HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.4.2.
HR, 30-10-2026, nr. 25/01337
ECLI:NL:HR:2026:1775
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30-10-2026
- Zaaknummer
25/01337
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:1775, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑10‑2026; (Cassatie)
- Vindplaatsen
NLF 2026/2319
Viditax (FutD) 2026103003
Uitspraak 30‑10‑2026
Inhoudsindicatie
Belasting van personenauto’s en motorrijwielen. Fomeel recht. Unierecht. Diverse klachten over schending van Unierecht. Geen reden voor stellen van prejudiciële vragen aan Hof van Justitie.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/01337
Datum 30 oktober 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 maart 2025, nr. 24/536, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 20/7049) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Zowel de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1], als de Staat, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
Verhouding interne compensatie tot het Unierecht
2.1.1
Het Hof heeft het oordeel van de Rechtbank bevestigd dat het beroep van de Inspecteur op interne compensatie slaagt. Het heeft in dat kader, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, verworpen de stelling van belanghebbende dat het Unierecht zich verzet tegen het leerstuk van interne compensatie. Ook heeft het Hof verworpen de stelling van belanghebbende dat het leerstuk van interne compensatie geen toepassing kan vinden met betrekking tot fouten van de inspecteur maar alleen met betrekking tot omissies aan de kant van de belastingplichtige.
2.1.2
Middel I richt zich tegen de hiervoor weergegeven oordelen van het Hof. Met een dergelijke compensatie wordt, aldus middel I, het fundamentele recht op terugbetaling van in strijd met het Unierecht geheven belasting geschonden en de uit het Unierecht voortvloeiende verplichting tot betaling van rente over in strijd met het Unierecht geheven belasting teniet gedaan.
2.1.3
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 3.2.1 en 3.2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen.
Verenigbaarheid van de Nederlandse regeling inzake proceskostenvergoeding in het bestuursrecht met het Unierecht
2.2.1
Middel II is gericht tegen het oordeel van het Hof dat de door de Rechtbank toegekende vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de fase van beroep in verband met het schenden van de redelijke termijn voor de fase van eerste aanleg, wordt vastgesteld op de voet van artikel 2, lid 1, aanhef en letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) overeenkomstig de in de bijlage bij dat besluit opgenomen aanwijzingen. Het middel voert aan dat belanghebbende op grond van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aanspraak kan maken op een volledige vergoeding van de werkelijke kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, of iets wat die kosten ten minste sterk benadert. Het Hof mocht niet volstaan met een proceskostenvergoeding volgens het puntensysteem waarin het Besluit voorziet, omdat duidelijk is, aldus het middel, dat dit systeem slechts voorziet in een (zeer geringe) tegemoetkoming in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
2.2.2
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 4.8.2 tot en met 4.10.6 van het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1244, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Bevoegdheid van de nationale rechter om het Unierecht uit te leggen en toe te passen
2.3.1
Middel III klaagt over het oordeel van het Hof dat het bevoegd is het Unierecht uit te leggen en toe te passen en over het oordeel van het Hof dat het niet verplicht is om in deze zaak, waarin vragen over de uitlegging van Unierecht aan de orde zijn, prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voor te leggen.
2.3.2
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 3.7.2 en 3.7.3 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Verenigbaarheid van toepassing van de artikelen 19 en 20 AWR met artikel 110 VWEU op de markt van tweedehands motorvoertuigen
2.4.1
Middel IV klaagt over het oordeel van het Hof dat het Unierecht zich niet ertegen verzet dat indien eenmaal het belastbare feit van registratie van een vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht tweedehands motorvoertuig heeft plaatsgevonden, naheffing op de voet van artikel 20 AWR plaatsvindt.
2.4.2
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 4.2 tot en met 4.4.4 van het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1244, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Eerbiediging van de rechten van de verdediging
2.5.1
Middel V bestrijdt de oordelen van het Hof dat de Inspecteur ten aanzien van belanghebbende voorafgaand aan het opleggen van naheffingsaanslag en in de bezwaarfase het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel noch artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie heeft geschonden. Aan die oordelen heeft het Hof ten grondslag gelegd de – in cassatie niet bestreden – feiten dat belanghebbende in de fase voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag naar behoren is uitgenodigd voor een gesprek, maar daarvan geen gebruik heeft gemaakt, en voorts dat hij in de bezwaarfase op de hoorzitting is verschenen. Het middel steunt op de opvatting dat het in het Unierecht verankerde recht van eenieder om te worden gehoord voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden, betekent dat het bestuursorgaan niet eerder mag beslissen dan nadat de belanghebbende zijn zienswijze mondeling naar voren heeft gebracht. Het middel klaagt erover dat de Hoge Raad bij het arrest van 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, deze opvatting heeft verworpen zonder het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie of dat oordeel in overeenstemming is met het recht van de Unie.
2.5.2
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 2.6.1 tot en met 2.6.4 van het arrest van de Hoge Raad van 18 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1494, en in de rechtsoverwegingen 2.6.1 tot en met 2.6.5 van het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1628, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Hoogte van de vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn
2.6.1
De Rechtbank heeft belanghebbende een schadevergoeding toegekend omdat de termijn van twee jaar die volgens de door de Hoge Raad gegeven uitgangspunten als redelijk wordt beschouwd voor het behandelen van een zaak in de fase van eerste aanleg1., was overschreden met afgerond 45 maanden. De in verband daarmee toe te kennen vergoeding van immateriële schade heeft de Rechtbank, in overeenstemming met deze uitgangspunten2., vastgesteld op € 4.000.Het Hof heeft de door belanghebbende aangevoerde grieven tegen de beslissing van de Rechtbank om de vergoeding van immateriële schade op € 4.000 te stellen, verworpen.
2.6.2
Middel VI is gericht tegen de hiervoor weergegeven oordelen van de Rechtbank en het Hof. Het betoogt – met verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie3.en van het EHRM4.– dat bij overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie respectievelijk artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden de belanghebbende een adequate compensatie moet worden geboden.
2.6.3
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 2.3.2 tot en met 2.4.7 van het arrest van de Hoge Raad van 18 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1415, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Betaling van vaste griffierechten als voorwaarde voor het verkrijgen van toegang tot de rechter
2.7.1
Middel VII klaagt over het oordeel van het Hof dat de wijze waarop in belastingzaken griffierechten worden geheven (te weten: vooraf) alsook de hoogte van die griffierechten niet in strijd is met het Unierecht.
2.7.2
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 3.1.1 tot en met 3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Overige klachten
2.8
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten van de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). Hierbij verdient opmerking dat wat betreft deze overige klachten het Unierecht niet relevant is voor de beslechting van het geschil in cassatie, dan wel voor zover het Unierecht dat wel is, al in voorgaande rechtsoverwegingen van dit arrest is uiteengezet waarom de Hoge Raad afziet van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 30‑10‑2026
HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverwegingen 3.10.1 en 3.10.2.
Het arrest van het Hof van Justitie van 26 november 2013, Groupe Gascogne SA, C-58/12 P, ECLI:EU:C:2013:770, punt 96, en de conclusie van A-G Hogan van 11 september 2019, Sole-Mizo Zrt, gevoegde zaken C‑13/18 en C‑126/18, ECLI:EU:C:2019:708, punt 49.
De arresten van het EHRM van 29 maart 2006, Scordino tegen Italië, nr. 36813/97, ECLI:CE:ECHR:2006:0329JUD003681397, van 4 november 2008, Boboc tegen Moldavië, nr. 27581/04, ECLI:CE:ECHR:2008:1104JUD002758104, van 26 oktober 2000, Kudla tegen Polen, nr. 30210/96, ECLI:CE:ECHR:2000:1026JUD003021096, van 29 maart 2006, Cocchiarella tegen Italië, nr. 64886/01, ECLI:CE:ECHR:2006:0329JUD006488601, en van 29 maart 2006, Apicella tegen Italië, nr. 64890/01, ECLI:CE:ECHR:2006:0329JUD006489001.