Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.6.9:6.6.9 Weigering van de verwijzing; art. 15 lid 5 Vo-BIIbis
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.6.9
6.6.9 Weigering van de verwijzing; art. 15 lid 5 Vo-BIIbis
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS431764:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. art. 8 lid 31-1MbV 2000.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het ontvangende gerecht in het buitenland kan ook weigeren om in te stemmen met een verwijzing van de zaak, omdat hij van mening is dat het belang van het kind daarbij niet is gediend. Art. 15 lid 5,3' zin Vo-BIIbis bepaalt dat indien het ontvangende gerecht de bevoegdheid niet aanvaardt, het verwijzende gerecht waarbij de zaak het eerst was aangebracht zijn bevoegdheid overeenkomstig art. 8-14 Vo-BIIbis blijft uitoefenen.1 Het is mogelijk dat het ontvangende gerecht geen bevoegdheid aanvaardt, omdat naar zijn mening het gerecht in een andere lidstaat waarmee het kind nauwe banden heeft forum conveniens is. Is dat het geval, dan kan het ontvangende gerecht het verwijzingsverzoek afwijzen en de verwijzende rechter op voet van art. 15 lid 2 sub c Vo-BIIbis vragen om de zaak naar het forum conveniens te verwijzen. Echter, terughoudendheid is geboden omdat de inhoudelijke behandeling van de zaak door nog een verwijzingsverzoek vertraagd zal worden.
De rechter waarbij het geschil aanvankelijk aanhangig was gemaakt blijft zijn bevoegdheid overeenkomstig art. 8-14 Vo-B1Ibis ook uitoefenen, indien het ontvangende gerecht niet binnen zes weken op het verwijzingsverzoek reageert. Hierbij kunnen twee situaties onderscheiden worden. Allereerst het geval waarin het ontvangende gerecht niets van zich laat horen. In dat geval blijft de verwijzende rechter zijn bevoegdheid uitoefenen. In de tweede plaats het geval waarin het ontvangende gerecht wel instemt met de verwijzing, maar niet binnen de voorgeschreven periode van zes weken. Volgens de verordening blijft de verwijzende rechter ook dan zijn bevoegdheid uitoefenen. Hoewel met een beroep op het belang van het kind verdedigbaar is om van deze termijn af te wijken, ben ik daarvan geen voorstander. Een formalistische benadering op dit punt voorkomt discussies over wat nog wel en niet een toelaatbare termijnoverschrijding is.