Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context
Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/8.2.0:8.2.0 Inleiding
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/8.2.0
8.2.0 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661450:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het doel van dit onderzoek is om de toepassing van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting van de Belastingdienst te herijken met inachtneming van zowel het juridisch perspectief als het burgerperspectief. Het vertrouwensbeginsel komt aan de orde in situaties waarin de burger verwachtingen ontleent aan voorlichting, terwijl de inspecteur bij het opleggen van de aanslag terugvalt op (een andere uitleg van) de wet. In zo’n geval komt het belang van strikte wetstoepassing (legaliteitsbeginsel) op gespannen voet te staan met het belang van bescherming van gewekte verwachtingen (vertrouwensbeginsel). De Hoge Raad heeft deze belangen tegen elkaar afgewogen in de vorm van de hoofdregel nee, tenzij, die inhoudt dat de strikte wetstoepassing vóórgaat, tenzij sprake is van een uitzonderingssituatie. Daarvan blijkt volgens de rechtspraak zelden sprake. Er zijn goede redenen om de juridische koers kritisch tegen het licht te houden, waaronder maatschappelijke en juridische ontwikkelingen over de afgelopen decennia (paragraaf 1.2, 1.4). Bovendien moet daarbij het burgerperspectief worden betrokken, waarbij een communicatieve benadering bijzonder geschikt is (paragraaf 1.2.2, 1.3.2, 1.6). Na analyse van het juridisch perspectief (Deel I), het burgerperspectief (Deel II) en beide perspectieven samen (Deel III) blijkt toepassing van het vertrouwensbeginsel aan herijking toe, waarvoor een concreet voorstel is gedaan (hoofdstuk 7).
De rode draad in het onderzoek wordt bepaald door de centrale onderzoeksvraag:
Dient de toepassing van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting van de Belastingdienst aan burgers te worden herijkt, en zo ja, op welke wijze?
Ter beantwoording daarvan zijn deelvragen geformuleerd. Hierna beantwoord ik de onderzoekvragen en trek ik conclusies vanuit het juridisch perspectief (paragraaf 8.2.1), het burgerperspectief (paragraaf 8.2.2) en het juridisch perspectief met inachtneming van het burgerperspectief (paragraaf 8.2.3).