HR, 16-10-2026, nr. 21/02570
ECLI:NL:HR:2026:1628
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-10-2026
- Zaaknummer
21/02570
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:1628, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑10‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2021:4945
- Vindplaatsen
NLF 2026/2195
NDFR Nieuws 2026/1586
Viditax (FutD) 2026101604
Uitspraak 16‑10‑2026
Inhoudsindicatie
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/02570
Datum 16 oktober 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 mei 2021, nrs. 19/00547 en 19/006721., op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 18/2008) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan personenauto’s en motorrijwielen.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de klachten
Bevoegdheid van de nationale rechter om het Unierecht uit te leggen en toe te passen
2.1.1
Het Hof heeft het door belanghebbende ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard. Voor zover de standpunten van belanghebbende zijn onderbouwd met een door belanghebbende voorgestane uitleg en/of toepassing van artikel 110 VWEU en/of artikel 47 in samenhang gelezen met artikel 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest), heeft het Hof die uitleg respectievelijk toepassing verworpen op grond van rechtspraak van de Hoge Raad waarin die uitleg zonder consultatie van het Hof van Justitie van de Europese Unie is verworpen, dan wel op grond van een door het Hof zelfstandig gevormd oordeel over uitleg en toepassing van het Unierecht. Het Hof heeft geen aanleiding gezien om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
2.1.2
Middel I klaagt erover dat het Hof het Unierecht heeft uitgelegd en toegepast zonder eerst prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
2.1.3
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 3.7.2 en 3.7.3 van het arrest van Hoge Raad van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, en in rechtsoverweging 2.1.3 van het arrest van Hoge Raad van 18 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1491, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Artikel 7:15, lid 2, Awb; vereiste voor toekennen van een vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand ter zake van de behandeling van het bezwaar
2.2.1
Middel II richt zich tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar aangezien de vermindering van het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) niet het gevolg is geweest van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid.
2.2.2
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 4.8.2 tot en met 4.10.6 van het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1244, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Passende rentevergoeding bij teruggaaf van in strijd met Unierecht geheven belasting
2.3.1
Middel IV is gericht tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende voor de door hem gewenste, aan het Unierecht te ontlenen vergoeding van rente over de hem verleende teruggaaf van bpm, op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 een afzonderlijk verzoek moet indienen bij de ontvanger. Volgens het middel vloeit het recht op een passende rentevergoeding voort uit het Unierecht en kan die vergoeding niet worden beperkt door nationale procedureregels.
2.3.2
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 3.2.2 tot en met 3.2.4 van het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1297, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Verenigbaarheid van de wettelijke regeling van heffing en betaling van bpm met artikel 110 VWEU op de markt van tweedehands motorvoertuigen
2.4.1
Middel V klaagt over het oordeel van het Hof dat het Unierecht zich niet verzet tegen het systeem van heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat ingevoerde gebruikte auto, waarbij bpm moet worden betaald voordat het belastbare feit (de registratie in het kentekenregister) plaatsvindt.
2.4.2
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 3.3 en 3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1277, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Stelplicht en bewijslast in geval aanspraak wordt gemaakt op een vermindering van belasting van personenauto's en motorrijwielen
2.5.1
Middel VI is gericht tegen het oordeel van het Hof dat een redelijke verdeling van de bewijslast met zich brengt dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van bpm, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken, en dat artikel 110 WVEU zich niet tegen deze bewijslastverdeling verzet.
2.5.2
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverweging 3.2.6 van het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.Naleving van de hoorplicht volgens de regels van artikel 7:2 Awb
2.6.1
Het Hof heeft verworpen het standpunt van belanghebbende dat de Inspecteur de in artikel 7:2 Awb bedoelde hoorplicht heeft geschonden. De Inspecteur heeft onweersproken gesteld (i) dat hij de gemachtigde van belanghebbende verschillende keren heeft uitgenodigd voor een hoorgesprek, (ii) dat de gemachtigde geen van die uitnodigingen heeft geaccepteerd, (iii) dat de gemachtigde niettemin op 19 februari 2018 is verschenen op de plaats en het tijdstip van een eerder door de gemachtigde afgewezen uitnodiging voor een hoorgesprek, en (iv) dat de gemachtigde bij die gelegenheid heeft geweigerd inzage te nemen in het dossier van belanghebbende en aansluitend de bezwaren te bespreken. Onder deze omstandigheden kan, aldus het Hof, niet worden geoordeeld dat de Inspecteur de in artikel 7:2 Awb bedoelde hoorplicht heeft geschonden.
2.6.2
Middel VII richt zich tegen laatstvermeld oordeel van het Hof met het betoog dat dit oordeel strijdig is met het Unierecht, met name artikel 47 van het Handvest en het in het Unierecht verankerde recht op hoor en wederhoor. Slechts de expliciete, schriftelijke bevestiging van belanghebbende dat hij afziet van zijn uit het Unierecht voortkomende recht zijn bezwaren mondeling toe te lichten, mag volgens het middel tot een beperking van de in artikel 7:2 Awb bedoelde hoorplicht leiden.
2.6.3
Artikel 7:2, lid 1, Awb verplicht een bestuursorgaan om, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Het hiervoor in 2.6.2 weergegeven betoog van het middel vindt geen steun in de tekst van artikel 7:2, lid 1, Awb noch in de totstandkomingsgeschiedenis van die bepaling. Verder hangt het van de omstandigheden van het geval af of het de inspecteur moet worden aangerekend dat hij ten aanzien van een belanghebbende niet aan zijn uit artikel 7:2, lid 1, Awb voortvloeiende verplichting heeft voldaan.2.
2.6.4
Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, strekt het bepaalde in artikel 7:2, lid 1, Awb niet ter voldoening aan artikel 47 van het Handvest. Deze bepaling betreft het recht van eenieder op een doeltreffende voorziening in rechte, dat wil zeggen de behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Deze bepaling geldt niet voor een in een nationale rechtsorde voorziene bestuurlijke heroverweging zoals voorzien in afdeling 7.1 Awb die voorafgaat aan het procederen bij de bestuursrechter.Ook anderszins vormt het bepaalde in artikel 7:2 Awb niet een omzetting van een Unierechtelijke verplichting in de nationale rechtsorde. Daar waar het beginsel van de rechten van de verdediging als algemeen beginsel van het recht van de Unie vereist dat geadresseerden van besluiten die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen en die hun belangen aanmerkelijk raken, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over elementen waarop het bestuursorgaan zijn besluit wil baseren, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat artikel 7:2, lid 1, Awb daaraan voldoet.
2.6.5
Middel VII faalt. Het Hof heeft met de hiervoor in 2.6.1 gedane, in cassatie niet bestreden vaststellingen, tot uitdrukking gebracht dat de Inspecteur belanghebbende naar behoren in de gelegenheid heeft gesteld over het bezwaar te worden gehoord, en dat het de Inspecteur niet kan worden aangerekend dat belanghebbende die gelegenheid niet heeft benut. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.6.3 en 2.6.4 is overwogen, verlangt de beslechting van dit geschilpunt niet een nadere uitleg van het Unierecht. De Hoge Raad ziet dan ook wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Betaling van vaste griffierechten als voorwaarde voor het verkrijgen van toegang tot de rechter
2.7.1
Middel VIII klaagt over het oordeel van het Hof dat de wijze waarop in belastingzaken griffierechten worden geheven (te weten: vooraf) alsook de hoogte van die griffierechten niet in strijd is met het Unierecht.
2.7.2
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 3.1.1 tot en met 3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Overige klachten
2.8
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). Hierbij verdient opmerking dat wat betreft deze overige klachten het Unierecht niet relevant is voor de beslechting van het geschil in cassatie, dan wel voor zover het Unierecht dat wel is, al in voorgaande rechtsoverwegingen van dit arrest is uiteengezet waarom de Hoge Raad afziet van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑10‑2026
Vgl. HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1728, rechtsoverweging 2.3.2.