Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/19.4.4
19.4.4 Verschuiving zwaartepunt naar het recht op privacy?
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500725:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Bij datamining worden verschillende databases tegelijk onderzocht, als gevolg waarvan verschillende gegevens aan elkaar gekoppeld kunnen worden en zo anonimiteit in bepaalde databases kunnen opheffen. Zodoende verkrijgt men gegevens waar men aanvankelijk geen toegang tot had en wordt het privacyrecht geschonden. Roosendaal e.a. 2014 gaan uitgebreid in op de karakteristieken van big data-toepassingen die de huidige wettelijke privacykaders op de proef stellen.
Zie nader Gritter 2014.
Hoepman 2013, p. 232 e.v.
Rb. Oost-Brabant 26 november 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:6553.
Hof ’s-Hertogenbosch 19 augustus 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2803.
Vzr. Rb. Amsterdam 8 november 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BW2575.
Oerlemans 2011. De auteur wijst erop dat het EHRM verdragsstaten tot op zekere hoogte een beoordelingsruimte geeft in de vraag of de maatregel noodzakelijk is.
Onder meer HR 28 januari 1998,BNB 1998/147 (m.nt. Wattel), inzake de toepassing van het anoniementarief bij niet het voldoen aan de identificatieplicht ex art. 29, lid 1 Wet LB) en HR 13 mei 2005, NJ 2005, 423 (m.nt. Zwemmer), inzake het onderzoek ex art. 8 WIB in relatie tot art. 8 EVRM.
Zie Hof ’s-Hertogenbosch 19 augustus 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2803, r.o. 3.5.2.
Vgl. Hildebrandt 2012, p. 2 e.v., onderdeel 4.2. Schrijver wijst erop dat de vrijwel permanente en steeds uitgebreider gegevensverzameling die vanuit de private en de publieke sector plaatsvindt, niet alleen gemakkelijk leidt tot schendingen van het grondrecht op privacy, maar ook van het recht op eerlijke en legitieme gegevensverwerking (art. 6 en 7 Richtlijn Gegevensbescherming en art. 8 EU-Handvest).
EHRM 14 maart 2013 (Bernh Larsen Holding AS e.a. t. Noorwegen).
Zie nader Booij 2014.
De precieze invloed van vorenstaande en andere ontwikkelingen op de doorwerking van het nemo tenetur in punitieve belastingzaken is niet op voorhand duidelijk. Verwacht mag worden dat die ertoe leiden dat controle- en opsporingsambtenaren voor de informatie- en bewijsgaring in het algemeen minder afhankelijk worden van de medewerking van de verdachte. Wanneer dit juist is, dan zal de rol van nemo tenetur in onder meer punitieve belastingzaken worden teruggedrongen.
Belang bescherming persoonlijke levenssfeer neemt toe
Tegenover het afnemende belang van nemo tenetur staat waarschijnlijk het toenemende belang van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Sinds de uitspraak van de HR van 10 december 1974, nr. 67 574 (inzake serievragen van de inspecteur ex art. 49 AWR (oud) over pleziervaartuigen aan een verzekeringsbedrijf), is het recht op privacy ex art. 8 EVRM voor belastingzaken praktisch zonder betekenis.1 Voor zover art. 49, lid 1 AWR (oud) al geacht kan worden de uitoefening van het recht op ‘respect for his private and family life (...) and his correspondence’ te beperken, is deze beperking op grond van art. 8, lid 2 EVRM toelaatbaar, omdat zij kan worden aangemerkt als ‘necessary in a democratic society in the interest of the economic well-being of the country’.2
Het lijkt een kwestie van tijd voordat de HR zal worden gevraagd zich opnieuw uit te spreken over de betekenis van art. 8 EVRM en/of de Wbp3 voor belastingzaken. Dit vanwege de toenemende massale gegevensopslag en -verwerking door de Belastingdienst en daarmee samenhangende ontwikkelingen zoals ‘datamining’.4Illustratief is de grootschalige registratie van kentekens via camera’s op de openbare weg via Automatic Number Plate Recognition (ANPR) ofwel automatische kentekenherkenning- en registratie.5 De Belastingdienst heeft afspraken gemaakt met de politie om automatisch een kopie van de gegevens te krijgen.6 De dienst bewaart (een selectie van) die gegevens zeven jaar voor de controle van bijvoorbeeld het privégebruik van door de werkgever ter beschikking gestelde auto’s.
Noodzakelijkheidseis art. 8, lid 2 EVRM
Dat bij het gebruik van dergelijke gegevens de privacy van burgers in het geding kan komen, illustreert de uitspraak van de voorzieningenrechter van Rb. Oost-Brabant van 26 november 2013, nr. 269904/KG ZA 13-720.7 De rechtbank oordeelt het verzoek van de Belastingdienst ex art. 53 AWR aan SMSParking om parkeergegevens af te staan, in strijd met de bescherming van het privéleven zoals gewaarborgd in art. 8 EVRM. Een zo ruim informatieverzoek is niet evenredig aan het door de Belastingdienst nagestreefde doel en voldoet daarom niet aan de noodzakelijkheidseis.
In hoger beroep oordeelt Hof ’s-Hertogenbosch echter dat de door de Belastingdienst gespecificeerde gegevens alsnog moeten worden verstrekt.8 Daarbij stelt het voorop dat uit de jurisprudentie van de HR niet lijkt te volgen, dat het bevragen van een administratieplichtige op grond van art. 47 AWR ook in de ruime zin strijd oplevert met art. 8 EVRM. Die inbreuk is gerechtvaardigd door de noodzaak in een democratische samenleving vanwege het belang van het economisch welzijn van het land. Bovendien heeft SMSParking noch uit oogpunt van proportionaliteit noch uit oogpunt van subsidiariteit in relatie tot art. 8 EVRM een gerechtvaardigd belang om afgifte van de gevraagde gegevens te weigeren. Volgens het Hof kan het beroep van SMSParking op diverse bepalingen uit de Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp) haar evenmin baten.
Zie eerder de uitspraak van de voorzieningenrechter van Rb. Amsterdam van 8 november 2002, nr. 496726. In een geschil tussen EMS en de Belastingdienst over de opvraag van transactiegegevens op de voet van art. 53 AWR van buitenlandse creditcards en debitcards, oordeelt de voorzieningenrechter dat de informatieverplichtingen vanwege het vereiste heffingsbelang doelgebonden zijn en daarom niet buiten de in art. 8 EVRM aangegeven grenzen gaan.9 Mij dunkt dat dit impliciete beroep op art. 8, lid 2 EVRM wat te kort door de bocht is, omdat toetsing aan de daarin vastgelegde noodzakelijkheidseis ontbreekt. Deze eis behelst dat de inbreuk op het recht op privacy noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving. Er moet sprake zijn van een ‘pressing social need’, terwijl de maatregel in redelijke verhouding moet staan tot het te dienen doel.10
Focus op vangnetexpedities
Deze en andere belastinguitspraken waarin art. 8 EVRM in geschil was11, zijn aanleiding te vermoeden dat het vorderen van gespecificeerde en/of geïndividualiseerde informatie voor heffingsdoeleinden, niet in strijd met het recht op privacy komt. Wanneer dit juist is, dan concentreert de mogelijke betekenis van het privacyrecht voor belastingzaken zich op vangnetexpedities of sleepnettechnieken, dat wil zeggen omvangrijke verzoeken waarin het heffingsbelang van de gevraagde gegevens (te) hypothetisch, niet-concreet is. Dat de verzochte gegevens in omvang groot zijn en/of zijn neergelegd in een omvangrijk databestand, lijkt op zichzelf niet van belang.12 Deze inschatting kan vroeg of laat worden achterhaald door bijvoorbeeld ontwikkelingen in het denken over nut en noodzaak van privacybescherming in de ICT-maatschappij.13
Opvatting EHRM over betekenis art. 8 EVRM voor fiscaal nalevingstoezicht is nog onduidelijk
In een Straatsburgse context kan nog worden gewezen op de zaak Bernh Larsen Holding AS e.a., betreffende het kopiëren door de Noorse fiscale autoriteiten van gegevens op een server van een bedrijf.14 Hoewel het Hof oordeelt dat geen sprake is van schending van art. 8 EVRM, volgt uit zijn overwegingen wel dat informatiegaring voor fiscale doeleinden in strijd met dit recht kan komen. Welke grenzen art. 8 EVRM aan belastingonderzoeken stelt, wordt niet duidelijk.15