanden staat.
Daarnaast wordt door de stellers van het middel aangevoerd dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte al op 13 juli 2010 voor het eerst in verzekering is gesteld, dat de overschrijding van de redelijke termijn aldus bezien meer dan tien jaar bedraagt, en dat de toegepaste strafkorting van 5% in het licht hiervan onbegrijpelijk is.
82. Vooropgesteld zij dat het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn, omdat een dergelijk oordeel sterk verwerven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.
83. Wat betreft de eerste deelklacht stel ik vast dat het hoger beroep op 13 mei 2022 is ingesteld en het arrest van het hof ruim twintig maanden later, op 26 januari 2024, is gevolgd. Het oordeel dat alleen in eerste aanleg – en, naar ik versta, niet ook in hoger beroep – een overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgehad, is niet begrijpelijk. De eerste deelklacht is dus terecht voorgesteld.
84. Wat betreft de tweede deelklacht merk ik op dat het hof in zijn strafmaatoverweging melding maakt van “een ruim tijdsverloop” dat vervolgens (op een of andere wijze, D.A.) meebrengt dat de redelijke termijn (in eerste aanleg) is overschreden. Deze overweging mist de nodige precisie, omdat het hof in zijn beoordeling van de termijnoverschrijding in eerste aanleg geen uitdrukkelijke aandacht heeft besteed aan het moment van de uitvaardiging van een knvv en aan het moment dat de verdachte bekend werd met het nieuwe opsporingsonderzoek. Hoewel ik mij de ontstane verwarring bij de stellers van het middel goed kan voorstellen, lees ik in de strafmaatoverwegingen – anders dan de stellers van het middel – niet dat het hof met zoveel woorden heeft vastgesteld dat de redelijke termijn met een periode van (om en nabij) tien jaar is overschreden.
85. Vernietiging van de strafoplegging met terugwijzing om op het punt van de strafoplegging – na feitenonderzoek naar de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in eerste aanleg – opnieuw recht te doen, is m.i. niet nodig, omdat ik een korting van 5% op een gevangenisstraf van tien jaar uiteindelijk niet onbegrijpelijk vind.
86. De eerste deelklacht slaagt. De tweede deelklacht slaagt niet.
Middel 5: overschrijding van de redelijke termijn in de fase van cassatie
87. Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
88. Het cassatieberoep is ingesteld op 31 januari 2024. De stukken van het geding zijn op 2 oktober 2024 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit betekent dat tussen het instellen van het cassatieberoep en de binnenkomst van de stukken bij de Hoge Raad, de termijn van zes maanden is overschreden.
89. Het middel is terecht voorgesteld.
Slotsom
90. De eerste twee middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging. Het derde middel kan niet tot cassatie leiden. Het vierde en het vijfde middel slagen (deels) en dat dient te leiden tot vermindering van de opgelegde straf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf.
91. Ambtshalve merk ik nog op dat de Hoge Raad geen uitspraak zal doen binnen zestien maanden na het instellen van cassatieberoep. Ook dit dient te leiden tot strafvermindering. Andere gronden die tot vernietiging aanleiding zouden moeten geven, heb ik niet aangetroffen.
92. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 26 januari 2024, maar uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde straf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑06‑2025
Noch uit het vonnis, noch uit het arrest kan worden opgemaakt of er van de zijde van het OM daadwerkelijk een kennisgeving niet verdere vervolging (hierna: knvv) is uitgegaan, of dat de zaak (slechts) is geseponeerd. Aangezien de verdachte in voorlopige hechtenis heeft verbleven en er dus bij een sepotbeslissing een knvv had moeten uitgaan (zie art. 245 lid 1 (oud) Sv), neem ik (zonder dat dit de belangen van de verdachte schaadt) aan dat een knvv inderdaad is uitgegaan.
Over die toets merk ik op dat indien aan een verdachte een kennisgeving van niet verdere vervolging is betekend en hij daarna ter zake van hetzelfde feit opnieuw in rechte is betrokken, de rechter die over de strafzaak oordeelt uiteindelijk dient te beoordelen of is gebleken van nieuwe bezwaren als bedoeld in artikel 255 lid 1 Sv op grond waarvan de betrokkene opnieuw kan worden vervolgd, en dat bij een ontkennende beantwoording van die vraag het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging. Bij de beantwoording van deze vraag zullen, naar uit het wettelijk systeem volgt, de resultaten van het ingevolge artikel 255 lid 3 Sv voorgeschreven opsporingsonderzoek dienen te worden betrokken. Vgl. HR 4 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3543, rov. 3.7, en zie HR 17 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:888, rov. 2.5.
Vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4490, NJ 2012/539: “2.7. Het middel klaagt tot slot over 's Hofs oordeel inzake de niet-naleving van art. 255, derde lid, Sv, inhoudende dat de verdachte niet ter terechtzitting kan worden gedagvaard dan na een ter zake van de nieuwe bezwaren ingesteld gerechtelijk vooronderzoek. 's Hofs oordeel dat en waarom de verdachte niet lichtvaardig alsnog ter terechtzitting is gedagvaard, zodat aan de strekking van genoemd voorschrift niet is tekortgedaan, en dat het geconstateerde verzuim daarom zonder gevolgen kan blijven, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.” Zie ook HR 17 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:888, rov. 2.4.
Lid 2 luidt: “Als nieuwe bezwaren kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen van getuigen of van den verdachte en stukken, bescheiden en processen-verbaal, welke later zijn bekend geworden of niet zijn onderzocht.”
Zie A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., Het Wetboek van Strafvordering, artikel 255 Sv, aant. 6 (online, bijgewerkt tot 18 juli 2008).
HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, NJ 2019/103 m.nt. H.D. Wolswijk, rov. 5.3.3.
Zie onder meer HR 25 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AM2485 (niet gepubliceerd; HR: art. 81 RO) (steken in de linkeroksel); HR 1 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR8027 (niet gepubliceerd; HR: art. 81 RO) (messteek in de buik); HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:694 (niet gepubliceerd; HR: art. 81 RO) (steken in borststreek); HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:229 (HR: art. 81 RO) (in de rug en borst steken); HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:233 (HR: art. 81 RO) (steken in de buik); HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1543 (toebrengen van meerdere steekwonden onder andere in de rug net onder de flank van het linkerschouderblad waardoor een zuigende borstwond, mogelijk een klaplong links en buikletsel was ontstaan en plaatsing van twee borstdrains, beademing en operatief ingrijpen noodzakelijk was; HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1893 (HR: art. 81 RO) (meermalen met een mes in de schouder en in de rug steken); HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:512 (HR: art. 81 RO) (messteek in de buik met een mes met een lemmet van ongeveer tien centimeter); en HR 22 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1714 (HR: art. 81 RO) (steken links laag in de borstkas); HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8482, r.o. 2.4 (met een mes (t.a.v. het eerste slachtoffer) eenmaal en (t.a.v. het tweede slachtoffer) meermalen in de rechterflank/onderrug steken). HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5982, r.o. 4.4 (met kracht diep onder in de rug steken); HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2763, NJ 2017/198 m.nt. N. Rozemond, r.o. 2.3 (met kracht met een mes in de buikstreek steken); en HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1029 (HR: art. 81 RO) (meermalen met kracht met een lemmet in de romp proberen te steken); HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:975, r.o. 2.3 (kennelijk oordeel dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard, is niet zonder meer begrijpelijk, omdat het hof inzake de aard en de gevolgen van de verwondingen niet meer heeft vastgesteld dan dat het gaat om een steekverwonding van twee centimeter in de rug en twee steekverwondingen van één en twee centimeter in de linker bovenarm); HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1142, r.o. 2.3 (steekwond toegebracht in de buik, 5 cm onder de ribbenboog. De medische verklaring vermeldde: “steekverwonding epigastrio, klinisch verdacht voor erforatie hol orgaan. Na enige uren toename van buikklachten waarvoor CT. Besloten een laparotomie te verrichten.”).
HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0241, r.o. 2.3 (oordeel van het hof dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard, is ontoereikend gemotiveerd, nu het hof had vastgesteld dat de verdachte had verklaard dat hij de ernst van het letsel dat het slachtoffer zou oplopen door zijn messteken op voorhand heeft willen beperken door de effectieve lengte van het lemmet van het mes te bekorten tot ongeveer twee centimeter).
Pleitnota d.d. 12 januari 2024, ongenummerde 34ste bladzijde, die volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 januari 2024 ter terechtzitting is voorgedragen (zie p. 8 bovenaan) en waarvan een kopie aan het proces-verbaal is gehecht.
Proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 12 januari 2024, p. 9.
EHRM (GK) 15 december 2011, nrs. 26766/05 & 22228/06), §118: “Article 6 § 3 (d) enshrines the principle that, before an accused can be convicted, all evidence against him must normally be produced in his presence at a public hearing with a view to adversarial argument.” Ook: EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), § 103, en EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin/Nederland), § 44. Zie onlangs nog EHRM 8 oktober 2024, nr. 20440/18 (Severin/Roemenië), § 78.
EHRM (GK) 15 december 2011, nrs. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Taheri/Verenigd Koninkrijk), §118: “(…). Exceptions to this principle are possible but must not infringe the rights of the defence, which, as a rule, require that the accused should be given an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness against him, either when that witness makes his statement or at a later stage of proceedings ”EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), § 105: “However, the use as evidence of statements obtained at the stage of a police inquiry and judicial investigation is not in itself inconsistent with Article 6 §§ 1 and 3 (d), provided that the rights of the defence have been respected. As a rule, these rights require that the defendant be given an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness against him – either when that witness is making his statements or at a later stage of the proceedings (…).”
EHRM (GK) 15 december 2011, nrs. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Taheri/Verenigd Koninkrijk), §118: “The Court notes that the guarantees in paragraph 3 (d) of Article 6 are specific aspects of the right to a fair hearing set forth in paragraph 1 of this provision which must be taken into account in any assessment of the fairness of proceedings. In addition, the Court’s primary concern under Article 6 § 1 is to evaluate the overall fairness of the criminal proceedings (…). In making this assessment the Court will look at the proceedings as a whole having regard to the rights of the defence but also to the interests of the public and the victims that crime is properly prosecuted (…) and, where necessary, to the rights of witnesses (…). It is also observed in this context that the admissibility of evidence is a matter for regulation by national law and the national courts and that the Court’s only concern is to examine whether the proceedings have been conducted fairly (…).”EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), § 101: “(…). The Court’s primary concern under Article 6 § 1 is to evaluate the overall fairness of the criminal proceedings (…). In making this assessment, the Court will look at the proceedings as a whole, including the way in which the evidence was obtained, having regard to the rights of the defence but also to the interest of the public and the victims in seeing crime properly prosecuted (…) and, where necessary, to the rights of witnesses (…).”EHRM 1 december 2020, nr. 88/05 (Danilov/Rusland): “110. As a general rule, it is for the national courts to assess the evidence before them as well as the relevance of the evidence which defendants seek to adduce. Article 6 § 3 (d) leaves it to them, again as a general rule, to assess whether it is appropriate to call witnesses (…).”EHRM 8 oktober 2024, nr. 20440/18 (Severin/Roemenië), § 77 (en § 79), waarin is herhaald dat het EHRM niet optreedt als rechter in vierde instantie en dat kwesties zoals het gewicht dat de nationale rechter toekent aan een bepaald bewijsstuk of aan een bepaalde conclusie of beoordeling die aan hem is voorgelegd, buiten de reikwijdte van de toetsing door het EHRM valt.
EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), § 107: “According to the principles developed in Al-Khawaja and Tahery, it is necessary to examine in three steps the compatibility with Article 6 §§ 1 and 3 (d) of the Convention of proceedings in which statements made by a witness who had not been present and questioned at the trial were used as evidence (…). The Court must examine (i) whether there was a good reason for the non-attendance of the witness and, consequently, for the admission of the absent witness’s untested statements as evidence (…); (ii) whether the evidence of the absent witness was the sole or decisive basis for the defendant’s conviction (…); and (iii) whether there were sufficient counterbalancing factors, including strong procedural safeguards, to compensate for the handicaps caused to the defence as a result of the admission of the untested evidence and to ensure that the trial, judged as a whole, was fair (…).”
EHRM 14 januari 2020, nrs. 51111/07 & 42757/07 (Khodorkovskiy & Lebedev/Rusland) (nr. 2)), § 484: “The Court reiterates that if the prosecution decides that a particular person is a relevant source of information and relies on his or her testimony at the trial, and if the testimony of that witness is used by the court to support a guilty verdict, it must be presumed that his or her personal appearance and questioning are necessary, unless the testimony of that witness is manifestly irrelevant or redundant (…).”Gebrek aan toegevoegde waarde heeft het bewijsmiddel dat in de bewijsconstructie “manifestly irrelevant or redundant” is. Dit betekent m.i. dat het bewijs onmiskenbaar (a) van geen belang, dan wel van zeer ondergeschikte betekenis is, of (b) overcompleet is (op de grond dat de betwiste redengevende feiten en omstandigheden die in het bewijsmiddel zijn opgenomen evengoed uit ander bewijsmateriaal kunnen worden afgeleid).De Hoge Raad oordeelde in HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173 (post-Keskin), rov. 2.9.3: “Verder verzet artikel 6 EVRM zich niet ertegen dat de rechter het verzoek afwijst als het oproepen en horen van een getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig (“manifestly irrelevant or redundant”) is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben.” Daartoe verwees de Hoge Raad naar: EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin/Nederland), § 57, en naar het al genoemde EHRM 14 januari 2020, nrs. 51111/07 & 42757/07 (Khodorkovskiy & Lebedev/Rusland)(nr. 2)), § 484.Vgl. eveneens voor het beoordelen van getuigenverzoeken: HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1930, NJ 2022/22; HR 17 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:692 (HR: 81 RO). In HR 7 juni 2022 ECLI:NL:HR:2022:801, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat indien de feiten en omstandigheden die in de verklaring van de niet-ondervraagde getuige naar voren komen (i) ook volgen uit andere door het hof gebruikte bewijsmiddelen of (ii) een omstandigheid betreffen die geen onderdeel is van de bewezenverklaring en in het geheel van de bewijsmotivering van zeer ondergeschikte betekenis is, de verdachte – bij een op zichzelf terecht voorgestelde klacht over de motivering van de afwijzing van een getuigenverzoek – onvoldoende belang heeft bij cassatie. Recentelijk nog oordeelde de Hoge Raad in HR 25 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:439: “2.4.1. Uit het arrest van de Hoge Raad van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576 volgt (…) ook dat de rechter het verzoek om zo’n getuige op te roepen en te horen niettemin kan afwijzen, onder meer als hij tot het oordeel komt dat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan (…). 2.4.2. Voor het oordeel dat zich de situatie voordoet dat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben, zijn onder meer van belang de inhoud van de in de tenlastelegging tot uitdrukking gebrachte beschuldiging, de andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek die zich in het procesdossier bevinden, zoals verklaringen van andere getuigen, en de procesopstelling van de verdachte, een en ander in het licht van het verhandelde op de terechtzitting waaronder wat daar mogelijkerwijs nog door de verdediging naar voren is gebracht over het doel van de beoogde ondervraging. (Vgl. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1930, rechtsoverweging 2.4.2.).”
EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland): “125. As to the question whether there were sufficient counterbalancing factors to compensate for the handicaps under which the defence laboured as a result of the admission of untested witness evidence at the trial (third step of the Al-Khawaja and Tahery test), the Court reiterates that these counterbalancing factors must permit a fair and proper assessment of the reliability of that evidence (…). 126. The fact that the domestic courts approached the untested evidence of an absent witness with caution has been considered by the Court to be an important safeguard (…). The courts must have shown that they were aware that the statements of the absent witness carried less weight (…). The Court has taken into account, in that context, whether the domestic courts provided detailed reasoning as to why they considered that evidence to be reliable, while having regard also to the other evidence available (…).”
EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland): “128. A further considerable safeguard is the availability at the trial of corroborative evidence supporting the untested witness statement (…). Such evidence may comprise, inter alia, statements made at the trial by persons to whom the absent witness reported the events immediately after their occurrence (…), further factual evidence secured in respect of the offence, including forensic evidence (…), or expert opinions on a victim’s injuries or credibility (…). The Court has further considered as an important factor supporting an absent witness’s statement the fact that there were strong similarities between the absent witness’s description of the alleged offence committed against him or her and the description, given by another witness with whom there was no evidence of collusion, of a comparable offence committed by the same defendant. This holds even more true if the latter witness gave evidence at the trial and that witness’s reliability was tested by cross-examination (…).”
EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland): “127. An additional safeguard in that context may be to show, at the trial hearing, a video-recording of the absent witness’s questioning at the investigation stage in order to allow the court, prosecution and defence to observe the witness’s demeanour under questioning and to form their own impression of his or her reliability (…). 129. Moreover, in cases in which a witness is absent and cannot be questioned at the trial, a significant safeguard is the possibility offered to the defence to put its own questions to the witness indirectly, for instance in writing, in the course of the trial (…). 130. Another important safeguard countering the handicaps under which the defence labours as a result of the admission of untested witness evidence at the trial is to have given the applicant or defence counsel an opportunity to question the witness during the investigation stage (…). The Court has found in that context that where the investigating authorities had already taken the view at the investigation stage that a witness would not be heard at the trial, it was essential to give the defence an opportunity to have questions put to the victim during the preliminary investigation (…). Such pre-trial hearings are indeed often set up in order to pre-empt any risk that a crucial witness might not be available to give testimony at the trial (…).” Zie voor dat laatste bijvoorbeeld vrij recent nog EHRM 10 februari 2022, nr. 32084/19 (Al Alo/Slowakije), § 56: “(…). Furthermore, the Court has held that the ability to confront a witness for the prosecution at the investigation stage is an important procedural safeguard which can compensate for the handicaps faced by the defence on account of absence of such a witness from the trial (…).”Een behoorlijk aantal tips over hoe de evaluatie van het als derde genoemde vraagpunt van de driestappentoets kan worden uitgevoerd, geeft het EHRM in EHRM 17 oktober 2019, nrs. 26581/17 & 31024/17 (Oddone & Pecci/San Marino), §§ 104-114.
Zie met name: EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), § 111-131.
Zie EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin/Nederland), § 45: “Contrary to the situation with defence witnesses, the accused is not required to demonstrate the importance of a prosecution witness. In principle, if the prosecution decides that a particular person is a relevant source of information and relies on his or her testimony at the trial, and if the testimony of that witness is used by the court to support a guilty verdict, it must be presumed that his or her personal appearance and questioning are necessary (…).”
HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576 (post-Keskin), rov. 2.9.2. Zie hierover ook de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Bleichrodt van 9 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:234.
EHRM 6 oktober 2016, nr. 76438/12 (Constantinides/Griekenland): “37. The Court reiterates that the notion of “witness” is to be interpreted autonomously from its meaning in the domestic law of the Contracting States (…). Although the wording of Article 6 § 3 (d) refers to witnesses and not experts, the guarantees in paragraph 3 are inherent aspects of the right to a fair trial enshrined in paragraph 1 of Article 6. The Court has thus concluded that the right of a person charged with a criminal offence to examine experts is protected by the general principle set forth in Article 6 § 1 and is to be examined under that paragraph, “whilst having due regard to the guarantees of paragraph 3” (…).”EHRM 14 januari 2020, nrs. 51111/07 & 42757/07 (Khodorkovskiy & Lebedev/Rusland (nr. 2)): “482. As the Court has held on many occasions, one of the requirements of a fair trial is the possibility for the accused to confront the witnesses in the presence of the judge who must ultimately decide the case, because the judge’s observations on the demeanour and credibility of a certain witness may have consequences for the accused (…). The same also applies to expert witnesses (…): it is the Court’s well-established caselaw that the defence must have the right to study and challenge not only an expert report as such, but also the credibility of those who prepared it, by direct questioning (…). 484. The Court reiterates that if the prosecution decides that a particular person is a relevant source of information and relies on his or her testimony at the trial, and if the testimony of that witness is used by the court to support a guilty verdict, it must be presumed that his or her personal appearance and questioning are necessary, unless the testimony of that witness is manifestly irrelevant or redundant (…). The Court finds that the expert reports in question were of significant relevance for the case as part of the body of evidence relied on by the domestic courts in finding the applicants guilty of the offences with which they were charged. Furthermore, the applicants never had the possibility to confront these expert witnesses and to challenge their opinions during the investigation phase (…). By failing to call the expert witnesses and to examine them during the trial, the trial court was basing its conclusions on expert witness evidence which was never examined during the hearing (…).”EHRM 5 juni 2025, nr. 21492/17 (Ciccione/Italië), § 46: “La Cour rappelle que le terme ‘témoin’ est, dans le système de la Convention, une notion autonome qui se conçoit indépendamment du sens qu’elle revêt dans le droit interne des États contractants (…). Elle a ainsi conclu que le droit de l’accusé d’interroger des experts est protégé par le principe général posé par l’article 6 § 1 et qu’il est examiné sous l’angle de celui-ci, ‘tout en ayant aussi à l’esprit les exigences du paragraphe 3’ (…).”EHRM 11 december 2008, nr. 6293/04 (Mirilashvili/Rusland), § 163; EHRM 27 maart 2014, 58428/10 (Matytsina/Rusland), § 177: “It is the Court’s well-established case-law that the defence must have the right to study and challenge not only an expert report as such, but also the credibility of those who prepared it, by direct questioning (…).”
EHRM 6 oktober 2016, nr. 76438/12 (Constantinides/Griekenland): “38. The opinion of an expert appointed by the competent court to address the questions raised by the case is liable to have a significant impact on that court’s assessment of the case. Article 6 § 3 (d) enshrines the principle that, before an accused can be convicted, all evidence against him must normally be produced in his presence at a public hearing with a view to adversarial argument. Exceptions to this principle are possible but must not infringe the rights of the defence, which, as a rule, require that the accused should be given an adequate and proper opportunity to challenge and question witnesses against him, either when they make their statement or at a later stage of proceedings (…). If a court decides that an expert assessment is needed, the defence should have the opportunity to put questions to the experts, to challenge their findings and to examine them directly at the trial (…). 39. In Schatschaschwili v. Germany (…) the Grand Chamber confirmed that the absence of good reason for the non-attendance of a witness could not of itself render a trial unfair, although it remained a very important factor to be weighed in the balance when assessing the overall fairness of a trial, and one which could tip the balance in favour of a breach of Article 6 §§ 1 and 3 (d). Furthermore, given that the Court’s concern is to ascertain whether the proceedings as a whole were fair, it must review the existence of sufficient counterbalancing factors not only in cases in which the evidence given by an absent witness was the sole or the decisive basis for the accused’s conviction. It must also do so in those cases where it finds it unclear whether the evidence in question was the sole or decisive basis but is nevertheless satisfied that it carried significant weight and that its admission may have handicapped the defence. The extent of the counterbalancing factors necessary in order for a trial to be considered fair will depend on the weight of the evidence of the absent witness. The more important that evidence, the more weight the counterbalancing factors will have to carry in order for the proceedings as a whole to be considered fair (…). The Court considers that these principles are applicable, mutatis mutandis, in the present case, which concerns experts.”EHRM 1 december 2020, nr. 88/05 (Danilov/Rusland): “109. The Court also reiterates that the term “witnesses” under Article 6 § 3 (d) of the Convention has an autonomous meaning which also includes expert witnesses. However, the role of an expert witness can be distinguished from that of an eyewitness, who must give to the court his personal recollection of a particular event. In analysing whether the appearance in person of an expert at the trial was necessary, the Court will therefore be primarily guided by the principles enshrined in the concept of a “fair trial” under Article 6 § 1 of the Convention, and in particular by the guarantees of “adversarial proceedings” and “equality of arms”. That being said, some of the Court’s approaches to the examination in person of “witnesses” under Article 6 § 3 (d) are no doubt relevant in the context of the examination of expert evidence, and may be applied, mutatis mutandis, with due regard to the difference in their status and role (…). 110. As a general rule, it is for the national courts to assess the evidence before them as well as the relevance of the evidence which defendants seek to adduce. Article 6 § 3 (d) leaves it to them, again as a general rule, to assess whether it is appropriate to call witnesses (…). 111. One of the requirements of a fair trial is the possibility for the accused to confront the witnesses in the presence of the judge who must ultimately decide the case, because the judge’s observations on the demeanour and credibility of a certain witness may have consequences for the accused (…). The same also applies to expert witnesses (…): the defence must have the right to study and challenge not only an expert report as such, but also the credibility of those who prepared it, by direct questioning. (…). 116. In such circumstances, the trial court had to carefully consider the defence’s application to question those experts at the hearing. Instead, the presiding judge decided that it was unnecessary to hear the experts in person because their written opinions were clear and he did not require any clarification or additional information from them. The Court notes that, even if there were no major inconsistencies in the reports, questioning the experts might have revealed possible conflicts of interests, the insufficiency of the material at their disposal, or flaws in the methods of examination (…).”EHRM 19 oktober 2021, nrs. 9418/13, 9421/13 & 49007/13 (Kartoyev e.a./Rusland), §§ 74 en 81.
EHRM 8 oktober 2024, nr. 20440/18 (Severin/Roemenië), § 80, onder verwijzing naar EHRM 14 januari 2020, nrs. 51111/07 & 42757/07 (Khodorkovskiy & Lebedev/Rusland (nr. 2)).EHRM 5 juni 2025, nr. 21492/17 (Ciccione/Italië): “47. Bien que le rôle d’un expert puisse se distinguer de celui d’un témoin oculaire, lequel doit exposer au prétoire le souvenir personnel qu’il a d’un événement particulier, la Cour se penche sur la question de la nécessité de l’audition en personne d’un expert au procès en s’appuyant principalement sur les principes consacrés dans la notion de procès équitable, au sens de l’article 6 § 1, et en particulier sur les garanties du contradictoire et de l’égalité des armes (…). 48. La Cour rappelle en particulier que l’une des exigences du procès équitable est la possibilité de confronter le témoin avec l’accusé en la présence du juge qui devrait en dernier lieu statuer sur l’affaire, car les observations des juges en ce qui concerne le comportement et la crédibilité d’un témoin peuvent avoir des conséquences pour l’accusé. Il en va de même pour les témoignages des experts: la défense doit avoir le droit d’étudier et de remettre en question non seulement le rapport d’expertise en tant que tel, mais aussi la crédibilité de ceux qui l’ont préparé, en les interrogeant directement (…).”
HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1198, NJ 2023/57 m.nt. Reijntjes.
HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1198, NJ 2023/57 m.nt. Reijntjes, rov. 2.4.3.
Zie de annotatie van Reijntjes onder NJ 2023/57 . De stellers van het middel wijzen op M. Visser, ‘Keskin, deskundigen en de Hoge Raad. Struisvogeljuristerij of gepaste nuance?’, DD 2024/50, p. 709-723. Ik wijs ook op M. Visser, De deskundige in het recht. Een interne rechtsvergelijking van de normering van deskundigeninbreng in het straf-, privaat- en bestuursrecht (diss. Heerlen), Den Haag: Boom juridisch 2023, p. 380-385, en: S. Ligthart, J. Bemelmans & J. Bijlsma, ‘Het ondervragingsrecht ten aanzien van belastende deskundigen in strafzaken. Over post-Keskin, Thijs H. en de Rosmalense ‘flatmoord’’, NJB 2023/752 , p. 836-843.
HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1198, NJ 2023/57 m.nt. Reijntjes, rov. 2.4.1.
HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1198, NJ 2023/57 m.nt. Reijntjes, rov. 2.4.2.
Zie ook R.A. Hoving, Deskundigenbewijs in het strafproces (diss. Groningen), Oisterwijk: WLP 2017, p. 339-342. Zie ook M.M. Dolman, De deskundige in het strafproces, Den Haag: Boom juridisch 2022, p. 96: “Het EHRM behandelt het horen van deskundigen à charge op een vergelijkbare wijze als het horen van getuigen à charge. Dat wil zeggen dat naarmate de bevindingen van de deskundige belangrijker zijn voor de rechterlijke oordeelsvorming, het recht op een fair hearing eerder geschonden is als de deskundige niet wordt gehoord. Als de deskundige “a key place in the proceedings” inneemt, kan in beginsel niet van een eerlijk proces worden gesproken indien de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld hem te horen. Vervult de deskundige geen dominante rol, dan moet de rechter in de eerste plaats beoordelen of er een goede reden is om hem niet te horen, bijvoorbeeld dat de bevindingen van de deskundige niet relevant zijn. De verdediging moet dus beargumenteren waarin de relevantie van diens bevindingen gelegen is, bijvoorbeeld door erop te wijzen dat die het standpunt van de aanklager ondersteunen. Maar ook als deskundigenbewijs relevant is, hoeft de deskundige niet steeds gehoord te woorden; daarvan kan bijvoorbeeld worden afgezien als de verdediging beschikte over het materiaal waarop de deskundige zijn oordeel gebaseerd had en daaromtrent opmerkingen kon maken. Dat past in de benadering waarbij naar het belang van deskundigenbewijs in concreto gekeken wordt.”
Zie ook M. Visser, ‘Keskin, deskundigen en de Hoge Raad. Struisvogeljuristerij of gepaste nuance?’, DD 2024/50, p. 709-723, en: S. Ligthart, J. Bemelmans & J. Bijlsma, ‘Het ondervragingsrecht ten aanzien van belastende deskundigen in strafzaken. Over post-Keskin, Thijs H. en de Rosmalense ‘flatmoord’’, NJB 2023/752, p. 840-842.
Zie voor wat betreft dit punt ten aanzien van getuigen à charge: T.M. de Groot & P. Uijtdewillegen, ‘Het ondervragingsrecht in de rechtspraak van de Hoge Raad na het post- Keskin arrest’, DD 2025/5, p. 49-74.
Rapportage d.d. 29 november 2010 van [betrokkene 6] , traumachirurg, door de rechtbank in het (door het hof in zoverre bevestigde) vonnis gebruikt als bewijsmiddel, zie vonnis p. 6.
Zie vonnis p. 8. Het betreft een rapport van 19 januari 2021.
Zie vonnis p. 7-8. [betrokkene 1] , forensisch patholoog, heeft in zijn sectieverslag van 9 oktober 2010, geconcludeerd dat een bewustzijn van hooguit één tot enkele minuten mogelijk is. De rechtbank ziet in die conclusie slechts een beperkt verschil met de conclusie van [betrokkene 6] . Naar aanleiding hiervan is echter nog wel [betrokkene 2] , forensisch patholoog, geraadpleegd. Bij rapport van 6 april 2020 onderschrijft [betrokkene 2] de conclusie van [betrokkene 6] over de maximale tijd van bewustzijn (maximaal één minuut) goeddeels, maar plaatst daarbij de kanttekening dat in zeldzame gevallen een bewustzijn tot enkele minuten kan voorkomen, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft dus – m.i. op goede gronden – ingezien dat het in dit verband niet alleen gaat om de mogelijkheid dat het slachtoffer na het oplopen van het dodelijke letsel méér dan één minuut bij bewustzijn is geweest, maar ook om de waarschijnlijkheid daarvan. Alleen [betrokkene 6] (“zeer kleine kans”) en [betrokkene 2] (“zeldzaam”) bespreken die noodzakelijke vervolgvraag, zo begrijp ik de rechtbank. In het bestreden arrest constateert het hof dat ook [betrokkene 5] aan deze noodzakelijke vervolgvraag voorbijgaat.
Zie arrest p. 6. [betrokkene 5] stelt dat de praktijk en de literatuur leert dat een slachtoffer nog meerdere minuten tot tientallen minuten bij bewustzijn kan zijn na het oplopen van één of meerdere steekwonden in het hart.
Vonnis, p. 10, ‘beoordeling incident 1’. Onder het kopje ‘beoordeling incident 1’ maakt de rechtbank ook gebruik van de rapportage van [betrokkene 6] . Ik heb dat hier genegeerd en alleen weergegeven wat de rechtbank op basis van tactisch bewijs heeft vastgesteld.
Vonnis, p. 10, ‘tussenconclusie 1’.
Vonnis, p. 12, tweede alinea.
Vonnis, p. 12, ‘Na incident 2’.
Zie andermaal de door mij in voetnoot 15 besproken rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad.
HvJ EU 8 december 2022, C-348/21, ECLI:EU:C:2022:965 (HYA e.a.), punten 44 en 45.
HvJ EG 6 oktober 1982, C-283/81 (CILFIT). De Hoge Raad vat de CILFIT-criteria samen in HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005 (Overzichtsarrest art. 80a RO), rov. 2.2 sub e. Over de vraag of verzoeken tot het stellen van prejudiciële vragen met toepassing van art. 80a RO c.q. op de voet van art. 81 RO (en dus ongemotiveerd) kunnen worden afgedaan, zie een voetnoot hieronder. Zie over de prejudiciële procedure uitgebreid: R. Barents Remedies and procedures before the EU Courts (European Monographs Series nr. 97), Deventer: Kluwer 2020, p. 391-507 (hoofdstuk 10).
R. Barents Remedies and procedures before the EU Courts (European Monographs Series nr. 97), Deventer: Kluwer 2020, p. 482-483, par. 10.203.
EHRM 8 april 2014, nr. 17120/09 (Dhahbi/Italië), § 31; EHRM 10 april 2012 (dec.), nr. 4832/04 (Vergauwen e.a./België), § 90: “Dit betekent dat nationale gerechten waarvan de beslissingen niet aan rechterlijke toetsing zijn onderworpen en die weigeren een prejudiciële vraag aan het HvJ-EU voor te leggen over een vraag over de uitlegging van het EU-recht die aan hen is voorgelegd, hun weigering moeten motiveren in het licht van de uitzonderingen waarin is voorzien door de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Zij moeten daarom de redenen aangeven waarom zij van mening zijn dat de vraag niet relevant is, dat de bepaling van het EU-recht in kwestie al het voorwerp is geweest van een interpretatie door het HvJ-EU of dat de juiste toepassing van het EU-recht zo voor de hand liggend is dat het geen ruimte voor redelijke twijfel.”De stellers van het middel wijzen op HvJ EU 15 oktober 2024, C-144/23 (Kubera): “(…) dat een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, in de beslissing waarbij zij overgaat tot afwijzing van een verzoek (…) om aan het Hof een prejudiciële vraag over de uitlegging of de geldigheid van een bepaling van Unierecht voor te leggen, moet aangeven waarom zij geen verzoek om een prejudiciële beslissing heeft ingediend, namelijk hetzij omdat de opgeworpen vraag niet relevant is voor de beslechting van het geschil, hetzij omdat de betrokken bepaling van Unierecht reeds door het Hof is uitgelegd, hetzij omdat de juiste uitlegging van het Unierecht zo evident is dat er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan.”
Beroepschrift 05‑01‑2025
De Hoge Raad der Nederlanden
Griffienummer: S 24/00315
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
in de zaak van [verdachte], geboren te [geboorteplaats] ([land]) in het jaar 1977, verzoeker van cassatie van een hem betreffende uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnummer 21-001994-22) van 26 januari 2024, en van de onder dat parketnummer genomen (tussen)beslissingen.
Inleidende opmerkingen:
De onderhavige zaak betreft een zogenoemd ‘cold case’ onderzoek (09markt) naar een doodslag in Utrecht na afloop van de WK-finale in 2010. De zaak tegen verzoeker is aanvankelijk door het openbaar ministerie geseponeerd omdat er onvoldoende bewijs was tegen verzoeker (eerder was verzoeker bij gebrek aan ernstige bezwaren al in vrijheid gesteld door de raadkamer). Op grond van nieuwe getuigenverklaringen (waarin een ander scenario werd geschetst) is echter aangenomen dat sprake was van ‘nieuwe bezwaren’ waarna de vervolging van verzoeker weer is hervat. Voor dit nieuwe scenario zijn uiteindelijk geen aanknopingspunten gevonden. Desalniettemin is de vervolging doorgezet en is verzoeker uiteindelijk door zowel de rechtbank als het hof veroordeeld voor de doodslag. Verzoeker kan zich niet met deze veroordeling verenigen, reden waarom hij cassatieberoep heeft ingesteld.
In deze schriftuur worden vijf middelen van cassatie voor gesteld. Het eerste middel heeft betrekking op de door het hof aangenomen ‘nieuw bezwaren’ tegen verzoeker en daarmee samenhangende overwegingen van het hof over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de rechtsgevolgen die verbonden dienen te worden aan het verzuim van het openbaar ministerie om tijdig een voorafgaande machtiging ex artikel 255, lid 4 Sv te vorderen. Het tweede middel heeft betrekking op het door het hof aangenomen (voorwaardelijk) opzet van verzoeker op de dood van het slachtoffer. Het derde middel heeft betrekking op de afwijzing door het hof van het voorwaardelijk verzoek ter zitting een aantal deskundigen te horen die verslag hebben gedaan met een voor verzoeker belastende strekking. Het vierde middel heeft betrekking op de beoordeling door het hof van de schending van de redelijke in feitelijke aanleg. Het vijfde middel, tot slot, klaagt over schending van de redelijke termijn in cassatie (inzendingstermijn geschonden).
Middel I:
(eerste deelklacht)
het hof het verweer van de verdediging inhoudende dat bij gebreke van ‘nieuwe bezwaren’ na een eerder aan verzoeker uitgereikte ‘kennisgeving niet verdere vervolging’ het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
en/of
(tweede deelklacht)
het oordeel van het hof dat het ontbreken van een machtiging ex art. 255, lid 4 Sv voorafgaande aan het tweede opsporingsonderzoek niet hoeft te leiden tot bewijsuitsluiting en volstaan kan worden met de enkele constatering van dit verzuim van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans is dat oordeel onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd.
Het arrest lijdt hierdoor aan nietigheid.
Toelichting:
I.1. Het procesverloop in de zaak van verzoeker:
1.
De strafzaak van verzoeker kent een uitzonderlijk verloop dat voor zover hier relevant als volgt — chronologisch — kan worden samengevat:1.
- •
[overlijdensdatum] 2010: het slachtoffer komt na een steekverwonding te hebben opgelopen om het leven;
- •
13 juli 2010: verzoeker wordt aangehouden;
- •
24 september 2010: verzoeker wordt door de raadkamer van de Rechtbank Utrecht in vrijheid gesteld wegens het ontbreken van ernstige bezwaren;
- •
Na deze invrijheidstelling wordt het onderzoek nog voortgezet, worden diverse onderzoeksbevindingen aan het dossier toegevoegd en vindt een reconstructie plaats;
- •
7 augustus 2012: na het opmaken van de balans acht het OM de zaak tegen verzoeker niet sterk genoeg en komt het tot een kennisgeving van niet-verdere vervolging tegen verzoeker (sepot);
- •
7 februari 2018: naar aanleiding van een nieuwe getuigenverklaring (waarover hieronder meer) wordt verzoeker opnieuw als verdachte aangemerkt. Het onderzoek wordt — ondanks het ontbreken van een machtiging ex art. 255, lid 4 Sv van de rechter-commissaris — daarna hervat;
- •
17 september 2018: de rechters-commissarissen stellen een proces-verbaal van bevindingen op waarin zij aangeven niet meer te zullen beslissen op de vordering ex art. 255, lid 4 Sv van de officier van justitie van 6 september 2018 om alsnog een machtiging te verlenen voor het nieuwe onderzoek. Dit omdat de vordering te laat is ingediend en het onderzoek inmiddels al ruimschoots is aangevangen. Wel geven de rechters-commissarissen aan dat zij de machtiging zouden hebben verleend als de vordering daartoe tijdig was ingediend.
- •
10 december 2019: verzoeker wordt opnieuw aangehouden en in voorlopige hechtenis genomen;
- •
29 januari 2020: het hof Arnhem-Leeuwarden verklaart het door verzoeker ingestelde hoger beroep tegen het bevel gevangenhouding gegrond. Volgens het hof zijn er onvoldoende ernstige bezwaren tegen verzoeker. Verzoeker wordt daarop wederom in vrijheid gesteld;
- •
Het OM besluit de zaak toch door te zetten en verzoeker te dagvaarden. Verzoeker wordt vervolgens in eerste aanleg en hoger beroep alsnog veroordeeld.
I.2. De verweren van de verdediging en de verwerping daarvan door het hof:
2.
De verdediging heeft in hoger beroep onder meer bepleit dat er onvoldoende ‘nieuwe bezwaren’ waren om verzoeker opnieuw in rechte te betrekken na de eerdere ‘kennisgeving niet verdere vervolging’ in 2012. Volgens de verdediging diende dit tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM te leiden. Voorts heeft de verdediging bewijsuitsluiting bepleit van alle onderzoeksresultaten van voor en na het proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris van 17 september 2018 gelet op het ontbreken van een machtiging ex art. 255, lid 4 Sv.2.
3.
Het hof heeft beide verweren verworpen en daartoe het volgende overwogen:
‘Op grond van artikel 255 lid 1 Sv kan een verdachte na een aan hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging niet ter zake van hetzelfde feit opnieuw in rechte worden betrokken, tenzij nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. Als waarborg dat de verdachte, van wiens verdere vervolging eerder was afgezien, niet lichtvaardig op grond van nieuwe bezwaren alsnog ter terechtzitting wordt gedagvaard moeten op grond van lid 3 van deze bepaling die nieuwe bezwaren worden getoetst tijdens een opsporingsonderzoek. Tot het instellen van een dergelijk onderzoek mag pas worden overgegaan als daarvoor op vordering van de officier van justitie een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen. Uiteindelijk moet de rechter die over de strafzaak oordeelt de vraag beantwoorden of van nieuwe bezwaren is gebleken op grond waarvan de verdachte opnieuw kan worden vervolgd. Als die vraag ontkennend wordt beantwoord moet de rechter het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk verklaren.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op [overlijdensdatum] 2010 overlijdt [slachtoffer] in het ziekenhuis aan de gevolgen van een steek in zijn hart. Op 13 juli 2010 wordt verdachte aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer], waarna hij op 24 september 2010 in vrijheid wordt gesteld. Uiteindelijk registreert het openbaar ministerie op 7 augustus 2012 een sepotbeslissing. De zaak tegen verdachte wordt wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs geseponeerd.
Op 9 september 2017 wordt door de moeder van [slachtoffer], getuige [benadeelde], melding gedaan bij de politie. Zij stelt nieuwe informatie over de dood van haar zoon te hebben. Zij verklaart dat [betrokkene 7] haar heeft verteld dat familieleden van [betrokkene 7] opdracht hebben gegeven om [slachtoffer] te vermoorden. Het motief van de moord zou gelegen zijn in de gewezen relatie tussen [slachtoffer] en de destijds minderjarige [betrokkene 7]. [slachtoffer] zou voor dit feit strafrechtelijk zijn vervolgd en gestraft en de opgelegde straf zou naar het oordeel van de familie niet zwaar genoeg zijn geweest. De politie hoort daarop [betrokkene 7] als getuige op 12 oktober 2017, 7 november 2017 en 9 januari 2018. [betrokkene 7] bevestigt dat zij van een onbekend gebleven man te horen kreeg dat [slachtoffer] in opdracht van een derde om het leven zou zijn gebracht. In de door deze derde gegeven omschrijving herkende [betrokkene 7] haar oom [betrokkene 8]. Ook gaf [betrokkene 7] aan dat zij van haar tante had gehoord dat een familieberaad had plaatsgevonden waarin was besloten [slachtoffer] iets aan te doen. De onbekend gebleven man had met haar kenmerken gedeeld van de pleger van het feit. Het zou gaan om een ongeveer dertigjarige Marokkaan uit Utrecht die bij zijn moeder woonde.
Nadat door de politie was vastgesteld dat inderdaad sprake was van een veroordeling van [slachtoffer] en dat verdachte, die eerder in beeld was als mogelijke dader van het doodsteken van [slachtoffer], in het verstrekte signalement paste, zijn door de politie opsporingshandelingen verricht. Zo zijn familieleden van [betrokkene 7] gehoord, is er telecommunicatie van onder meer verdachte opgenomen en is er op grond van artikel 126j Sv stelselmatig informatie over verdachte ingewonnen. Voor de inzet van die opsporingsmiddelen zijn machtigingen door de rechter-commissaris afgegeven. Verzuimd is echter vooraf een machtiging als bedoeld in artikel 255 lid 4 Sv te vorderen.
Die vordering is pas op 6 september 2018 gedaan. In een proces-verbaal van bevindingen van 17 september 2018 (dossierpagina 3997) zetten de rechters-commissarissen uiteen dat zij geen beslissing meer zullen nemen op deze vordering omdat het opsporingsonderzoek op dat moment al enkele maanden liep. Zij merken op dat voor de inzet van opsporingsmethoden door hen machtigingen zijn afgegeven nadat zij hadden vastgesteld dat jegens verdachte nieuwe bezwaren waren gerezen en dat zij van oordeel zijn dat, als de vordering ex artikel 255 lid 4 Sv tijdig aan hen was voorgelegd, zij machtiging hadden verleend tot het instellen van een nieuw opsporingsonderzoek.
In het opsporingsonderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden voor de juistheid van het scenario zoals dat door [betrokkene 7] is beschreven. Wel heeft verdachte in het 126j Sv-traject tegen een politionele informatie-inwinner gezegd dat hij destijds de jongen die overleden is tegen de schouder heeft geduwd (dossierpagina's 3180–3181). Die verklaring heeft verdachte later op 13 december 2019 herhaald toen hij bij de rechter-commissaris werd gehoord in het kader van de toetsing inverzekeringstelling/inbewaringstelling, in die zin dat hij verklaarde dat hij [slachtoffer] heeft aangeraakt. Op de vraag of hij [slachtoffer] een duw heeft gegeven, antwoordde verdachte: ‘Ja, zo van 'blijf uit mijn buurt’. Ik weet niet of dat een duw is. Hij kwam tegen mij aan. Het leek wel alsof hij dronken was of zo. Hij zwalkte. Ik weet niet of hij dronken was of iets anders. Hij kwam veel te dichtbij. Ik wilde dat hij uit mijn buurt bleef’. En op de vraag of hij [slachtoffer] heeft aangeraakt, antwoordde verdachte met: ‘Ja’ (dossierpagina 255).
Nadien is nader onderzoek door het NFI verricht, is aanvullend door deskundigen gerapporteerd en zijn getuigen gehoord.
De verklaringen van [betrokkene 7] en [benadeelde] over het nieuwe scenario leveren naar het oordeel van het hof geen nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255 lid 1 Sv op. Onderzoek door de politie naar die verklaringen heeft immers geen steun voor dat scenario opgeleverd, zodat die verklaringen niet als nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255 lid 1 Sv kunnen worden aangemerkt en die bepaling in de weg zou staan aan dagvaarding van verdachte. Dat neemt naar het oordeel van het hof niet weg dat de politie die verklaringen echter wel serieus mocht nemen en kon onderzoeken. De rechters-commissarissen hebben in hun proces-verbaal ook uiteengezet dat er naar hun oordeel voldoende nieuwe bezwaren aanwezig waren om (opnieuw) opsporingshandelingen te rechtvaardigen.
Tijdens dat opsporingsonderzoek heeft verdachte nieuwe verklaringen afgelegd en heeft hij verklaard dat hij [slachtoffer] destijds heeft geduwd. Die verklaringen gaan niet uit van het scenario dat door [benadeelde] en [betrokkene 7] werd geschetst maar van het scenario zoals dat in 2010–2012 door de politie al werd onderzocht. Nu verdachte eerder steeds heeft ontkend [slachtoffer] te hebben aangeraakt, kunnen deze verklaringen van verdachte uit 2019 naar het oordeel van het hof niettemin als nieuwe bezwaren tegen verdachte in de zin van artikel 255 lid 1 Sv worden aangemerkt. Die verklaringen en dat oorspronkelijke scenario zijn vervolgens onderwerp geweest van nader onderzoek. Van een situatie waarin lichtvaardig op grond van nieuwe bezwaren tot dagvaarding is overgaan is daarom geen sprake.
Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.
Met de verdediging en de advocaat-generaal constateert het hof dat door de rechter-commissaris niet een machtiging ex artikel 255 lid 4 Sv is verleend voorafgaand aan het starten van het nieuwe opsporingsonderzoek tegen de verdachte en dat in zoverre dus sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek.
Het vereiste van die machtiging verzekert dat de rechter-commissaris vóór de inzet van nieuwe opsporingshandelingen verifieert of sprake is van nieuwe bezwaren als bedoeld in artikel 255 lid 2 Sv. Uit het hiervoor al genoemde proces-verbaal van de rechters-commissarissen volgt dat zij weliswaar geen machtiging in de zin van 255 lid 4 Sv hebben afgegeven, maar dat zij wel ten aanzien van andere vorderingen in deze zaak vooraf hebben getoetst of sprake was van nieuwe bezwaren en dat die toets volgens hen niet anders was uitgevallen als (ook) om een machtiging in de zin van artikel 255 lid 4 Sv was verzocht. Gelet op het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en met het — in dit geval: ontbrekende — nadeel dat daarmee voor de verdachte is veroorzaakt, kan het geconstateerde verzuim daarom zonder gevolgen blijven.’3.
I.3. ‘Nieuwe bezwaren’ en rechtspraak van uw Raad over Artikel 255 Sv:
4.
Van welk bewijsrechtelijk gewicht ‘nieuwe bezwaren’ in de zin van artikel 255 Sv moeten zijn wordt niet in dat artikel (of elders in de wet) gedefinieerd. Wel stelt het tweede lid van artikel 255 een tweetal eisen van meer procedurele aard, te weten i) dat de nieuwe bezwaren kunnen bestaan uit verklaringen van een getuige/verdachte, stukken, bescheiden of processen-verbaal; en ii) dat deze informatie ofwel later bekend is geworden ofwel niet was onderzocht.
5.
Rechtspraak van uw Raad over artikel 255 Sv en het vereiste van ‘nieuwe bezwaren’ is schaars. Voor zover verzoeker heeft kunnen nagaan heeft uw Raad zich tot op heden slechts driemaal over (de werking van) artikel 255 Sv uitgelaten.4. Uit deze drie uitspraken kan het volgende worden afgeleid:
- •
Artikel 255 Sv — dat spreekt van het opnieuw ‘in rechte betrekken’ — is niet van toepassing op opsporingshandelingen waarvoor geen rechterlijke machtiging nodig is zoals een aanhouding en inverzekeringstelling (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BX4490, NJ 2012/539);
- •
Artikel 255 Sv is alleen van toepassing op het strafbare feit dat voorwerp was van het — toen nog — gerechtelijk vooronderzoek (GVO) en niet ook op (andere) feiten die vóór de betekening van de kennisgeving van niet verdere vervolging zijn begaan (vgl. ECLI:NL:HR:2003:AF4232, NJ 2003/303);
- •
De strafrechter die over de zaak oordeelt dient uiteindelijk te beoordelen of van ‘nieuwe bezwaren’ is gebleken op grond waarvan de betrokkene opnieuw kan worden vervolgd. Bij een ontkennende beantwoording van die vraag is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Uit het wettelijk systeem volgt dat de zittingsrechter bij een en ander ook de resultaten van het nieuwe onderzoek dient te betrekken (vgl. ECLI:NL:HR:2002:AE3543, NJ 2002/430);
- •
Artikel 255, lid 3 Sv (oud) strekte tot waarborg dat de verdachte, van wiens verdere vervolging eerder was afgezien, niet lichtvaardig op grond van nieuwe bezwaren alsnog ter terechtzitting wordt gedagvaard (vgl. o.a. ECLI:NL:HR: 2002:AE3543, NJ 2002/430). Verzoeker neemt aan dat hetzelfde geldt voor het huidige art. 255, lid 4 Sv waarin het vereiste van een voorafgaand GVO is vervangen door een voorafgaande machtiging door de rechter-commissaris;
- •
De beslissing van de rechter-commissaris om op grond van ‘nieuwe bezwaren’ een GVO te openen kan door de zittingsrechter getoetst worden waarbij als maatstaf geldt of de rechter-commissaris ‘in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen’ (vgl. ECLI:NL:HR:2002:AE3543, NJ 2002/430). Verzoeker neemt aan dat hetzelfde geldt voor de voor het GVO in de plaats gekomen beslissing van de rechter-commissaris een machtiging ex art. 255, lid 4 Sv te verlenen.5.
- •
Onder omstandigheden kan met betrekking tot het vormverzuim dat geen formeel GVO was geopend naar aanleiding van de ‘nieuwe bezwaren’ volstaan worden met de enkele constatering van dit verzuim indien de zittingsrechter vaststelt dat de verdachte niet lichtvaardig is gedagvaard zodat aan de strekking van artikel 255, lid 3 Sv is voldaan (ECLI:NL:HR:2012:BX4490, NJ 2012/539). Verzoeker neemt aan dat hetzelfde geldt indien verzuimd is (tijdig) een machtiging van de rechter-commissaris te vorderen.6.
I.4. Eerste deelklacht: verwerping niet-ontvankelijkheidsverweer
6.
Zoals hiervoor al aangegeven heeft het hof uiteindelijk geoordeeld dat de ‘nieuwe bezwaren’ die, niettegenstaande de aan verzoeker uitgereikte ‘kennisgeving niet verdere vervolging’,7. hernieuwde vervolging van verzoeker rechtvaardigden gelegen waren in het feit dat verzoeker tijdens het tweede opsporingsonderzoek voor het eerst heeft verklaard dat hij het slachtoffer een duw had gegeven (nadat dit aanvankelijk door hem was ontkend).
7.
Bij gebrek aan handvatten in de wet of rechtspraak van uw Raad over wat materieel bezien onder ‘nieuwe bezwaren’ dient te worden verstaan (lees: van welk kaliber/gewicht deze moeten zijn) — en indachtig de vergelijkbare belangen die in het geding zijn bij herziening ten nadele (in het bijzonder het vertrouwen van de gewezen verdachte dat aan zijn vervolging een einde is gekomen) — stelt verzoeker zich op het standpunt dat bij de uitleg van het begrip ‘nieuwe bezwaren’ in art. 255 Sv de eisen die gelden voor herziening ten nadele zoveel mogelijk naar analogie moeten worden toegepast (art. 482a Sv).
8.
Meer specifiek betekent dit wat verzoeker betreft dat sprake moet zijn van een gegeven dat ten tijde van de ‘kennisgeving niet verdere vervolging’ niet bekend was (of niet was onderzocht) en waardoor het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven wel bekend zou zijn geweest (of wel was onderzocht) de zaak niet zou zijn geëindigd met een ‘kennisgeving niet verdere vervolging’. Niet ieder nieuw (of niet onderzocht) feit dat later boven water komt zal dus steeds een nieuwe vervolging rechtvaardigen. Het moet — om Knigge te parafraseren8. — gaan om een feit dat objectief gezien een toegevoegde waarde heeft die ‘aanzienlijk’ is. Het verschil in bewijspositie moet zo groot zijn dat een andere bewijsbeslissing daaraan kan worden toegeschreven. ‘Nieuw’ bewijs dat niets wezenlijks toevoegt aan het reeds voorhanden zijnde bewijs kan wat verzoeker betreft dan ook niet kwalificeren als ‘nieuwe bezwaren’.9.
9.
Datzelfde geldt voor nieuw bewijs dat mogelijk wel ‘wezenlijk’ is maar geen betrekking heeft op de reden voor de ‘kennisgeving niet verdere vervolging’. Indien de zaak wordt beëindigd wegens gebrek aan bewijs ten aanzien van punt A en er nieuw bewijs opduikt ten aanzien van punt B dan kan kwalificeert dit nieuwe bewijs niet als ‘nieuwe bezwaren’.
10.
Alleen als het criterium van ‘nieuwe bezwaren’ voldoende materiële substantie heeft blijft de waarborgfunctie van de ‘kennisgeving niet verdere vervolging’ behouden en wordt voorkomen dat feitelijk sprake is van een wassen neus waar zonder enige moeite aan voorbij kan worden gegaan als het OM — ondanks het ontbreken van een art. 12 beklag — bij nader inzien toch weer door wilt met de zaak.
11.
Toegepast op de zaak van verzoeker leidt dit tot het volgende.
12.
Het hof heeft niet nader uiteengezet welke maatstaf het heeft toegepast om te toetsen of de verklaring van verzoeker over het duwen van het slachtoffer kwalificeert als ‘nieuwe bezwaren’ in de zin van art. 255 Sv. Voor zover het ervoor gehouden moet worden dat het hof heeft geoordeeld dat om het even welk nieuw bewijs als zodanig kwalificeert zolang dit maar belastend is voor de gewezen verdachte heeft het hof — gelet op het voorgaande — blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
13.
Voor zover uw Raad zou menen dat het hof een en ander niet heeft miskend en wel de juiste maatstaf voor ‘nieuwe bezwaren’ heeft toegepast is het oordeel van het hof dat verzoekers verklaring over het duwen van het slachtoffer als ‘nieuwe bezwaren’ kwalificeert onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd. In casu heeft het scenario dat verzoeker het slachtoffer een duw heeft gegeven van meet af aan op tafel gelegen. Getuige [getuige 1], vriendin van het slachtoffer die bij het incident aanwezig was, heeft dit immers ook steeds verklaard (en het hof heeft haar verklaring van deze strekking ook tot het bewijs gebezigd). Ook uit niet door het hof gebezigde getuigenverklaringen bleek reeds van een duw door verzoeker.10. De erkenning van verzoeker dat hij geduwd heeft levert strikt genomen dus wel ‘nieuw’ bewijs op maar voegt niets wezenlijks toe aan het reeds voorhanden zijnde bewijs. Er was simpelweg reeds meer dan voldoende bewijs voor een duw door verzoeker ten tijde van de ‘kennisgeving niet verdere vervolging’.11.
14.
Daarbij komt dat het hof niets heeft vastgesteld over de vraag in hoeverre het al dan niet bestaan van twijfel over de vraag of verzoeker het slachtoffer heeft geduwd destijds enige rol heeft gespeeld om de ‘kennisgeving niet verdere vervolging’ uit te doen gaan. Ook indien de verklaring van verzoeker wel wezenlijk iets zou toevoegen aan het reeds voorhanden zijnde bewijs levert dat nog steeds geen ‘nieuwe bezwaren’ op indien een ‘bewijshiaat’ op dit punt helemaal niet de reden was voor het openbaar ministerie om de zaak te seponeren (zie ook hierboven). Nu het hof niets heeft vastgesteld over de achtergrond voor de ‘kennisgeving niet verdere vervolging’ is zijn oordeel dat desalniettemin sprake is van ‘nieuwe bezwaren’ ook om deze reden onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
I.5. Tweede deelklacht (oordeel hof dat volstaan kan worden met enkele constatering van het verzuim tijdig een machtiging te vorderen)
15.
Het hof heeft voorts geoordeeld dat hoewel een machtiging ex art. 255, lid 4 Sv ontbrak voorafgaand aan het tweede opsporingsonderzoek dit niet hoeft te leiden tot bewijsuitsluiting maar volstaan kan worden met de enkele constatering van dit verzuim. Ook dit oordeel kan geen standhouden.
16.
Vooropgesteld zij in dit verband dat uit de reeds hiervoor gememoreerde jurisprudentie van uw Raad volgt dat — ongeacht of sprake is van ‘nieuwe bezwaren’ — bepaalde vormen van nieuw opsporingsonderzoek mogelijk blijven. Het moet dan echter wel gaan om onderzoek waarvoor betrokkenheid van de rechter-commissaris niet vereist is (anders is immers sprake van het ‘in rechten betrekken’).12. Voor zover in de zaak van verzoeker sprake is geweest van opsporingsonderzoek waarvoor geen rechterlijke machtiging vereist was is het oordeel van het hof dat dergelijk onderzoek mocht worden verricht dan ook juist (wat er verder ook zij van de daarvoor gegeven motivering, waarover hierna meer).
17.
Dat laat echter onverlet dat in casu ook sprake is geweest van onderzoek waarvoor wel een rechterlijke machtiging vereist was (bijvoorbeeld de telefoontaps waarvan het hof heeft vastgesteld dat die tegen verzoeker zijn ingezet). Dergelijke opsporingshandelingen leveren wel het ‘opnieuw in rechten’ betrekken op (zodat deze pas zijn toegelaten als sprake is van ‘nieuwe bezwaren’).
18.
Het hof heeft geoordeeld dat het door getuigen [betrokkene 7] en [benadeelde] geschetste ‘nieuwe’ scenario geen ‘nieuwe bezwaren’ opleverde. Gelet daarop kan zijn (kennelijke) oordeel dat de rechters-commissaris desalniettemin konden oordelen dat sprake was van ‘nieuwe bezwaren’ en zij dus machtiging konden verlenen voor de inzet van opsporingsbevoegdheden waarvoor rechterlijke machtiging noodzakelijk was, geen standhouden.
19.
Voor zover het oordeel van het hof aldus moet worden verstaan dat het gebonden is aan de vaststellingen van de rechters-commissaris over het bestaan van ‘nieuwe bezwaren’, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De zittingsrechter is immers bevoegd te toetsen of de rechter-commissaris in redelijkheid tot deze beslissing kon komen.
20.
Voor zover het hof dit niet zou hebben miskend is zijn (kennelijke) oordeel dat de rechters-commissaris in redelijkheid de betreffende machtigingen konden verlenen omdat sprake was van ‘nieuwe bezwaren’ onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd. Het hof heeft immers ook vastgesteld dat het door getuigen [betrokkene 7] en [benadeelde] geschetste nieuwe scenario geen ‘nieuwe bezwaren’ opleverde. Dit wordt niet anders indien uw Raad het ervoor zou houden dat het hof met deze overwegingen (slechts) tot uitdrukking heeft gebracht dat eerst na de inzet van de genoemde opsporingsbevoegdheden is komen vast te staan dat het nieuwe scenario geen ‘nieuwe bezwaren’ opleverde (en een en ander daarvoor wel nog kwalificeerde als ‘nieuwe bezwaren’). Uitgaande van die lezing is immers de vraag of ten tijde van het afgeven van deze machtigingen sprake was van ‘nieuwe bezwaren’. Ook dat is niet het geval. Het hof heeft immers vastgesteld dat de ‘nieuwe bezwaren’ jegens verzoeker op dat moment niet meer inhielden dan dat verzoeker paste in een signalement van de mogelijke dader van de door getuige [betrokkene 7] geschetste huurmoord. Dat signalement (‘ongeveer dertigjarige Marokkaan uit [a-plaats] die nog bij zijn moeder woonde’) is echter zo algemeen en weinigzeggend dat dit in redelijkheid niet als ‘nieuwe bezwaren’ tegen verzoeker kan worden beschouwd. Ook zo bezien is het (kennelijke) oordeel van het hof dat de rechters-commissaris in redelijkheid konden oordelen dat sprake was van ‘nieuwe bezwaren’ en zij dus machtiging konden verlenen voor de inzet van opsporingsbevoegdheden waarvoor hun machtiging noodzakelijk is onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
21.
En voor de goede orde: ten tijde van de hier bedoelde machtigingen en het genoemde proces-verbaal van bevindingen had verzoeker over het duwen van het slachtoffer nog geen verklaring afgelegd. Dat zou pas later gebeuren.13.
22.
In het licht van het voorgaande kan ook het (kennelijke) oordeel van het hof dat het verzuim tijdig een machtiging ex art. 255, lid 4 Sv te vorderen voor ‘gedekt’ kan worden gehouden, althans kan worden gerelativeerd, door de wel afgegeven (tap)machtigingen geen standhouden. Evenmin kan, anders dan het hof (kennelijk) heeft gedaan, aan de opmerking van de rechters-commissaris dat zij machtiging ex art. 255, lid 4 Sv zouden hebben verleend indien deze tijdig was gevorderd (relativerende) waarde worden toegekend. Linksom of rechtsom was immers geen sprake van ‘nieuwe bezwaren’ ten tijde van deze (hypothetische) beslissingen van de rechters-commissaris.
23.
De overwegingen van het hof dat aan het geconstateerde vormverzuim geen rechtsgevolgen hoeven te worden verbonden (zoals de door de verdediging bepleite bewijsuitsluiting) en in plaats daarvan kan worden volstaan met de enkele constatering daarvan is daarmee eveneens onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
24.
Dat geldt in het bijzonder ook voor de overweging van het hof dat verzoeker geen nadeel zou hebben geleden door het ontbrekend van de machtiging. Die vaststelling is immers kennelijk gebaseerd op de ‘helende’ werking van de wel verleende (tap)machtigingen en/of de aankondiging dat machtiging zou zijn verleend indien deze tijdig was gevorderd. Aan beide komt zoals hiervoor uiteengezet echter geen (het verzuim relativerende) waarde toe. Dat verzoeker nadeel heeft geleden is daarmee evident: ten onrechte is hij immers opnieuw in rechte betrokken zonder dat sprake was van de door wet vereiste ‘nieuwe bezwaren’ en het is juist die situatie en daaruit voortvloeiende gevolgen voor de gewezen verdachte die artikel 255 Sv beoogt te voorkomen.
Middel II:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 287 Sr en 350, 358, 359 en 415 Sv doordat de bewezenverklaring voor zover inhoudende — kort samengevat — dat verzoeker ‘opzettelijk’ het slachtoffer van het leven heeft beroofd (door hem opzettelijk met een scherp voorwerp in het hart te steken, ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden) niet begrijpelijk is, althans niet zonder (nadere), thans ontbrekende, motivering.
Het arrest lijdt hierdoor aan nietigheid.
Toelichting:
1.
Het hof heeft — door het vonnis in eerste aanleg op dit punt te bevestigen — bewezenverklaard dat verzoeker het slachtoffer ‘opzettelijk’ van het leven heeft beroofd.
2.
Hoewel het hof de gronden heeft aangevuld waarop de bewezenverklaring berust, bevat zijn arrest geen nadere bewijsoverwegingen over het opzet van verzoeker. Over het opzet van verzoeker heeft de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis niet meer overwogen dan dat ‘verdachte [slachtoffer] bij incident 3 opzettelijk (al dan niet in voorwaardelijke zin) heeft gedood door [slachtoffer] met een scherp voorwerp in het hart te steken, ten gevolge waarvan hij uiteindelijk is overleden’.14.
3.
Dit roept de vraag op of de bewezenverklaring voor zover inhoudende dat verzoeker het slachtoffer opzettelijk heeft gedood toereikend en/of begrijpelijk is gemotiveerd.
4.
Uit de bewijsmiddelen en nadere bewijsoverwegingen kan — voor zover relevant voor het opzet — niet meer dan het volgende worden afgeleid:
- •
verzoeker heeft het slachtoffer eenmaal een duw gegeven ter hoogte van diens tepel;
- •
deze duw heeft verzoeker met beide armen gegeven;15.
- •
tijdens de duw heeft verzoeker in zijn rechterhand een scherp voorwerp gehad;
- •
geen van de getuigen heeft dit voorwerp gezien;
- •
rechtbank en hof hebben geen nadere vaststellingen gedaan over dit voorwerp anders dan dit een ‘scherp voorwerp’ is geweest.
‘Voor de goede orde: in één — door het hof bevestigde — overweging van de rechtbank wordt gesproken van ‘een mes’.16. Gelet op de context van deze overweging (is het slachtoffer tijdens de duw de verwond?) en het feit dat de rechtbank in de zinnen daarvoor en daarna wel spreekt van een ‘scherp voorwerp’ moet hier sprake zijn van een misslag en heeft de rechtbank in de bewuste zin per abuis van ‘een mes’ gesproken in plaats van een ‘scherp voorwerp’. Voor zover uw Raad dit anders zou zien en zou menen dat het hof — door deze overweging te bevestigen — heeft geoordeeld dat verzoeker het slachtoffer met een mes heeft gestoken is dat oordeel van het hof onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd. De bewijsvoering bevat immers onvoldoende aanknopingspunten dat het voorwerp in kwestie een mes is geweest.17. Uit de bewijsvoering volgt immers juist dat het gebruik van een mes niet voor de hand ligt, nu daaruit blijkt dat geen van de getuigen het voorwerp gezien heeft, terwijl zij wel de duw en de handen van verzoeker hebben waargenomen. Indien een mes was gebruikt had voor de hand gelegen dat de getuigen dit hadden waargenomen.’
- •
als gevolg van de duw met het scherpe voorwerp heeft het slachtoffer letsel aan onder andere zijn hart opgelopen. In het tot het bewijs gebezigde rapport van patholoog [betrokkene 1] wordt in dit verband gesproken van letsels van circa 3–4 cm.18.
5.
In het licht van deze omstandigheden is het oordeel van het hof dat verzoeker het slachtoffer opzettelijk heeft gedood zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk.
6.
Voor ‘vol’ opzet van verzoeker biedt de bewijsvoering geen enkel aanknopingspunt. Voor zover het hof — met de rechtbank — daarvan is uitgegaan kan dat oordeel dan ook geen standhouden. Dit behoeft echter niet tot cassatie te leiden indien de bewijsvoering wel volstaat voor de eveneens in voormelde nadere bewijsoverweging geopperde mogelijkheid van voorwaardelijk opzet (‘… al dan niet in voorwaardelijk zin…’).
7.
Het toetsingskader voor voorwaardelijk opzet in een geval zoals het onderhavige heeft uw Raad in bijv. ECLI:NL:HR:2023:1563, NJ 2023/345 als volgt uiteengezet:
‘2.3.1
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg — zoals hier de dood — is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
2.3.2
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
2.3.3
Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo'n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. In dat verband kunnen de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het — behoudens contra-indicaties — niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. (Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049 en HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718.)’
8.
Uit deze uitspraak van uw Raad (en andere) volgt voorts dat bij beantwoording van de vraag of een bepaalde gedraging naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het — behoudens contra-indicaties — niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard, mede betekenis kan toekomen aan algemene ervaringsregels en feiten van algemene bekendheid.
9.
Op basis van dit toetsingskader van uw Raad is in de lagere rechtspraak meermaals geoordeeld over de vraag of voorwaardelijk opzet kan worden aangenomen bij het toebrengen van een steekverwonding in de borststreek. Zonder uitputtend te zijn — het gaat om een algemeen beeld van de wijze waarop de lagere rechter tot zijn oordeel pleegt te komen — kan worden gewezen op bijvoorbeeld ECLI:NL:RBNNE:2017:776,19.ECLI:NL:RBNHO:2021:402920.,ECLI:NL:RBNHO:2022:1118521., ECLI:NL:GHARL:2022:527422. en ECLI:NL:RBZWB: 2023:7255.23.
10.
Al deze uitspraken hebben als gemeenschappelijke deler dat om tot voorwaardelijk opzet te komen de volgende feiten en omstandigheden van belang werden geacht:
- •
het feit van algemene bekendheid dat het bovenlichaam — door de zich daar bevindende vitale organen — een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is;
- •
de eigenschappen van het door de verdachte gebruikte voorwerp om mee te steken (bijvoorbeeld een groot mes);
- •
de wijze waarop de verwonding is toegebracht (bijv. door met veel kracht te steken);
- •
hoe vaak verwondingen zijn toegebracht althans geprobeerd is deze toe te brengen (bijv. eenmaal of meermaals)
11.
Of, zoals de rechtbank Den Haag het recentelijk verwoordde (ECLI:NL:RBDHA: 2023:14568):
‘De rechtbank stelt bij het beantwoorden van die vraag voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat het steken met een scherp voorwerp in bepaalde delen van het lichaam tot gevolg kan hebben dat zodanig letsel ontstaat dat daardoor de dood intreedt. Of door het steken in de linkerborststreek de aanmerkelijke kans ontstaat dat het slachtoffer komt te overlijden, moet beoordeeld worden naar de omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer het deel van het lichaam waarin wordt gestoken, het steekwapen zelf en de kracht waarmee is gestoken een belangrijke rol.’
12.
In casu heeft het hof vastgesteld dat de verwonding is aangebracht in de borststreek. De redenering dat dit een kwetsbaar lichaamsdeel is met alle gevolgen van dien gaat in de zaak van verzoeker dus op (en behoefde als feit van algemene bekendheid geen verder bewijs). Maar dat is bij nadere beschouwing ook de enige factor die spreekt voor het aannemen van voorwaardelijk opzet. Alvorens dat nader toe te lichten wordt — volledigheidshalve — alvast opgemerkt dat het enkele feit dat het hof heeft vastgesteld dat de dood is gevolgd op het handelen van verzoeker, niet maakt dat zijn oordeel over het voorwaardelijk opzet van verzoeker dus toereikend is. Die omstandigheid zegt op zichzelf immers niet meer dan dat de dood kennelijk een mogelijke uitkomst van verzoekers handelen was. Of de kans op deze uitkomst ook aanmerkelijk was en of verzoeker die aanmerkelijke kans willens en wetens heeft aanvaard blijkt hieruit niet.
13.
Over met welk voorwerp is gestoken heeft het hof niets vastgesteld, anders dan dat dit een scherp voorwerp was. Wel blijkt uit de bewijsvoering dat hoewel getuigen het duwen (getuige [getuige 1]) of het moment direct daaraan voorafgaand (getuige [getuige 3]) hebben waargenomen, geen van hen een voorwerp (laat staan een groot voorwerp) in de hand van verzoeker heeft gezien. Dat rechtvaardigt de conclusie dat dit een klein voorwerp moet zijn geweest.24. Het toebrengen van een verwonding met een dergelijk klein voorwerp zal minder snel een aanmerkelijke kans op de dood tot gevolg hebben (en maakt dus ook minder aannemelijk dat verzoeker die kans willens en wetens zou hebben aanvaard).
14.
Eveneens pleit niet (zonder meer) voor het aannemen van voorwaardelijk opzet de wijze waarop de stekende beweging volgens het hof is uitgevoerd. Uit de bewijsvoering volgt dat een duwende beweging is gemaakt waarbij verzoeker met twee handen heeft geduwd. Dat is een bepaald a-typische steekbeweging, zeker om de dood te willen veroorzaken, en ook niet een waarvan evident is dat die met zeer veel kracht gepaard gaat. Van belang in dit verband is ook dat in de tot het bewijs gebezigde verklaring van verzoeker van een ‘duwtje’ wordt gesproken en uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van getuige [getuige 1] volgt dat het slachtoffer na de duw achteruit stapte en ‘eej’ zei waarbij dit volgens haar met ‘normale stem’ gebeurde ‘[g]een stemverheffing ofzo. Meer een reactie zo van: ‘joh blijf van me af.’ Ook dit duidt er niet op dat de duwende beweging met (zeer) veel kracht gepaard is gegaan.
15.
Tot slot blijkt uit de bewijsvoering dat verzoeker éénmaal een duwende beweging heeft gemaakt. Van herhaalde bewegingen en/of steekbewegingen is geen sprake geweest. Ook dat pleit tegen het (zonder meer) aannemen van voorwaardelijk opzet op de dood, in het bijzonder als daarbij de voorgaande omstandigheden in ogenschouw worden genomen.
16.
Al met al schiet de bewijsvoering zonder (nadere) motivering, die ontbreekt, niet alleen te kort voor ‘vol’ opzet, maar ook voor het aannemen van voorwaardelijk opzet en het daarvoor vereiste willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer.
Middel III:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 315, 316, 328, 330 en 415 Sv alsmede de artikelen 6 EVRM en 47 en 48 EU Handvest doordat
(eerste deelklacht)
het hof, door het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om de deskundigen [betrokkene 6], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ter zitting te horen af te wijzen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans is die afwijzing en de in dat verband gedane vaststelling onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd;
en/of
(tweede deelklacht)
het hof er niet, althans onvoldoende, blijk van heeft gegeven te hebben nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan verzoekers recht op een eerlijk proces, althans is het (kennelijke) oordeel van het hof dat aan verzoekers rechten in dit verband voldaan is onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd.
Het arrest lijdt hierdoor aan nietigheid.
Toelichting:
1.
Ter zitting in hoger beroep is door de verdediging bepleit dat de locatie waar het dodelijke steekletsel is toegebracht, en, in het verlengde daarvan, hoe lang het slachtoffer daarna nog kon hebben gelopen en handelingsbekwaam is geweest, van essentieel belang is voor de beoordeling van de zaak.25.
2.
Meer in het bijzonder heeft de verdediging onder verwijzing naar de door verschillende deskundigen ingenomen standpunten, mediaberichtgeving over incidenten waarbij eveneens sprake was van letsel aan het hart en een door de verdediging zelf geraadpleegde deskundige ([betrokkene 5]), betoogd dat de conclusie van deskundige [betrokkene 6] dat deze tijdspanne maximaal een minuut is geweest niet gevolgd kan worden. Voor zover het hof in de conclusies van de deskundigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] belastende elementen zou zien die in strijd zijn met dit standpunt van de verdediging, is bepleit dat deze bevindingen niet overgenomen moeten worden door het hof. Voorts is voorwaardelijk verzocht — namelijk indien het hof zou neigen naar een bewezenverklaring en in dat kader de standpunten van een van deze deskundigen ([betrokkene 6], [betrokkene 1] of [betrokkene 2]) in de bewijsconstructie zou wensen te bezigen — de betreffende deskundigen ter zitting als getuige te mogen horen.26.
3.
Het hof heeft dit betoog verworpen en het voorwaardelijk getuigenverzoek afgewezen. In dit verband heeft het hof het volgende overwogen:
‘Door de verdediging is een verslag van 25 november 2022 van prof. dr. [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5]) aan het hof overgelegd. [betrokkene 5] stelt daarin dat de praktijk en de literatuur leert dat een slachtoffer nog meerdere minuten tot tientallen minuten bij bewustzijn kan zijn na het oplopen van één of meerdere steekwonden in het hart. Op basis daarvan bepleit de verdediging dat [slachtoffer] na de opgelopen verwonding nog een langere periode bij bewustzijn kan zijn geweest dan prof. dr. [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6]) heeft geconcludeerd in zijn rapportage van 29 november 2010 en zijn aanvulling op dat rapport van 19 januari 2021. Volgens de verdediging kan de redenering van de rechtbank dat [slachtoffer] enkel bij incident III kan zijn gestoken daarom niet worden gevolgd.
Vooropgesteld wordt dat het hof met de rechtbank vaststelt dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor de mogelijkheid dat [slachtoffer] het letsel heeft opgelopen bij incident I of incident II. Ook al zou met [betrokkene 5] moeten worden aangenomen dat iemand met een steekverwonding in het hart nog gedurende een langere tijd met dat letsel kan rondlopen, doet dat niet af aan de vaststellingen dat tijdens incident I en II geen sprake is — geweest van fysiek contact tussen [slachtoffer] en een ander en [slachtoffer] om die reden het letsel wel bij het incident met verdachte moet hebben opgelopen.
Het hof stelt daarnaast vast dat [betrokkene 5] in zijn verslag twee situaties beschrijft: de situatie waarin het hart door het scherp trauma gaat fibrilleren (scenario 1) en de situatie waarin zich (deels) een harttamponade ontwikkelt (scenario's 2 en 3). [betrokkene 5] beschrijft dat in de eerste situatie het overlijden zeer snel optreedt, binnen enkele seconden en merkt daarover later op dat men na een 10 a 15-tal seconden het bewustzijn zal verliezen. Ook [betrokkene 6] onderscheidt in zijn rapport de situatie waarin zich een harttamponade ontwikkelt en zet die af tegen de situatie waarin sprake is van een snel optredende verbloedingsshock. Op grond van de bij [slachtoffer] geconstateerde letsels concludeert [betrokkene 6] dat hier van die laatste situatie sprake moet zijn geweest, en dat die binnen enkele minuten (geschat 1–2 minuten) bewustzijnsverlies en kort daarna de dood tot gevolg moet hebben gehad (dossierpagina's 4893–4902). In de aanvulling van 2021 schrijft [betrokkene 6] dat hij niet tot andere inzichten is gekomen en dat bij [slachtoffer] sprake was van acuut levensbedreigend en veelal snel dodelijk letsel (dossierpagina's 5007–5009).
Uit het rapport [betrokkene 6] en de aanvulling daarop volgt dat [betrokkene 6] onder ogen heeft gezien dat zich na een steekincident meerdere scenario's kunnen voordoen. [betrokkene 6] zet uiteen dat en waarom hij het door hem beschreven scenario het meest waarschijnlijk acht. Het door de verdediging ingebrachte verslag van [betrokkene 5] beschrijft scenario's, maar laat zich niet uit over de waarschijnlijkheid van die scenario's gelet op de bevindingen in dit specifieke geval. Het hof ziet in het verslag van [betrokkene 5] dan ook geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het rapport van [betrokkene 6] zoals dat in de bewijsvoering is betrokken.
Door de verdediging is een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [betrokkene 6], [betrokkene 1] en [betrokkene 2], te weten onder de voorwaarde dat het hof deze deskundigen in de bewijsconstructie gebruikt. Hiervoor is uiteengezet waarom het hof in het verslag van [betrokkene 5] geen aanleiding ziet te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de bevindingen van [betrokkene 6]. Het hof is van oordeel dat de noodzaak tot het horen van deskundige [betrokkene 6] daarom niet is gebleken. Evenmin ziet het hof noodzaak om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te horen. Daarbij betrekt het hof dat door de verdediging niet is aangevoerd over welke vragen deze deskundigen zouden moeten worden gehoord.’27.
4.
Het hof heeft vervolgens de deskundigenverklaring van [betrokkene 6] tot het bewijs gebezigd. Het vonnis van de rechtbank is op dit punt immers door het hof bevestigd28. en onder het kopje ‘bewijsmiddelen’ is in dit vonnis onder meer het volgende te lezen:
‘In een deskundigenrapport van 29 november 2010 heeft Prof. dr. [betrokkene 6], hoofd van de afdeling Chirurgie Trauma Unit van het AMC, na vragen van de rechter-commissaris, onder meer het volgende gerelateerd:
- 1.
Hoe lang is het slachtoffer nog bij bewustzijn geweest nadat de fatale steek in het hart was toegebracht?
Het slachtoffer zal waarschijnlijk minder dan een minuut bij bewustzijn zijn geweest.’29.
Eerste deelklacht (afwijzing voorwaardelijk getuigenverzoek)
5.
Aangezien de verdediging ter zitting in hoger beroep voorwaardelijk heeft verzocht om deskundigen te mogen horen is bij de beoordeling van dit verzoek het noodzaakscriterium van toepassing.30. In zoverre heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. De concrete invulling die het hof vervolgens aan deze maatstaf heeft gegeven en de toepassing daarvan op het verzoek brengen evenwel mee dat de beslissing tot afwijzing niet begrijpelijk is.
6.
In ECLI:NL:HR:2022:1198, NJ 2023/57 heeft uw Raad uiteengezet hoe moet worden omgegaan met een verzoek van de verdediging om een deskundige te horen die een verslag heeft opgesteld met een voor de verdachte belastende strekking. Kort gezegd, heeft uw Raad in dit arrest bepaald dat de regels geformuleerd in het post-Keskin arrest (ECLI:HR:2021:576, NJ 2021/173) niet één-op-één van toepassing zijn op dergelijke verzoeken. In plaats daarvan moeten deze verzoeken volgens uw Raad worden gemotiveerd waarbij van de verdediging mag worden verlangd dat wordt toegelicht welke onderdelen van het verslag zij wenst te toetsen alsmede waarom het oproepen van de deskundige daarvoor nodig is en niet een andere wijze van toetsing in aanmerking komt.
7.
Deze uitspraak van uw Raad heeft in de literatuur niet op onverdeelde instemming kunnen rekenen. In een recent artikel in Delikt en Delinkwent31. gaat M. Visser nader op deze materie in, mede op basis van een uitgebreide analyse van (recente) rechtspraak van het EHRM. Visser concludeert:
‘Het arrest van de HR van 13 september 2022 staat minst genomen op gespannen voet met het recht op een eerlijk proces. Ik ben geneigd om te concluderen dat het arrest en de daarin vervatte uitgangspunten die toets niet kunnen doorstaan. Daarvoor zijn in deze bijdrage twee redenen gegeven.
Allereerst volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat de door de HR opgelegde adstructieplicht hoogstwaarschijnlijk een schending oplevert van artikel 6 EVRM. Daar doet het gegeven dat tegenspraak van de bevindingen van een deskundige op meer manieren kan worden vormgegeven dan tegenspraak ten aanzien van de verklaring van een getuige, niet aan af. Een tweede punt is dat de adstructieplicht zodanig onbepaald en inhoudelijk zwaar is, dat daaraan in voorkomende gevallen door de verdediging redelijkerwijs niet valt te voldoen. Dat staat op gespannen voet met de eis dat de verdediging recht heeft op effectieve mogelijkheden voor tegenspraak.
In de inleiding citeerde ik Reijntjes die over de opstelling van de HR inzake de beoordeling van verzoeken om een getuige te horen in een annotatie schreef dat die ‘een misvatting [bleek] waarvoor door A-G Spronken en een deel van de wetenschappelijke literatuur nadrukkelijk was gewaarschuwd.’ De HR zou er goed aan doen om deze keer de waarschuwingen over mogelijke schendingen van artikel 6 EVRM ter harte te nemen. Doet hij dat niet, dan komt het verwijt van struisvogeljuristerij dichter bij dan zou moeten.’
8.
Verzoeker sluit zich aan bij deze kritische opmerkingen van Visser en merkt in aanvulling daarop nog het volgende op.
9.
Ten eerste kan aan de analyse van Visser nog een viertal EHRM-uitspraken worden toegevoegd die door hem (en uw Raad in NJ 2323/57) niet in de analyse zijn betrokken:
- •
Allereerst de uitspraak in de zaak Constantinides waarin het EHRM overwoog dat de beginselen die gelden voor belastende getuigen ‘are applicable, mutatis mutandis, in the present case, which concerns experts.’32.
- •
In de enige tijd later gewezen uitspraak in Butkevich overwoog het EHRM — onder verwijzing naar deze uitspraak in Constantinides — dat ‘[i]f a court decides that an expert assessment is needed, the defence should have the opportunity to put questions to the experts, to challenge their findings and to examine them directly at the trial.’33. (onderstreping JK en TD)
- •
In de weer enige tijd later gewezen uitspraak in de zaak Kartoyev overwoog het EHRM dat ‘si l'accusation considère une personne en particulier comme une source d'information pertinente et s'appuie au procès sur son témoignage, qui est ensuite utilisé par le tribunal pour étayer un verdict de culpabilité, il faut présumer qu'il est nécessaire que cette personne comparaisse en personne pour être interrogée, à moins que son témoignage ne soit manifestement non pertinent ou redondant’ (onderstreping JK en TD), om vervolgens te overwegen dat dit ook geldt voor de deskundigen in die zaak. Het oordeel van de Russische rechter dat hun verhoor ter zitting niet noodzakelijk was (‘n’était pas nécessaire’) had derhalve het recht van Kartoyev op een eerlijk proces aanzienlijk ondermijnd en was met name in strijd met de beginselen van hoor en wederhoor en equality of arms.34.
- •
In een zeer recente uitspraak in de zaak Severin — gewezen op 8 oktober 2024; dat wil zeggen na de betreffende uitspraak van uw Raad en zelfs na verschijning van Visser's artikel — wordt het uitgangspunt dat de verdediging deskundigen ter zitting mag ondervragen wederom door het EHRM vooropgesteld: ‘la défense doit normalement avoir la possibilité de poser des questions aux experts, de contester leurs conclusions et de les interroger directement à l'audience’35. (onderstreping JK en TD)
- •
Uit het gebruik van het woord ‘et’ / ‘and’ in voornoemde uitspraken blijkt dat volgens het EHRM geen sprake is van alternatieven waarbij één enkele optie volstaat. Anders gezegd: de verdediging heeft wat het EHRM betreft al deze rechten ten aanzien van deskundigen en dus ook steeds het recht de deskundige ter zitting te ondervragen.
10.
Ten tweede dient te worden benadrukt dat de vraag of getuigen en deskundigen ter zitting moeten worden gehoord niet alleen (meer) vanuit EVRM-perspectief moet worden beantwoord. Het is immers vaste rechtspraak van het HvJ EU dat dergelijke vraagstukken ook vallen onder de reikwijdte van Richtlijn 2016/343 (artikel 8) in verbinding met het Handvest van de Grondrechten (artikel 47/48) en dat de verdediging op grond van deze bepalingen het recht heeft getuigen ter zitting te mogen ondervragen.36. In het licht van het voorgaande valt niet in te zien waarom het HvJ EU hier anders over zou denken ten aanzien van deskundigen.37.
11.
Uitgaande van het hiervoor uiteengezette (aangescherpte) kader waarin — net als bij getuigen à charge — het recht van de verdediging om een ‘belastende’ deskundige te mogen ondervragen ter zitting het uitgangspunt is en een dergelijk verzoek ook niet nader hoeft te worden onderbouwd door de verdediging, kan de afwijzing door het hof van de voorwaardelijke getuigenverzoeken geen standhouden.
12.
Voor wat betreft deskundige [betrokkene 6] geldt dat dit verzoek is afgewezen met als motivering dat ‘het hof in het verslag van [betrokkene 5] geen aanleiding ziet te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de bevindingen van [betrokkene 6]’. Daarmee heeft het hof, gezien het voorgaande, een te beperkte uitleg gegeven aan het noodzakelijkheidscriterium. Dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de bevindingen van [betrokkene 6] omdat deze betrouwbaar worden geacht, doet immers niets af aan het recht van de verdediging de deskundige ter terechtzitting te mogen ondervragen.38. Vanuit fair trial perspectief is de door het hof gegeven motivering ook een drogredenering die het Amerikaanse Hooggerechtshof ooit als volgt fraai omschreef: ‘Dispensing with confrontation because testimony is obviously reliable is akin to dispensing with jury trial because a defendant is obviously guilty.’39.
13.
Daarbij komt dat het hof niets heeft vastgesteld over andere manieren waarop de verdediging in de gelegenheid is gesteld [betrokkene 6] te bevragen (‘poser des questions aux experts’), terwijl ook niet gezegd kan worden dat de deskundigenverklaring van [betrokkene 6] onmiskenbaar irrelevant of overbodig is — het hof heeft het verslag van [betrokkene 6] immers tot het bewijs gebezigd en diens opinie over de maximale duur van het bewustzijn van het slachtoffer vormt een cruciaal onderdeel van de bewijsconstructie.
14.
Gelet op al het voorgaande is de afwijzing van het verzoek om [betrokkene 6] ter zitting te horen onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd. Voor zover de overweging van het hof dat [betrokkene 5] zich niet heeft uitgelaten ‘over de waarschijnlijkheid van die [door hem beschreven] scenario's’ aldus moet worden verstaan als dat de verdediging het verzoek om [betrokkene 6] te horen onvoldoende heeft onderbouwd, heeft het hof bovendien blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Een onderbouwing mag immers niet verlangd worden van de verdediging.
15.
Daaraan doet niet af dat door het hof bij de afwijzing van het verzoek is vooropgesteld dat het
‘met de rechtbank vaststelt dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor de mogelijkheid dat [slachtoffer] het letsel heeft opgelopen bij incident I of incident II. Ook al zou met [betrokkene 5] moeten worden aangenomen dat iemand met een steekverwonding in het hart nog gedurende een langere tijd met dat letsel kan rondlopen, doet dat niet af aan de vaststellingen dat tijdens incident I en II geen sprake is — geweest van fysiek contact tussen [slachtoffer] en een ander en [slachtoffer] om die reden het letsel wel bij het incident met verdachte moet hebben opgelopen.’40.
16.
De rechtbank heeft in haar vonnis immers weliswaar overwogen dat het dossier ‘geen concrete aanwijzing(en) bevat dat [slachtoffer] bij of kort na incident 1 (steek)letsel heeft opgelopen in of nabij zijn hartstreek’,41. en dat het slachtoffer ‘rondom incident 2 geen fysieke confrontatie heeft gehad met [betrokkene 3] (of een ander)’, maar de vaststelling dat het slachtoffer het letsel wel bij het incident met verdachte moet hebben opgelopen is mede gebaseerd op ‘het sporenonderzoek en de conclusies van de deskundigen’, waaronder die in het deskundigenrapport van [betrokkene 6] dat het slachtoffer waarschijnlijk maximaal één minuut bij bewustzijn is geweest nadat hij is gestoken.42. De overweging van het hof dat er eerder geen sprake is geweest van fysiek contact tussen [slachtoffer] en een ander en dat [slachtoffer] (enkel) ‘om die reden het letsel wel bij het incident met verdachte moet hebben opgelopen’, is in het licht daarvan dan ook niet zonder meer begrijpelijk.
17.
In ieder geval is de vaststelling dat van eerder fysiek contact tussen het slachtoffer en een ander niet kan blijken, niet toereikend om de beslissing tot afwijzing van het verzoek om deskundige [betrokkene 6] ter zitting te horen te kunnen dragen. Het hof heeft immers, met de rechtbank, aan zijn oordeel dat de steekverwonding aan het slachtoffer bij het derde incident (met verzoeker) moet zijn toegebracht mede ten grondslag gelegd de conclusie van voornoemde deskundige dat het slachtoffer waarschijnlijk maximaal één minuut bij bewustzijn is geweest nadat hij is gestoken. Gelet op het feit dat de verdediging de deskundige over die conclusie ter zitting wilde ondervragen, kan bezwaarlijk anders worden geoordeeld dan dat het horen van de deskundige noodzakelijk was, mede in het licht van de in het kader van art. 350 Sv te beantwoorden vragen.
18.
Voor wat betreft deskundigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] geldt hetzelfde met dien verstande dat het hof in hun geval mede in de afwijzing heeft betrokken dat ‘door de verdediging niet is aangevoerd over welke vragen deze deskundigen zouden moeten worden gehoord’ Kennelijk meende het hof van de verdediging een motivering te mogen verlangen. Een dergelijke opvatting is weliswaar in lijn met de rechtspraak van uw Raad maar kan wat verzoeker betreft de Straatsburgse en Luxemburgse toetsing niet doorstaan. Daarbij komt dat ook hier geldt dat het hof niets heeft vastgesteld over andere manieren waarop de verdediging in de gelegenheid is gesteld beide deskundigen te bevragen terwijl ook niet gezegd kan worden dat hun verhoor onmiskenbaar irrelevant of overbodig zou zijn (niet tegenstaande het feit dat hun verklaringen formeel niet als bewijsmiddel zijn gebruikt). Deze verklaringen zijn indirect immers wel door het hof in de bewijsvoering betrokken.43. De afwijzing van het verzoek [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te horen getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting, althans is die afwijzing onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd.
Tweede deelklacht (eerlijkheid procedure als geheel)
19.
De verdediging heeft geen van de bewuste deskundigen ([betrokkene 6], [betrokkene 1] en [betrokkene 2]) ter zitting kunnen ondervragen. Het hof heeft de bevindingen van [betrokkene 6] desondanks tot het bewijs gebezigd terwijl op dit punt de bevindingen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] indirect een rol spelen in de bewijsvoering.44.
20.
Aldus had het hof moeten nagaan en motiveren waarom de procedure als geheel desalniettemin geacht kan worden eerlijk te zijn verlopen. Het hof heeft dit ten onrechte niet gedaan, laat staan dat het hof daarbij kenbare aandacht heeft besteed aan de driestappentoets zoals die volgt uit de jurisprudentie van het EHRM.45. Hier was echter alle aanleiding toe nu
- •
er geen goede reden was de deskundigen ter zitting te horen (stap 1)
- •
hun verklaringen, in ieder geval die van [betrokkene 6], van doorslaggevend althans significant belang zijn voor de bewezenverklaring (stap 2)
- •
terwijl van compenserende maatregelen — anders dan de algemene mogelijkheid hun bevindingen ter zitting te betwisten en het door de verdediging zelf ingebrachte rapport van [betrokkene 6] — geen sprake is (stap 3).
- •
In dit verband zij nog opgemerkt dat indien — zoals in casu — er geen goede reden was voor het niet-horen dit als een ‘very important factor to be weighed in the balance when assessing the overall fairness of a trial’ dient te worden beschouwd.46.
21.
Het voorgaande betekent dat — voor zover uw Raad het ontbreken van een daarop toegesneden kenbare toetsing en motivering niet op zichzelf al voldoende zou achten om tot cassatie over te gaan omdat deze toetsing volgens uw Raad geacht moet worden besloten te liggen in de overwegingen van het hof — hoe dan ook het kennelijke oordeel van het hof dat het door artikel 6 EVRM en art. 47/48 Handvest gewaarborgde recht op een eerlijk proces niet in de weg staat aan een gebruik tot het bewijs van de bevindingen van de deskundigen in kwestie, en in ieder geval [betrokkene 6], onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
Voorwaardelijk verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen:
22.
Voor zover uw Raad het onderhavige middel niet gegrond zou achten wordt verzocht prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. Hoewel een adviesverzoek aan het EHRM op grond van het Zestiende Protocol zich in beginsel ook laat voorstellen heeft dit niet de voorkeur van verzoeker omdat het EHRM niet voorziet in een spoedprocedure zoals die wel beschikbaar is bij het HvJ EU (waarover hierna meer). Bovendien kan geenszins worden uitgesloten dat Richtlijn 2016/343 in verbinding met het Handvest ruimere bescherming biedt dan art. 6 EVRM (vgl. art. 52, lid 3 Handvest).
23.
Ter toelichting op dit verzoek het volgende.
24.
Hoewel verzoeker meent dat de rechtspraak van het EHRM aldus moet worden verstaan dat — kort gezegd — het Keskin-toetsingskader mutatis mutandis geldt voor ‘belastende’ deskundigen erkent hij dat er ook rechtspraak van het EHRM is die benadrukt dat onder omstandigheden juist een onderscheid moet worden gemaakt tussen deskundigen en getuigen. Het gaat dan in het bijzonder om — ook door uw Raad in NJ 2023/57 aangehaalde — uitspraken waarin door het EHRM werd aangegeven dat de gelijkstelling tussen deskundigen en getuigen geldt ‘with due regard to the difference in their status and role’. Enerzijds geldt echter dat uit niets blijkt dat dit onderscheid ook geldt voor het uitgangspunt dat ‘belastende’ deskundigen door de verdediging ter zitting mogen worden gehoord (zodat in dit verband van de verdediging ook geen motivering mag worden verlangd nu een belang daarbij verondersteld moet worden). Anderzijds leert een zoekslag in Hudoc dat de bewuste zinsnede (‘with due … and role’) maar in vier EHRM-uitspraken voorkomt en ook sinds 2020 niet meer door het EHRM is toegepast.47.
25.
Dat gezegd hebbende, deze vier uitspraken in combinatie met het feit dat
- i)
dit onderscheid niet altijd door het EHRM wordt benadrukt en in ieder geval recent niet meer,
- ii)
niet evident is dat — zo het onderscheid tussen deskundigen en getuigen al relevantie toekomt — dit onderscheid ook geldt voor de onderbouwingsplicht van de verdediging en het uitgangspunt dat deskundigen ter zitting mogen worden gehoord; en
- iii)
de Grote Kamer van het EHRM en het HvJ EU (in welke samenstelling dan ook) zich nog nimmer over deze materie hebben uitgelaten
is denkbaar dat uw Raad oordeelt dat een juiste uitleg van het Unierecht niet evident is.
26.
Het stellen van prejudiciële vragen is dan geïndiceerd waarbij verzoeker meent dat in ieder geval de volgende vragen zouden moeten worden gesteld:
- ‘1.
Dient het Unierecht, inzonderheid artikel 8 van Richtlijn 2016/343 in verbinding met de artikelen 47 en 48 van het Handvest, aldus te worden uitgelegd dat
- —
indien de verdediging verzoekt om ter terechtzitting een deskundige te mogen horen die een verslag heeft opgesteld met een voor de verdachte belastende strekking;
- —
uitgangspunt is dat een dergelijk verzoek wordt ingewilligd indien deze deskundige nog niet eerder door de verdediging ter zitting is gehoord,
- —
van de verdediging dus niet verlangd mag worden dat een dergelijk verzoek wordt onderbouwd aangezien het belang bij toewijzing van dit verzoek verondersteld moet worden; en
- —
evenmin van de verdediging verlang mag worden dat wordt toegelicht welke onderdelen van het verrichte onderzoek en/of van de over dat onderzoek opgestelde of afgelegde verklaring zij wil (doen) toetsen door middel van het horen van de deskundige, alsmede dat en waarom een andere wijze van toetsing niet aanmerking komt?
- 2.
Dienen voormelde bepalingen aldus te worden uitgelegd dat
- —
een verzoek zoals bedoeld in de voorgaande vraag;
- —
door de zittingsrechter mag worden afgewezen
- —
op de enkele grond dat het verzoek onvoldoende door de verdediging is onderbouwd en/of dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de schriftelijke bevindingen van de te horen deskundige?
- 3.
Dienen voormelde bepalingen aldus te worden uitgelegd dat
- —
niettegenstaande de omstandigheid dat de verdachte niet de mogelijkheid heeft gehad ter zitting een deskundige te horen die een verslag heeft opgesteld met een voor de verdachte belastende strekking;
- —
terwijl dit niet-horen niet het gevolg is van het overlijden of onbereikbaar zijn van de betreffende deskundige dan wel enige andere goede reden in de zin van artikel 47 en 48 Handvest;
- —
voormeld verslag van de deskundige voorts van doorslaggevend althans significant belang is voor de bewezenverklaring;
- —
de verdachte weliswaar de gelegenheid heeft gehad de betrouwbaarheid van voormeld verslag ter zitting te betwisten maar van overige compenserende maatregelen niet is gebleken;
- —
desalniettemin geconcludeerd kan worden dat het proces van de verdachte als geheel eerlijk is geweest;
- 4.
Maakt het voor het antwoord op vraag 3 een verschil dat dat de zittingsrechter in zijn arrest geen kenbare aandacht heeft besteed aan de uit de jurisprudentie voortvloeiende driestappentoets maar wel heeft overwogen dat het geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de schriftelijke bevindingen van de te horen deskundige?’
27.
Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat — anders dan uw Raad in het verleden heeft overwogen (vgl. ECLI:NL:HR:2015:1332) — uit recente rechtspraak van het HvJ EU volgt dat aan een verzoek om prejudiciële vragen te stellen niet ongemotiveerd of met een verkorte motivering (art. 81/80a RO) voorbij mag worden gegaan.48. Voor zover uw Raad zou overwegen ongemotiveerd of verkort gemotiveerd voorbij te gaan aan voormeld verzoek om prejudiciële vragen te stellen wordt verzocht over de toelaatbaarheid van die handelwijze de volgende prejudiciële vraag te stellen:
‘Dient het Unierecht, inzonderheid artikel 267 VWEU in verbinding met de artikelen 47 en 48 van het Handvest, aldus te worden uitgelegd, dat een nationale rechter wiens beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, aan een opgeworpen vraag over de uitleg van het Unierecht, al dan niet in combinatie met een uitdrukkelijk verzoek om prejudiciële verwijzing, slechts dan ongemotiveerd of verkort gemotiveerd (op een wijze zoals voorzien in art. 80a en 81 RO) voorbij kan gaan indien tevens wordt gemotiveerd welke van de drie uitzonderingen op haar verwijzingsplicht zich voordoet?’
28.
Volledigheidshalve wordt bij dit alles, tot slot, nog gewezen op het feit dat in casu door het HvJ EU de spoedprocedure (PPU) kan worden toegepast.49. Verzoeker bevindt zich immers in voorlopige hechtenis en de vraagstelling heeft (mede) betrekking op de uitleg van een Titel V VWEU-instrument.50. Dit betekent dat de prejudiciële procedure binnen gemiddeld drie tot vier maanden zal worden doorlopen.51. Het stellen van prejudiciële vragen hoeft dus geenszins tot wezenlijke vertraging in de afdoening van dit cassatieberoep te leiden.
29.
Specifiek voor wat betreft de opgeworpen vraag over verkorte afdoening geldt dat verzoeker heeft begrepen dat het HvJ EU in Grote Kamer samenstelling in de loop van 2025 een zitting zal houden in de zaak Remling.52. Gelet op de hiervoor genoemde mogelijkheid om in de zaak van verzoeker de spoedprocedure toe te passen zouden eventuele prejudiciële vragen van uw Raad gelijktijdig met die in Remling door het HvJ EU behandeld kunnen worden. Een en ander zou als bijkomend voordeel hebben dat door het HvJ EU ook het perspectief in strafzaken betrokken kan worden.
Middel IV:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 350, 358, 359, en 415 Sv alsmede artikel 6 EVRM en artikel 17 Gw doordat
(eerste deelklacht)
het kennelijke oordeel van het hof dat de redelijke termijn in hoger beroep niet is geschonden van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans is dit oordeel onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd;
en/of
(tweede deelklacht)
het oordeel van het hof dat — niettegenstaande het feit dat de redelijke termijn in eerste aanleg met bijna tien jaar is overschreden — in de onderhavige zaak een strafkorting van zes maanden (5%) volstaat, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans is dat oordeel onbegrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd.
Het arrest lijdt hierdoor aan nietigheid.
Toelichting:
1.
Door de verdediging is in hoger beroep bepleit dat de redelijke termijn is geschonden en dat dit dient te leiden tot strafvermindering.53. Het hof heeft in reactie daarop als volgt overwogen:
‘Redelijke termijn
In artikel 6, eerste lid, EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt geldt in deze zaak dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen.
Verdachte is al op 13 juli 2010 voor het eerst in verzekering is gesteld, terwijl het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 13 mei 2022 en het hof arrest wijst op 26 januari 2024. Gelet op dit ruime tijdsverloop is het hof van oordeel dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden en dat dit matiging van de op te leggen gevangenisstraf tot gevolg moet hebben van hierna te noemen duur.
[…]
Alles afwegend en gelet op de ernst van het door verdachte gepleegde feit komt naar het oordeel van het hof geen andere straf in aanmerking dan een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf. In beginsel acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaren passend en geboden. Het hof zal de gevangenisstraf, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren en zes maanden, met aftrek van het door verdachte reeds ondergane voorarrest.’54.
2.
Verzoeker is er uiteraard mee bekend dat in cassatie het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn slechts in beperkte kan worden getoetst, dat wil zeggen dat uw Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval.55.In casu doet zich om twee redenen echter de situatie voor dat — ook binnen deze beperkte toetsingsruimte — het oordeel van het hof geen stand kan houden in cassatie.
Eerste deelklacht (ten onrechte geen schending redelijke termijn in hoger beroep aangenomen)
3.
Blijkens de hiervoor geciteerde overwegingen heeft het hof onderzocht of de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg en hoger beroep heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn. Alleen ten aanzien van de procedure in eerste aanleg heeft het hof echter vastgesteld dat sprake is van een schending van de redelijke termijn. Het hof heeft overweegt immers allereerst dat verzoeker ‘al op 13 juli 2010 voor het eerst in verzekering is gesteld, terwijl het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 13 mei 2022 en het hof arrest wijst op 26 januari 2024’ om vervolgens te concluderen dat ‘de behandeling van de zaak in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden.’
4.
Dit kennelijke oordeel van het hof dat de redelijke termijn in hoger beroep niet is geschonden kan echter geen standhouden. Sinds het door de rechtbank gegeven bevel gevangenneming bevindt verzoeker zich immers in voorlopige hechtenis. Dat betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep 16 maanden bedroeg (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2578, r.o. 3.16). Het hof heeft niet binnen deze termijn arrest gewezen. Voor zover het hof is uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaar geeft zijn oordeel dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
5.
Voor zover het hof wel de juiste termijn (lees: 16 maanden) heeft toegepast is zijn oordeel dat deze termijn niet is overschreden onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd. De procedure in hoger beroep heeft immers ruim 20 maanden geduurd. Dat deze overschrijding op enigerlei wijze voor rekening van verzoeker komt heeft het hof niet vastgesteld en is, zonder nadere motivering die ontbreekt, ook niet begrijpelijk.
Tweede deelklacht (ten onrechte volstaan met strafkorting van zes maanden)
6.
Het hof heeft vastgesteld dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen op 13 juli 2010 en de rechtbank uitspraak heeft gedaan op 13 mei 2022. Dit betekent dat de berechting in eerste aanleg in totaal 11 jaar en 10 maanden heeft geduurd. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar56. bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn daarmee bijna 10 jaar. Desalniettemin heeft het hof volstaan met een strafkorting van zes maanden hetgeen — gelet op de straf die het hof naar eigen zeggen anders zou hebben opgelegd (10 jaar) neerkomt op een korting van 5%.
7.
Voor zover het hof zou hebben geoordeeld dat het simpelweg niet meer korting mag geven dan zes maanden getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Dit uitgangspunt — dat uw Raad pleegt te hanteren bij overschrijding van de redelijke termijn in cassatie — is immers niet bindend voor het hof als het om overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg gaat.57.
8.
Voor zover het hof een en ander niet zou hebben miskend en heeft geoordeeld dat — hoewel meer korting mogelijk was — een korting van zes maanden (5%) volstaat is dat oordeel onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd. Zoals hiervoor al aangegeven is de redelijke termijn in eerste aanleg met bijna 10 jaar overschreden. Dat is extreem fors. Van enige compensatie in de berechting in hoger beroep is geen sprake geweest (sterker, in appel is de redelijke termijn ook geschonden; zie eerste deelklacht). Een korting van 5% (lees 6 maanden) kent uw Raad reeds toe als de inzendingstermijn is overschreden met maximaal zes maanden (voor de goede orde: die inzendingstermijn is in casu eveneens overschreden zie het volgende middel). De door het hof geboden compensatie voor bijna 10 jaar overschrijding staat hiermee in geen enkele redelijke of begrijpelijke verhouding. Onder die omstandigheden en mede indachtig de extreme overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg (nogmaals: bijna 10 jaar) is het oordeel van het hof dat desalniettemin volstaan kan worden met een compensatie van zes maanden (5%) — ook indachtig de ruime beoordelingsvrijheid die het hof had — niet begrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
Middel V:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit artikel 6 EVRM en artikel 17 Gw doordat de behandeling van het cassatieberoep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in deze artikelen. Dit moet leiden tot vermindering van de aan verzoeker opgelegde straf.
Toelichting:
1.
Het cassatieberoep is ingesteld op 31 januari 2024. Conform vaste rechtspraak van uw Raad moet onder overschrijding van de redelijke termijn in cassatie mede worden begrepen de overschrijding van de termijn voor het inzenden van de stukken naar uw Raad nadat cassatieberoep is ingesteld. Deze inzendingstermijn is voor zaken zoals de onderhavige, waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, gesteld op zes maanden (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2578, r.o. 3.3).
2.
Blijkens de ‘Mededeling betekening aanzegging’ d.d. 7 november 2024 zijn de stukken van het geding op 2 oktober 2024 ter griffie van uw Raad ontvangen. Dit betekent dat tussen het instellen van het cassatieberoep en de binnenkomst van de stukken de maximale termijn van zes maanden is overschreden (te weten: met ruim twee maanden).
3.
Conclusie: de redelijke termijn in de cassatiefase is in casu geschonden.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. J. Kuijper en mr. Th.O.M. Dieben, beiden advocaat te Amsterdam, aldaar kantoorhoudende aan de Amstel 326, 1017 AR Amsterdam respectievelijk Amstelplein 40, 1096 BC, Amsterdam die verklaren tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker van cassatie.
Amsterdam, 5 januari 2025
J. Kuijper
Th.O.M. Dieben
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 05‑01‑2025
Zie bestreden arrest, p. 3. Zie verder ook pleitaantekeningen hoger beroep mrs. Samseij en Roethof d.d. 12 januari 2024, randnummer 4–14.
Zie pleitaantekeningen hoger beroep mrs. Samseij en Roethof d.d. 12 januari 2024, randnummer 15–37.
Zie bestreden arrest, p. 3–4.
In een tweetal uitspraken werden klachten met artikel 81 RO afgedaan (zie ECLI:NL:HR:2021:276 en ECLI:NL:HR:2022:801). De klachten in die zaken waren echter van een heel andere aard dan in casu aan de orde.
De functie van de rechter-commissaris is immers om te toetsen of sprake is van ‘nieuwe bezwaren’. Zie ook Kamerstukken II, 2009–2010, 32177, nr. 3, p. 27 (‘Voorgesteld wordt om de tussenkomst van de rechter-commissaris in het vervolg de vorm aan te laten nemen van een machtiging. In het kader van het verlenen van de machtiging verifieert de rechter-commissaris of er sprake is van nieuwe bezwaren als bedoeld in artikel 255, tweede lid, Sv.’)
Het vereiste van deze RC-machtiging vervangt immers de in het verleden geldende eis van een GVO.
Hoewel niet expliciet in het arrest vermeld ligt in de overwegingen van het hof als zijn feitelijke oordeel besloten dat sprake is geweest van een aan verzoeker uitgereikte ‘kennisgeving niet verdere vervolging’ in de zin van art. 255 Sv. Terzijde, ook indien dit anders zou zijn en sprake zou zijn geweest van een buitenwettelijk ‘sepot’ dient de regeling van art. 255 Sv naar analogie te worden toegepast (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BK4448, NJ 2010/74)
Vgl. de conclusie van Knigge naar aanleiding van de eerste (en tot op heden enige) ingediende vordering tot herziening ten nadele (Vivaldi),ECLI:NL:PHR:2016:904, par. 7.3.14.
Steun voor deze opvatting vindt verzoeker in de reeds hiervoor genoemde drie uitspraken van uw Raad waarin sprake was van nieuwe verklaringen van een bedreigde getuige die onder meer verklaarde over de betrokkenheid van de verdachte bij de moord (NJ 2002/430), een bekentenis van de verdachte (NJ 2012/539) en verklaringen van medeverdachten waaruit bleek dat de verdachte douanemedewerkers zou hebben benaderd en omgekocht om o.a. drugs-containers op en van het ECT-terrein te begeleiden (NJ 2003/303).
Zie bijv. de politieverklaring van getuige [getuige 2] van 12 juli 2010, p. 1947.
In zoverre spreekt de reeds hiervoor gememoreerde beslissing van de raadkamer van het hof Arnhem-Leeuwaren van 29 januari 2020 om de voorlopige hechtenis van verzoeker bij gebrek aan ernstige bezwaren op te heffen ook boekdelen. Kennelijk was er ook volgens het hof met de verklaring van verzoeker niets nieuws onder de zon.
Zie hierover ook Corstens/Borgers, VI.11 Buitenvervolgingstelling, kennisgeving niet-verdere vervolging, verklaring dat de zaak geëindigd is (‘Aangenomen wordt dat van ‘weder in rechten betrekken’ sprake is, op het moment dat de rechter in de zaak wordt betrokken (dat levert een vervolgingshandeling op). Artikel 255 lid 1 laat daarmee nog wel — enige — ruimte voor opsporingsonderzoek, dat wil zeggen: de uitoefening van opsporingsbevoegdheden waarbij de rechter(-commissaris) niet is betrokken, na buitenvervolgingstelling et cetera.’)
Hetgeen reeds blijkt uit het feit dat de rechters-commissaris niet naar deze verklaring verwijzen in het ook door het hof bedoelde proces-verbaal van bevindingen van 17 september 2018.
Zie vonnis in eerste aanleg, p. 13.
Zie in het bijzonder de verklaring van getuige [getuige 1] ‘Eigenlijk op hetzelfde moment zag ik dat [verdachte] [= verzoeker, JK/TD] [slachtoffer] een duw geeft met beide armen.’ (vonnis in eerste aanleg, p. 4).
Zie vonnis in eerste aanleg, p. 9 (‘Op basis van bovenstaande is er naar het oordeel van de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte [slachtoffer] — tijdens de duw — met een scherp voorwerp in het hart heeft gestoken als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden. Hoewel geen van de getuigen daadwerkelijk heeft gezien dat verdachte [slachtoffer] met een mes heeft gestoken — verschillende getuigen spreken over een duw — weegt mee dat verdachte [slachtoffer] ter hoogte van zijn tepel raakte en het letsel rond dezelfde plek is toegebracht.’) (onderlijning, JK/TD)
Dat in het tot het bewijs gebezigde rapport van patholoog [betrokkene 1] (vonnis eerste aanleg, p. 6) eveneens de term ‘mes’ voorkomt maakt dit niet anders. Duidelijk is immers dat dit slechts een door [betrokkene 1] geopperde mogelijkheid is (‘Het aspect van de defecten kan passen bij een éénzijdig snijdend voorwerp, bijvoorbeeld een éénzijdig snijdend mes, waarvan de letsels ten gevolge van het snijdend deel afmetingen hadden in de grootteorde van circa 3–4 cm.’)
Zie vorige voetnoot.
‘Het is een feit van algemene bekendheid dat het bovenlichaam — door de zich daar bevindende vitale organen — een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is. Omdat dit een algemene ervaringsregel betreft wordt ook verdachte geacht hiervan op de hoogte te zijn. Verdachte is desondanks met een groot keukenmes in zijn hand op zijn vader afgekomen; hij heeft zijn arm opgetild waarna het mes in de borststreek terechtkwam. Dit, terwijl hij boos was op zijn vader en beide personen in beweging waren. Onder deze omstandigheden levert het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op de dood op. Dat de wond van het slachtoffer niet groot of diep was, omdat het mes naar alle waarschijnlijkheid op een rib is af geketst, doet hier niet aan af.‘
‘Het is een feit van algemene bekendheid dat in het bovenlichaam vele vitale organen en slagaders gelegen zijn. Ook verdachte wordt geacht hiervan op de hoogte te zijn. Desondanks heeft hij met kracht met een mes, dat een lemmet van ongeveer twintig centimeter had, uitgehaald naar het bovenlichaam van het slachtoffer. Het slachtoffer, dat hierop een afwerende beweging maakte, heeft ernstig letsel aan de linker onderarm en een oppervlakkige wond in de borstkas opgelopen. Dat verdachte met kracht moet hebben gestoken blijkt uit de omstandigheid dat het mes door de jas en het trainingsjack van het slachtoffer is gegaan, waarna het een diepe sneewond in de arm heeft veroorzaakt en onder meer de slagader en pezen heeft doorgesneden.’
‘De verdachte heeft, zoals hiervoor is overwogen, [slachtoffer] met een groot mes in het bovenlichaam gestoken. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam vitale organen bevinden. Door iemand in dit deel van het lichaam te steken met een groot mes, is naar algemene ervaringsregels de kans aanmerkelijk te achten dat daardoor dodelijk letsel ontstaat, wat in dit geval ook is gebeurd. Het steken met een mes in de borst moet in de ogen van de rechtbank worden beschouwd als een bewust handelen door de verdachte. Uit de getuigenverklaringen volgt namelijk dat de verdachte zich heeft losgetrokken, terwijl hij door twee personen werd vastgehouden om te voorkomen dat hij en [slachtoffer] bij elkaar konden komen. De verdachte heeft daarbij met een groot mes in de hand een beweging naar voren gemaakt. De punt van het mes was gericht op [slachtoffer]. Zowel [slachtoffer] als de verdachte waren op dat moment boos. Zij stonden op korte afstand van elkaar in een kleine ruimte (de keuken). Het handelen van verdachte moet naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het steken van [slachtoffer] met het mes, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] bewust heeft aanvaard. Hieruit volgt dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. Dat de verdachte vervolgens geschrokken reageerde, toen hij het bloed op het mes zag en toen getuigen hem zeiden dat hij [slachtoffer] dood had gemaakt, vormt naar het oordeel van de rechtbank geen contra-indicatie voor het aannemen van voorwaardelijk opzet.’
‘In het licht van bovenstaand kader wordt het volgende overwogen. Het met een groot mes met een lemmet van 10 centimeter steken ter hoogte van de borst van aangever levert een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bij aangever op. Het is een feit van algemene bekendheid dat de borst — door de zich daar bevindende vitale organen — een zeer kwetsbaar onderdeel van het lichaam is. De geweldshandelingen van verdachte, namelijk het pakken van een mes en daarmee van dichtbij en ongecontroleerd in het voornoemde vitale onderdeel van het lichaam van de aangever steken, zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm aan te merken als zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat hieruit de bewuste aanvaarding van verdachte van die aanmerkelijke kans volgt. De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangever dodelijk had kunnen verwonden en zich dus schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.’
‘De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg — in casu de dood van de aangever — aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Het mes dat verdachte bij zich droeg had een lemmet van tien centimeter. Hij heeft [slachtoffer 1] drie keer in het bovenlichaam geraakt, waarvan één keer aan de zijkant van zijn linker borstkas. Dat verdachte met kracht heeft gestoken blijkt uit de verwondingen van aangevers. Het met kracht steken met een dergelijk mes in de borst van een persoon roept naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in het leven dat de desbetreffende persoon ten gevolge hiervan zal kunnen komen te overlijden. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat zich in de borststreek diverse vitale lichaamsonderdelen bevinden, zoals het hart en de longen. De linker long van [slachtoffer 1] is ook daadwerkelijk geraakt: er was sprake van een beperkte klaplong. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door in een chaotische situatie in een druk café diverse malen met een mes te steken zonder dat hij goed kon overzien waar hij iemand zou raken, de aanmerkelijke kans dat aangever als gevolg van de steekwonden zou komen te overlijden bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht daarom het primair onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.’
De uit de bewijsvoering blijkende opgelopen verwonding aan het hart (3-4 cm) biedt verdere steun aan het gebruik van een klein voorwerp om mee te steken.
Zie pleitaantekeningen mrs. Samseij en Roethof d.d. 12 januari 2024, randnummer 144 e.v.
Zie pleitaantekeningen mrs. Samseij en Roethof d.d. 12 januari 2024, randnummer 185–186. Zie ook Pv van de zitting 12 januari 2024, p. 9 (‘De verdediging verzoekt om een tussenarrest te wijzen en daarin aan te geven van welke deskundigenrapportages u in de bewijsconstructie uitgaat en te beslissen dat de betreffende deskundigen nader worden gehoord. Deze deskundigen kunnen dan in persoon en op zitting worden gehoord. Dit verzoek is gedaan onder de voorwaarde dat het hof zou neigen naar een bewezenverklaring.)’
Zie bestreden arrest, p. 6–7.
De rechtbank had op dit punt nog aanvullend overwogen (zie vonnis van de rechtbank d.d. 13 mei 2022, p. 7–8): ‘[slachtoffer] is in het hart gestoken met een scherp voorwerp en als gevolg daarvan overleden. Uit de verklaring van deskundige [betrokkene 6] leidt de rechtbank af dat [slachtoffer] kort voordat hij ineenzakte, moet zijn gestoken. [betrokkene 6] verklaart immers dat [slachtoffer] vanaf het moment van toebrengen van het bij hem geconstateerde steekletsel waarschijnlijk minder dan één minuut bij bewustzijn is geweest. Deze conclusie is door de verdediging in twijfel getrokken waarbij is gewezen op het rapport van deskundige P.M.I. [betrokkene 1], patholoog (hierna [betrokkene 1]) d.d. 29 oktober 2010, waarin wordt geconcludeerd dat een bewustzijn van hooguit één tot enkele minuten mogelijk is. Ook wijst de verdediging op het rapport van 6 april 2020 van deskundige dr. [betrokkene 2], forensisch patholoog (hierna: [betrokkene 2]). Volgens de verdediging concludeert ook [betrokkene 2] dat een bewustzijn tot meerdere minuten mogelijk is geweest. De rechtbank constateert dat er tussen de conclusie van [betrokkene 6] en [betrokkene 1] ten aanzien van de maximale termijn van bewustzijn (beperkt) verschil bestaat. Naar aanleiding hiervan is deskundige [betrokkene 2] geraadpleegd. De rechtbank deelt niet de visie van de verdediging dat de conclusies van [betrokkene 6] en [betrokkene 2] ten aanzien van de maximale tijd van bewustzijn in dit concrete geval afwijken. [betrokkene 2] onderschrijft de conclusie van [betrokkene 6] over de maximale tijd van bewustzijn (maximaal één minuut) immers goeddeels, maar plaatst daarbij enkel de kanttekening dat in zeldzame gevallen een bewustzijn tot enkele minuten kan voorkomen. Daarnaast heeft deskundige [betrokkene 6] in een aanvullend rapport onderbouwd dat de kans dat [slachtoffer] langer dan één minuut bij bewustzijn is geweest op klinische gronden zeer klein is, gelet op de zeer grote verwonding in het hart (een daarvan was maar liefst 3,5 cm lang en reikte tot in de linker hartkamer; de hartkamer die het bloed in de lichaamscirculatie pompt). De rechtbank heeft ook geen aanleiding te twijfelen aan de deskundigheid van [betrokkene 6], zoals door de verdediging is aangevoerd. [betrokkene 6] is werkzaam als traumachirurg bij het AMC. Ten tijde van het eerste rapport had [betrokkene 6] tien jaar werkervaring, ten tijde van de aanvullende rapportage twintig jaar. Uit de rapportage blijkt dat [betrokkene 6] zijn conclusie (mondeling) heeft getoetst bij een traumachirurg uit een groot traumacentrum in de Verenigde Staten alsmede bij de hoogleraar cardiothoracale chirurgie in het AMC. De verdediging heeft ook niets ingebracht waardoor twijfel over de deskundigheid van [betrokkene 6] zou kunnen ontstaan. Op basis van vorenstaande stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] naar alle waarschijnlijkheid minder dan één minuut bij bewustzijn is geweest vanaf het moment dat hij gestoken is.’
Vonnis van de rechtbank d.d. 13 mei 2022, p. 6
M. Visser, ‘Keskin, deskundigen en de Hoge Raad. Struisvogeljuristerij of gepaste nuance?’, DD. 2024/50.
EHRM, Constantinides v. Greece, Application no. 76438/12, 6 oktober 2016, r.o. 39.
EHRM, Butkevich v. Russia, Application no. 5865/07, 13 februari 2018, r.o. 90
EHRM, Kartoyev et autres c. Russie, Requêtes nos 9418/13, 19 oktober 2021, r.o. 76–78.
EHRM, Severin c. Roumanie, Requête no. 20440/18, 8 oktober 2024, r.o. 80.
Zie o.a. HvJ EU, zaak C-348/21 (HYA), 8 december 2022, r.o. (‘Uit het voorgaande volgt dat het in artikel 8, lid 1, van richtlijn 2016/343 neergelegde recht om bij de terechtzitting aanwezig te zijn zodanig moet worden gewaarborgd dat het in de gerechtelijke fase van de strafprocedure kan worden uitgeoefend op een wijze die voldoet aan de vereisten van een eerlijk proces. Dit recht waarborgt dus niet enkel de aanwezigheid van de beklaagde tijdens de zittingen die in het kader van de procedure tegen hem plaatsvinden, maar vereist dat deze persoon in staat is daar daadwerkelijk aan deel te nemen en daartoe de rechten van de verdediging uit te oefenen, waaronder het recht om de getuigen à charge tijdens die gerechtelijke fase te ondervragen of te doen ondervragen.’)
Zie in dit verband reeds de conclusie van Advocaat-Generaal Bot van 14 maart 2019 in zaak C-38/18 (Gambino), punt 46 (‘In ruime zin wordt onder de beginselen van mondelinge behandeling en onvervangbaarheid van de rechter ook het rechtstreekse karakter van de gerechtelijke procedure verstaan, inhoudende dat de rechter persoonlijk en rechtstreeks contact met alle betrokkenen in het strafproces moet hebben: partijen, getuigen, deskundigen, advocaten van partijen en het openbaar ministerie.’)
Voor een andere na ECLI:NL:HR:2022:1198 gewezen uitspraak van het EHRM waarin het belang van ondervraging ter zitting aan de orde kwam zie EHRM, Khalifa v. Czech Republic, Application no. 31767/13, 24 november 2022. (‘Furthermore, the applicant had the opportunity to challenge the expert's credibility through adversarial proceedings before the national courts. He was able to ask her questions directly at the hearing before the District Court (see paragraphs 8 and 9 above) and also to raise his doubts concerning the expert's impartiality before the higher courts (see, by contrast, Danilov v. Russia, no. 88/05, § 111, 1 December 2020).’)
Zie Supreme Court of the Uniteds States, Crawford v. Washington, 541 U.S. 36 (2004), 8 maart 2004.
Zie p. 6 van het arrest.
Zie p. 10, tweede alinea van het vonnis van de rechtbank.
p. 10, tweede alinea van het in zoverre door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank (‘Los daarvan kan óók op grond van het sporenonderzoek en de conclusies van de deskundigen worden uitgesloten dat [slachtoffer] bij dit incident het uiteindelijk fatale steekletsel heeft opgelopen. Uit het deskundigenrapport van [betrokkene 6] heeft de rechtbank geconcludeerd dat [slachtoffer] waarschijnlijk maximaal één minuut bij bewustzijn is geweest nadat hij is gestoken. Op grond van het dossier en de afstand tussen de locatie van incident 1 en het neerstorten van [slachtoffer] kan worden vastgesteld dat er tussen het eerste incident en het ineenstorten van [slachtoffer] meer tijd is verstreken dan één of enkele minuten.’)
Zie de hiervoor in voetnoot 28 geciteerde overwegingen uit het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank.
Zie de hierboven in voetnoot 28 geciteerde overwegingen van de rechtbank.
Zie o.a. EHRM, Schatschaschwili v Germany [GC], Application no. 9154/10, 15 december 2015, r.o. 100 e.v.
Ibid., r.o. 113.
Te weten — in chronologische volgorde — in de uitspraken in Matytsina (app. no. 58428/10), Avagyan (app. no. 1837/10), Khodorkovskiy and Lebedev v. Russia (No. 2) (app. nos. 51111/07 and 42757/07) en Danilov (app no. 88/05).
Zie HvJ EU, zaak C-144/23 (Kubera), 15 oktober 2024. Zie ook de lopende zaak Remling (C-767/23) waarin vragen van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Nederlandse Raad van State over deze problematiek in het kader van de vreemdelingenwet centraal staan.
Zie voor de meeste recente doorlooptijden onder meer de officiële statistieken van het HvJ EU over 2023 beschikbaar via www.curia.eu.
Zie hiervoor voetnoot 48.
Zie pleitaantekeningen mrs. Samseij en Roethof d.d. 12 januari 2024, randnummer 213–215.
Zie bestreden arrest, p. 8.
Zie in dit verband bijvoorbeeld ook ECLI:NL:PHR:2022:740, randnummer 26 e.v. waarin Advocaat-Generaal Aben deze toetsingsruimte nader uiteenzet onder verwijzing naar de rechtspraak van uw Raad.
Weliswaar heeft verzoeker een deel van deze periode (ruim twee maanden) in voorlopige hechtenis doorgebracht maar gelet op de totale periode van 12 jaar zal deze betrekkelijk korte periode onvoldoende gewicht in de schaal leggen om in eerste aanleg uit te gaan van een redelijke termijn van 16 maanden (vgl. ECLI:NL:HR:2021:893).
Vgl. bijvoorbeeld randnummers 28–29 van de al eerder aangehaalde conclusie van AG Aben (zie hierboven voetnoot 55).