Einde inhoudsopgave
E-arbitrage (BPP nr. VI) 2009/4.2
4.2 Elektronisch indienen van arbitrage-aanvraag
Mr. J.P. Fokker, datum 04-05-2009
- Datum
04-05-2009
- Auteur
Mr. J.P. Fokker
- JCDI
JCDI:ADS400264:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In juni 2005 waren CM/ECF systemen in gebruik in 74 U.S. districts courts, 84 U.S. bankruptcy courts, the Court of International Trade en the Court of Federal Claims. De meeste van deze rechterlijke instanties accepteren het langs elektronische weg aanbrengen van zaken. Meer dan 19 miljoen zaken worden behandeld volgens CM/ECF systemen en meer dan 19.000 advocaten hebben documenten via het internet ingestuurd. Zie: http:Jfwww.uscourts.govfcmecf/cmecf_about.html.
Zie ook 7.1 en het daar genoemde rapport uit 2007 van het Sociaal Cultureel Planbureau.
F.D. von Hombracht-Brinkman: 'Taken en verantwoordelijkheden van arbitrage-instituten nader bekeken' in: 'Van geschil tot oplossing' p. 51 (red. P.C. van Schelven).
Tegenwoordig bestaan mogelijkheden tot het elektronisch indienen van een aanvraag tot arbitrage met gebruikmaking van een beveiligde internetverbinding of andere beveiligde verbinding. Daarbij wordt meestal gebruik gemaakt van een centrale dataverzameling, waartoe uitsluitend partijen, de arbiter( s) en het instituut dat de arbitrage administreert toegang hebben om de documenten die betrekking hebben op de zaak in kwestie te raadplegen. Er moet dan natuurlijk wel het vertrouwen kunnen zijn dat onbevoegden niet kunnen meekijken in de langs elektronische weg verzonden documenten. Of men moet aan die mogelijkheid van pottenkijkers niet zwaar tillen!
Hiervoor (in 2.16) kwam al aan de orde dat de overheidsrechter in Nederland de mogelijkheden van elektronisch verkeer benut, althans gaat benutten. Ook andere landen zien de voordelen daarvan in en zijn daarmee bezig. In de VS zijn de federale rechterlijke instanties bezig zijn hun systemen te vervangen door het federale Case Management and Electronic Case Files (CM/ECF) systeem. Dit systeem geeft de federale rechterlijke instanties de mogelijkheid om elektronische zaaksbestanden aan te leggen en langs elektronische weg nieuwe zaken in te schrijven en ook proceshandelingen zoals pleidooien, verzoeken e.d. via het internet te laten verrichten. In aanvulling hierop kan ook de mogelijkheid worden geschapen tot het doen van mededelingen en het (doen) verrichten van overige proceshandelingen.1
Men zal niet mogen aannemen dat een partij in alle gevallen zonder meer van haar wederpartij mag verlangen dat een arbitrage langs elektronische weg kan worden aangevraagd, al dan niet via een administrerend instituut, en/of kan worden volvoerd. Daarvoor zitten er teveel haken en ogen aan de kwestie. Arbitrage kent geen verplichte procesvertegenwoordiging. Niet van iederéén kan het bewandelen van de elektronische weg worden verlangd. Niet iederéén een heeft de massale omslag naar de on-linewereld, die in nauwelijks tien jaar heeft plaatsgehad, kunnen bijbenen2
Voor professionals, zoals advocaten, kan dat anders liggen. Van hen mag worden verwacht dat zij de elektronische weg wel kunnen bewandelen en ook van arbiters mag dat worden verwacht. Ik ben het dan ook eens met de directeur van het NAI, waar zij schrijft dat van procespartijen die geen juridische bijstand hebben in ieder geval voorlopig niet mag worden verlangd dat zij digitaal communiceren en dat het arbitrage-instituut twee wegen blijvend moet openhouden, de elektronische en de niet-elektronische.3
Ik roep hier in herinnering, dat de wetgever het elektronische verkeer tussen overheid en burger apart heeft geregeld in de Algemene wet bestuursrecht en ook art. 33 Rv heeft gewijzigd om elektronisch postverkeer met het gerecht te regelen, maar dat de wetgever het elektronisch indienen van processtukken bij het gerecht nog even voor zich uit schuift, in afwachting van het moment dat de gerechten er klaar voor zijn. En, zo zou ik eraan willen toevoegen: ook daar geldt dat partijen die in persoon procederen (de regering wil de mogelijkheid om in persoon te kunnen procederen bevorderen) niet mogen worden gedwongen on-line te gaan als het gaat om procederen.
De Werkgroep Van den Berg stelt voor de Nederlandse wet zo te wijzigen dat als voor een processtuk of mededeling de schriftelijke vorm wordt vereist 'deze ook op elektronische wijze tot stand' kan komen behoudens andersluidende overeenkomst van de partijen. Op dit idee, dat volgens mij geen navolging verdient, wordt in hoofdstuk 7 verder ingegaan.