Deze zaak hangt samen met de zaken 22/03895, 22/03897 en 22/03901, waarin vandaag eveneens uitspraak is gedaan.
HR, 06-12-2024, nr. 22/03902
ECLI:NL:HR:2024:1810
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-12-2024
- Zaaknummer
22/03902
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Internationaal publiekrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1810, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑12‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:1295
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:44
ECLI:NL:PHR:2024:44, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑01‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1810
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑01‑2023
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑10‑2022
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2025-0003
NTHR 2025/7, p.40
NJ 2025/231 met annotatie van C.G. van der Plas
Uitspraak 06‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Internationale arbitrage. Vernietigingsprocedure, art. 1065 Rv. Bilateraal investeringsverdrag Russische Federatie – Oekraïne (BIT 1998). Onteigening bezittingen op de Krim, schadevergoeding. Bevoegdheidsverweren, vraag of partij is verschenen in arbitrale procedure, art. 1052 Rv. Uitleg begrip ‘territory’ in BIT 1998, Weens Verdragenverdrag. Splitsing arbitrale procedure, vraag of investering is gedaan binnen temporele toepassingsgebied van BIT 1998, beoordeling in latere fase arbitrale procedure. Uitleg arbitraal vonnis. Samenhang met ECLI:NL:HR:2024:1813, ECLI:NL:HR:2024:1807 en ECLI:NL:HR:2024:1812.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 22/03902
Datum 6 december 2024
ARREST
In de zaak van
DE RUSSISCHE FEDERATIE,
zetelend te Moskou, Russische Federatie,
EISERES tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep,
advocaten: [advocaat 1] en [advocaat 2],
tegen
1. NJSC NAFTOGAZ OF UKRAINE,
gevestigd te Kiev, Oekraïne,
hierna: Naftogaz,
2. NATIONAL JOINT STOCK COMPANY CHORNOMORNAFTOGAZ,
gevestigd te Kiev, Oekraïne,
hierna: Chornomornaftogaz,
3. JSC UKRTRANSGAZ,
gevestigd te Kiev, Oekraïne,
hierna: Ukrtransgaz,
4. JSC UKRGASVYDOBUVANNYA,
gevestigd te Kiev, Oekraïne,
hierna: Ukrgasvydobuvannya,
5. JSC UKRTRANSNAFTA,
gevestigd te Kiev, Oekraïne,
hierna: Ukrtransnafta,
6. SUBSIDIARY COMPANY GAZ UKRAIINY,
gevestigd te Kiev, Oekraïne,
hierna: Gaz Ukraiiny,
VERWEERSTERS in cassatie, eiseressen in het incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: Naftogaz c.s.,
advocaat: F.E. Vermeulen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het arrest in de zaak 200.274.564/01 van het gerechtshof Den Haag van 19 juli 2022.
De Russische Federatie heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Naftogaz c.s. hebben incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor Naftogaz c.s. mede door […] en […].
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van zowel het principale cassatieberoep als het incidentele cassatieberoep.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
Naftogaz c.s. zijn bij het Permanente Hof van Arbitrage (hierna: het PHA) te Den Haag een arbitrageprocedure begonnen tegen de Russische Federatie op basis van een in 1998 tussen Oekraïne en de Russische Federatie gesloten bilateraal investeringsverdrag (hierna: het BIT 1998). Volgens Naftogaz c.s. zijn hun investeringen op de Krim na de incorporatie van de Krim door de Russische Federatie onteigend in strijd met dit verdrag, waardoor zij schade hebben geleden. Het scheidsgerecht heeft een gedeeltelijke einduitspraak gedaan, waarin het onder meer heeft geoordeeld over zijn bevoegdheid en over de vraag of de Russische Federatie het BIT 1998 heeft geschonden. Het scheidsgerecht heeft geoordeeld dat het bevoegd was en dat de Russische Federatie inderdaad het BIT 1998 heeft geschonden. De Russische Federatie heeft – nu de plaats van arbitrage in Nederland is gelegen – bij de Nederlandse rechter op meerdere gronden vernietiging van de arbitrale uitspraak gevorderd.1.
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
De gebeurtenissen op de Krim
(i) De achtergrond van deze arbitragezaak is gelegen in de gebeurtenissen op de Krim in 2014. De Krim was tot (in ieder geval) 6 maart 2014 onderdeel van Oekraïne.
(ii) Op 6 maart 2014 maakte het parlement van de Krim zijn voornemen bekend om aan te sluiten bij de Russische Federatie en agendeerde het een referendum over de onafhankelijkheid. Na een referendum onder de bevolking van de Krim op 16 maart 2014 verklaarde het parlement van de Krim op 17 maart 2014 de Krim onafhankelijk van Oekraïne met als doel om een onafhankelijke soevereine staat te worden en de Russische Federatie te verzoeken om zich bij haar te mogen aansluiten. Op 18 maart 2014 ondertekende de Russische Federatie een verdrag inzake de toelating van de Republiek de Krim tot de Russische Federatie (hierna: het Annexatieverdrag). Op 21-22 maart 2014 keurde het Russische parlement het Annexatieverdrag goed en ratificeerde het dat verdrag. Op 21 maart 2014 nam de Russische Federatie een wet aan waarin de toetreding van de Republiek de Krim en de stad Sebastopol tot de Russische Federatie per 18 maart 2014 werd bevestigd (hierna: de Toelatingswet). De Toelatingswet erkende onder meer de doorlopende geldigheid van onder Oekraïens recht rechtsgeldig verkregen eigendomsrechten per 18 maart 2014.
(iii) De Republiek de Krim wordt niet erkend door Oekraïne en evenmin door de internationale gemeenschap. Feitelijk staat de Krim sinds maart 2014 onder bestuur van de Russische Federatie.
Naftogaz c.s.
(iv) Naftogaz is een Oekraïens staatsconcern dat gas produceert en verhandelt. Chornomornaftogaz is een dochtervennootschap van Naftogaz op de Krim. Ukrtransgaz was een bedrijf dat pijpleidingen en gasopslagfaciliteiten exploiteerde; in 2020 is zij opgehouden met de exploitatie van gaspijpleidingen en voortgegaan als gasopslagbedrijf. Likvo LLC (hierna: Likvo) verleende noodhulpdiensten aan de olie- en gasactiviteiten van Naftogaz op de Krim. Na een fusie in 2020 zijn de juridische rechten van Likvo overgegaan op Ukrgasvydobuvannya, een van de grootste producenten van gas en olie in Oekraïne. Ukrtransnafta is een transport- en opslagbedrijf voor olie. Zij bezat een gezondheidsresort in aanbouw op de Krim. Gaz Ukraiiny was betrokken bij de inning van vorderingen van Naftogaz. Zij bezat voertuigen en materieel op de Krim. Sinds 2016 wordt gewerkt aan een fusie tussen Gaz Ukraiiny en Naftogaz.
(v) Op 17 maart 2014 heeft de State Council of the Republic of Crimea, de Staatsraad van de toen net opgerichte Republiek de Krim, besluit No. 1758-6/14 genomen om vergunningen, gebruiksrechten, exploitatierechten en overige eigendommen van Chornomornaftogaz en Ukrtransgaz te nationaliseren. Op 11 april 2014 onteigende de Staatsraad van de Krim een aantal investeringen van Naftogaz, waaronder drie vergunningen voor offshore opsporing en het recht om het gaspijpleidingsysteem van de Krim te gebruiken. Op 30 april 2014 onteigende diezelfde Staatsraad het overige bezit van Naftogaz op de Krim.
(vi) De meeste onteigende bezittingen werden overgedragen aan het op 17 maart 2014 opgerichte Russische staatsbedrijf Chernomorneftegaz. Daarnaast werden fysieke maatregelen getroffen om de bezittingen van Chornomornaftogaz en Ukrtransgaz onder controle te krijgen.
Het BIT 1998
(vii) Op 27 november 1998 hebben Oekraïne en de Russische Federatie het BIT 1998 (Agreement between the Government of the Russian Federation and the Cabinet of Ministers of Ukraine on the encouragement and mutual protection of investments) gesloten. Dit verdrag, dat op 27 januari 2000 in werking is getreden, voorziet onder meer in bescherming van investeringen (investments), gedaan door investeerders van de ene lidstaat op het grondgebied (territory) van de andere lidstaat. De authentieke taalversies van het BIT 1998 zijn in het Russisch en het Oekraïens.
(viii) Enkele relevante artikelen uit het BIT 1998 luiden, in de Engelse vertaling, als volgt.
“Article 1
Definitions
For the purposes of this Agreement:
1. The term “investments” means any kind of tangible and intangible assets [which are] invested by an investor of one Contracting Party in the territory of the other
Contracting Party in accordance with its legislation, including
(...)
Any alteration of the type of investments in which the assets are invested shall not
affect their nature as investments, provided that such alteration is not contrary to
legislation of a Contracting Party in the territory of which the investments were
made.
2. The term “investor of a Contracting Party” means:
a) any natural person having the citizenship of the state of that Contracting Party and
who is competent in accordance with its legislation to make investments in the
territory of the other Contracting Party:
b) any legal entity constituted in accordance with the legislation in force in the
territory of that Contracting Party, provided that the said legal entity is competent in
accordance with legislation of that Contracting Party, to make investments in the
territory of the other Contracting Party.
(…)
4. The term “territory” means the territory of the Russian Federation or the territory of Ukraine as well as their respective exclusive economic zone and the continental
shelf, defined in accordance with international law.
5. The term “legislation of the Contracting Party” means legislation of the Russian
Federation or Ukraine, respectively.
(…)
Article 12
Application of the Agreement
This Agreement shall apply to all investments made by investors of one Contracting
Party in the territory of the other Contracting Party, on or after January 1, 1992.
Article 13
Amendments
By their mutual consent, the Contracting Parties may make necessary amendments
and addenda to this Agreement, which shall be formalized as relevant Protocols and
shall constitute an integral part of this Agreement after each of the Contracting
Parties has notified the other that the national procedures necessary for the Protocol
to take effect have been completed.”
De arbitrale procedure
(ix) Naftogaz c.s. zijn op 17 oktober 2016 een arbitrale procedure begonnen door een Notice of Arbitration uit te brengen aan de Russische Federatie. Zij lieten daarbij weten wie zij als arbiter benoemden. Omdat de Russische Federatie geen eigen arbiter benoemde hebben Naftogaz c.s. de secretaris-generaal van het PHA verzocht een tweede arbiter te benoemen. Vervolgens zijn een tweede arbiter en een voorzitter benoemd. De arbiters hebben Den Haag als plaats van arbitrage aangewezen.
(x) Naftogaz c.s. stelden zich in de arbitrageprocedure op het standpunt dat de Russische Federatie haar verplichtingen op grond van het BIT 1998 heeft geschonden door het nemen van de hiervoor in 2.2. onder (v) en (vi) genoemde maatregelen (kort gezegd: de onteigening).
(xi) De Russische Federatie heeft het PHA bij brief van 19 januari 2017 medegedeeld dat zij de bevoegdheid van de internationale arbitrage bij het PHA niet erkende. Deze brief luidt als volgt:
“The notice of initiation on the basis of Article 9 of the Agreement Between the Government of the Russian Federation and the Cabinet of Ministers of Ukraine on the Encouragement and Mutual Protection of Investments dated 27 November 1998 (hereinafter - Agreement) of the international arbitration proceedings at the Permanent Court of Arbitration (the Hague) with respect to the claim filed by the NJSC “Naftogaz Of Ukraine”, PSC “State Joint Stock Company Chornomornaftogaz”, PJSC “Ukrtransgaz”, PJSC “Ukrgasvydobuvannya”, PJSC “Ukrtransnafta”, SC “Gaz Ukrainy” and SC “Likvo” is hereby returned.
The present claim obviously cannot be heard under the Agreement, and, consequently, the Agreement cannot serve as a basis to form an arbitration to resolve the dispute.
According to item 1 of Article 1 of the Agreement the term “investments” shall mean any kind of tangible and intangible assets which are invested by an investor of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party in accordance with its legislation. The property, which is the subject of the dispute, is located in the territory of the Republic of Crimea and the city of Sevastopol, which had previously been a part of Ukraine. The assets of claimants are not investments, because they have not been made in the territory of the Russian Federation, and, if ever made, they have been made prior to the accession of the Republic of Crimea and the city of Sevastopol to the Russian Federation and not in accordance with the legislation of the Russian Federation. No taxes have been collected on these assets in accordance with the legislation of the Russian Federation and they have not contributed to the economic development of the Russian Federation.
On the basis of the foregoing, the Russian Federation does not recognize the jurisdiction of the international arbitration at the Permanent Court of Arbitration to hear the present dispute.
Attachment: on 54 pages in a single copy”
(xii) De Russische Federatie is gedurende de arbitrageprocedure op de hoogte gehouden van alle procedurestappen en heeft kopieën ontvangen van alle bij de procedure behorende stukken, verzoeken en brieven met bijlagen. Zij heeft hierop tot aan de gedeeltelijke einduitspraak van 22 februari 2019 (hierna onder (xiv)), afgezien van de hiervoor onder (xi) genoemde brief, niet gereageerd.
(xiii) Oekraïne heeft in de arbitrageprocedure met toestemming van het scheidsgerecht een zogenoemde ‘non-disputing party submission’ ingediend, waarin Oekraïne haar standpunt over de toepasselijkheid van het BIT 1998 voor de onderhavige kwestie heeft toegelicht.
(xiv) Het scheidsgerecht heeft de arbitrageprocedure gesplitst met als doel om kwesties betreffende bevoegdheid (jurisdiction) en aansprakelijkheid (liability) in een preliminaire fase van de procedure te behandelen (bifurcation). Op 22 februari 2019 heeft het scheidsgerecht een gedeeltelijke einduitspraak (Partial Award) gedaan.2.Daarin heeft het scheidsgerecht beslist dat het bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van Naftogaz c.s. en dat een schending van verschillende bepalingen van het BIT 1998 is aangetoond. Het scheidsgerecht heeft verder overwogen dat het zal doorgaan met de zogenoemde quantum phase van de arbitrale procedure.
(xv) Bij brief van 10 juli 2019 heeft de Russische Federatie te kennen gegeven alsnog te willen deelnemen aan de arbitrale procedure. Zij heeft bij die brief diverse verzoeken gedaan waarop het scheidsgerecht heeft gerespondeerd in de Procedural Order no. 8 van 6 oktober 2019. Het scheidsgerecht heeft de Russische Federatie in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren met betrekking tot (de omvang van) de schadevergoeding.
2.3
In deze procedure heeft de Russische Federatie het hof verzocht om de Partial Award te vernietigen op de voet van art. 1065 lid 1, onder a (onbevoegdheid van het scheidsgerecht), c (schending opdracht) en e (strijd met openbare orde), Rv. Naftogaz c.s. hebben verweer gevoerd.
2.4
Het hof heeft de Partial Award vernietigd voor zover het scheidsgerecht heeft geoordeeld dat het bevoegd is om alle vorderingen te beoordelen, aangezien het scheidsgerecht alleen bevoegd is te oordelen over investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan.3.In grote lijnen en voor zover in cassatie van belang komen de oordelen van het hof op het volgende neer.
De Russische Federatie is met haar brief (hiervoor 2.2 onder (xi)) niet in de arbitrale procedure verschenen en zij heeft niet het recht verwerkt om haar standpunt ten aanzien van bepaalde bevoegdheidsgronden in de vernietigingsprocedure naar voren te brengen. (rov. 5.3.6-5.3.8)
Het standpunt van de Russische Federatie dat het, om de toepasselijkheid van het BIT 1998 te beoordelen, nodig is om een oordeel te geven over de soevereiniteitsstatus van de Krim wordt verworpen. (rov. 5.4.4 e.v.)
Met het begrip territory in art. 1 lid 4 BIT 1998 wordt niet uitsluitend gedoeld op sovereign territory. (rov. 5.5.7 e.v.)
Het standpunt van de Russische Federatie dat het BIT 1998 geen gelding heeft op de Krim wegens gebrek aan reciprociteit moet worden verworpen. (rov. 5.6.5)
Alleen investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan vallen onder het beschermingsbereik van het BIT 1998. (rov. 5.7.5)
Na de Partial Award heeft het scheidsgerecht Procedural Order no. 8 uitgevaardigd. Niet duidelijk is of het scheidsgerecht aan zijn uiteenzetting in de Procedural Order consequenties heeft verbonden voor zijn uitspraak in de Partial Award dat het bevoegd is over de (dus in beginsel alle) claims te oordelen. Het hof zal de Partial Award daarom in zoverre vernietigen. (rov. 5.7.6) In de quantum phase van de arbitrage zal nog aan de orde kunnen komen wanneer de investeringen zijn gedaan. (rov. 5.7.7)
De investeringen van Naftogaz c.s. moeten als investments in de zin van art. 1 lid 1 BIT 1998 worden beschouwd. Daaraan staat niet in de weg dat zij niet van meet af aan op het grondgebied van de Russische Federatie zijn gedaan. (rov. 5.8.8 e.v.)
Het standpunt van de Russische Federatie dat Naftogaz c.s. niet zouden kunnen worden aangemerkt als investors in de zin van art. 1 lid 2 BIT 1998 wordt verworpen. (rov. 5.9.6)
Het BIT 1998 staat toe dat meerdere investeerders tezamen een vordering tegen een verdragsstaat instellen. (rov. 5.11.5)
Het beroep van de Russische Federatie op strijd met de openbare orde (art. 1065 lid 1, onder e, Rv) wordt verworpen. (rov. 5.14.6 e.v.)
3. Beoordeling van het middel in het incidentele cassatieberoep
3.1
De Hoge Raad zal het incidentele beroep eerst behandelen, omdat het de verste strekking heeft.
3.2
Het incidentele beroep is gericht tegen de verwerping door het hof van het verweer van Naftogaz c.s. dat de Russische Federatie het recht heeft verwerkt om bepaalde onbevoegdheidsgronden in de vernietigingsprocedure naar voren te brengen (rov. 5.3.6-5.3.8).
3.3
Onderdeel 1.1 van het middel klaagt dat het in rov. 5.3.7 vervatte oordeel van het hof dat de Russische Federatie niet in het arbitrale geding is verschenen als bedoeld in art. 1052 lid 2 Rv, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, nu het hof daarvoor ten onrechte doorslaggevend heeft geacht of de (inhoud van de) brief van 19 januari 2017 van de Russische Federatie (zie hiervoor in 2.2 onder (xi)) niet het karakter heeft van een (beknopt) verweerschrift. Onderdeel 1.2 klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, althans ontoereikend gemotiveerd, omdat het hof niet kenbaar heeft getoetst of de in de brief van de Russische Federatie opgenomen uiteenzetting waarom het tribunaal door haar onbevoegd wordt geacht, geldt als het voeren van (enig) verweer en, daarom, als een verschijning in de zin van art. 1052 lid 2 Rv.
3.4
Art. 1052 lid 2 Rv bepaalt, voor zover van belang, dat een partij die in het arbitraal geding is verschenen, een beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, voor alle weren dient te doen, op straffe van verval van haar recht op dat ontbreken later, in het arbitraal geding of bij de gewone rechter, alsnog een beroep te doen. In het verlengde daarvan bepaalt art. 1065 lid 2 Rv dat de in lid 1 onder a bedoelde vernietigingsgrond (dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt), in het in art. 1052 lid 2 Rv genoemde geval niet tot vernietiging van het arbitrale vonnis kan leiden.
3.5
Blijkens de parlementaire geschiedenis van art. 1052 lid 2 Rv gelden geen formele vereisten voor het verschijnen in een arbitraal geding en kan aangenomen worden dat een partij in het arbitraal geding verschijnt wanneer zij op enigerlei wijze aan de arbitrage deelneemt.4.
3.6
Het hof heeft voor zijn oordeel dat de Russische Federatie niet in de arbitrage is verschenen doorslaggevend geacht dat de hoofdboodschap van de brief van 19 januari 2017 is dat de Russische Federatie niet aan de arbitrale procedure zal deelnemen, welke boodschap slechts is toegelicht met een beknopte uiteenzetting waarom het tribunaal onbevoegd wordt geacht. Dat het hof een brief met een dergelijke inhoud niet heeft aangemerkt als het verschijnen in het arbitraal geding (zoals hiervoor in 3.5 bedoeld) getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
3.7
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.1.1
Een deel van de klachten in het principale beroep houdt in dat het hof heeft miskend dat het BIT 1998 om meerdere redenen niet van toepassing is op de verhouding tussen partijen en dat het scheidsgerecht daarom onbevoegd was van de vorderingen kennis te nemen. Bij de beoordeling van deze klachten dient het volgende tot uitgangspunt.
4.1.2
Ingevolge art. 1020 lid 1 Rv kunnen partijen bij overeenkomst geschillen die tussen hen uit een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan dan wel zouden kunnen ontstaan, aan arbitrage onderwerpen. Het aldus benoemde scheidsgerecht is gerechtigd te oordelen over zijn bevoegdheid (art. 1052 lid 1 Rv), maar het fundamentele karakter van het recht op toegang tot de rechter brengt mee dat de beantwoording van de vraag of een geldige arbitrageovereenkomst is gesloten, uiteindelijk aan de rechter is opgedragen.5.Het fundamentele karakter van dit recht brengt verder mee dat een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis wegens het ontbreken van een overeenkomst tot arbitrage (art. 1065 lid 1, onder a, Rv) door de rechter niet terughoudend wordt getoetst.
4.1.3
In dit geval heeft het scheidsgerecht zijn bevoegdheid ontleend aan het BIT 1998. Nederland is geen partij bij het BIT 1998 en is daaraan ook niet anderszins gebonden. Dat betekent dat het BIT 1998 wordt beschouwd als recht van een vreemde staat in de zin van art. 79 lid 1, onder b, RO, zodat oordelen van het hof omtrent de inhoud en uitleg van het BIT 1998 in cassatie niet op juistheid kunnen worden onderzocht.6.Motiveringsklachten over de door het hof aan het BIT 1998 gegeven uitleg kunnen slechts worden beoordeeld voor zover dit mogelijk is zonder daarbij de juistheid van de oordelen van het hof omtrent de inhoud en uitleg van het BIT 1998 te betrekken. Klachten over de uitleg en toepassing van het Weens Verdragenverdrag (hierna: WVV)7.kan de Hoge Raad wel volledig beoordelen..
4.2.1
Onderdeel 1.1 van het middel is gericht tegen rov. 5.5.9-5.5.12, 5.5.14 en 5.5.18-5.5.21 van het bestreden arrest. Daarin heeft het hof geoordeeld dat de Krim deel uitmaakt van het grondgebied (territory) van de Russische Federatie als bedoeld in art. 1 lid 4 BIT 1998, nu dat begrip niet beperkt is tot het soevereine grondgebied van de betrokken staten, maar zich ook uitstrekt tot grondgebied waarover een staat rechtsmacht en effectieve controle uitoefent. Het onderdeel klaagt dat het hof hiermee toepassing heeft gegeven aan het BIT 1998 in een situatie die de verdragspartijen ten tijde van het sluiten van het verdrag niet voorzagen, en daarmee de art. 31, 39 en 63 WVV heeft miskend.
4.2.2
In de bestreden overwegingen heeft het hof beoordeeld of het begrip territory uit art. 1 lid 4 BIT 1998 enkel verwijst naar sovereign territory. Daarbij heeft het hof terecht tot uitgangspunt genomen dat een verdrag op grond van art. 31 WVV te goeder trouw moet worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag (rov. 5.5.7). Vervolgens heeft het hof onder meer overwogen dat uit de bewoordingen van het BIT 1998 niet blijkt dat partijen de bedoeling hadden de werking van het verdrag te beperken tot het soevereine grondgebied (rov. 5.5.8-5.5.9) en dat dit ook niet blijkt uit de tot het verdrag behorende travaux préparatoires (rov. 5.5.14). Een dergelijke uitleg zou volgens het hof ook niet passen bij de bedoeling van verdragspartijen, die was en is om investeringen over en weer op hun grondgebieden aan te moedigen en te beschermen (rov. 5.5.15-5.5.18). Het hof is tot de slotsom gekomen dat er geen reden is om aan te nemen dat de Krim niet valt onder de territory van de Russische Federatie als bedoeld in het verdrag, en dat daaraan niet afdoet dat partijen de huidige feitelijke situatie destijds niet hebben voorzien, nu het erop aankomt wat past bij de bedoelingen van partijen ten aanzien van de werking van het verdrag op het moment van het sluiten daarvan (rov. 5.5.20). Hiermee heeft het hof kenbaar toepassing gegeven aan de in art. 31 WVV neergelegde regel van verdragsuitleg en ook overigens geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van die bepaling of enige andere bepaling uit dat verdrag, of een onbegrijpelijk oordeel gegeven. De klacht faalt daarom.
4.3
Onderdeel 2 klaagt dat het hof in rov. 5.4.4-5.4.7 ten onrechte de stelling van de Russische Federatie heeft verworpen dat een oordeel over het soevereiniteitsconflict ten aanzien van de Krim noodzakelijk is om te kunnen beoordelen of het scheidsgerecht bevoegd was. Uit het falen van onderdeel 1.1 (zie hiervoor in 4.2.2) volgt dat dit onderdeel eveneens tevergeefs is voorgesteld.
4.4.1
De onderdelen 3.1-3.3 zijn gericht tegen rov. 5.7.6 en 5.7.7 van het bestreden arrest. Daarin heeft het hof geoordeeld dat het scheidsgerecht alleen bevoegd is ten aanzien van investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan, en vervolgens overwogen dat het zich zal onthouden van een oordeel over de vraag welke investeringen van Naftogaz c.s. op of na deze datum zijn gedaan. De onderdelen klagen in de kern dat het hof zich niet kon onthouden van een oordeel hierover, omdat het als overheidsrechter exclusief verantwoordelijk is om te beoordelen of het scheidsgerecht bevoegd was.
4.4.2
Bij de beoordeling van deze klacht is het volgende van belang. Zoals het hof in rov. 5.7.1 heeft uiteengezet, heeft het scheidsgerecht in zijn Partial Award het argument dat de investeringen van Naftogaz c.s. buiten het temporele toepassingsgebied van het BIT 1998 vallen niet als zodanig behandeld. In de Partial Award is wel overwogen dat het BIT 1998 niet zonder temporele grenzen is en dat art. 12 BIT 1998 de bescherming van het verdrag beperkt tot investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan. Het dictum van de Partial Award luidt:
“274. For the reasons set out above, the Tribunal by majority rules:
(a) that the Tribunal has jurisdiction over the claims;
(b) that the Claimants have established a violation of Article 5 (expropriation) and Article 2(1) (full and unconditional legal protection) and Article 3(1) (most favored nation treatment) of the BIT.
275. The Tribunal will therefore proceed to the quantum phase of the arbitration.”
Nadat de Russische Federatie is gaan deelnemen aan de quantum phase van de arbitrage heeft het scheidsgerecht Procedural Order no. 8 uitgevaardigd en daarin onder meer als volgt overwogen:
“The Tribunal specifically noted in paragraph 175 of the Partial Award that “[t]he
Treaty itself is not without temporal limitations. Article 12 restricts protection to
investments made ‘on or after January 1, 1992’.” Accordingly, subject matter
jurisdiction was affirmed only in respect of investments made after that date. The
quantification phase will only deal with investments made after that date.”
In rov. 5.7.5.1 heeft het hof, in cassatie onbestreden, geoordeeld dat art. 12 BIT 1998 zo moet worden uitgelegd dat alleen investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan onder het beschermingsbereik van het BIT 1998 vallen. In rov. 5.7.6 heeft het hof overwogen dat de gevolgen van Procedural Order no. 8 onduidelijk zijn. Het hof heeft de Partial Award daarom vernietigd, maar alleen voor zover het scheidsgerecht heeft geoordeeld dat het bevoegd is om alle vorderingen te beoordelen, aangezien het alleen bevoegd is te oordelen over investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan. In rov. 5.7.7 heeft het hof vervolgens overwogen dat de discussie over de vraag wanneer de investeringen zijn gedaan nog wordt gevoerd in de arbitrale procedure en heeft het hof zich daarom onthouden van een oordeel over de vraag welke investeringen voor bescherming in aanmerking komen.
4.4.3
In Procedural Order no. 8 heeft het scheidsgerecht duidelijk gemaakt hoe zijn bevoegdheidsbeslissing in de Partial Award moet worden uitgelegd (zie hiervoor in 4.4.2). Die uitleg houdt in dat in de Partial Award alleen bevoegdheid van het scheidsgerecht is aangenomen voor investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan, en dat de quantum phase van de arbitrale procedure slechts op die investeringen betrekking zal hebben.
Zoals het hof in rov. 5.7.7 heeft overwogen, zal in de quantum phase van de arbitrale procedure dus nog per investering worden beoordeeld wanneer deze is gedaan en of deze binnen het temporele toepassingsgebied van het BIT 1998 valt. Het oordeel dat een investering wel, of juist niet, binnen dat temporele toepassingsgebied valt, brengt mee dat het scheidsgerecht wel, respectievelijk niet bevoegd is over die investering te oordelen. Voor zover het scheidsgerecht zich in de quantum phase bevoegd acht om over een bepaalde investering te oordelen, staat tegen die beslissing te zijner tijd, indien overigens aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, een vernietigingsprocedure op de voet van art. 1065 lid 1, onder a, Rv open. Het was daarom niet aan het hof om in de onderhavige vernietigingsprocedure te beoordelen welke investeringen voor, dan wel op of na 1 januari 1992 zijn gedaan; dat is aan het scheidsgerecht in de quantum phase van de arbitrale procedure. De onderdelen falen.
4.5.1
Onderdeel 4.1 klaagt dat het hof in rov. 5.7.6 en het dictum van het bestreden arrest alleen de bevoegdheidsbeslissing van het scheidsgerecht heeft vernietigd, op de grond dat het scheidsgerecht slechts ten aanzien van een deel van de investeringen bevoegd is (zie 4.4.2. hiervoor), maar het oordeel van het scheidsgerecht in stand heeft gelaten dat zich ten aanzien van alle investeringen een schending van de art. 2, 3 en 5 BIT 1998 heeft voorgedaan.
4.5.2
Het onderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft het oordeel van het scheidsgerecht in de Partial Award dat sprake is van een schending van het BIT 1998 kennelijk gelezen in samenhang met de overweging in Procedural Order no. 8 dat het scheidsgerecht enkel bevoegd is ten aanzien van investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan en dat de quantum phase enkel op die investeringen zal zien. Het hof heeft het oordeel van het scheidsgerecht in de Partial Award dus niet zo uitgelegd dat daarmee vaststaat dat het BIT 1998 ook is geschonden ten aanzien van investeringen die temporeel niet onder dat verdrag vallen. Er bestond voor het hof daarom ook geen aanleiding om de Partial Award op dit punt te vernietigen.
4.6
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt de Russische Federatie in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Naftogaz c.s. begroot op € 14.229,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Russische Federatie deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
in het incidentele beroep:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Naftogaz c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Russische Federatie begroot op € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Naftogaz c.s. deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 6 december 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑12‑2024
PCA Case 2017-16, NJSC Naftogaz of Ukraine and others v. Russian Federation, Partial Award, 22 februari 2019.
Gerechtshof Den Haag 19 juli 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1295, hersteld door gerechtshof Den Haag 18 oktober 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2039.
HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2837, rov. 4.2.
HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2837, rov. 4.4.3.
Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, Wenen, 23 mei 1969, Trb. 1972, 51 en 1985, 79.
Conclusie 12‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Investeringsarbitrage. Vernietigingsprocedure. Onteigeningen na incorporatie van de Krim. Bevoegdheid scheidsgerecht. Materieel en temporeel toepassingsbereik BIT tussen Oekraïne en Russische Federatie. Verschijnen in arbitrale procedure; maatstaf (art. 1052 lid 2 Rv).
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03902
Zitting 12 januari 2024
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
De Russische Federatie,
eiseres tot cassatie,
verweerster in het incidenteel cassatieberoep,
tegen
1. NJSC Naftogaz of Ukraine,
2. National Joint Stock Company Chornomornaftogaz,
3. JSC Ukrtransgaz,
4. Likvo LLC,
5. JSC Ukrgasvydobuvannya,
6. JSC Ukrtransnafta,
7. Subsidiary Company Gaz Ukraiiny,
verweersters in cassatie,
eiseressen in het incidenteel cassatieberoep.
Partijen worden aangeduid als Russische Federatie respectievelijk Naftogaz c.s.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
Deze zaak betreft een procedure tot vernietiging van een arbitrale uitspraak. Naftogaz c.s. zijn op grond van het bilaterale investeringsverdrag tussen Oekraïne en de Russische Federatie een arbitrage tegen de Russische Federatie begonnen. Plaats van de arbitrage is Den Haag. De arbitrage gaat over de rechtmatigheid van de onteigening van vermogensbestanddelen op grond van overheidsmaatregelen die zijn genomen nadat de Krim in maart 2014 onder het bestuur en de controle van de Russische Federatie is gekomen. In de arbitrale procedure vorderen Naftogaz c.s. schadevergoeding voor de onteigeningen op de Krim wegens strijd met het bilaterale investeringsverdrag.
1.2
Het scheidsgerecht heeft (i) zichzelf bevoegd verklaard en (ii) geoordeeld dat de Russische Federatie in strijd met het investeringsverdrag vermogensbestanddelen heeft onteigend.
1.3
De Russische Federatie is daartegen een vernietigingsprocedure gestart bij het gerechtshof Den Haag. Zij vordert vernietiging op grond van art. 1065 lid 1, onder a, Rv (onbevoegdheid van het scheidsgerecht), art. 1065 lid 1, onder c, Rv (schending opdracht) en art. 1065 lid 1, onder e, Rv (strijd met openbare orde). Het hof heeft die vorderingen afgewezen. De Russische Federatie komt daar in het principaal cassatieberoep tegen op. In cassatie staan centraal de gronden waarop het hof heeft geoordeeld dat het scheidsgerecht zich terecht bevoegd heeft verklaard.
1.4
Het hof heeft daarnaast geoordeeld dat de Russische Federatie niet in de arbitrageprocedure is verschenen in de zin van art. 1052 lid 2 Rv en leidt daar uit af dat de Russische Federatie niet haar recht heeft verwerkt om in de vernietigingsprocedure de bevoegdheid van het scheidsgerecht te betwisten, na eerder van deelname aan de arbitrale procedure te hebben afgezien. Naftogaz c.s. hebben tegen die beslissing incidenteel cassatieberoep ingesteld. Dat beroep stelt de vraag aan de orde wanneer een partij in een arbitrageprocedure is verschenen.
1.5
De onderhavige zaak hangt samen met drie andere zaken waarin de Russische Federatie cassatieberoep heeft ingesteld en waarin ik vandaag eveneens concludeer: zaak 22/03895 (Belbek c.s.), zaak 22/03897 (Privatbank) en zaak 22/03901 (Everest c.s.). In de eerste twee zaken, Belbek c.s. en Privatbank, heeft het scheidsgerecht dezelfde samenstelling. Dat scheidsgerecht heeft een tussenvonnis over zijn bevoegdheid en een gedeeltelijk eindvonnis over de gegrondheid van de vorderingen gewezen. Het oordeel over welke specifieke investeringen zijn beschermd en wat de hoogte is van de schadevergoeding voor hun onteigening, is aangehouden tot de kwantumfase van de arbitrage en loopt op dit moment nog. In de derde zaak, Everest c.s., is een arbitraal eindvonnis gewezen en de vernietigingsprocedure is daartegen gericht. In de laatste zaak, de onderhavige zaak Naftogaz c.s., heeft het scheidsgerecht een gedeeltelijk eindvonnis (Partial Award) gewezen; één arbiter heeft een dissenting opinion gegeven. In april 2023, hangende de cassatieprocedure, heeft het scheidsgerecht eindvonnis gewezen, opnieuw bij meerderheid.
1.6
Het hof heeft de vorderingen in de eerste drie zaken afgewezen. Alleen in de onderhavige zaak heeft het hof het aangevochten deelvonnis ‘voor alle zekerheid’ vernietigd, namelijk voor zover het scheidsgerecht zich ook bevoegd heeft geacht ten aanzien van investeringen die zijn gedaan vóór 1 januari 1992 (zie rov. 5.7.6).
1.7
Ik meen dat in deze zaak, de zaak Belbek c.s. en in de zaak Privatbank het principaal cassatieberoep van de Russische Federatie moet worden verworpen. Het hof heeft op juiste gronden geoordeeld dat het scheidsgerecht zich terecht bevoegd heeft verklaard. Alleen in de zaak Everest c.s. concludeer ik tot vernietiging. Dat heeft te maken met de beoordeling van door de Russische Federatie aangevoerde grieven over de wijze waarop Everest c.s. enkele vastgoedobjecten indertijd hebben verkregen. Ik acht in die zaak enkele oordelen van het hof onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd in het licht van de gedingstukken.
1.8
Het incidenteel cassatieberoep is in deze zaak en in de zaak Belbek c.s. onvoorwaardelijk en in de zaken Privatbank en Everest c.s. voorwaardelijk. Ik behandel in alle vier de zaken het incidenteel cassatieberoep en concludeer steeds tot verwerping ervan.
1.9
De vier conclusies zijn zo veel mogelijk identiek. De talrijke klachten zijn echter niet steeds identiek en kennen soms ook een afwijkende volgorde. In het principaal beroep van de Russische Federatie keren twee onderwerpen in elk van de vier zaken terug. Ten eerste is dat de uitleg van het begrip ‘territory’ in een situatie waarin tussen de twee verdragsstaten feitelijk de landsgrens is verlegd waardoor een investering in de rechtssfeer van de andere verdragsstaat is gekomen. In het verlengde daarvan is betwist of het scheidsgerecht een oordeel heeft gegeven omtrent het soevereiniteitsconflict over de Krim. Ten tweede is dat de vraag hoe moet worden bepaald of onteigende vermogensbestanddelen door de Oekraïense investeerders legaal waren verkregen. In het verlengde van die laatste vraag is alleen in de zaak Everest c.s. concreet aan de orde of specifieke vastgoedobjecten rechtmatig waren verkregen. Al deze vragen zijn relevant voor de bevoegdheid van het scheidsgerecht. Dáárover diende het hof te oordelen, ook al hangt de beantwoording van die vragen mede af van de uitleg van het bilaterale investeringsverdrag tussen Oekraïne en de Russische Federatie en dus van vreemd recht.
1.10
De incidentele beroepen stellen met name aan de orde de vraag wanneer een partij geacht moet worden te zijn verschenen in een arbitraal geding waarop Nederlands procesrecht van toepassing is. Dat is een vraag van uitleg van art. 1052 lid 2 Rv.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1.
2.2
Op 27 november 1998 hebben Oekraïne en de Russische Federatie een bilateraal investeringsverdrag gesloten (hierna: BIT 1998).2.De voor deze procedure relevante bepalingen uit dat verdrag luiden in de Engelse vertaling als volgt:3.
“Article 1 Definitions
For the purposes of this Agreement:
1. The term “investments” means any kind of tangible and intangible assets [which are] invested by an investor of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party in accordance with its legislation, including:
a) (…);
Any alteration of the type of investments in which the assets are invested shall not affect their nature as investments, provided that such alteration is not contrary to legislation of a Contracting Party in the territory of which the investments were made.
2. The term “investor of a Contracting Party” means:
a) any natural person having the citizenship of the state of that Contracting Party and who is competent in accordance with its legislation to make investments in the territory of the other Contracting Party;
b) any legal entity constituted in accordance with the legislation in force in the territory of that Contracting Party, provided that the said legal entity is competent in accordance with legislation of that Contracting Party, to make investments in the territory of the other Contracting party.
(...)
4. The term “territory” means the territory of the Russian Federation or the territory of Ukraine as well as their respective exclusive economic zone and the continental shelf, defined in accordance with international law.
5. The term “legislation of the Contracting Party” means legislation of the Russian Federation or Ukraine, respectively.
(…)
Article 5 Expropriation
1. Investments made by investors of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party shall not be expropriated, nationalized or subject to other measures equivalent in effect to expropriation (hereinafter referred to as “expropriation”), except in cases where such measures are taken in the public interest under due process of law, are not discriminatory and are accompanied by prompt, adequate and effective compensation.
2. (…).
(…)
Article 9 Resolution of Disputes between a Contracting Party and an Investor of the Other Contracting Party
1. Any dispute between one Contracting Party and an investor of the other Contracting Party arising in connection with investments (…) shall be subject to a written notice (…). The parties to the dispute shall endeavor to settle the dispute through negotiations if possible.
2. If the dispute cannot be resolved in this manner (…) it shall be referred to:
a) (…)
b) (…)
c) an “ad hoc” arbitration tribunal (…)
3. The arbitral award shall be final and binding upon both parties to the dispute. (…)
(…)
Article 12 Application of the Agreement
This Agreement shall apply to all investments made by investors of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party, on or after January 1, 1992."
2.3
De Krim is een schiereiland. Tot in ieder geval 6 maart 2014 maakte de Krim deel uit van Oekraïne. Op die dag stemde de Supreme Council van de Krim vóór aansluiting bij de Russische Federatie. Het agendeerde een referendum daarover op 16 maart 2014. Volgens de organisatoren van het referendum stemde 96% van de deelnemers daaraan vóór aansluiting. Op 17 maart 2014 verklaarden de Supreme Council en de gemeenteraad van Sebastopol zich onafhankelijk van Oekraïne. De volgende dag werd een verdrag ondertekend met de titel ‘Treaty between the Russian Federation and the Republic of Crimea on the Acceptance of the Republic of Crimea into the Russian Federation and the Formation of New Constituent Parts within the Russian Federation’. Ondertekenaars waren, de Russische Federatie, de Republiek de Krim en de stadsstaat Sebastopol. Het Grondwettelijk Hof van de Russische Federatie erkende op 19 maart 2014 dat het verdrag in overeenstemming is met de Russische grondwet. Op 21 maart 2014 werd het verdrag door het Russische parlement geratificeerd met het aannemen van de Crimean Incorporation Law. In die wet werd (onder meer) de doorlopende geldigheid van onder Oekraïens recht rechtsgeldig verkregen onroerend goed erkend per 18 maart 2014.4.
2.4
Oekraïne heeft niet erkend dat de Krim onderdeel is gaan uitmaken van de Russische Federatie. Ook op internationaal niveau bestaat daartegen verzet.5.Dat neemt niet weg dat de Krim sinds maart 2014 onder het bestuur en de controle van de Russische Federatie staat.
2.5
Naftogaz is een Oekraïens staatsconcern dat gas produceert en verhandelt. Chornomornaftogaz is een dochtervennootschap van Naftogaz op de Krim. Ukrtransgaz was een bedrijf dat pijpleidingen en gasopslagfaciliteiten exploiteerde; in 2020 is zij opgehouden met de exploitatie van gaspijpleidingen en voortgegaan als gasopslagbedrijf. Likvo verleende noodhulpdiensten aan de olie- en gasactiviteiten van Naftogaz op de Krim. Na een fusie in 2020 zijn de juridische rechten van Likvo overgegaan op Ukrgasvydobuvannya, een van de grootste producenten van gas en olie in Oekraïne. Ukrtransnafta is een transport- en opslagbedrijf voor olie. Zij bezat een gezondheidsresort in aanbouw op de Krim. Gaz Ukraiiny was betrokken bij de inning van vorderingen van Naftogaz. Zij bezat voertuigen en materieel op de Krim.
2.6
Op 17 maart 2014 nam de State Council of the Republic of Crimea, de Staatsraad van de toen net opgerichte Republiek de Krim, besluit No. 1758-6/14 om vergunningen, gebruiksrechten, exploitatierechten en overige eigendommen van Chornomornaftogaz en Ukrtransgaz te nationaliseren. Op 11 april 2014 onteigende de Staatsraad van de Krim een aantal investeringen van Naftogaz, waaronder drie vergunningen voor offshore exploratie en het recht om het gaspijpleidingsysteem van de Krim te gebruiken. Op 30 april 2014 onteigende diezelfde Staatsraad het overige bezit van Naftogaz op de Krim.
2.7
De meeste onteigende bezittingen werden overgedragen aan het op 17 maart 2014 opgerichte Russische staatsbedrijf Chernomorneftegaz. Daarnaast werden fysieke maatregelen getroffen om de bezittingen van Chornomornaftogaz en Ukrtransgaz onder controle te krijgen.
2.8
Op 17 oktober 2016 hebben Naftogaz c.s. een arbitrale procedure aanhangig gemaakt tegen de Russische Federatie. Het standpunt van Naftogaz c.s. in deze arbitrage is dat de Russische Federatie onder meer art. 5 BIT 1998 inzake onteigening heeft geschonden. Op de procedure zijn de regels van de United Nations Commission on International Trade Law (hierna: UNCITRAL) van toepassing. Drie arbiters werden benoemd, zonder bemoeienis van de Russische Federatie. Het Permanent Hof van Arbitrage (hierna: PHA) administreert de arbitrageprocedure. Den Haag is aangewezen als plaats van arbitrage.
2.9
De Russische Federatie heeft het PHA bij brief van 19 januari 2017 van [betrokkene 1] van het Russische ministerie van Justitie medegedeeld dat zij de jurisdictie van de internationale arbitrage bij het PHA niet erkende. De brief luidt als volgt:
“The notice of initiation on the basis of Article 9 of the Agreement Between the Government of the Russian Federation and the Cabinet of Ministers of Ukraine on the Encouragement and Mutual Protection of Investments dated 27 November 1998 (hereinafter – Agreement) of the international arbitration proceedings at the Permanent Court of Arbitration (the Hague) with respect to the claim filed by the NJSC “Naftogaz Of Ukraine”, PSC “State Joint Stock Company Chornomornaftogaz”, PJSC “Ukrtransgaz”, PJSC “Ukrgasvydobuvannya”, PJSC “Ukrtransnafta”, SC “Gaz Ukrainy” and SC “Likvo” is hereby returned.
The present claim obviously cannot be heard under the Agreement, and consequently, the Agreement cannot serve as a basis to form an arbitration to resolve the dispute.
According to item 1 of Article 1 of the Agreement the term “investments” shall mean any kind of tangible and intangible assets which are invested by an investor of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party in accordance with its legislation. The property, which is the subject of the dispute, is located in Republic of Crimea and the city of Sevastopol, which had previously been a part of Ukraine. The assets of claimants are not investments, because they have not been made in the territory of the Russian Federation, and, if ever made, they have been made prior to the accession of the Republic of Crimea and the city of Sevastopol to the Russian Federation and not in accordance with the legislation of the Russian Federation. No taxes have been collected on these assets in accordance with the legislation of the Russian Federation and they have not contributed to the economic development of the Russian Federation.
On the basis of the foregoing, the Russian Federation does not recognize the jurisdiction of the international arbitration at the Permanent Court of Arbitration to hear the present dispute.
Attachment: on 54 pages in a single copy”
2.10
De Russische Federatie heeft er dus voor gekozen niet actief deel te nemen in de eerste fase van de arbitrage. Zij heeft, na deze brief, in de arbitrageprocedure niet meer van zich laten horen. Zij is wel door het PHA op de hoogte gehouden van alle processtappen en zij heeft kopieën ontvangen van alle bij de procedure behorende stukken.
2.11
Oekraïne heeft in de arbitrageprocedure een zogeheten non-disputing party submission ingediend. Daarin is haar standpunt over de toepasselijkheid van de BIT 1998 uiteengezet.
2.12
De arbitrageprocedure is door het scheidsgerecht gesplitst (bifurcation)6.met als doel om kwesties betreffende bevoegdheid (jurisdiction) en aansprakelijkheid (liability) in een preliminaire procedure te behandelen. Op 22 februari 2019 heeft de meerderheid van het scheidsgerecht een gedeeltelijke einduitspraak gedaan (Partial Award). Het dictum van deze meerderheidsuitspraak luidt als volgt:
“PART 20 - DISPOSITIF
274. For the reasons set out above, the Tribunal by majority rules:
(a) that the Tribunal has jurisdiction over the claims;
(b) that the Claimants have established a violation of Article 5 (expropriation) and Article 2(1) (full and unconditional legal protection) and Article 3(1) (most favored nation treatment) of the BIT.
275. The Tribunal will therefore proceed to the quantum phase of the arbitration.”
2.13
Voordien, op 13 februari 2019, had arbiter Stanivukovíc haar andersluidende mening in de zaak (Dissenting Opinion) te kennen gegeven.
2.14
Bij brief van 10 juli 2019 heeft de Russische Federatie te kennen gegeven alsnog te willen deelnemen aan (het vervolg van) de arbitrale procedure. Zij heeft bij die brief diverse verzoeken gedaan, waarop het scheidsgerecht heeft gerespondeerd in Procedural Order no. 8 van 6 oktober 2019.7.Deze beslissing van het scheidsgerecht luidt als volgt:
“4. The Tribunal’s Decision
4.1
The Tribunal […] concludes as follows:
4.1.1
With respect to Russia’s request to submit full argument on the jurisdictional issues […]. […] even assuming the Tribunal has such a discretion in this case to re-open the jurisdictional phase it declines to do so.
4.1.2
Procedural Order No. 7 dated 21 August 2019 invited the Respondent to address the Tribunal’s authority to entertain further submissions in respect of jurisdictional “issues not already dealt with in the Partial Award”. The respondent has outlined in Part III of its submissions dated 6 September 2019 the issues it wishes to argue. All of those issues have already been canvassed by the Tribunal and dealt with in both the majority and dissenting opinions. In particular, Item 5 in Part III asserts that “[t]he majority of investments were made before 1992”. In this case, however, the Tribunal bifurcated all issues dealing with the quantification of the claim. The Tribunal specifically noted in paragraph 175 of the Partial Award that “[t]he Treaty itself is not without temporal limitations. Article 12 restricts protection to investments made ‘on or after January 1, 1992’.” Accordingly subject matter jurisdiction was affirmed only in respect of investments made after that date. The quantification phase will only deal with investments made after that date.
4.1.3 […]
While it is important to protect the procedural rights of the Respondent, it is equally important not to impose on the Claimants further proceedings to address objections on which the Respondent was repeatedly invited to make submissions in a timely way but repeatedly declined to do so. Accordingly the request of the Respondent to reopen the hearing on jurisdictional objections is denied. The Tribunal will proceed directly to the quantum stage.
2.15
Kort voordat zij aangaf alsnog te willen deelnemen aan de arbitrale procedure heeft de Russische Federatie, bij dagvaarding van 21 juni 2019, gevorderd dat het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) het arbitrale deelvonnis (Partial Award) vernietigt op de grond (i) dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, (ii) dat het scheidsgerecht zijn opdracht heeft geschonden, én (iii) dat de vonnissen in strijd zijn met de openbare orde. Het zwaartepunt ligt bij het betoog dat het scheidsgerecht onbevoegd is wegens het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage. Naftogaz c.s. hebben verweer gevoerd.
2.16
Bij (eind)arrest van 19 juli 20228.(hierna: het arrest) heeft het hof de vorderingen van de Russische Federatie gedeeltelijk toegewezen en daartoe samengevat het volgende geoordeeld:
(b) Het fundamentele karakter van het recht op toegang tot de rechter brengt mee dat (i) de beantwoording van de vraag of een geldige arbitrageovereenkomst is gesloten uiteindelijk aan de rechter is opgedragen en (ii) dat een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, door de rechter niet terughoudend wordt getoetst. (rov. 5.3.1).
(c) De door de Russische Federatie aangevoerde gronden voor vernietiging moeten volledig worden getoetst door een uitleg van de BIT 1998 aan de hand van de uitlegmaatstaven die volgen uit het WVV. (rov. 5.3.2)
(d) Voor een arbitrale procedure gelden geen formele eisen voor het verschijnen in de procedure. Indien een brief het karakter heeft van een (beknopt) verweerschrift kan dat als een verschijnen worden aangemerkt. De brief die in 2017 namens de Russische Federatie is gestuurd (geciteerd in rov. 2.9), heeft dat karakter niet. Het scheidsgerecht was, los van die brief, gehouden om uit eigen beweging te toetsen of het bevoegd was. Omdat de Russische Federatie met de brieven niet in de procedure is verschenen, heeft zij niet het recht verwerkt bepaalde bevoegdheidsgronden in de vernietigingsprocedure naar voren te brengen. (rov. 5.3.6-5.3.8)
(e) Het hof moet zelfstandig beoordelen of het scheidsgerecht bevoegdheid kon aannemen. Daarbij kan het (gedeeltelijk) andere gronden betrekken dan die welke het scheidsgerecht zelf aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. (rov. 5.3.12)
(f) Het scheidsgerecht heeft met zijn oordeel over de toepasselijkheid van de BIT 1998 geen oordeel gegeven over de soevereine status van de Krim. Het begrip territory moet volgens het scheidsgerecht niet worden uitgelegd als sovereign territory. De Russische Federatie had effective control en de facto authority over de Krim. Als de verdragspartijen met territory bedoelden sovereign territory dan hadden ze dat wel zo bepaald. (rov. 5.4.5)
(g) Partijen zijn het erover eens dat de Russische Federatie de facto controle heeft over de Krim. De Krim valt onder territory van de Russische Federatie als bedoeld in art. 1 lid 4 BIT 1998, omdat (i) de tekst van dit artikel niet spreekt van sovereign territory; (ii) er geen regel is dat met territory altijd wordt bedoeld sovereign territory; en (iii) een uitleg conform art. 31 WVV tot deze conclusie leidt. (rov. 5.5.6-5.5.7)
(h) De Russische Federatie en Oekraïne hebben de BIT 1998 niet geschorst of opgezegd. Naftogaz c.s. hebben een arbitrage aanhangig gemaakt. Het scheidsgerecht diende vervolgens aan de hand van een uitleg van de BIT 1998 te beoordelen of de Russische Federatie uit de BIT 1998 voortvloeiende verplichtingen heeft geschonden. Welke verplichtingen voor Oekraïne uit het verdrag voortvloeien hoefde niet te worden beoordeeld. Het door de Russische Federatie gestelde gebrek aan reciprociteit doet dus niet af aan de gelding op de Krim van de BIT 1998 (rov. 5.6.5).
(i) Art. 12 BIT 1998 moet zo worden uitgelegd dat alleen investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan onder het beschermingsbereik van de BIT 1998 vallen. Dit volgt uit: (i) de letterlijke bewoordingen van art. 12; (ii) een uitleg van art. 12 BIT 1998 conform de regels van art. 31 WVV; en (iii) de travaux préparatoires en de statenpraktijk. (rov. 5.7.5.1-5.7.5.7)
(j) Het arbitrale deelvonnis wordt vernietigd voor zover het scheidsgerecht heeft geoordeeld dat het bevoegd is alle vorderingen te beoordelen, aangezien het alleen bevoegd is te oordelen over investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan. Omdat de discussie over de vraag wanneer de investeringen zijn gedaan nog wordt gevoerd in de arbitrale procedure, zal het hof zich onthouden van een oordeel over de kwestie welke (individuele) investeringen voor bescherming in aanmerking komen. (rov. 5.7.6-5.7.7)
(k) De investeringen van Naftogaz c.s. vallen onder het begrip investments als bedoeld in art. 1 lid 1 BIT 1998, ook al zijn die investeringen aanvankelijk in Oekraïne gedaan. Uit de letterlijke bewoordingen van de bepaling volgt niet dat de investeringen van meet af aan op het grondgebied van de andere verdragsstaat moeten zijn gelegen. Een uitleg conform art. 31 WVV leidt tot de slotsom dat het voldoende is dat de - na 1 januari 1992 gedane - investeringen zich op het moment van de gestelde inbreuk op het grondgebied van de andere verdragsstaat bevonden. (rov. 5.8.8)
(l) De investeerder moet volgens de wetten van zijn eigen land de bekwaamheid hebben om investeringen te verrichten op het grondgebied van de Krim. Naftogaz c.s. waren daartoe gerechtigd. Het houden van investeringen op de Krim ná de incorporatie door de Russische Federatie is niet in strijd met Oekraïense regelgeving. Het standpunt van de Russische Federatie dat Naftogaz c.s. geen investors zijn als bedoeld in de BIT 1998 gaat niet op en kan dus ook niet leiden tot (algehele) onbevoegdheid van het scheidsgerecht. (rov. 5.9.6)
(m) Het stond het scheidsgerecht vrij om de vorderingen van Naftogaz c.s. gebundeld te behandelen. Dit levert geen grond op voor vernietiging. (rov. 5.11.6 en rov. 5.13.1)
(n) Van strijd met de openbare orde is geen sprake. De in dat kader aangevoerde gronden zijn al besproken in eerdere overwegingen. Het oordeel van het scheidsgerecht houdt geen oordeel in over de soevereiniteit van de Krim en heeft ook geen rechtsgevolgen voor niet bij de arbitrage betrokken partijen. (rov. 5.14.7)
2.17
De Russische Federatie heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest Naftogaz c.s. hebben incidenteel cassatieberoep ingesteld. Partijen voeren (over en weer) verweer. Zij hebben hun zaak schriftelijk laten toelichten, waarna re- en dupliek heeft plaatsgevonden.
2.18
Gedurende de cassatieprocedure heeft het scheidsgerecht op 12 april 2023 een arbitraal eindvonnis (Final Award) gewezen, waarbij in totaal meer dan USD 4 miljard aan Naftogaz c.s. is toegewezen als schadevergoeding.10.Ook dit was een meerderheidsbeslissing.11.De onderhavige cassatieprocedure ziet alleen op het arrest van het hof waarin is beslist op de vorderingen tegen het arbitraal deelvonnis (Partial Award).
3. Bespreking van het principale cassatiemiddel
Inleidende opmerkingen
3.1
Het principale middel bestaat uit een inleiding met een samenvatting van klachten die in vijf onderdelen worden uitgewerkt en zich als volgt laten samenvatten:
- Onderdeel 1 behelst klachten over de door het hof gegeven uitleg van het begrip territory.
- Onderdeel 2 betreft het oordeel van het hof dat het scheidsgerecht geen oordeel heeft gegeven over het soevereiniteitsconflict tussen de Russische Federatie en Oekraïne.
- Onderdeel 3 bevat klachten over de overweging van het hof waarin het zich onthoudt van een oordeel over de kwestie welke investeringen voor bescherming in aanmerking komen.
- Onderdeel 4 heeft als doelwit de beslissing van het hof om alleen het bevoegdheidsoordeel deels te vernietigen, maar niet de verklaring voor recht dat de Russische Federatie met betrekking tot alle voorgelegde investeringen de BIT 1998 heeft geschonden.
- Onderdeel 5 heeft een voortbouwend karakter.
3.2
De Russische Federatie bestrijdt in cassatie slechts voor een deel de oordelen die het hof heeft gegeven ten aanzien van de verschillende door de Russische Federatie aangevoerde onbevoegdheidsargumenten.
3.3
In het kader van deze inleiding maak ik ook enkele algemene opmerkingen over bilaterale investeringsverdragen.
3.4
Een bilateraal investeringsverdrag (Bilateral Investment Treaty, hierna: BIT) is een volkenrechtelijke overeenkomst tussen twee staten die inhoudt dat – over en weer – bescherming wordt geboden aan investeerders uit de ene staat (‘thuisstaat’) die investeren in de andere staat (‘gaststaat’). Deze verdragen zijn gesloten ter bevordering van grensoverschrijdende investeringen.
3.5
De meeste BITs, ook de BIT 1998, voorzien in de mogelijkheid van arbitrage. De ratio daarvan was van oudsher dat investeerders voor rechtsbescherming tegen maatregelen van de gaststaat niet afhankelijk mochten zijn van gerechten van dat land maar terecht moesten kunnen bij een onafhankelijke en onpartijdige instantie.
3.6
Een dergelijk verdragsrechtelijk arbitragebeding vormt een (open) aanbod tot arbitrage van de gaststaat. De overeenkomst tot arbitrage komt tot stand door aanvaarding van dat aanbod door een investeerder uit de andere verdragsstaat.
3.7
Een scheidsgerecht is alleen bevoegd kennis te nemen van een geschil dat binnen het toepassingsgebied van de betrokken BIT valt. Daartoe is onder meer vereist dat is voldaan zowel aan het begrip investering (investment) als aan het begrip investeerder (investor).
3.8
Beschermd worden investeringen op het grondgebied van de andere verdragsstaat. In deze zaak is onder meer in geschil de uitleg van het begrip ‘grondgebied’ (territory). Waar het normaal gesproken een investeerder is die zich verplaatst naar het andere land om op het grondgebied daarvan een investering te doen, is het hier de grens tussen de beide staten die is verplaatst waardoor investeringen die op het grondgebied van de eigen staat zijn gedaan, zich zijn gaan bevinden op het grondgebied van de andere staat en daarmee investeringen in die staat zijn geworden.
3.9
Voorts kan een investering alleen voor bescherming in aanmerking komen als zij is gedaan in de andere staat ‘in accordance with its legislation’. Dit vereiste wordt aangeduid als het ‘legaliteitsvereiste’. Als een investering op het grondgebied van de ene staat is gedaan maar zich vervolgens is komen te bevinden op het grondgebied van de andere staat, ziet de term ‘its legislation’ dan op de wetgeving van de oorspronkelijke staat? Die vraag lijkt hier door beide partijen bevestigend te worden beantwoord. Toetsdatum is het moment dat de investeringen onderdeel gingen uitmaken van de Russische rechtssfeer, hier vastgesteld op 21 maart 2014. Als is aangetoond dat bepaalde investeringen niet voldoen aan het legaliteitsvereiste is het scheidsgerecht ten aanzien van die investeringen niet bevoegd. Dit brengt mee dat het antwoord op de vraag of het scheidsgerecht bevoegd is, afhangt van de uitleg van de BIT.
3.10
De verschillende relevante begrippen, zoals investor, investments en territory moeten worden uitgelegd aan de hand van de internationaalrechtelijke uitlegregels van het WVV. Art. 31 WVV noemt in dat verband de volgende elementen: tekst, context en ‘object and purpose’, die tezamen ‘in good faith’ moeten worden toegepast.
3.11
Het procedurele kader van een investeringsarbitrage wordt bepaald door de betreffende BIT en het van toepassing zijnde arbitragereglement. In deze zaak zijn de arbitrageregels van de Commissie van de Verenigde Naties voor Internationaal Handelsrecht (UNCITRAL) van toepassing. Een arbitrale beslissing op basis van de UNCITRAL-regels is onderworpen aan de controle van de nationale rechter.12.Bij die rechter kan onder meer een verzoek tot vernietiging van een arbitraal vonnis worden gedaan. Partijen kunnen de plaats van arbitrage zelf kiezen. Indien zij dat niet zelf doen, zullen de arbiters dit doen (art. 18 UNCITRAL-regels). Wanneer het PHA een arbitrage administreert wordt regelmatig gekozen voor Den Haag, maar ook een andere plaats - in of buiten Nederland - kan worden gekozen. Indien een plaats in Nederland wordt gekozen, zijn art. 1020-1073 Rv van toepassing (art. 1073 lid 1 Rv).
3.12
Daarmee kom ik toe aan de bespreking van de verschillende middelonderdelen.
Onderdeel 1 (uitleg van het begrip ‘territory’ in art. 1 lid 4 BIT 1998)
3.13
Subonderdeel 1.1 is gericht tegen rov. 5.5.20 en 5.5.21. Deze overwegingen luiden als volgt (onderstreping hier en hierna in deze conclusie toegevoegd):
“5.5.20 Gezien het voorgaande is er op basis van een uitleg te goeder trouw van artikel 1 lid 4 van de BIT 1998 overeenkomstig de gewone betekenis, in zijn context en in het licht van doel en voorwerp van het verdrag, geen reden om aan te nemen dat de Krim niet valt onder de territory van de Russische Federatie als gedefinieerd in dit artikel. Het hof tekent daarbij nog aan dat het bij een uitleg van het verdrag conform de maatstaven van artikel 31 WVV, waar ook wordt gekeken naar het doel en de strekking, niet erop aankomt dat de verdragspartijen ten tijde van het sluiten van het verdrag deze feitelijke situatie, te weten de incorporatie van de Krim door de Russische Federatie vele jaren later, hebben voorzien en onder de werking van het verdrag hebben willen brengen. In zijn algemeenheid is het onmogelijk dat bij het sluiten van een verdrag alle mogelijke toekomstige situaties onder ogen worden gezien. Het komt erop aan na te gaan wat past bij de bedoelingen van partijen ten aanzien van de werking van het verdrag op het moment van het sluiten daarvan. De bedoeling van partijen was om investeringen van de onderdanen van een verdragspartij te beschermen tegen onder meer onteigeningen door de andere verdragspartij. Daarbij past dat tot het grondgebied van een verdragsstaat wordt gerekend, elk gebied waarover een verdragspartij rechtsmacht en effectieve controle uitoefent, die haar de mogelijkheid geven om investeringen van onderdanen van de andere verdragspartij te onteigenen.
5.5.21
De conclusie is dat het scheidsgerecht niet is uitgegaan van een onjuiste definitie van het begrip territory en dat dit dus geen grond voor vernietiging van het arbitrale (tussen)vonnis oplevert. […].”
3.14
Het middel klaagt dat het oordeel in rov. 5.5.20 onjuist is en/of ontoereikend is gemotiveerd, waardoor ook rov. 5.5.21 geen stand kan houden. De oordelen zijn in strijd met art. 31 lid 1 en art. 62 WVV en het hof heeft de door de Russische Federatie gestelde spanning van deze oordelen met art. 31, 39 en 62 WVV niet kenbaar in zijn beoordeling betrokken. Enerzijds overweegt het hof dat vaststaat dat beide verdragspartijen bij het sluiten van de BIT 1998 niet in de mogelijkheid hebben voorzien dat de ene partij een deel van het grondgebied van de andere partij eenzijdig tot zich zou nemen, zodat partijen daarvoor geen voorziening hebben getroffen of bedoelden te treffen. Anderzijds overweegt het hof echter dat het geoorloofd is om in geval van onvoorziene omstandigheden toepassing te geven aan de BIT 1998 overeenkomstig de door de arbiters/rechters hypothetisch aannemelijk geachte bedoeling van redelijke partijen voor het geval zij voor zo’n onvoorziene situatie wél een regeling in hun verdrag zouden hebben opgenomen.
3.15
De klacht kan niet tot cassatie leiden.
3.16
Ten eerste mist de klacht feitelijke grondslag in het bestreden arrest (art. 419 lid 2 Rv). Het hof overweegt niet dat het geoorloofd is toepassing te geven aan de BIT 1998 overeenkomstig een hypothetisch aannemelijke bedoeling van redelijke partijen voor het geval zij voor een onvoorziene situatie wél een regeling zouden hebben opgenomen. Het hof oordeelt enkel dat het past bij de bedoeling van partijen op het moment van het sluiten van de BIT 1998 - namelijk: investeringen beschermen tegen onder meer onteigening - om aan te nemen dat het begrip territory moet worden uitgelegd in die zin dat het ziet op grondgebied waar een partij feitelijk de mogelijkheid heeft over te gaan tot onteigening.
3.17
Ten tweede is het aangevallen oordeel in rov. 5.5.20 niet (zelfstandig) dragend voor de conclusie dat de Krim sinds maart 2014 valt onder de territory van de Russische Federatie als gedefinieerd in art. 1 lid 4 BIT 1998. De eerste zin van art. 5.5.20 geeft al aan dat díe conclusie is gebaseerd op ‘het voorgaande’. Daarmee doelt het hof op rov. 5.5.6-5.5.19 waarin uitgebreid het oordeel is onderbouwd dat de Krim valt onder de territory van de Russische Federatie (na in rov. 5.5.6 overwogen te hebben dat partijen het er over eens zijn dat de Russische Federatie de facto controle heeft over de Krim). Al deze overwegingen worden in cassatie niet bestreden. Slechts ten overvloede heeft het hof vanaf de tweede zin van rov. 5.5.20 het oordeel gegeven dat met het middel wordt aangevallen. Een aanwijzing daartoe geven de woorden: “Het hof tekent daarbij nog aan dat”. Gelet hierop ontbreekt belang bij het slagen van de klacht tegen rov. 5.5.20.
3.18
Voor de klacht tegen rov. 5.5.21 geldt hetzelfde. De slotsom dat het scheidsgerecht niet is uitgegaan van een onjuiste definitie van het begrip territory is immers ook gebaseerd op ‘het voorgaande’, en dus op hetgeen is overwogen in rov. 5.5.6-5.5.19.
3.19
Subonderdeel 1.2 bevat een motiveringsklacht die is gericht tegen rov. 5.5.10.13.Deze overweging luidt:
“5.5.10 Het hof volgt ook niet het standpunt van de Russische Federatie dat territory in het internationale verdragenrecht altijd de betekenis heeft van sovereign territory, ongeacht doel of strekking van het verdrag. Noch uit de juridische literatuur waarnaar de Russische Federatie verwijst, noch uit internationaalrechtelijke rechtspraak valt zo'n categorische conclusie te trekken. Uit het feit dat algemeen wordt aanvaard dat verdragen gelding hebben op het gehele soevereine grondgebied van een staat, volgt immers niet de conclusie dat verdragen niet ook werking (kunnen) hebben op grondgebied waarover een staat langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent, zoals in het onderhavige geval.”
3.20
Het middel klaagt dat deze overweging innerlijk tegenstrijdig is. Het hof overweegt enerzijds dat algemeen wordt aanvaard dat verdragen gelding hebben op het gehele soevereine grondgebied van een staat, waarmee wordt onderkend dat het begrip territory (in beginsel) verwijst naar het soevereine grondgebied van een staat. Anderzijds sluit dit volgens het hof niet uit dat verdragen ook werking (kunnen) hebben op grondgebied waarover een staat langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent, zodat het begrip territory tevens verwijst naar de Krim. Deze benadering is praktisch onhanteerbaar omdat zij leidt tot ‘twee kapiteins op één schip’.
3.21
Naar mijn mening is de aangevallen overweging niet innerlijk tegenstrijdig. Het hof oordeelt dat het begrip territory niet altijd de betekenis heeft van sovereign territory. Dit licht het hof toe door te overwegen dat een verdrag over het algemeen gelding heeft op het gehele soevereine grondgebied van een staat, maar daarnaast (‘ook’) gelding kan hebben op grondgebied waarover een staat langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent. Anders dan het middel betoogt, is deze benadering wel degelijk praktisch hanteerbaar (en zeker niet onbegrijpelijk). Omdat de Russische Federatie langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent op de Krim, kan immers alleen de Russische Federatie verplichtingen uit hoofde van de BIT 1998 hebben op de Krim, zoals in geval van onteigening door middel van overheidsbevoegdheden die sinds maart 2014 alleen de Russische Federatie op de Krim kan uitoefenen (zie rov. 5.5.18).
3.22
Subonderdeel 1.3 bevat nog de voortbouwklacht dat bij het slagen van klachten in subonderdeel 1.1 en/of 1.2 ook andere overwegingen moeten sneuvelen. Gelet op het voorgaande faalt deze klacht evenzeer.
Onderdeel 2 (oordeel over soevereiniteitsconflict)
3.23
Dit onderdeel is gericht tegen rov. 5.4.4 en 5.4.5.14.Deze overwegingen luiden:
“5.4.4 De stelling van de Russische Federatie dat de meerderheid van het scheidsgerecht, niettegenstaande zijn hierboven geciteerde overwegingen, met haar oordeel over de toepasselijkheid van de BIT 1998 een (impliciet of expliciet) oordeel heeft gegeven over het soevereiniteitsconflict tussen de Russische Federatie en Oekraïne ten aanzien van de Krim, volgt het hof niet.
5.4.5
Het standpunt van de Russische Federatie hangt samen met haar uitleg van het begrip territory in artikel 1 lid 4 BIT 1998. Volgens de Russische Federatie moet dit begrip worden uitgelegd als sovereign territory, terwijl één van de (noodzakelijke) elementen van het begrip sovereign territory is, dat de soevereiniteit van een staat over een bepaald grondgebied internationaal wordt erkend. Als deze uitleg juist is, zou de meerderheid van het scheidsgerecht met haar oordeel dat de Krim kan worden gezien als territory van de Russische Federatie in de zin van artikel 1 lid 4 van de BIT 1998, inderdaad (impliciet) een oordeel hebben gegeven over de soevereiniteitskwestie. De meerderheid van het scheidsgerecht heeft in de arbitrale tussenuitspraak echter geoordeeld, dat het begrip territory nu juist niet moet worden uitgelegd als sovereign territory in deze zin. De meerderheid van het scheidsgerecht oordeelde dat de Russische Federatie effective control and de facto authority had en dat als de contractspartijen met territory bedoelden sovereign territory, zij dat wel gezegd zouden hebben. Het scheidsgerecht hoefde, gegeven deze uitleg, geen oordeel te geven over het soevereiniteitsgeschil tussen de Russische Federatie en Oekraïne en heeft dat ook niet gedaan. Het heeft zich enkel gebaseerd op de feitelijke stand van zaken op de Krim. Of deze uitleg van het begrip territory juist is, komt hierna aan de orde. Waar het hier om gaat is dat het scheidsgerecht niet heeft geoordeeld over de soevereine status van de Krim.”
3.24
Volgens de Russische Federatie heeft het hof in deze overwegingen onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd geoordeeld dat het scheidsgerecht geen oordeel heeft gegeven over het soevereiniteitsconflict met Oekraïne. Daarmee heeft het hof onjuist en/of onbegrijpelijk de stelling verworpen dat een beoordeling van het soevereiniteitsconflict met Oekraïne in de weg staat aan de bevoegdheid van arbiters om op claims van investeerders ten aanzien van hun investeringen op de Krim te beslissen. Het antwoord op de vraag of de litigieuze investeringen van Naftogaz c.s. onder de BIT 1998 zijn beschermd, vergt immers een antwoord op de voorvraag welke van beide staten soeverein is ten aanzien van de Krim. Die vraag heeft het hof niet beantwoord. Het hof heeft deze voorvraag ontweken door een feitelijke invulling te geven aan het BIT-begrip territory. Een dergelijk exclusief 'feitelijke invulling' staat haaks op de alternatieve 'soevereine invulling' die het hof uitdrukkelijk - zelfs als algemene basis van het begrip territory, buiten en binnen de BIT - in zijn eigen overwegingen heeft erkend.
3.25
Ik stel vast dat het hof in rov. 5.4.5 respondeert op de in rov. 5.4.4 weergegeven stelling van de Russische Federatie dat het scheidsgerecht een oordeel heeft gegeven over het soevereiniteitsconflict ten aanzien van de Krim. Het hof concludeert dat het scheidsgerecht dit niet heeft gedaan. Anders dan de Russische Federatie betoogt, hoefde het hof in deze context niet zelf de voorvraag te beantwoorden die in dit onderdeel wordt geformuleerd.
3.26
De klacht faalt derhalve.
3.27
Onderdeel 3 (het tijdstip waarop de investeringen zijn gedaan)
3.28
De klachten in onderdeel 3 hebben als doelwit rov. 5.7.7.15.Deze overweging luidt als volgt:
“Het tijdstip waarop de investeringen zijn gedaan
5.7.7
Naftogaz c.s. hebben subsidiair aangevoerd dat alle investeringen na 1992 zijn gedaan. Dat is door de Russische Federatie betwist. Bij pleidooi heeft de Russische Federatie zich in dit verband beroepen op het beginsel van unity of investment dat tot gevolg zou hebben dat de gehele investering van Naftogaz c.s. in het gas- en olieconcern vóór 1 januari 1992 is gedaan. Beide partijen hebben ter onderbouwing van hun standpunten stukken uit de quantum phase van de arbitrage in het geding gebracht.
Omdat daaruit blijkt dat de discussie over de vraag wanneer de investeringen zijn gedaan nog wordt gevoerd in de arbitrale procedure, zal het hof zich onthouden van een oordeel over de kwestie welke investeringen voor bescherming in aanmerking komen.”
3.29
In subonderdeel 3.1 klaagt de Russische Federatie dat het hof de beoordeling van de bevoegdheid van het scheidsgerecht ten onrechte heeft overgelaten aan het scheidsgerecht. Met het oordeel dat het scheidsgerecht alleen bevoegd is voor zover sprake is van investeringen die daadwerkelijk ná 1 januari 1992 zijn gedaan, beslist het hof niet over de bevoegdheid van het scheidsgerecht omdat het hof niet oordeelt welke investeringen aan de vereisten van art. 12 BIT 1998 voldoen. Het hof beoordeelt in dat kader niet de unity of investment- en rechtsopvolgingsargumenten die de Russische Federatie hebben gevoerd. Daarmee miskent het hof dat de beoordeling van de bevoegdheid van het scheidsgerecht de exclusieve verantwoordelijkheid van de overheidsrechter is. Die beoordeling kan niet aan het scheidsgerecht worden overgelaten, althans daarvoor kan (de facto) niet worden terugverwezen naar het scheidsgerecht.
3.30
Met subonderdeel 3.2 stelt de Russische Federatie dat het oordeel van het hof neerkomt op een onjuiste of verboden delegatie aan het scheidsgerecht, dan wel rechtsweigering door het hof. Een oordeel over de geldigheid van de arbitrageovereenkomst kan niet naar het scheidsgerecht worden terugverwezen.
3.31
Subonderdeel 3.3 voegt hieraan toe dat het hof een ontoelaatbare onduidelijkheid laat bestaan over de vragen of en in hoeverre het scheidsgerecht bevoegd is te oordelen over de door Naftogaz c.s. voorgelegde investeringen. Door zich te onthouden van een oordeel over welke investeringen voor bescherming in aanmerking komen, heeft het hof miskend dat het scheidsgerecht een gewezen deelvonnis niet zelf kan aantasten (afgezien van de regelingen voor aanvulling en verbetering).
3.32
De klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
3.33
De in het licht van art. 12 BIT 1998 door de Russische Federatie opgeworpen bevoegdheidsvraag is door het hof beslist in rov. 5.7.6, zoals ook aangegeven in de slotsommen van rov. 5.12.1 en 5.15.1. Het hof oordeelt op basis van een uitleg van art. 12 BIT 1998 dat het scheidsgerecht alleen bevoegd is te oordelen over investeringen die op of ná 1 januari 1992 zijn gedaan. Investeringen die vóór die datum zijn gedaan, vallen temporeel gezien niet onder de bescherming van de BIT 1998. Op genoemde datum hield de Sovjet-Unie op te bestaan. Daarvóór maakten Rusland en Oekraïne allebei deel uit van de Sovjet-Unie. De uitleg die het hof geeft van genoemd art. 12 BIT 1998 acht ik zeer overtuigend en wordt door de Russische Federatie in cassatie als zodanig niet betwist (zie echter ook onderdeel 3 van het incidentele middel). Haar klachten zien op de vraag of een of meer van de onteigende vermogensbestanddelen zijn te relateren aan investeringen die vóór 1992 zouden zijn gedaan en daarom niet voor bescherming in aanmerking komen.
3.34
Het hof heeft zich niet uitgelaten over het moment van investeren door Naftogaz c.s. (rov. 5.7.7). Dat hoefde ook niet, want het hof constateert dat het scheidsgerecht nog een beslissing zal (moeten) nemen over deze vraag. Dat dit in de nog lopende kwantumfase van de arbitrage moet gebeuren, heeft het hof terecht niet van belang geacht. De splitsing van een geding (bifurcation) in verschillende fases is een procedurele maatregel,16.in dit geval genomen om een discussie over de vertrouwelijkheid van bepaalde documenten uit te stellen tot de kwantumfase.17.De UNCITRAL-regels geven de mogelijkheid tot splitsing indien een onbevoegdheidsverweer wordt gevoerd (art. 23 lid 3).
3.35
Het hof geeft met zijn beslissing een signaal aan het scheidsgerecht dat de vraag naar het moment van het doen van de investeringen door Naftogaz c.s. de bevoegdheidsvraag betreft (rov. 5.7.6, rov. 5.12.1 en dictum). Door de gedeeltelijke vernietiging van het deelvonnis (namelijk: van het bevoegdheidsoordeel) dient het scheidsgerecht wederom een bevoegdheidsbeslissing te nemen. Anders dan Naftogaz c.s. betogen, laat het hof daarmee niet het definitieve bevoegdheidsoordeel aan het scheidsgerecht. De partij die het niet eens is met het (ten tijde van het uitspreken van het arrest van het hof nog te geven) bevoegdheidsoordeel van het scheidsgerecht18., kan namelijk een vernietigingsprocedure starten. Indien de data van de investeringen van Naftogaz c.s. in díe te entameren procedure aan de orde worden gesteld, zal het hof zich daarover in beginsel wél moeten uitspreken.
3.36
De conclusie is dat de klachten van onderdeel 3 falen.
Onderdeel 4 (in stand laten van verklaring voor recht)
3.37
De klachten in onderdeel 4 zijn gericht op rov. 5.7.6 en het daaraan ontleende dictum. Deze overweging en beslissing luiden als volgt:
“Gevolgen voor het arbitrale vonnis
5.7.6
De meerderheid van het scheidsgerecht heeft in de Partial Award beslist:
“(a) that the Tribunal has jurisdiction over the claims;”.
Maar daarna heeft het scheidsgerecht Procedural Order no. 8 uitgevaardigd, waarin staat:
“The Tribunal specifically noted in paragraph 175 of the Partial Award that “[t]he Treaty itself is not without temporal limitations. Article 12 restricts protection to investments made ‘on or after January 1, 1992 ’. ” Accordingly, subject matter jurisdiction was affirmed only in respect, of investments made after that date. The quantification phase will only deal with investments made after that date.” (onderstreping hof).
Het scheidsgerecht vermeldt niet of het aan zijn uiteenzetting in de Procedural Order consequenties verbindt voor zijn uitspraak in de Partial Award dat hij bevoegd is over de (dus in beginsel alle) claims te oordelen.
Omdat de gevolgen van Procedural Order no. 8 niet duidelijk zijn, zal de Partial Award voor alle zekerheid worden vernietigd, maar dan alleen voor zover het scheidsgerecht heeft geoordeeld dat het bevoegd is om alle vorderingen te beoordelen, aangezien het alleen bevoegd is te oordelen over investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan.
[…]
6. Beslissing
Het hof:
- vernietigt de Partial Award van 22 februari 2019 voor zover het scheidsgerecht heeft geoordeeld dat het bevoegd is om alle vorderingen te beoordelen, aangezien het alleen bevoegd is te oordelen over investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan;
[…].”
3.38
In subonderdeel 4.1 stelt de Russische Federatie dat uit het zojuist geciteerde kan worden afgeleid dat het hof slechts heeft vernietigd de beslissing dat het scheidsgerecht bevoegd is met betrekking tot alle investeringen. Daarmee laat het hof in stand de door het scheidsgerecht gegeven verklaring voor recht dat de Russische Federatie met betrekking tot alle voorgelegde investeringen de artikelen 2, 3 en 5 van de BIT 1998 heeft geschonden. Dat laatste acht de Russische Federatie onbegrijpelijk. Er bestaat immers een onverbrekelijk verband tussen de bevoegdheidsbeslissing en de verklaring voor recht, zodat het hof niet kon volstaan met een partiële vernietiging van de bevoegdheidsbeslissing.
3.39
De klacht in subonderdeel 4.2 luidt: indien en voor zover de beslissing van het hof zo moet worden uitgelegd dat pas in de quantum phase duidelijk zou worden of sprake is van een schending van de BIT 1998, de onwenselijke situatie ontstaat dat onduidelijk blijft of en in hoeverre de arbiters gebonden zijn aan de verklaring voor recht. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de arbiters in de quantum phase alsnog zouden mogen beslissen over hun bevoegdheid met betrekking tot bepaalde investeringen (en de arbiters in zoverre niet zijn gebonden aan de verklaring voor recht), is dat oordeel rechtens onjuist.
3.40
De klachten falen. Ik citeer nogmaals (zie reeds 2.12) het dictum van de Partial Award:
“PART 20 - DISPOSITIF
274. For the reasons set out above, the Tribunal by majority rules:
(a) that the Tribunal has jurisdiction over the claims;
(b) that the Claimants have established a violation of Article 5 (expropriation) and Article 2(1) (full and unconditional legal protection) and Article 3(1) (most favored nation treatment) of the BIT.
275. The Tribunal will therefore proceed to the quantum phase of the arbitration.”
3.41
Het hof heeft de beslissing onder (a) vernietigd omdat het scheidsgerecht alleen bevoegd is te oordelen over investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan. Daaruit volgt dat alleen voor investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan, de beslissing onder (b) kan gelden. Dit oordeel over de schending van (materiële) bepalingen van de BIT 1998 is dan immers beperkt tot investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan (zie ook schriftelijke opmerkingen zijdens Naftogaz c.s., nr. 45).
3.42
Het is niet zo dat volgens het hof pas in de quantum phase duidelijk kan of moet worden of de vermelde bepalingen van de BIT 1998 zijn geschonden. Wat nog duidelijk moet worden is welke investeringen zijn gedaan op of na 1 januari 1992. Dat betreft de vraag naar de application of the agreement van art. 12 BIT 1998. In het licht hiervan zijn de aangevallen overweging en dictum niet als rechtens onjuist of als onbegrijpelijk te bestempelen.
Onderdeel 5 (veegklacht)
3.43
De klacht in onderdeel 5 behelst louter dat het voorgaande ook rov. 5.12.1 en 5.15.1 en het dictum vitieert.
3.44
Deze klacht deelt het lot van de klachten in onderdelen 1 t/m 4 en faalt dus.
Slotsom
3.45
Slotsom is dat het principale middel niet tot cassatie kan leiden.
4. Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
4.1
Het incidentele cassatiemiddel is onvoorwaardelijk ingesteld en bestaat uit drie onderdelen. Indien uw Raad met mij van oordeel is dat het principaal cassatieberoep faalt, hebben Naftogaz c.s. geen belang bij hun incidenteel beroep. Ik bespreek dat beroep slechts ten overvloede.
4.2
In het eerste onderdeel klagen Naftogaz c.s. dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de Russische Federatie niet in de arbitrageprocedure is verschenen. Het tweede onderdeel betoogt in de kern dat het hof heeft nagelaten te beslissen op het subsidiaire rechtsverwerkingsverweer van Naftogaz c.s.
4.3
Beide onderdelen richten zich tegen rov. 5.3.7 en 5.3.8 van het arrest, waarin wordt ingegaan op de juridische betekenis van de onder 2.9 geciteerde brief van de Russische Federatie.
4.4
Met het derde onderdeel, dat alleen in deze zaak is aangevoerd, komen Naftogaz c.s. op tegen het oordeel van het hof in rov. 5.7.5.5 - 5.7.5.7 dat art. 12 BIT 1998 zó moet worden uitgelegd dat alleen investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan onder de werking van de BIT 1998 vallen.
Eerste onderdeel (verschijnen in een arbitrageprocedure)
4.5
De inleiding van dit onderdeel bevat een samenvatting van de aangevallen rov. 5.3.7 en 5.3.8. Deze overwegingen luiden:
“5.3.7 De hierboven onder 3.12 geciteerde brief is - tot het wijzen van de Partial Award - het enige teken van leven van de Russische Federatie geweest in de arbitrale procedure. Partijen gaan er terecht beide vanuit dat in een arbitrale procedure geen formele eisen gelden voor het verschijnen in de procedure. Op zich is het dus mogelijk dat een dergelijke brief, ook als er verder geen participatie is, als een verschijnen moeten worden aangemerkt. Dat kan het geval zijn als de desbetreffende brief het karakter heeft van een (beknopt) verweerschrift. Het gaat hier om uitleg van de brief aan de hand van objectieve maatstaven. Niet doorslaggevend is dat de brief aan het PHA is gestuurd, en niet aan het scheidsgerecht. Naftogaz c.s. hebben terecht naar voren gebracht dat de Russische Federatie ervan moest uitgaan dat haar brief zou worden doorgestuurd aan het scheidsgerecht en aan de raadslieden van Naftogaz c.s. Doorslaggevend is dat de hoofdboodschap van de brief van 19 januari 2017 is dat de Russische Federatie de notice of initiation (...) of the international arbitration proceedings terugzendt (inclusief de toegezonden 54 bladzijden), met de klaarblijkelijke bedoeling dat zij niet aan de arbitrale procedure zal deelnemen. Die boodschap is toegelicht met een korte toelichting, bestaande uit vier volzinnen, waarin is uiteengezet waarom het tribunaal onbevoegd wordt geacht. De brief heeft daarmee niet het karakter van een (beknopt) verweerschrift. Dat het scheidsgerecht het in de brief genoemde bevoegdheidsverweer wel heeft behandeld, maakt dit niet anders. Het scheidsgerecht was immers gehouden ook eigener beweging te toetsen of het bevoegd was en heeft dat ook - los van de desbetreffende brief - gedaan. In alinea 137 van de Partial Award van 22 februari 2019 overwoog het scheidsgerecht immers: “In addition to consideration of the broad objection of Russia, the Tribunal must satisfy itself on the basis of the provisions of the Treaty and general principles of international law, that all of the other conditions under the BIT respecting jurisdiction are fulfilled.'' De Russische Federatie heeft verder terecht naar voren gebracht dat zowel het scheidsgerecht (in de alinea’s 14, 135 en 196) als Naftogaz c.s. er tijdens de arbitrale procedure blijk van hebben gegeven dat zij de Russische Federatie beschouwden als “niet verschenen”.
5.3.8
Het voorgaande brengt mee dat de Russische Federatie niet het recht heeft verwerkt om bepaalde onbevoegdheidsgronden in deze procedure naar voren te brengen.”
4.6
Ik schets eerst het juridisch kader.
Juridisch kader
4.7
Ik stel voorop dat het sinds 1 januari 2015 geldende arbitragerecht in deze zaak temporeel van toepassing is.19.
4.8
Een arbitrage moet zijn gegrond op een op arbitrage gerichte overeenkomst tussen partijen (art. 1020 lid 1 Rv). Indien een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, is het scheidsgerecht onbevoegd. Art. 1052 lid 2 Rv gaat over beroep op een ontbrekende arbitrageovereenkomst ten overstaan van het scheidsgerecht.20.Deze bepaling luidt:
“Een partij die in het arbitraal geding is verschenen, dient een beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, voor alle weren te doen, op straffe van verval van haar recht op dat ontbreken later, in het arbitraal geding of bij de gewone rechter, alsnog een beroep te doen, (…).”
4.9
Deze bepaling, die ook al in de Arbitragewet 1986 stond, is beperkt tot het geval van een partij die in het arbitraal geding is verschenen. De tekst van de wet biedt geen handvat voor de lezing dat het voorschrift van art. 1052 lid 2 Rv tevens geldt voor de partij die niet is verschenen maar wel deugdelijk is opgeroepen.21.
4.10
In de parlementaire geschiedenis van de Arbitragewet 1986 is over ‘verschijnen in het arbitraal geding’ in de zin van deze bepaling namens de regering het volgende opgemerkt:22.
“Ten aanzien van het tweede lid vroegen de leden van de V.V.D.-fractie, wanneer men spreekt van een partij die in het arbitraal geding is verschenen en in welk stadium. Is dit eerst het geval wanneer de desbetreffende partij bijvoorbeeld de conclusie van antwoord aan het scheidsgerecht toezendt? Is zij reeds verschenen wanneer zij bijvoorbeeld kennis neemt van de arbitrale benoeming en/of bijvoorbeeld meewerkt aan de arbitrale procedure? Is zij dan te laat om nog een beroep op de onbevoegdheid te doen, zo vroegen deze leden.
Ten antwoord op deze vragen merkt de ondergetekende op dat in een rechtbankprocedure een partij verschijnt, wanneer zij zich in de procedure middels een procureur stelt (zie artikel 135 en 137 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In een arbitrale procedure verloopt dit alles niet zo formeel, doch kan aangenomen worden dat een partij in de arbitrale procedure verschijnt wanneer zij op enigerlei wijze aan de arbitrage deelneemt (bijvoorbeeld medewerking verleent aan de benoeming van de arbiter of arbiters). Echter, voor artikel 1052, tweede lid, is het niet zozeer van belang, op welk moment een partij in het arbitraal geding verschijnt, doch dat zij – in het geding verschijnende – een verweer ten principale voert zonder een beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht te doen. Het cruciale moment is derhalve het moment waarop een partij verweer gaat voeren. Voert zij verweer (waaronder begrepen: referte) zonder beroep op onbevoegdheid te doen, dan heeft zij het recht verwerkt daar in een later stadium op terug te komen. Voert een partij geen verweer ten principale, dan kan zij in een later stadium nog wel op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht een beroep doen.”
4.11
De term ‘verschijnen in een arbitrale procedure’ dient in algemene zin ruim opgevat te worden.23.Daarvan is vrij snel sprake, ook gezien de woorden ‘op enigerlei wijze deelneemt’. Van ‘verschenen’ in de context van art. 1052 lid 2 Rv is minder snel sprake. Dat wordt nader uitgelegd in het weergegeven citaat (na het woordje ‘echter’).
4.12
Volgens H.J. Snijders betekent ‘verschijnen’ in deze context: deelgenomen hebbende aan de arbitrage.24.Meijer merkt in zijn proefschrift op: niet verschijnen ingevolge art. 1052 lid 2 Rv houdt in dat de verweerder op het daartoe aangewezen tijdstip geen verweer voert.25.Dit strookt volgens hem met de verstekregeling van art. 1043a lid 2 Rv (art. 1040 lid 2 (oud) Rv).26.Verstekverlening, dat wil zeggen een door de rechter bevestigde niet-verschijning, kent het arbitragerecht niet.
4.13
Het scheidsgerecht is bevoegd om over de eigen bevoegdheid oordelen, zo volgt uit art. 1052 lid 1 Rv. Dit pleegt te worden aangeduid als Kompetenz-Kompetenz). Hoewel deze bepaling anders kan doen vermoeden, zal het scheidsgerecht niet in alle gevallen ambtshalve mogen beslissen of het al dan niet tot kennisneming van het geschil bevoegd is. Alleen indien de verweerder in het arbitraal geding niet is verschenen, zal aanleiding bestaan om naar de bevoegdheid ambtshalve onderzoek te doen.27.
4.14
De beslissing van een scheidsgerecht waarbij het zich bevoegd verklaart, is niet een definitief oordeel.28.Het fundamentele karakter van het recht op toegang tot de rechter brengt namelijk mee dat de beantwoording van de vraag of een geldige arbitrageovereenkomst is gesloten, aan de rechter is voorbehouden.29.Op grond van art. 1065 lid 1, onder a, Rv kan vernietiging van een arbitraal vonnis plaatsvinden op de grond dat een geldige overeenkomst ontbreekt. Op grond van het tweede lid van art. 1065 Rv kan de a-grond niet tot vernietiging leiden in het geval genoemd in art. 1052 lid 2 Rv.30.
4.15
“3.4.1 […] Dit samenstel van bepalingen strekt ertoe te bewerkstelligen dat, indien een partij de bevoegdheid van het scheidsgerecht wil betwisten vanwege het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage, daarover door het scheidsgerecht in een vroeg stadium van de procedure een beslissing kan worden genomen, waardoor zoveel mogelijk voorkomen wordt dat onnodige proceshandelingen verricht zouden worden indien een later (in het arbitraal geding of bij de gewone rechter) gedaan beroep op het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage, alsnog zou moeten leiden tot het oordeel dat het scheidsgerecht onbevoegd is.
3.4.2.
In het licht van deze strekking moet beoordeeld worden of en in hoeverre toelaatbaar is dat een partij die in het arbitraal geding voor alle weren een beroep op het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage heeft gedaan, het beroep daarop in het verdere verloop van het arbitraal geding dan wel in de vernietigingsprocedure met nieuwe feitelijke of juridische stellingen onderbouwt. Gelet op de over en weer in het geding zijnde belangen kan niet als algemene regel aanvaard worden dat daartoe nimmer ruimte zou bestaan. Zo is denkbaar dat een partij die voor alle weren een beroep op het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage heeft gedaan, pas naar aanleiding van een daartegen door de wederpartij gevoerd verweer reden heeft om haar beroep op deze grond (later in het arbitraal geding of bij de gewone rechter) met nieuwe feitelijke of juridische stellingen te onderbouwen. Anderzijds kan ook niet als algemene regel aanvaard worden dat onbeperkt ruimte bestaat voor het naderhand aanvoeren van geheel nieuwe feitelijke of juridische stellingen ter onderbouwing van een tijdig aangevoerde grond, omdat zulks de wettelijke regeling te zeer kan ondergraven. Daarom zal telkens in een concreet geval beoordeeld moeten worden of een nieuwe feitelijke of juridische stelling, mede gelet op de eisen van een goede procesorde, in strijd komt met de hiervoor weergegeven strekking van de wettelijke regeling. Daarvoor zal onder meer van belang kunnen zijn in welke mate de nieuwe stellingen aansluiten bij de eerdere (in het arbitraal geding ingenomen) stellingen, wat de reden is voor het niet eerder aanvoeren van de nieuwe stellingen, en of de desbetreffende partij in het arbitraal geding al dan niet werd bijgestaan door een advocaat.”
4.16
Tegen deze achtergrond zal ik nu (als gezegd: ten overvloede) het incidentele middel bespreken. De klachten vertonen enige overlap, zoals uit de navolgende bespreking van die klachten blijkt.
Bespreking van de klachten
4.17
De door het middel tegen deze overwegingen gerichte klachten vertonen enige overlap, zoals uit de navolgende bespreking van die klachten blijkt.
4.18
Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof in rov. 5.3.7 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof voor het antwoord op de vraag of de Russische Federatie in de arbitrage is verschenen doorslaggevend heeft geacht of (de inhoud van) de brieven van de Russische Federatie het karakter hebben van een (beknopt) verweerschrift. Voor het verschenen zijn in de arbitrage is bepalend of de Russische Federatie enig verweer heeft gevoerd door inhoudelijke stellingen in te nemen over geschilpunten in de arbitrage. De Russische Federatie heeft dat gedaan, want zij heeft inhoudelijk stelling genomen over de bevoegdheid en dus enig verweer gevoerd, aldus de klacht.
4.19
Naftogaz c.s. bestrijden de uitleg die het hof geeft aan het zinsdeel ‘Een partij die in het arbitraal geding is verschenen’ uit art. 1052 lid 2 Rv. Volgens de in het middel verdedigde rechtsopvatting volstaat dat ‘enig verweer’ is gevoerd om te kunnen spreken van ‘in het arbitraal geding verschenen’. Een inhoudelijke stelling over de bevoegdheid is daarvoor genoeg. Dit zou volgens Naftogaz c.s. (schriftelijke toelichting nr. 51) volgen uit de parlementaire geschiedenis die ik in 4.10 heb geciteerd.
4.20
Ik kan de door Naftogaz c.s. gegeven duiding van de parlementaire geschiedenis niet goed volgen. Namens de regering werd opgemerkt dat:
“[…] een partij in de arbitrale procedure verschijnt wanneer zij op enigerlei wijze aan de arbitrage deelneemt (bijvoorbeeld medewerking verleent aan de benoeming van de arbiter of arbiters).”
4.21
De geciteerde zin gaat over het verschijnen in een arbitraal geding in het algemeen en niet over verschijnen als bedoeld in art. 1052 lid 2 Rv. Het voorbeeld dat wordt genoemd (benoeming arbiters) is van belang, omdat in art. 1027 lid 4 Rv het volgende is bepaald:
“De voorzieningenrechter of derde benoemt de arbiter of arbiters ongeacht de vraag of de overeenkomst tot arbitrage geldig is. Door mede te werken aan de benoeming van de arbiter of arbiters verliezen partijen niet het recht om een beroep te doen op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht wegens het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage.”
4.22
Met andere woorden, het enkele verschijnen in het arbitraal geding betekent nog niet dat het recht wordt verwerkt een beroep te doen op onbevoegdheid van het scheidsgerecht. Het moment van verschijning en het opwerpen van een bevoegdheidsverweer vallen niet noodzakelijkerwijs samen.32.
4.23
Het vervolg van de toelichting van de regering moet met dit onderscheid in het achterhoofd worden gelezen:
“Echter, voor artikel 1052, tweede lid, is het niet zozeer van belang, op welk moment een partij in het arbitraal geding verschijnt, doch dat zij – in het geding verschijnende – een verweer ten principale voert zonder een beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht te doen. Het cruciale moment is derhalve het moment waarop een partij verweer gaat voeren. […].”
4.24
Eerst met het voeren van een verweer ten principale kan dus sprake zijn van een verval van recht in de zin van art. 1052 lid 2 Rv en daarmee van het prijs geven van de mogelijkheid van vernietiging op grond van art. 1065 lid 1, onder a, Rv. Een verweer ten principale is een materieelrechtelijk verweer tegen de vordering van de eiser.33.Het is, anders gezegd, een verweer betreffende de door eiser gestelde rechtsverhouding. Een beroep op onbevoegdheid vormt niet een verweer ten principale maar een exceptie34., oftewel een verweer ten aanzien van de toepassing van procesrechtelijke regels.35.Een dergelijk processueel verweer ziet niet op de rechtsbetrekking tussen partijen en beoogt een debat - althans een beslissing - daarover in beginsel juist te voorkomen.36.
4.25
Voor de vraag of een partij is verschenen in een arbitraal geding is dus niet het criterium dat een partij (enig) verweer voert. De klacht kan daarom niet slagen.
4.26
Subonderdeel 1.2 klaagt dat indien het hof ‘zulks’ niet heeft miskend, zijn oordeel dat de (inhoud van de) brief van de Russische Federatie niet gelden als een verschijnen in het licht van de stellingen van Naftogaz c.s. onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd. De centrale stelling van Naftogaz c.s. is steeds geweest dat de stellingen uit de brief van 19 januari 2017 (zie 2.9) moeten worden begrepen als een verweer tegen de bevoegdheid van het scheidsgerecht. Het hof heeft niet kenbaar getoetst of de uit enkele volzinnen bestaande uiteenzetting waarom het tribunaal onbevoegd wordt geacht, geldt als het voeren van (enig) verweer en, daarom, als een verschijning in de zin van art. 1052 lid 2 Rv. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom het hof de inhoud van de brief, los van de vorm ervan, onvoldoende heeft geacht om te kwalificeren als een verweer en daarmee als verschijning.
4.27
De klacht kan niet tot cassatie leiden. Voor zover Naftogaz c.s. ervan uitgaan dat het hof heeft geoordeeld dat de inhoud van de brieven niet kwalificeren als een verweer (schriftelijke toelichting nr. 54), is dat niet correct. Dit blijkt duidelijk uit rov. 5.3.7, daar waar het hof overweegt:
“5.3.7 […] Doorslaggevend is dat de hoofdboodschap van de brief van 19 januari 2017 is dat de Russische Federatie de notice of initiation (...) of the international arbitration proceedings terugzendt (inclusief de toegezonden 54 bladzijden), met de klaarblijkelijke bedoeling dat zij niet aan de arbitrale procedure zal deelnemen. Die boodschap is toegelicht met een korte toelichting, bestaande uit vier volzinnen, waarin is uiteengezet waarom het tribunaal onbevoegd wordt geacht. De brief heeft daarmee niet het karakter van een beknopt verweerschrift. Dat het scheidsgerecht het in de brief genoemde bevoegdheidsverweer wel heeft behandeld, maakt dat niet anders. […].”
4.28
Voor zover Naftogaz c.s. klagen dat het hof op onbegrijpelijke, dan wel onvoldoende gemotiveerde wijze oordeelt dat de inhoud van de brieven, zijnde een bevoegdheidsverweer, niet kan kwalificeren als verschijning in de zin van art. 1052 lid 2 Rv, kan dat niet tot cassatie leiden. Naftogaz c.s. gaan ook hier uit van de rechtsopvatting dat ‘enig verweer’ voeren voldoende is om te zijn ‘verschenen’ in de zin van die bepaling. Bij de bespreking van subonderdeel 1.1 is al gebleken dat die rechtsopvatting onjuist is.
4.29
Subonderdeel 1.3 houdt in dat voor zover het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op de vaststelling dat de Russische Federatie te kennen heeft gegeven dat haar brief van 19 januari 2017 niet als een deelname aan de arbitrale procedure moest worden opgevat, dat oordeel niet in stand kan blijven.
4.30
De klacht mist feitelijke grondslag. Namens de Russische Federatie is in die brief 1 juli 2015 aangegeven dat die brief niet als deelname aan de arbitrage moest worden opgevat. Het hof heeft zijn oordeel echter daar niet op gebaseerd.
4.31
Subonderdeel 1.4 betoogt dat het oordeel van het hof onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is in het licht van de stelling van Naftogaz c.s. dat het scheidsgerecht in de brief een bevoegdheidsverweer heeft gelezen. Hoe het scheidsgerecht de communicatie van de Russische Federatie heeft begrepen kan een uitlegfactor zijn. Dit heeft het hof miskend, ook door te overwegen dat de brieven naar objectieve maatstaven moeten worden uitgelegd. De omstandigheid dat het scheidsgerecht ook zonder de brief gehouden was zijn eigen bevoegdheid te toetsen, is in dit verband irrelevant.
4.32
Ik lees de klacht zo dat het feit dat volgens het scheidsgerecht door de Russische Federatie een bevoegdheidsverweer is gevoerd, impliceert dat zij ook is verschenen in het arbitraal geding en dat het hof deze interpretatie van het scheidsgerecht had moeten meenemen in zijn beoordeling of de Russische Federatie in dat geding is verschenen.
4.33
De klacht kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Zelfs als het zo is dat het hof dit allemaal niet heeft meegewogen terwijl het dat (rechtens) wel had moeten doen, blijft staan dat het gaat om een bevoegdheidsverweer - zijnde een exceptie - en niet om een verweer ten principale. Dat laatste is echter vereist om te zijn verschenen in het arbitraal geding in de zin van art. 1052 lid 2 Rv (zie hiervoor).
4.34
In subonderdeel 1.5 stellen Naftogaz c.s. dat hetzelfde geldt voor het oordeel van het hof dat het scheidsgerecht er tijdens de arbitrage blijk van heeft gegeven de Russische Federatie als niet verschenen te beschouwen. Het hof wijst op een hoofdstuk van het arbitraal tussenvonnis, waaruit volgt dat de Russische Federatie niet heeft geparticipeerd in de arbitrage. Deze overweging is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd in het licht van het feit dat het scheidsgerecht in de brief van de Russische Federatie een bevoegdheidsverweer heeft gelezen. Daaruit volgt immers logischerwijs dat het scheidsgerecht de Russische Federatie wel degelijk als verschenen moet hebben beschouwd, omdat een niet verschenen partij geen bevoegdheidsverweren kan aanvoeren.
4.35
Deze klacht faalt om dezelfde reden als hiervoor genoemd. Naftogaz c.s. maken geen onderscheid tussen het verschijnen in een arbitraal geding in algemene zin en in een arbitraal geding zijn verschenen in de zin van art. 1052 lid 2 Rv. Het kan daarom zo zijn dat de Russische Federatie niet is verschenen in de zin van art. 1052 lid 2 Rv, hoewel een bevoegdheidsverweer is gevoerd en dat een verschijnen in het arbitraal geding in algemene zin impliceert. Het hof lijkt dit onderscheid te onderkennen door aan het slot van rov. 5.3.7 te overwegen dat de Russische Federatie terecht naar voren heeft gebracht dat het scheidsgerecht met Naftogaz c.s. de Russische Federatie als niet verschenen hebben beschouwd. Naast het bevoegdheidsverweer is er geen materieel verweer tegen de vordering van Naftogaz c.s. gevoerd.
Tweede onderdeel (niet beslist op het subsidiaire verweer)
4.36
Met het tweede onderdeel bestrijden Naftogaz c.s. het oordeel van het hof, en met name de conclusie in rov. 5.3.8, dat de Russische Federatie niet het recht heeft verwerkt om bepaalde onbevoegdheidsgronden in deze vernietigingsprocedure naar voren te brengen. Het hof heeft niet gerespondeerd op de stelling van Naftogaz c.s. dat de eisen van goede rechtspleging en effectiviteit van arbitrage, een bewuste beslissing om niet te verschijnen met als doel of voorbehoud om in de vernietigingsprocedure verweer te gaan voeren, in strijd kan zijn met de eisen van de goede procesorde. Subsidiair hebben Naftogaz c.s. dan ook aangevoerd dat, ook als het hof zou oordelen dat de Russische Federatie niet is verschenen, toch het recht verwerkt is om bepaalde bevoegdheidsverweren te voeren in de vernietigingsprocedure, gezien de eisen van een goede procesorde en/of een behoorlijke arbitrale rechtspleging. Het oordeel is daarmee niet alleen onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, maar ook onjuist, want in strijd met art. 23/24 Rv.
4.37
De klacht faalt. Het hof heeft de subsidiaire stelling van Naftogaz c.s. impliciet verworpen door het beroep op rechtsverwerking categorisch af te wijzen in rov. 5.3.8.37.Daarmee verwerpt het hof alle door Naftogaz c.s. aangevoerde gronden voor rechtsverwerking. De weergave van (de toelichting van) het verweer van Naftogaz c.s. die het hof in rov. 5.3.3 en 5.3.4 geeft, bevat weliswaar niet letterlijk de hier bedoelde grondslag (goede procesorde/behoorlijke rechtspleging), maar het hof lijkt dit standpunt wel onder ogen te hebben gezien in rov. 5.3.4.4. Na in rov. 5.3.4.1 - 5.3.4.3 de gronden die zien op art. 1052 lid 2 Rv jo. art. 1065 lid 2 Rv te hebben samengevat, overweegt het hof dat Naftogaz c.s. hun verweer zo hebben toegelicht dat als het gevolg van het opwerpen van het (enkele) bevoegdheidsverweer in de arbitrage, het de Russische Federatie niet is toegestaan andere bevoegdheidsverweren dan dit enkele bevoegdheidsverweer aan te voeren. Het aangevallen oordeel is niet onbegrijpelijk en evenmin onvoldoende gemotiveerd.
Derde onderdeel (temporele toepassingsbereik; art. 12 BIT 1998)
4.38
Naftogaz c.s. klagen dat het oordeel in rov. 5.7.5.5 - 5.7.5.7 onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is in het licht van de stellingen van Naftogaz c.s., althans getuigt van een onjuiste toepassing van art. 31 WVV. Deze en omliggende overwegingen luiden als volgt:
“Uitleg artikel 12 BIT 1998
5.7.5.1 Het hof is van oordeel dat artikel 12 BIT 1998 zo moet worden uitgelegd dat alleen investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan onder het beschermingsbereik van de BIT 1998 vallen […]
[…]
5.7.5.4 Verder bestaat er tussen partijen overeenstemming over de reden voor het opnemen van de backstop in de bepaling. Die reden is dat er strikt genomen vóór 1 januari 1992 (althans vóór de iets eerder liggende datum van de ontbinding van de Sovjet-Unie) geen sprake kon zijn van investeringen door investeerders uit Rusland in Oekraïne of omgekeerd, omdat beide landen toen nog onderdeel vormden van de Sovjet-Unie (Russische Federatie cvr nr. 417 e.v., Naftogaz c.s. cvd nr. 177). Daaruit kan worden afgeleid dat men investeringen vóór die datum niet onder de bescherming van de BIT 1998 wilde laten vallen. De reden voor het opnemen van een backstop in artikel 12, uitsluiting van investeringen in de USSR, is dus een andere dan het voorwerp en doel van artikel 1 lid 1 BIT 1998, dat is gericht op stimulering en bescherming van investeringen.
5.7.5.5 In de door Naftogaz c.s. voorgestane uitleg, waarin de investeringen pas “made” zijn op het moment dat aan alle vereisten voor “investments” is voldaan, waaronder dus ook mogelijkerwijze investeringen waarvoor al handelingen zijn verricht vóór 1992, maar die op dat moment nog niet aan andere vereisten voldeden (zoals op het “territory” van de andere staat), maakt het opnemen van de backstop in artikel 12 zinloos (geen effet utile), want op deze wijze kunnen uiteindelijk alle “oude” investeringen onder het beschermingsbereik komen te vallen.
5.7.5.6 De geschetste achtergrond van artikel 12 blijkt ook uit de travaux préparatoires, zoals weergegeven door de Russische Federatie en als zodanig niet weersproken door Naftogaz c.s., en wordt bevestigd door de non-disputing party submission van Oekraïne. In de door de Russische Federatie genoemde brief van 11 juli 2008 over de BIT met Azerbeidzjan staat onder meer:
“Russia presumes it is more reasonable to apply the treaty only to those investments of investors of both countries which had been carried out on the territory of Russia and Azerbeidzjan since these countries gained their sovereignty after the dissolution of the USSR, i.e. since their emergence on the international stage as new subjects of international law. To this end, we have suggested a specific date – 1 January 1992 (…).”
In dezelfde zin heeft Oekraïne zich uitgelaten in haar non-disputing party submission in de arbitrageprocedure die het voorwerp vormt van deze vernietigings- en herroepingsprocedure. Oekraïne verklaart daar (RF 10 (N), par. 36):
“Like most bilateral investment treaties of its era, the Treaty was written to protect pre-existing investments (covering the period from 1992, shortly after the dissolution of the USSR, to 1998, when the Treaty was concluded. (...) Under the Treaty, so long as the investment was made after 1 January 1992, it is irrelevant whether the Treaty applied at the time.”
5.1.5.7 In het licht van de bedoeling van partijen en de achtergrond van de bepaling moet de tekst van artikel 12 BIT 1998 zo worden uitgelegd dat alleen investeringen die daadwerkelijk na 1 januari 1992 zijn gedaan onder de werking van de BIT 1998 vallen. De door Naftogaz c.s. voorgestane uitleg, waardoor investeringen ongeacht wanneer zij zijn gedaan worden beschermd zodra zij aan alle vereisten voldoen, maakt de bepaling overbodig, en dat kan niet de bedoeling zijn geweest.
5.7.5.8 De BIT 1998 is dan ook niet van toepassing op investeringen die vóór 1 januari 1992 zijn gedaan, waarmee wordt bedoeld dat Naftogaz c.s. geen bescherming onder de BIT 1998 kunnen krijgen als zij hun investeringen vóór die datum hebben gedaan. Daarbij moet wel worden bedacht dat investeringen kunnen gelden als na 1 januari 1992 gedaan, als Naftogaz c.s. door anderen gedane (delen van) investeringen na 1992 hebben gekocht of als zij na 1 januari 1992 een uitbreiding hebben gedaan aan door anderen gedane investeringen. In dit laatste geval geldt de BIT 1998 alleen voor de na 1 januari 1992 verrichte uitbreiding.”
4.39
In subonderdeel 3.1 betogen Naftogaz c.s. dat het onbegrijpelijk is dat het hof oordeelt dat de uitleg van Naftogaz c.s. van art. 12 BIT 1998 die bepaling zinledig zou maken. Deze uitleg komt erop neer dat een investering geldt als ‘gedaan’ op het moment dat wordt voldaan aan alle vereisten van art. 1 lid 1 BIT 1998. Op grond van deze uitleg zouden alle investeringen die zijn gedaan vóór 1 januari 1992 buiten de temporele reikwijdte van de BIT vallen. In het geval van investeringen op de Krim kan dan pas zijn voldaan aan de voorwaarden van art. 1 lid 1 BIT 1998 op het moment dat de Krim tot de territory van de Russische Federatie is gaan horen (18 maart 2014).
4.40
Subonderdeel 3.2 voegt daaraan toe dat in het licht van subonderdeel 3.1 eveneens onbegrijpelijk is de overweging (rov. 5.7.5.5) dat “oude” investeringen onder het beschermingsbereik van de BIT 1998 komen te vallen bij het volgen van de uitleg van Naftogaz c.s. Het hof miskent dat indien en voor zover vóór 1992 werd voldaan aan de vereisten van art. 1 lid 1 BIT 1998 die investering (ook) volgens de uitleg van Naftogaz c.s. buiten de temporele reikwijdte van de BIT 1998 valt.
4.41
Met subonderdeel 3.3 wordt geen kenbare klacht voorgesteld, maar daarin verwijzen Naftogaz c.s. naar hun stelling dat in art. 12 BIT 1998 gebruik wordt gemaakt van de in art. 1 lid 1 BIT 1998 gedefinieerde term ‘investeringen’ en dat daarom samenhang met die bepaling bestaat. Dit vormt relevante context in de zin van art. 31 WVV en impliceert dat een investering pas kan zijn ‘gedaan’ (art. 12) op het moment dat überhaupt sprake is van een ‘investering’ (art. 1 lid 1). Wat er is gebeurd met een bepaald vermogensbestanddeel voorafgaand aan het moment dat het een kwalificerende ‘investering’ werd, doet voor de temporele reikwijdte van de BIT 1998 niet ter zake.
4.42
In subonderdeel 3.4 stellen Naftogaz c.s. dat voor de toepassing van art. 12 BIT 1998 niet relevant is of vóór 1 januari 1992 al handelingen zijn verricht (rov. 5.7.5.5) met betrekking tot bepaalde vermogensbestanddelen die later een kwalificerende investering zijn geworden. Het is uitsluitend relevant op welk moment aan de vereisten van art. 1 lid 1 BIT 1998 is voldaan. Voor de vermogensbestanddelen van Naftogaz c.s. is dat op 18 maart 2014. Het hof heeft verzuimd op dit centrale argument te responderen.
4.43
De klachten falen op grond van het volgende. Naftogaz c.s. hebben niet het oordeel in rov. 5.7.5.4 aangevallen (zojuist geciteerd in 4.38). Daarmee staat in cassatie vast dat de reden voor het opnemen van art. 12 BIT 1998 is om investeringen in de Sovjet-Unie (de USSR) buiten het verdrag te houden. Een investering gedaan door Naftogaz c.s. op het grondgebied van de toenmalige USSR valt op grond daarvan hoe dan ook buiten de temporele reikwijdte van de BIT 1998, ongeacht of die investering - op enig moment - op de territory van de ene verdragsstaat of op de territory van de andere verdragsstaat is komen te liggen, zoals Naftogaz c.s. stellen dat per 18 maart 2014 is gebeurd.
4.44
Met andere woorden, door de regeling van art. 12 BIT 1998 wordt voor investeringen die zijn gedaan in de Sovjetperiode niet toegekomen aan de vereisten van art. 1 lid 1 BIT 1998. Het opnemen van de datum van 1 januari 1992 (wat op zichzelf een temporele beperking vormt) moet dát bewerkstelligen, omdat pas vanaf die datum investeringen in de Russische Federatie en in Oekraïne konden worden gedaan. Het oordeel in rov. 5.7.5.5 - 5.7.5.7 is in het licht hiervan niet onjuist, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd te noemen. Sterker, zoals opgemerkt in 3.33 acht ik dit oordeel van het hof zeer overtuigend gemotiveerd.
Slotsom
4.45
Slotsom is dat (ook) het incidentele middel niet tot cassatie kan leiden.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping zowel van het principaal cassatieberoep als van het incidenteel cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑01‑2024
Vergelijk het arrest van het hof van 19 juli 2022 (ECLI:NL:GHDHA:2022:1295). Het arrest is op verzoek van Naftogaz c.s. op de voet van art. 31 Rv hersteld met de beslissing van 18 oktober 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2039.
De officiële naam van het verdrag is de Agreement between the Government of the Russian Federation and the Cabinet of Ministers of Ukraine on the encouragement and mutual protection of investments.
De tekst is overgelegd als productie RF 001 (N) van de Russische Federatie. Een (andere) Engelse vertaling staat o.a. op de website van UNCTAD: https://investmentpolicy.unctad.org/international-investment-agreements/treaty-files/2233/download.
Een gedetailleerder chronologisch overzicht van de gebeurtenissen op de Krim wordt gegeven door het Scheidsgerecht in de Partial Award van 22 februari 2019, punt 81 e.v.
Op 27 maart 2014 nam de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties een resolutie aan (nr. 68/262) over de territoriale integriteit van Oekraïne en verzocht “…] all States, international organizations and specialized agencies not to recognize any alteration of the status of the Autonomous Republic of Crimea and the city of Sevastopol [….”.
Zie over dergelijke splitsingen bijvoorbeeld: L. Greenwood, ‘Revisiting Bifurcation and Efficiency in International Arbitration Proceedings’, Journal of International Arbitration 2019 (Vol. 36:4), p. 421-429.
Overgelegd als productie N-024 bij de conclusie van antwoord van 9 juni 2020.
Hof Den Haag 19 juli 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1295, hersteld door Hof Den Haag 18 oktober 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2039 en gepubliceerd in TvA 2022/90.
Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969, Trb. 1972, 51 (Engels en Frans), gerectificeerd in Trb. 2018, 219 en Trb. 1977, 169 (Nederlandse vertaling), vervangen door Trb. 1985, 79.
World Trade and Arbitration Materials, Vol. 35, Issue 5 (2023), p. 911-1094. De Final Award is bij beslissing van 16 juni 2023 gecorrigeerd. Zie ook https://www.italaw.com/sites/default/files/case-documents/180074_0.pdf.
Arbiter Stanivukovíc heeft op 8 februari 2023 een dissenting opinion afgegeven. De tekst van deze opinion is te raadplegen op: https://www.italaw.com/sites/default/files/case-documents/180075.pdf. Volgens deze arbiter is een deel van de door de Claimants opgevoerde investeringen klaarblijkelijk (‘evidently’) vóór 1992 gedaan, zodat het Scheidsgerecht ten aanzien van die investeringen niet bevoegd is.
Dat is bijvoorbeeld niet het geval als is gekozen voor een arbitrageprocedure bij het International Centre for Settlement of Investment Disputes (ICSID) te Washington, dat een eigen vernietigingsprocedure kent.
Ondanks het woordgebruik (‘heeft het hof miskend dat’) in de toelichting bij de klacht op p. 5-6 van de procesinleiding, lees ik hierin geen rechtsklacht, mede omdat in de tweede zin van die toelichting staat: “Thans daargelaten de juridische (on)juistheid van die ‘dubbele’ invulling van het BIT-begrip territory […].” Voor zover de Russische Federatie in de repliek (nr. 12) alsnog een rechtsklacht tegen rov. 5.5.10 zou willen richten (met de kwalificatie van die overweging als ‘onjuist’), is dat te laat.
In de schriftelijke toelichting van de Russische Federatie nr. 1.22 staat dat onderdeel 2 gericht is tegen rov. 5.4.4 en 5.4.6. Dit lijkt een verschrijving. Als dat niet zo is, dan is het als target aanduiden van rov. 5.4.6 te laat.
In subonderdeel 3.1 wordt rov. 5.7.6 wel genoemd, maar kenbare klachten tegen die overweging ontbreken.
Vgl. L. Greenwood, ‘Revisiting Bifurcation and Efficiency in International Arbitration Proceedings’, Journal of International Arbitration 2019 (Vol. 36:4), p. 422: “[…] Essentially, bifurcation is a procedural device aimed at reducing the risk of having to hold a final hearing on the merits, by determining a dispositive issue first. […].” Naar deze definitie wordt verwezen in voetnoot 5 van G.J. Meijer & P.B. Fritschy, ‘Dynamic bifurcation’, TvA 2022/48.
Partial Award, nr. 36-39.
In de Final Award van 12 april 2023 is bij meerderheid (impliciet) beslist dat het scheidsgerecht bevoegd is alle vorderingen van Naftogaz c.s. te beoordelen, omdat alle investeringen door Naftogaz c.s. worden geacht te zijn gedaan ná 1 januari 1992. Zie over deze beslissing voor wat betreft de data van de investeringen, schriftelijke toelichting Naftogaz c.s. nr. 6. Zie verder punt 6 van de dissenting opinion van 8 februari 2023 van arbiter Stanivukovíc: “The majority’s decision on jurisdiction ratione temporis is implicit in the decision on the quantification of the Claimants’ loss. Although not addressing the issue explicitly, the majority of the Tribunal does consider it has jurisdiction ratione temporis for all of the claims. This is the main point of our disagreement. In my view, part of the claims concern investments made before 1 January 1992, and the Tribunal should have held that it lacked jurisdiction to rule on them. Due to my disagreement with the decision on jurisdiction ratione temporis, I am also unable to join my colleagues in the decision on the quantification of the Claimants’ loss.”
Op grond van art. IV van de Wet modernisering arbitragerecht (Stb. 2014, 200) is deze wet niet van toepassing op arbitrageprocedures die vóór 1 januari 2015 aanhangig zijn gemaakt. De arbitrageprocedure die in deze zaak centraal staat, is op 17 oktober 2016 (zie Partial Award, nr. 17).
Uit Kamerstukken I 1985/86, 18 464, nr. 191b (MvA), p. 2 (onderaan) volgt dat deze bepaling is gebaseerd op art. V van het niet namens Nederland ondertekende Europees Verdrag van 21 april 1961 inzake de internationale handelsarbitrage, United Nations, Treaty Series, vol. 484, p. 349. Het eerste lid van deze bepaling wordt deels aangehaald in de parlementaire geschiedenis: “The party which intends to raise a plea as to the arbitrator’s jurisdiction based on the fact that the arbitration agreement was either non-existent or null and void or had lapsed shall do so during the arbitration proceedings, not later than the delivery of its statement of claim or defence relating to the substance of the dispute; […].”
Aldus ook: Rb. Rotterdam 18 mei 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ5670 (X/Cimcool), rov. 4.3.
Kamerstukken II 1985/86, 18 464, nr. 6 (MvA), p. 29 (Meijer e.a., Parlementaire Geschiedenis Arbitragewet 2015/III.34.6 en TvA 1986/2, p. 82). Zie ook G.J. Meijer, Overeenkomst tot arbitrage (diss. Rotterdam), Deventer: Kluwer 2011, p. 869.
H.J. Snijders, Nederlands arbitragerecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 415 (art. 1052 Rv, aant. 2). Aldus ook Van Delden, in: A.J. van den Berg, R. van Delden & H.J. Snijders, Arbitragerecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1992, p. 97: “verschenen (bedoeld is: aan de gedingvoering deelnemende)”.
G.J. Meijer, Overeenkomst tot arbitrage (diss. Rotterdam), Deventer: Kluwer 2011, p. 864.
Zie ook P. Sanders, Het Nederlandse arbitragerecht, nationaal en internationaal, Deventer: Kluwer 2001, p. 25 (commentaar op art. 1052 lid 2 Rv): “Verweerder is niet verschenen. Dit is een geval van art. 1040 […]. Indien een verweerder verstek laat gaan, kan het scheidsgerecht aanstonds vonnis wijzen […].”
G.J. Meijer, in: T&C Rv, commentaar op art. 1052 Rv, aant. 2.c. (online bijgewerkt t/m 1 juli 2023).
HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1645, NJ 2022/102 m.nt. C.M.J. Ryngaert & A.I.M. van Mierlo (Russische Federatie/Veteran Petroleum Limited c.s.), rov. 5.2.7.
HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2837, NJ 2015/318 m.nt. H.J. Snijders (Republiek Ecuador/Chevron Corporation I), rov. 4.2.
HR 27 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6443, NJ 2010/170 m.nt. H.J. Snijders, TvA 2009, 50 (p. 134) m.nt. B.C. Punt ([…] /Ruwa Bulbs). Aldus ook HR 27 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4003, NJ 2010/169 m.nt. H.J. Snijders (…] / [….), rov. 4.3.4.
De toelichting bij art. 1027 lid 4 Rv luidt dan ook (Kamerstukken II 1983/84, 18 464, nr. 3 (MvT), p. 10): “[…] In het stelsel van het ontwerp past het dan ook te bepalen dat een partij, door mee te werken aan de benoeming, niet het recht verliest later nog een beroep te doen op het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage. Dit beroep zal door een partij die voor het scheidsgerecht is verschenen voor alle weren moeten worden gedaan (zie artikel 1052, tweede lid). […].”(mijn onderstreping)
Zie bijv. HR 25 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2710, NJ 1998/893 (Annico Maritime), rov. 2.2. Vgl. Snijders, Klaassen, Krans & Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2022/144.
HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3979, NJ 2010/403 (B.V. Engeneering Design Documentation Services/Electronic Data Systems Corporation), rov. 3.5.
Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht 2021/65 (p. 89). Zie ook HR 22 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1104, NJ 1994, 374 m.nt. H.E. Ras (Staat/G.), rov. 3.3: “[…] Aldus moeten de in art. 141 lid 2 [thans art. 128 lid 3 Rv, A-G] genoemde excepties worden beperkt tot die verweermiddelen die ertoe strekken dat de rechter, aan wie het geschil is voorgelegd, op grond van regels van processuele aard niet tot een beoordeling van de rechtsbetrekking in geschil zelf kan komen. […].” Zie ook A-G Asser in punt 2.3 (aan het slot) van zijn conclusie vóór dat arrest: de regel van art. 1052 lid 2 Rv ziet op een exceptie van onbevoegdheid die vóór alle weren moet worden opgeworpen.
B.T.M. van der Wiel, in: Van der Wiel (red.), Cassatie, 2019/115 (in fine): “[…] Een rechterlijke vaststelling die strijdt met een stelling van een partij, houdt een (impliciete) verwerping van die stelling in. […].”
Beroepschrift 13‑01‑2023
Hoge Raad der Nederlanden
Zitting: 13 januari 2023
Verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep
inzake:
de privaatrechtelijke rechtspersonen naar vreemd recht
(i) NJSC Naftogaz of Ukraine, (ii) National Joint Stock Company Chornomornaftogaz, (iii) JSC Ukrtransgaz, (iv) Likvo LLC, (v) JSC Ukrgasvydobuvannya, (vi) JSC Ukrtransnafta, en (vi) Subsidiary Company Gaz Ukrainy
verweerders in het principaal cassatieberoep,
eisers tot cassatie in het incidenteel cassatieberoep,
hierna te noemen: ‘Naftogaz c.s.’,
advocaat: mr. F.E. Vermeulen
tegen:
de publiekrechtelijke rechtspersoon naar Russisch recht
de Russische Federatie
gevestigd te Moskou, de Russische Federatie,
eiseres tot cassatie in het principaal cassatieberoep,
verweerster in het incidenteel cassatieberoep,
hierna te noemen: de ‘RF’
advocaten: mrs. A.H.M. van den Steenhoven en M.A.M. Wagemakers.
Antwoord in het principaal cassatieberoep:
Naftogaz c.s. concluderen voor antwoord dat het namens de RF aangevoerde middel niet tot cassatie kan leiden omdat op de daarin aangevoerde gronden het Gerechtshof in zijn daarbij bestreden arrest noch het recht heeft geschonden noch essentiële vormen heeft verzuimd.
Met conclusie tot verwerping; kosten rechtens.
Incidenteel cassatieberoep:
Naftogaz c.s. voeren tegen het onder zaaknummer 200.274.564/01 op 19 juli 2022 tussen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof Den Haag, afdeling civiel recht, het volgende middel van cassatie aan.
Onderdeel 1 — Het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat de RF niet in de arbitrage is verschenen
1.
In rov. 5.3.7–5.3.8 stelt het hof voorop dat in een arbitrale procedure geen formele eisen gelden voor het verschijnen in de procedure. Op zich is het dus mogelijk dat de in rov. 3.12 geciteerde brief, ook als er verder geen participatie is, als een verschijnen moet worden aangemerkt. Dat kan, aldus het hof, het geval zijn als de desbetreffende, naar objectieve maatstaven uit te leggen brief het karakter heeft van een (beknopt) verweerschrift. Voor het hof is doorslaggevend dat de hoofdboodschap van de brief van 19 januari 2017 is dat de RF de notice of initiation (…) of the international arbitration proceedings terugzendt (inclusief de toegezonden 54 bladzijden), met de klaarblijkelijke bedoeling dat zij niet aan de arbitrale procedure zal deelnemen. Die boodschap is door de RF toegelicht in vier volzinnen, waarin is uiteengezet waarom het scheidsgerecht onbevoegd wordt geacht. Volgens het hof heeft de brief daarmee niet het karakter van een (beknopt) verweerschrift. Op deze grond oordeelt het hof dat de RF niet is verschenen in de arbitrage en niet het recht heeft verwerkt om bepaalde onbevoegdheidsgronden in de vernietigingsprocedure naar voren te brengen.
's Hofs in deze overwegingen besloten liggende verwerping van het rechtsverwerkingsargument van Naftogaz c.s. geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd.
1.1
Het hof heeft in rov. 5.3.7 blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door voor het antwoord op de vraag of de RF in de arbitrage is verschenen doorslaggevend te achten of (de inhoud van) de brief van de RF het karakter heeft van een ‘(beknopt) verweerschrift’. Het hof heeft daarmee miskend dat voor de vraag of de RF (door haar naar objectieve maatstaven uit te leggen brief aan het Permanente Hof van Arbitrage, de PCA) in de arbitrage is verschenen rechtens bepalend is of zij verweer heeft gevoerd en niet of dat gevoerde verweer is vervat in een ‘(beknopt) verweerschrift’. Voor de vraag of een partij verweer heeft gevoerd en daarom geldt als verschenen in een arbitrage, is, mede met het oog op het belang van een efficiënte arbitrale rechtspleging en het voorkomen van (bij onbevoegdheid van het scheidsgerecht) onnodige proceshandelingen, (uitsluitend) relevant of die partij enig verweer heeft aangevoerd door inhoudelijk stelling in te nemen omtrent (door haar geïdentificeerde) geschilpunten in de arbitrage en wist of behoorde te weten dat diens communicatie daarover het scheidsgerecht zou bereiken. Het hof heeft terecht, in cassatie onbestreden, geoordeeld dat de RF ervan moest uitgaan dat haar aan de PCA gerichte brief zou worden doorgestuurd aan het scheidsgerecht en aan de raadslieden van Naftogaz c.s. Met haar uit ‘vier volzinnen’ bestaande ‘uiteenzetting waarom het tribunaal onbevoegd wordt geacht’, heeft de RF inhoudelijk stelling genomen over de bevoegdheid van het scheidsgerecht en dus minst genomen enig verweer aangevoerd.
1.2
Indien het hof zulks niet heeft miskend, is zijn oordeel dat (de inhoud van) de brief van de RF niet geldt als een ‘verschijnen’ onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd in het licht van de stellingen van Naftogaz c.s. Het hof heeft immers niet kenbaar getoetst of de uit ‘vier volzinnen’ bestaande ‘uiteenzetting waarom het tribunaal onbevoegd wordt geacht’ in de brief van de RF geldt als het voeren van (enig) verweer en, daarom, als een verschijning in de zin van artikel 1052 lid 2 Rv. Die toetsing had het hof wel moeten verrichten, nu de centrale stelling van Naftogaz c.s. steeds is geweest dat de op de vermeende onbevoegdheid van het scheidsgerecht gerichte stellingen in de brief naar hun aard moeten worden begrepen als een verweer tegen de bevoegdheid van het scheidsgerecht.1. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom het hof de inhoud van de brief, los van de vorm ervan, onvoldoende heeft geacht om te kwalificeren als een verweer en, daarmee, als verschijning. Het oordeel dat de brief niet het karakter heeft van een (beknopt) verweerschrift en dat de brief daarom niet geldt als verschijning bevat niet een dergelijke inhoudelijke toetsing van de brief, om welke reden dat oordeel onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is.
1.3
Voor zover het hof zijn oordeel (mede) heeft gebaseerd op zijn vaststelling dat de RF de ‘notice of initiation (…) of the international arbitration proceedings’ terugzond, met de klaarblijkelijke bedoeling dat zij niet aan de arbitrale procedure zou deelnemen, kan dat oordeel evenmin in stand blijven. Zoals Naftogaz c.s. hebben betoogd in de feitelijke instantie, is niet relevant hoe de RF haar brief heeft gekarakteriseerd en welke gevolgen zij daarbij voor de vraag naar haar verschijning in de arbitrage heeft gewenst.2. Reeds gelet op het feit dat een verschijning naar Nederlands arbitragerecht voor de betrokken partij verantwoordelijkheden met zich brengt (zie artikel 1052 lid 2 Rv; vgl. ook artikel 1048a Rv) kan rechtens niet bepalend zijn of die partij heeft gewild dat het door haar aanvoeren van bepaalde verweren als een verschijning wordt uitgelegd.3. De rechtens relevante vraag is of de brief enig verweer bevat, in dit geval een verweer tegen de bevoegdheid van het scheidsgerecht. Een andere opvatting zou tot het ongewenste gevolg leiden dat een partij vrijelijk, zonder repercussies voor een latere vernietigingsprocedure bij de overheidsrechter, onder retourzending van een notice of (initiation of) arbitration, verweren zou kunnen aanvoeren waarvan hij weet of behoort te weten dat dit het scheidsgerecht zal bereiken. Een in een investeringsarbitrage aangesproken staat zou dan het scheidsgerecht door een inhoudelijke stellingname (over door hem concreet geïdentificeerde geschilpunten) ertoe kunnen bewegen zijn onbevoegdheid uit te spreken om vervolgens, als het scheidsgerecht zich toch bevoegd verklaart, alsnog te profiteren van een volledige toetsing door de overheidsrechter van dit bevoegdheidsoordeel na een hernieuwd debat over, zeker in internationale investeringsarbitrages, mogelijk complexe feitelijke en juridische kwesties. Er is te meer reden voor een streng criterium voor het ‘verschijnen’ in arbitrage dat recht doet aan de belangen van de eiser/investeerder, indien de investeerder in een vernietigingsprocedure bij de overheidsrechter niet gelijkelijk kan opkomen van een onbevoegdheidsoordeel van het scheidsgerecht.4. Voor zover het hof dit heeft miskend, is zijn oordeel gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting en kan het niet in stand blijven.
1.4
Het oordeel van het hof is bovendien rechtens onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd in het licht van de stelling van Naftogaz c.s. dat het scheidsgerecht in de brief van de RF een bevoegdheidsverweer heeft gelezen.5. Het hof heeft aldus miskend dat bij een uitleg van communicatie van een partij voor de vraag of deze geldt als verschenen door het voeren van (enig) verweer, mede betekenis toekomt of kan toekomen aan de wijze waarop die communicatie door het scheidsgerecht is begrepen. In zoverre is dan ook rechtens onjuist 's hofs oordeel dat de brief van de RF aan de PCA naar objectieve maatstaven moet worden uitgelegd. De door het hof in rov. 5.3.7 genoemde omstandigheid dat het scheidsgerecht ook los van de brief van de RF gehouden was zijn eigen bevoegdheid te toetsen is in dit verband irrelevant. Het punt is immers dat het scheidsgerecht zich, gelet op het feit dat het meende dat de brief van de RF een verweer over zijn bevoegdheid bevatte, gehouden achtte om op dat specifieke verweer van de RF te responderen en dat daarom ook feitelijk heeft gedaan. Naftogaz c.s. hebben er in dat verband op gewezen dat rechtens niet kan worden aanvaard dat een beweerdelijk niet-verschenen partij er niettemin in kan slagen een scheidsgerecht te doen beslissen op een door die partij bij brief betrokken inhoudelijke stelling.6. Uit het feit dat de RF erin is geslaagd een ‘an objection to jurisdiction’7. bij het scheidsgerecht onder de aandacht te brengen volgt logischerwijs dat de RF in de arbitrage (enig) verweer heeft gevoerd en daarin aldus is verschenen. 's Hofs oordeel dat het scheidsgerecht sowieso over zijn eigen bevoegdheid moest oordelen is in dat licht onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd en kan daarom niet in stand blijven.
1.5
Hetzelfde geldt voor 's hofs daarop voortbouwende overweging in rov. 5.3.7 dat het scheidsgerecht er tijdens de arbitrage blijk van heeft gegeven de RF als niet-verschenen te beschouwen. In dat verband wijst het hof naar paragrafen 14, 135 en 196 van de Partial Award, waar het scheidsgerecht constateert dat de RF niet heeft geparticipeerd in de arbitrage. Deze overweging van het hof is reeds onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd in het licht van de hierboven weergegeven constatering dat het scheidsgerecht in de brief van de RF een bevoegdheidsverweer heeft gelezen. Daaruit volgt zoals gezegd immers logischerwijs dat het scheidsgerecht de RF wel degelijk als verschenen moet hebben beschouwd, aangezien een niet-verschenen partij geen bevoegdheidsverweren kan aanvoeren.8. Daar komt nog bij dat het hof heeft verzuimd (kenbaar) te responderen op het door Naftogaz c.s. in dat verband geformuleerde onderscheid tussen de arbitragerechtelijke notie ‘verschijnen’ en de informelere, door het scheidsgerecht in de Partial Award gehanteerde notie van ‘participatie’, zulks tegen de achtergrond van de stelling van Naftogaz c.s. dat het wel degelijk mogelijk is dat een partij rechtens ‘verschijnt’ in een arbitrale procedure om daarin vervolgens niet verder te participeren.9. Ook in dat licht is het oordeel van het hof in rov. 5.3.7–5.3.8 onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
Onderdeel 2 — Het hof heeft nagelaten te beslissen op het subsidiaire rechtsverwerkingsverweer van Naftogaz c.s.
2.
In rov. 5.3.6 stelt het hof voorop dat, indien de RF niet in de arbitrage is verschenen, in de onderhavige vernietigingsprocedure geen uit artikel 1052 Rv voortvloeiende beperkingen voor het opwerpen van gronden van onbevoegdheid voortvloeien. Daarop aansluitend overweegt het hof in rov. 5.3.7 dat de RF niet is verschenen, waarna het hof in rov. 5.3.8 op die grond concludeert dat de RF geen rechten heeft verwerkt. Die conclusie van het hof is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd in het licht van de stellingen van Naftogaz c.s. In de Conclusie van Antwoord hebben Naftogaz c.s. erop gewezen dat, gelet op de eisen van een goede rechtspleging en de effectiviteit van arbitrage als een vorm van geschilbeslechting, een bewuste beslissing om niet te verschijnen met het doel of voorbehoud om bepaalde verweren later in een vernietigingsprocedure aan te (kunnen) voeren in strijd kan zijn met de eisen van een goede procesorde.10. In dat verband hebben Naftogaz c.s. nadrukkelijk subsidiair gesteld dat, ook als het hof zou oordelen dat de RF niet geldt als verschenen, de RF niettemin op grond van de eisen van een goede procesorde en/of de eisen van een behoorlijke arbitrale rechtspleging het recht heeft verwerkt om in deze vernietigingsprocedure enig bevoegdheidsverweer aan te voeren.11. Nu het hof volledig heeft nagelaten te beslissen op dit subsidiaire rechtsverwerkingsverweer van Naftogaz c.s., is zijn oordeel in rov. 5.3.8 dat de RF geen rechten heeft verwerkt rechtens onjuist (want in strijd met art. 23/24 Rv) dan wel onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
Onderdeel 3 — 's Hofs oordeel dat de investeringen van Naftogaz c.s. niet zijn gedaan op 18 maart 2014 is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd, althans gebaseerd op een onjuiste toepassing van het Weens Verdragenverdrag
3.
In rov. 5.7.5 beoordeelt het hof of de investeringen van Naftogaz c.s. vallen binnen de temporele reikwijdte van de BIT, die blijkens artikel 12 daarvan beperkt is tot investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan. In rov. 5.7.5.5 oordeelt het hof dat Naftogaz c.s. niet kunnen worden gevolgd in hun stelling dat hun investeringen zijn gedaan op 18 maart 2014 (zijnde de datum waarop de RF effectieve controle en rechtsmacht verkreeg over de Krim). De stelling van Naftogaz c.s. dat, omdat hun investeringen pas op 18 maart 2014 voldeden aan de vereisten die in artikel 1 lid 1 van de BIT aan een kwalificerende ‘investering’ worden gesteld, die investeringen ook voor toepassing van artikel 12 gelden als gedaan op die datum, wordt door het hof verworpen. In dat verband overweegt het hof in rov. 5.7.5.5 (evenals, in soortgelijke bewoordingen, in rov. 5.7.5.7) dat de door Naftogaz c.s. voorgestane uitleg van artikel 12 die bepaling ‘zinloos’ zou maken, aangezien op grond van die uitleg alle investeringen waarvoor al handelingen zijn verricht vóór 1992 onder het beschermingsbereik van de BIT kunnen komen te vallen indien zij na 1992 voldoen aan alle vereisten voor een kwalificerende ‘investering’. Het hof heeft blijkens rov. 5.7.4, 5.7.5.8, 5.7.6 en 5.7.7 de bevoegdheid van het Scheidsgerecht om op grond van de Partial Award te oordelen over vorderingen met betrekking tot investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan bevestigd en aan het scheidsgerecht in de ‘quantum-fase’ ter beslissing gelaten of en in hoeverre alle individuele investeringen van Naftogaz c.s. na 1 januari 1992 zijn gedaan in de zin van artikel 12 van de BIT.12. 's Hofs oordeel in rov. 5.7.5.5–5.7.5.7 dat de investeringen van Naftogaz c.s. niet zijn gedaan (waaronder door middel van koop of uitbreiding) op 18 maart 2014 is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd in het licht van de stellingen van Naftogaz c.s., althans is gebaseerd op een onjuiste toepassing van artikel 31 van het Weens Verdragenverdrag.
3.1
Het oordeel van het hof is zoals gezegd gebaseerd op de overweging dat de door Naftogaz c.s. voorgestane uitleg van artikel 12 die bepaling zinledig zou maken. Dit oordeel is onbegrijpelijk. De uitleg van Naftogaz c.s., op grond waarvan een investering geldt als ‘gedaan’ in de zin van artikel 12 op het moment dat die investering voldoet aan alle vereisten van artikel 1 lid 1 en aldus een ‘investering’ wordt in die zin van die bepaling, impliceert immers dat artikel 12 wel degelijk als zgn. backstop temporeel onderscheidend vermogen heeft.13. Op grond van de uitleg van Naftogaz c.s. vallen immers alle investeringen die zijn gedaan vóór 1 januari 1992 op grond van artikel 12 buiten de temporele reikwijdte van de BIT, hetgeen exact in overeenstemming is met het door het hof in rov. 5.7.5.4 en 5.7.5.6–5.7.5.7 genoemde doel van die bepaling. Specifiek voor Oekraïense investeringen op de Krim (zoals de investeringen van Naftogaz c.s.) geldt dat zij naar hun aard niet buiten de temporele reikwijdte van de BIT kunnen vallen, omdat zij pas beschermde ‘investeringen’ ‘in the territory of the other Contracting Party’ (d.w.z. de Russische Federatie) in de zin van artikel 1 lid 1 van de BIT konden worden na 1 januari 1992 (meer specifiek: op 18 maart 2014), namelijk op het moment waarop het grondgebied waarop zij zich bevonden onder de effectieve controle en/of rechtsmacht van de RF kwam te staan. Dat is geen afwijking van de systematiek van de artikelen 1 lid 1 en 12 van de BIT en de backstopgedachte die aan die laatste bepaling ten grondslag ligt, maar juist een logische toepassing daarvan.
3.2
's Hofs overweging in rov. 5.7.5.5 dat op grond van de uitleg van Naftogaz c.s. ‘‘oude’ investeringen onder het beschermingsbereik [van de BIT] komen te vallen’ is in het licht van subonderdeel 3.1 eveneens onbegrijpelijk. Indien en voor zover voor 1992 werd voldaan aan de vereisten van artikel 1 lid 1 en aldus sprake was van een (oude) ‘investering’, valt die investering volgens de uitleg van Naftogaz c.s. op grond van artikel 12 immers buiten de temporele reikwijdte van de BIT, hetgeen het hof heeft miskend. In geen geval vallen ‘investeringen’ die dateren van voor 1992 volgens Naftogaz c.s. binnen de temporele reikwijdte van de BIT.14. Het oordeel van het hof dat de uitleg van Naftogaz c.s. artikel 12 ‘zinloos’ of ‘overbodig’ maakt, is dan ook onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
3.3
Naftogaz c.s. hebben voor het hof, mede onder verwijzing naar een deskundigenrapport van Professor Nico Schrijver, gemotiveerd gesteld dat in artikel 12 gebruik wordt gemaakt van de in artikel 1 lid 1 gedefinieerde term ‘investering’, om welke reden artikel 12 in samenhang met die bepaling moet worden gelezen.15. Die samenhang vormt relevante context in de zin van artikel 31 van het Weens Verdragenverdrag16. en impliceert dat een investering pas kan zijn ‘gedaan’ in de zin van artikel 12 op het moment dat überhaupt sprake is van een ‘investering’ (zoals gedefinieerd in artikel 1 lid 1). Wat er is gebeurd met een bepaald vermogensbestanddeel voorafgaand aan het moment dat het een kwalificerende ‘investering’ werd in de zin van artikel 1 lid 1, doet voor de temporele reikwijdte van de BIT aldus niet ter zake.17. Nu vaststaat dat de relevante vermogensbestanddelen van Naftogaz c.s. pas op 18 maart 2014 voldeden aan de vereisten van artikel 1 lid 1 (en aldus pas op die datum een kwalificerende ‘investering’ ‘in the territory of the other Contracting Party’ werden), kunnen die vermogensbestanddelen logischerwijs niet reeds voor die datum gelden als ‘gedane investering’ (‘investments made’) in de zin van artikel 12.
3.4
Anders dan het hof suggereert, is voor toepassing van artikel 12 dan ook niet relevant of voor 1 januari 1992 ‘al handelingen zijn verricht’ (zie rov. 5.7.5.5) met betrekking tot bepaalde vermogensbestanddelen die later een kwalificerende investering zijn geworden. Aangezien artikel 12 verlangt dat een ‘investering’ na 1 januari 1992 is gedaan ‘by investors of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party’, is op grond van die bepaling uitsluitend relevant op welk moment aan de vereisten van artikel 1 lid 1 is voldaan en aldus een (kwalificerende) ‘investering’ is gedaan. Voor de vermogensbestanddelen van Naftogaz c.s. is dat moment 18 maart 2014, en dus ná 1 januari 1992. Het hof heeft verzuimd (kenbaar) te responderen op dit centrale argument van Naftogaz c.s. Ook in dat licht is het oordeel van het hof onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd, althans is het gebaseerd op een onjuiste toepassing van artikel 31 van het Weens Verdragenverdrag.
Met conclusie tot vernietiging; kosten rechtens.
Advocaat bij de Hoge Raad
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 13‑01‑2023
Conclusie van Antwoord, par. 188–189.
Zie Conclusie van Dupliek, par. 18.
Zie Conclusie van Antwoord, par. 194. Zie ook Conclusie van Dupliek, par. 19.
Zie Conclusie A-G Drijber 9 september 2022 (Eisers/Venezuela),ECLI:NL:PHR:2022:809. Zie ook Gerechtshof Den Haag 19 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:14.
Conclusie van Antwoord, par. 189; Conclusie van Dupliek, par. 21.
Conclusie van Antwoord, par. 194; Conclusie van Dupliek, par. 17–19.
Zie bijvoorbeeld Partial Award (Productie RF-2), par. 2, 14, 22, 135; vgl. Conclusie van Antwoord, par. 189.
Conclusie van Dupliek, par. 21: ‘Omdat het logisch onmogelijk is voor een niet-verschenen partij om bevoegdheidsverweren aan te voeren, volstaat de herhaaldelijke vaststelling van het Scheidsgerecht dat de Russische Federatie een dergelijk verweer heeft aangevoerd om het argument van de Russische Federatie te logenstraffen.’
Conclusie van Dupliek, par. 22.
Conclusie van Antwoord, par. 212.
Conclusie van Antwoord, par. 212.
Als het hof in voornoemde rechtsoverwegingen anders heeft geoordeeld, is dit oordeel onjuist althans, mede in het licht van het subsidiaire en het — door het hof in het geheel niet weergegeven — meer subsidiaire verweer van Naftogaz c.s. (vgl. rov. 5.7.4 en 5.7.7 en voorts pleitnota Naftogaz c.s., par. 61–67), onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
Conclusie van Antwoord, par. 393–394, 398; Conclusie van Dupliek, par. 151, 157.
Zie Conclusie van Dupliek, par. 163: ‘Naftogaz betwist niet dat het Verdrag slechts investeringen beschermt die na 1 januari 1992 zijn gedaan.’
Conclusie van Antwoord, par. 393–394 (met verwijzingen t.a.p.); Conclusie van Dupliek, par. 151, 157.
Conclusie van Antwoord, par. 393.
Conclusie van Antwoord, par. 396–400.
Beroepschrift 19‑10‑2022
Griffierecht ten laste van rekening courant Salomons Beelaerts Advocaten nr 88320867
PROCESINLEIDING IN CASSATIE
Eiseres in cassatie:
DE RUSSISCHE FEDERATIE, zetelend te Moskou (‘Russische Federatie’).
De Russische Federatie kiest woonplaats bij de advocaten bij de Hoge Raad mrs. A.H.M. van den Steenhoven, gevestigd te (2583 CM) Den Haag aan de Doctor Lelykade 10c en M.A.M. Wagemakers, gevestigd te (2514 AC) Den Haag aan de Koninginnegracht 35. Zij zijn door de Haagse deken en daarna door de Russische Federatie aangewezen om de Russische Federatie als zodanig te vertegenwoordigen in deze cassatieprocedure.
Verweerders in cassatie:
- 1.
NJSC Naftogaz of Ukraine, gevestigd te Kiev, Oekraïne,
- 2.
National Joint Stock Company Chornomornaftogaz, gevestigd te Kiev, Oekraïne,
- 3.
JSC Ukrtransgaz, gevestigd te Kiev, Oekraïne,
- 4.
JSC Ukrgasvydobuvannya, gevestigd te Kiev, Oekraïne, mede in haar hoedanigheid van rechtsopvolger van 4. Livko LLC, voorheen gevestigd te oblast Charkov, Oekraïne,
- 5.
JSC Ukrtransnafta, gevestigd te Kiev, Oekraïne,
- 6.
Subsidiary Company Gaz Ukraiiny, gevestigd te Kiev, Oekraïne,
hierna tezamen: Naftogaz c.s., gedaagden in feitelijke instantie bijgestaan door hun advocaat mr. M. van de Hel-Koedoot te Amsterdam.
Bestreden arrest
De Russische Federatie stelt cassatieberoep in tegen het arrest, gewezen op 19 juli 2022 van het Gerechtshof te Den Haag (het ‘hof’), in de zaak met zaaknummer 200.274.564/01 tussen de Russische Federatie als eiseres en Naftogaz c.s. als gedaagden (het ‘Arrest’).
Verschijningsdatum voor 9 december 2022
Verweerders worden opgeroepen om ten laatste op vrijdag 9 december 2022, om 10.00 uur 's ochtends, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad, te verschijnen op de zitting van de enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad in diens gebouw aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag. De enkelvoudige civiele kamer behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10.00 uur 's ochtends.
Middel van cassatie
De Russische Federatie voert tegen het Arrest het volgende middel van cassatie aan:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen die op straffe van nietigheid in acht moeten worden genomen, doordat het hof recht heeft gedaan op de wijze als in het dictum van het Arrest is omgeschreven en op de gronden die in het lichaam van het Arrest zijn vermeld, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden.
Inleiding
Deze zaak hangt samen met de zaken van de Russische Federatie tegen Aeroport Belbek, JSC Privatbank en Everest c.s. In de voetnoten worden de arresten in die zaken geduid als B-arrest, P-arrest en E-arrest. ‘N-arrest’ of ‘Arrest’ verwijst naar het bestreden arrest in dit cassatieberoep.
Al deze zaken hebben dezelfde feitelijke achtergrond, namelijk claims van Oekraïense ondernemingen voor door hen op de Krim (beweerdelijk) gedane investeringen, voorafgaand aan de Russische incorporatie van de Krim in maart 2014.
Op 27 november 1998 hebben Oekraïne en de Russische Federatie een bilateraal investeringsverdrag gesloten (hierna: de BIT 1998). Dit verdrag voorziet onder meer in bescherming van investeringen (investments) gedaan door investeerders van de ene verdragstaat op het grondgebied (territory) van de andere verdragstaten. Zeer kort samengevat komen de bepalingen van de BIT 1998 erop neer dat de verdragstaten zich jegens elkaar verbonden hebben om dergelijke investments te beschermen tegen — onder meer — onteigening door de andere verdragstaat. Specifiek voor de onderhavige zaak is nog artikel 12 BIT 1998, waaruit voortvloeit dat investeringen daterend van voor 1 januari 1992 geen bescherming genieten op grond van de BIT 1998. Achtergrond daarvan is dat Oekraïne en de Russische Federatie tot 1 januari 1992 deel uitmaakten van de toenmalige Sovjet-Unie zodat in die periode van investeringen door investeerders van de ene staat op het grondgebied van de andere staat geen sprake kon zijn.
Naftogaz c.s. zijn een olie- en gasconcern met onder meer activiteiten op de Krim. Kort na de incorporatie van de Krim door de Russische Federatie zijn vergunningen, gebruiksrechten, exploitatierechten en eigendommen van Naftogaz c.s. genationaliseerd/onteigend. Naftogaz c.s. hebben vervolgens op basis van de BIT 1998 een arbitrageprocedure tegen de Russische Federatie geëntameerd. Het scheidsgerecht heeft op 22 februari 2019 bij meerderheid bevoegdheid aangenomen om over de vorderingen van Naftogaz c.s. jegens de Russische Federatie te beslissen een verklaring voor recht gegeven dat de Russische Federatie met betrekking tot de voorgelegde investeringen de artikelen 2, 3 en 5 BIT 1998 heeft geschonden.1. Bij dagvaarding d.d. 21 juni 2019 heeft de Russische Federatie de onderhavige vernietigingsprocedure geëntameerd. Daarbij heeft de Russische Federatie de geldigheid van de arbitrageovereenkomst bestreden.
Het gerechtshof heeft bij zijn beslissingen het begrip territory in het BIT 1998 zo uitgelegd dat daaronder ook niet alleen moet worden begrijpen soevereine grondgebied, maar ook grondgebied waarover de staat rechtsmacht en feitelijke controle heeft. Het hof heeft daarbij — met de benefit of hindsight- op de BIT 1998 (vreemd recht) artikel31 van het Weens Verdragenverdrag onjuist toegepast. Dat is in cassatie toetsbaar. Het hof heeft daarnaast ten onrechte geoordeeld dat het scheidsgerecht door te beslissen zoals het heeft gedaan, geen beslissing heeft gegeven over de soevereiniteit van de Russische Federatie en Oekraïne. Het scheidsgerecht heeft dat volgens de Russische Federatie wel gedaan, terwijl het daartoe niet bevoegd was. Bovendien heeft het hof weliswaar met juistheid en op goede gronden geoordeeld dat de BIT 1998 niet van toepassing is op investeringen daterend van voor 1 januari 1992, maar de bevoegdheidskwestie vervolgens in het luchtledige laten hangen, door niet te oordelen over welke investeringen het scheidsgerecht dan wel bevoegd was te beslissen. Met de gedeeltelijke vernietiging van het bevoegdheidsoordeel, heeft het hof bovendien ten onrechte dan wel onbegrijpelijk de daarmee verband houdende verklaring voor recht zoals hiervoor vermeld, in stand gelaten.
Namens de Russische federatie worden de volgende klachten voorgesteld:
- 1.
Onjuiste toepassing Weens Verdragenverdrag
- 2.
Oordeel over soevereiniteitsconflict
- 3.
Miskenning rol overheidsrechter gesloten stelsel rechtsmiddelen, verboden delegatie
- 4.
Onbegrijpelijk oordeel over verklaring voor recht
- 5.
Veegklacht
Indien enig klachtonderdeel slaagt, dan kunnen ook rov 5.12.1 en 5.15.1 en het daaraan ontleende dictum niet in stand blijven.
Klachten
Onjuiste uitleg, Weens verdragenverdrag
1.1
Deze klacht richt zich tegen rov 5.5.9–5.5.12, 5.5.14, 5.5.18 en 5.5.19, culminerend in 5.5.20., 5.5.21 en 5.12.1. Hierin — rov 5.5.20 -heeft het hof geoordeeld dat enerzijds feitelijk vaststaat dat beide verdragspartijen bij het sluiten van de BIT in 1998 niet in de mogelijkheid hebben voorzien dat de ene partij een deel van het grondgebied van de andere partij eenzijdig tot zich zou nemen, zodat partijen in 1998 daarvoor ook geen voorziening of regeling hebben getroffen of bedoelden te treffen.2. Niettemin oordeelt het hof, anderzijds, in rov 5.5.20 met betrekking tot het territory vereiste, dat het in het licht van het ‘goede trouw’-vereiste geoorloofd is om in geval van onvoorziene (niet verwachte en dus ook niet in het verdrag geregelde) omstandigheden toepassing te geven aan de BIT overeenkomstig de door arbiters/rechters hypothetisch aannemelijk geachte bedoeling van redelijke partijen voor het geval zij voor zo'n onvoorziene situatie wél een regeling in hun verdrag zouden hebben opgenomen.3.. Daarmee verwierp het hof ten onrechte en/of ontoereikend gemotiveerd het beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht.
Immers, deze oordelen zijn in strijd met artikel 31 lid 1 en artikel 62 WVV en het hof heeft de spanning van zijn oordelen met artt 31, 39 en 62 WVV, waarop in feitelijke aanleg door de Russische Federatie is gewezen4., niet (kenbaar) in zijn oordelen betrokken.
Toelichting
Artikel 31 lid 1 WVV schrijft uitdrukkelijk voor dat de gewone betekenis van de in het verdrag gebezigde bewoordingen als dwingend uitlegrichtsnoer gelden voor de vaststelling van de tussen verdragspartijen bereikte wilsovereenstemming. Het accent in artikel 31 op ‘in good faith’ ziet op de uitleg van het verdrag. Het ziet niet op hoe het verdrag met de ‘benefit of hindsight’ wellicht beter door partijen had kunnen worden geformuleerd in het licht van bij de totstandkoming ervan voor hen onvoorziene omstandigheden. Het hof heeft dit miskend, zodat de beslissing van het hof dat het begrip ‘territory’ zo moet worden uitgelegd dat daaronder ook wordt verstaan gebied dat niet valt onder het soevereine grondgebied van een staat, maar ook gebied dat de facto onder controle van die staat staat, onbegrijpelijk is.
's Hofs oordelen zijn voorts in strijd met artikel 62 WVV. Dat bepaalt uitdrukkelijk dat (zelfs) een fundamentele wijziging van omstandigheden ten opzichte van de situatie bij het sluiten van het verdrag, indien zo'n wijziging niet voorzien (geregeld) was door de verdragspartijen, alleen onder de bijzondere omstandigheden, zoals in dat artikel verwoord, slechts mag leiden tot het beëindigen of opschorten van de werking van het verdrag. Zo'n ongeregelde, fundamentele wijziging van omstandigheden geeft echter aan een arbiter of rechter niet de bevoegdheid om zelf een regelaanpassing te bedenken die voor die leemte een oplossing biedt. Slechts de verdragspartijen zélf mogen op grond van artikel 31 lid 3 en 39 WVV jo. artikel 13 BIT in onderling overleg zo'n aanpassing van hun verdrag vastleggen en formaliseren.
Het hof heeft verder niet, althans niet gemotiveerd, de spanning van zijn betreffende overweging met artikel 31, 39 en 62 WVV onder ogen gezien, hoewel de Russische Federatie op het verbod van een redelijke invulling van leemtes heeft gewezen.5. Dat verbod blijkt ook ondubbelzinnig uit de door de Russische Federatie aangehaalde internationale literatuur en rechtspraak.6.
1.2
's‑Hofs oordeel (rov 5.5.20 en 5.5.21) — mede gebaseerd op hetgeen het hof overweegt en beslist in rov 5.5.10 is bovendien ontoereikend gemotiveerd omdat het hof in rov 5.5.10 innerlijk tegenstrijdig is in zijn motivering met betrekking tot de bevoegdheid van het scheidsgerecht. Immers overweegt het hof —inconsistent— enerzijds dat algemeen wordt aanvaard dat verdragen gelding hebben op het gehele soevereine grondgebied van de staat, waarmee het hof onderkent dat het begrip territory (in beginsel) verwijst naar het soevereine grondgebied van een staat. Het voegt daar, anderzijds, dadelijk aan toe dat dit niet uitsluit dat verdragen ook werking (kunnen) hebben op grondgebied waarover een staat rechtsmacht en langdurig effectieve controle uitoefent, zodat het begrip territory in de BIT tevens verwijst naar (in dit geval) de Krim.7. Daarmee zijn zowel Oekraïne als de Russische Federatie aan te merken als ‘gaststaat’ van de investering van de Naftogaz c.s., terwijl de Russische Federatie het hof tijdig en duidelijk op de praktische onhanteerbaarheid van deze benadering heeft gewezen, hetgeen in de weg staat aan de toepassing van de BIT 1998 op investeringen op de Krim.8.
Toelichting
Hiermee heeft het hof miskend dat zijn eigen ruime invulling van het begrip territory in het onderhavige geval leidt tot ‘twee kapiteins op één schip’. Thans daargelaten de juridische (on)juistheid van die ‘dubbele’ invulling van het BIT-begrip territory, is weliswaar hiermee enerzijds verklaarbaar waarom het hof de Krim vanaf maart 2014 aanmerkt als ‘Russisch grondgebied’, omdat de Russische Federatie daar sindsdien de feitelijke macht uitoefent, maar anderzijds heeft het hof onbegrijpelijkerwijs verzuimd enige aandacht te besteden aan zijn ‘soevereine invulling’ van het begrip territory. Daaruit volgt immers minst genomen de optie dat tegelijkertijd de Krim, volgens deze uitleg van de BIT door het hof, gezien Oekraïne's onverminderde aanspraak op de soevereiniteit erover, als Oekraïens grondgebied aangemerkt moet blijven worden.
Aldus heeft het hof geen oplossing gegeven voor het fundamentele probleem van de onderhavige casus: niet alleen Rusland, maar ook Oekraïne — daarin bovendien door o.a. de VN en EU (dus inclusief Nederland) gesteund — claimt immers onverminderd, ongeacht de feitelijke macht over de Krim van de Russische Federatie sinds maart 2014, de soevereiniteit over de Krim. Dit is ook door alle partijen in de procedures, de Scheidsgerechten én het hof zelf vastgesteld.9. Door over de praktische gevolgen voor deze vier zaken van die ‘soevereine invulling’ van territory in zijn arresten te zwijgen, heeft het hof miskend dat de Krim als gevolg van ‘zijn’ ‘dubbele’ definitie van ‘territory’ sinds maart 2014 zowel Russisch als Oekraïens grondgebied is. Die dubbelheid of inconsistentie staat aan een toepassing van de BIT, voor zover het investeringen op de Krim betreft, fundamenteel in de weg. Een begrijpelijke motivering tegen dit door de Russische Federatie in de procedure uitdrukkelijk aangevoerde argument10. ontbreekt in 's hofs arresten, aangezien het hof op dit stuk slechts een niét door de Russische Federatie aangevoerd argument ‘weerlegt’, namelijk dat de onbetwiste Russische macht over de Krim, de feitelijke macht van Oekraïne daar uitsluit.11.
1.3
Bij het slagen van (een van) voorgaande middelonderdelen kunnen de overwegingen en beslissingen van het hof dat de voorgelegde beweerde investeringen kwalificeren als ‘investments’ en Everest kwalificeren als ‘investors’ in de zin van de BIT 1998,12. evenmin in stand blijven omdat die beslissingen (mede) gebaseerd zijn op de bestreden invulling door het hof van het begrip ‘territory’.
Oordeel over soevereiniteitsconflict
2.
In rov 5.4.4–5.4.7 heeft het hof onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd geoordeeld dat het scheidsgerecht geen oordeel heeft gegeven over het soevereiniteitsconflict tussen de Russische Federatie en de Oekraïne. Daarmee heeft het hof onjuist en / of onbegrijpelijk de stelling13. verworpen dat een beoordeling van het soevereiniteitsgeschil in de weg staat aan de bevoegdheid van arbiters om op claims van Naftogaz c.s. ten aanzien van hun investeringen op de Krim te beslissen. Immers vergt de beantwoording van de vraag of de litigieuze investeringen onder de BIT beschermd zijn, een antwoord op de voorvraag welke van beide staten de soeverein is ten aanzien van de Krim. Die vraag heeft het hof niet beantwoord.
Toelichting
Evenals in door de Russische Federatie in feitelijke aanleg ingeroepen arbitrale uitspraken,14. is een antwoord op de soevereiniteitsvraag noodzakelijk om te kunnen vaststellen of de investeringen onder het BIT zijn beschermd.
Het hof heeft het antwoord op deze voorvraag ontweken door aan het BIT-begrip ‘territory’ een louter feitelijke invulling te geven. Een dergelijk exclusief ‘feitelijke invulling’ staat haaks op de alternatieve ‘soevereine invulling’ die het hof uitdrukkelijk — zelfs als algemene basis van het begrip territory, buiten en binnen de BIT — in zijn eigen overwegingen heeft erkend; rov 5.5.10.
Hiermee is de verwerping door het hof van het door de Russische Federatie aangevoerde ‘onvermijdelijke voorvraag’-betoog, in ieder geval (ook) onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
Rol overheidsrechter bij beoordeling bevoegdheid, ongeoorloofde delegatie van rechtsmacht, miskenning van gesloten stelsel van rechtsmiddelen
Miskenning rol overheidsrechter bij beoordeling van bevoegdheid
3.1.
Deze klacht richt zich tegen rov 5.7.6 en 5.7.7. Hierin heeft het hof overwogen en beslist dat het zich zal onthouden van een oordeel over de kwestie welke investeringen voor bescherming in aanmerking komen. Daarmee laat het hof de beoordeling van de bevoegdheid van het scheidsgerecht ten onrechte over aan het scheidsgerecht. Het hof oordeelt immers dat het scheidsgerecht alleen bevoegd is voor zover sprake is van investeringen die daadwerkelijk na 1992 zijn gedaan. Daarmee beslist het hof niet over de bevoegdheid van het scheidsgerecht. Het hof oordeelt immers niet welke investeringen aan de vereisten van artikel 12 BIT voldoen15. en het laat de beoordeling van het unity of investment-argument16. en het rechtsopvolgingsargument17. van de zijde van de Russische Federatie bovendien ook aan het scheidsgerecht. Aldus miskent het hof dat de beoordeling van de bevoegdheid van het scheidsgerecht in verband met de geldigheid van de arbitrageovereenkomst de exclusieve verantwoordelijkheid is van de daartoe aangezochte overheidsrechter en dat die beoordeling aldus niet aan het scheidsgerecht kan worden overgelaten, dan wel daarvoor (de facto) naar scheidsgerecht kan worden terugverwezen.
Toelichting
De meerderheid van het scheidsgerecht heeft in de Partial Award beslist dat het bevoegd is met betrekking tot de claims van Naftogaz c.s., waarmee het scheidsgerecht zich derhalve bevoegdheid geacht met betrekking tot alle investeringen van Naftogaz c.s.18. In rov 5.7.5.8 oordeelt het hof terecht en op goede gronden dat de BIT 1998 niet van toepassing is op investeringen die vóór 1 januari 1992 zijn gedaan, waarmee wordt bedoeld dat Naftogaz c.s. geen bescherming onder de BIT 1998 kunnen krijgen als zij investeringen voor die datum hebben gedaan. Daarna heeft het scheidsgerecht Procedural Order no. 8 uitgevaardigd waarin het scheidsgerecht op zijn schreden terug lijkt te komen en waarin staat dat het alleen bevoegd is met betrekking tot investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan. Omdat het scheidsgerecht daarmee onduidelijkheid liet bestaan over de consequenties daarvan voor zijn beslissing in de Partial Award, waarin bevoegdheid voor alle claims werd aangenomen, heeft het gerechtshof zekerheidshalve de beslissing van het scheidsgerecht vernietigd, maar dan alleen voor zover het heeft geoordeeld dat het bevoegd is om alle vorderingen te beoordelen.19.
Door te overwegen en beslissen zoals het gerechtshof in rov 5.7.7 heeft gedaan, heeft het hof echter in het midden gelaten met betrekking tot welke investeringen aan de eisen van artikel 12 BIT wordt voldaan (temporele reikwijdte) en gaat het hof niet in op het unity of investment-argument van de Russische Federatie waaruit volgt dat het scheidsgerecht zelfs in het geheel bevoegd was over de litigieuze investeringen te oordelen20. en evenmin op het argument dat Naftogaz c.s. rechtsopvolgers onder algemene titel onder algemene van hun Sovjet-voorgangers zijn, zodat de door Naftogaz c.s. gehouden investeringen die dateren uit de Sovjettijd ook niet vallen onder de temporele reikwijdte van de BIT 1998.21.
Het hof behoorde concreet te beslissen welke investeringen onder de temporele reikwijdte van de BIT 1998 vielen, omdat slechts met betrekking tot dergelijke investeringen een geldige arbitrageovereenkomst kan worden aangenomen.22. De beslissing van het hof in rov 5.7.7 geeft weliswaar enige houvast voor het verloop van de arbitrage in de kwantumfase maar het hof laat de facto de uiteindelijke beslissing over de bevoegdheid van het scheidsgerecht over aan dat scheidsgerecht in die fase van het arbitrale geding, terwijl de arbitrage-titel niet voorziet in een mogelijkheid tot terugverwijzing bij bevoegdheidskwesties, waarover de overheidsrechter immers het laatste woord heeft.23.
Aldus heeft het hof miskend dat het als overheidsrechter exclusief verantwoordelijk is om de bevoegdheid van het scheidsgerecht te beoordelen.
Hof doet aan verboden delegatie, althans rechtsweigering
3.2.
Het oordeel van het hof in rov 5.7.7 komt er —onjuist— op neer dat de aan het hof voorgelegd de vraag of de investering van Naftogaz c.s. geheel of gedeeltelijk voor bescherming onder de BIT 1998 in aanmerking komt, wordt overgelaten, doorgeschoven of terugverwezen aan/naar het scheidsgerecht. Het nalaten van het hof om ter zake zelf een oordeel te geven kwalificeert als een onjuiste of verboden delegatie van zijn taken (althans de taken van de overheidsrechter) aan het scheidsgerecht, dan wel rechtsweigering. De bepalingen uit de arbitragetitel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorzien niet in een mogelijkheid om beslissingen die zien op de geldigheid van de arbitrageovereenkomst over te laten, door te schuiven dan wel terug te verwijzen naar het scheidsgerecht.24. Door te oordelen zoals het hof in rov 5.7.7 deed, is het in zoverre derhalve uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
Toelichting
Het hof kon niet volstaan met partiële vernietiging van het gedeeltelijk eindvonnis, namelijk voor zover het scheidsgerecht bevoegdheid had aangenomen met betrekking tot investeringen, gedaan voor 1 januari 1992. Het hof was gehouden om concreet te beslissen met betrekking tot welke investeringen het scheidsgerecht bevoegd was te beslissen, omdat zonder een dergelijk oordeel door het hof, die beslissing in feite werd voorgelegd aan het scheidsgerecht in de kwantumfase.
In praktisch opzicht wringt hier bovendien dat de arbitrage thans in de kwantumfase verkeert, waarin in beginsel geen plaats meer is voor een bevoegdheids(her)beoordeling (zie in zoverre ook subonderdeel 3.3), terwijl die arbitrage na een eventuele vernietiging door Uw Raad en verwijzing al geruime tijd beëindigd kan zijn.
Hof miskent gesloten stelsel van rechtsmiddelen en laat in dat kader ontoelaatbare onduidelijkheid bestaan over de (on)bevoegdheid van het scheidsgerecht
3.3
Door het oordeel van het hof rov 5.7.7, dat het zich zal onthouden van een oordeel over de kwestie welke investeringen voor bescherming in aanmerking komen, blijft onduidelijk of en in hoeverre het scheidsgerecht bevoegd is te oordelen over de door Naftogaz c.s. voorgelegde investeringen. Daarmee laat het hof ontoelaatbare onduidelijkheid bestaan. Dit klemt temeer in het licht van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. De Russische Federatie was vanwege de dreigende kracht van gewijsde van de Partial Award genoodzaakt binnen de daarvoor geldende termijn, op straffe van verval, het rechtsmiddel van vernietiging tegen de Partial Award aan te wenden. De beslissing in de Partial Award hield in dat het scheidsgerecht bevoegd was om te oordelen over de (lees: alle) door Naftogaz c.s. voorgelegde investeringen en dat de Russische Federatie met betrekking tot die (lees: alle) investeringen de artikelen 2, 3 en 5 van de BIT 1998 zou hebben geschonden.25. Door zich te onthouden van een oordeel over de kwestie welke investeringen exact voor bescherming in aanmerking zouden komen, heeft het hof miskend dat arbiters buiten de regelingen van aanvulling en verbetering (artikelen 1060 en 1061 Rv) een gewezen deelvonnis niet kunnen aantasten. Voor partijen staan tegen een geheel of gedeeltelijk arbitraal eindvonnis slechts de rechtsmiddelen van vernietiging en herroeping open (artikel 1064 Rv).
Toelichting
De Partial Award heeft kracht en gezag van gewijsde voor zover deze niet is herroepen of vernietigd. Procedural Order No 8 heeft daarin geen verandering gebracht en kan — als gedaan buiten de regelingen van aanvulling en verbetering — het gedeeltelijk eindvonnis dan ook niet wijzigen. Zij onderstreept hooguit dat de vordering tot vernietiging terecht is gedaan. In dat licht is problematisch dat door het handelen van het hof niet helder is in hoeverre het gedeeltelijk eindvonnis is vernietigd. Dat zou na de gedeeltelijke vernietiging door het hof pas duidelijk moeten worden in de kwantumfase, en welke benadering het gesloten stelsel van rechtsmiddelen niet voorziet. Daarnaast is van belang dat niet zeker is of de kwantumfase van de arbitrale procedure nog loopt op het moment dat in de vernietigingsprocedure door Uw Raad is beslist (en een eventuele procedure na verwijzing is afgerond).
Verklaring voor recht ten onrechte in stand gelaten
Onverbrekelijk verband bevoegdheid en verklaring voor recht
4.1.
Uit hetgeen het hof heeft overwogen en beslist in rov 5.7.6 en het daaraan ontleende dictum, kan worden afgeleid dat het hof —onbegrijpelijk— slechts de beslissing van het scheidsgerecht dat het bevoegd is met betrekking tot alle voorgelegde investeringen werd vernietigd, waarmee het hof de door het scheidsgerecht gegeven verklaring voor recht dat de Russische Federatie met betrekking tot alle voorgelegde investeringen de artikelen 2, 3 en 5 heeft geschonden, in stand heeft gelaten. Indien deze beslissingen inderdaad aldus moeten worden gelezen dat de verklaring voor recht door het hof inderdaad onaangetast is gebleven, geldt dat die beslissing onbegrijpelijk is. Er bestaat immers een onverbrekelijk verband tussen de verklaring voor recht en de bevoegdheidsaanname, zodat het gerechtshof in zoverre niet kon volstaan met een partiële vernietiging van die bevoegdheidsaanname, maar ook de verklaring voor recht had moeten vernietigen. Zonder bevoegdheid van het scheidsgerecht met betrekking tot een investering kan het oordeel van het scheidsgerecht dat de Russische Federatie met betrekking tot de investering de BIT 1998 zou hebben geschonden, immers niet te bestaan.
Onwenselijke afhankelijkheid kwantumfase
4.2.
Indien en voor zover de beslissing van het hof in 5.7.6 zo moet worden uitgelegd dat het hof bedoeld heeft dat pas in de kwantumfase van de arbitrage duidelijk zou mogen/moeten worden of en in hoeverre sprake is van schendingen van de artikelen 2, 3 en 5 van de BIT 1998, ontstaat onwenselijke situatie dat onduidelijk blijft of en in hoeverre sprake is van kracht en gezag van gewijsde van de Partial Award, zodat de arbiters in de kwantumfase in zoverre mogelijk gebonden zijn aan de verklaring voor recht. Uitgangspunt is immers dat een niet vernietigde beslissing in een partieel eindvonnis kracht en gezag van gewijsde krijgt. Voor zover het hof van oordeel was dat de arbiters in de kwantumfase alsnog zouden mogen beslissen over hun bevoegdheid met betrekking tot bepaalde investeringen (en de verklaring voor recht derhalve in zoverre geen kracht en gezag van gewijsde zou krijgen), is zijn oordeel rechtens onjuist.
Toelichting
Bovendien kan alsdan de situatie ontstaan dat scheidsgerecht na afloop van de procedure in cassatie en de eventuele verwijzingsprocedure, niet meer bestaat of de procedure niet meer zou kunnen of willen heropenen (terwijl het voording voor het scheidsgerecht niet duidelijk is of het uitvoering aan die opdracht zou moeten geven). Ook in zoverre behoort de beslissing in deze lezing geen stand te houden.
Veegklacht
5.
Het voorgaande vitieert ook rov 5.12.1 en 5.15.1 en het dictum.
Conclusie
De Russische Federatie vordert op grond van dit middel de vernietiging van het bestreden arrest, met zodanige verdere beslissing, mede met betrekking tot de kosten, als de Hoge Raad juist zal achten. Voorts vordert de Russische Federatie dat de toe te wijzen proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente (art. 6:119 BW) daarover, te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van het arrest van de Hoge Raad.
Advocaten
19 oktober 2022
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 19‑10‑2022
Rov 3.15, zie ook productie RF-002 (N): gedeeltelijk eindvonnis en dissenting opinion.
Deze overweging komt voor in alle vier arresten en berust ook op een correcte weergave van de procedurele standpunten van de Russische Federatie en haar respectieve wederpartijen. Zie N-arrest rov 5.5.20.
Tav soevereiniteit: onder meer Dgv 4.4, 4.3.2., CvR 3.2.1, 3.2.2 4.1.4a, 4.2.2, 4.2.3 , pleitnota 3.2, par. 4, 11, 39, 65, 103, 114, 115, 116, 120, 125. Tav Territory: onder meer Dgv hst 4.5.2, CvR hst 4.2, Pleitnota hst 4.
Dgv. 44, 109, 177, 232 en 379. CvR 13, 80, 194, 256, 283, 285, 352, 355, 471 (en voetnoot 891), 535. Pleitnotities 8, 11, 25, 107 126
Dgv hst 4.3 en 4.4, CvR hst 4.1 en 4.2, Pleitnota hst 3 en 4.
Rov 5.5.10; zie voorts 5.5.12, 5.5.15, 5.5.18, 5.5.19 en 5.5.20
Dgv 40–41, 152–160, 173–176, 186–189, 211, 236(ii), 239–240, 248, CvR 252–259, Pleitnota 116–119
Rov 3.1 en 3.3
Tav soevereiniteit: onder meer dgv 4.4, CvR 4.1, pleitnota 3.2. Tav territory: onder meer dgv 4.5.2, CvR 4.2, pleitnoat 4
Rov 5.5.6.
Rov 5.8.7–5.8.13 investment) en rov 5.9.6 en 5.9.7 (investor)
Dgv hoofdstuk 4.4,, Repliek hoofdstuk 4.1, Pleitnota hoofdstuk 3.1 en 3.2
Dispute Concerning Coastal State Rights in the Black Sea, Sea of Azov, and Kerch Strait (Ukraine v. the Russian Federation), PCA Case No. 2017-06J, vonnis d.d. 21 februari 2020 par. 151–154, 197, 198 en 492;Dgv 138, Repliek 129, 147–157.
terwijl het hof daartoe wel in staat was op basis van de door de Russische Federatie ter zake aangevoerde stellingen, welke in feite door Naftogaz niet zijn betwist: onder meer dagv p. 17 en 18, hst 4.4, 4.5.2b(ii) 4.6.1, 4.6.1, 4.6.2, 4.7, nrs 348, 353, 368, 369, 383.CvR onder meer 4.4.1, 4.4.2, 4.4.5. pleitnota onder meer 1.3.2, 2.1–2.4, 2.7 en nr 84.
zie onder meer Repliek hoofdstuk 4.4.2.a.(i) en Pleitnotities hoofdstuk 2.3
Dgv hoofdstuk 4.6.2, Repliek hoofdsuk 4.4.3 en Pleitnotities 67 en hoofdstuk 2.6
Arbiter Prof. Dr. M Stanivukovic concludeerde — terecht — in haar dissenting opinion dat het scheidsgerecht zich onbevoegd had moeten verklaren en niet tot schending van de Bit 1998 had moeten concluderen; productie RF-3 (N)
rov 5.7.6 en dictum
zie onder meer Repliek hoofdstuk 4.4.2.a.(i) en Pleitnotities hoofdstuk 2.3
Onder meer Dgv 4.6.2, CvR 4.4.2, 4.4.2a (i), 4.4.2b, 4.4.2c, pleitnota hst 2, 2.3 en 2.4.
De Russische Federatie heeft het hof ter zake ook voldoende handvatten aangereikt; zie Dgv hoofdstuk 4.6.2 en Repliek hoofdstuk 1.3, 4.4, 4.5.
HR 9 januari 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4130, NJ 1981/203 (De Raad/Wagemaker); HR 27 maart 2009, NJ 2010/170, rov. 3.4.1; TvA 2009/50, p. 131 (Smit Bloembollen c.s./Ruwa Bulbs); HR 26 september 2014, E-CLI:NL:HR:2014:2837, NJ 2015/318 (Ecuador/Chevron); HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1645, NJ 2022/102 (Russische Federatie/HVY), rov. 5.2.7
G.J. Meijer e.a., Parlementaire Geschiedenis Arbitragewet, Deventer: Wolters Kluwer 2015, pp. 160–162. Zie in dit kader ook artikel 1065a Rv dat gaat over remissie. In deze zaak is daarvan geen gebruik gemaakt. Bij de totstandkoming van deze remissieregeling heeft de wetgever evenwel duidelijk overwogen dat kwesties die zien op de geldigheid van de overeenkomst tot arbitrage zich niet lenen voor remissie. De wetgever bevestigt dus dat ‘delegatie’ op dit punt niet mogelijk is.
Productie RF-002, par 274