Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/4.3.1
4.3.1 Lidmaatschapsverhouding
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS304962:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband onder meer: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe 2013, nr. 50; Asser/Maeijer 2000, nr. 51; Van der Heijden/Van der Grinten 1992, nr. 131; Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, nr. 1 en 32; Slagter 2004, p. 424 e.v.; Slagter/Assink 2013, p. 542. Dortmond beschouwt dit als achterhaald, maar een nadere toelichting ontbreekt (Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 131 onder voetnoot 2).
Zie in dit verband hoofdstuk 5, paragraaf 5.2., voetnoot 5.
Slagter 2004, p. 424; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe 2013, nr. 50.
Rensen 2005-1, p. 32.
Slagter 2004.
Artikel 2:285 lid 1 BW. Zie in dit verband: Kemp & Schwarz 2013.
Meijers 1954-2, p. 16.
Zie in dit verband: hoofdstuk 2, paragraaf 2.3.3.2.
Buijn 1984, p. 9.
Bij de besloten vennootschap ligt dit als gevolg van de recente flexibilisering – zoals bekend – iets genuanceerder. Daar kan voor het bepalen van het stem en winstrecht wel (eenvoudig) worden afgeweken van de nominale waarde van de aandelen.
Er kan nog een tweede reden worden aangedragen om het begrip ‘lidmaatschapsverhouding’ te vermijden. Het begrip ‘leden’ wordt eveneens dikwijls gehanteerd om de leden van een orgaan aan te duiden. Dit is niet alleen het geval bij de leden van de algemene vergadering van aandeelhouders, maar ook bij leden van het bestuur of de raad van commissarissen. Ook in die zin zorgt het begrip ‘lidmaatschapsverhouding’ voor verwarring.
Asser/Scholten 1940, p. 69-84; Meijers 1948, p. 261.
Blanco Fernández 1994, p. 85; Prinsen 2004, p. 56-57.
Buijn 1984, p. 8 en 10.
Van der Heijden/Van der Grinten 1992, nr. 130.
Evenzo: Slagter/Assink 2013, p. 542; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2013, nr. 50.
Zie voor de introductie van de redelijkheid en billijkheid in Boek 2 BW: hoofdstuk 6, paragraaf 6.2.2.
De rechtsbetrekking tussen de aandeelhouder en de vennootschap wordt – evenals door Schwarz – in de literatuur doorgaans aangemerkt als een lidmaatschapsverhouding.1 Deze lidmaatschapsverhouding dient niet gelijk te worden gesteld met die van een lid van een vereniging, onderlinge waarborgmaatschappij of coöperatie.2 De lidmaatschapsverhouding fungeert slechts als een technisch-juridisch begrip dat het verschil met een overeenkomst moet accentueren.3 Het lijkt er derhalve op dat de term lidmaatschap in deze context gebezigd werd om te benadrukken dat de rechtsbetrekking niet de vorm van een overeenkomst heeft. Rensen wijst er in dit verband op dat afgezien van enkele specifieke rechten van het aandeelhouderschap, een parallel kan worden getrokken met het lidmaatschap van de vereniging, maar spreekt niet expliciet van een lidmaatschapsverhouding.4
Slagter betoogt dat sprake is van een lidmaatschapsverhouding, omdat de lidmaatschapsverhouding de ‘eigen’ grondslag van Boek 2 BW is.5 Hierbij plaats ik een kanttekening. Volgens mij kan goed worden verdedigd dat de basis voor Boek 2 BW dient te worden gevonden in de rechtspersoonlijkheid. Immers, waarom is de stichting anders in Boek 2 geregeld? Zij mag geen leden, althans ledenachtige institutioneel betrokkenen, kennen.6 Dat de basis voor Boek 2 BW moet worden gevonden in de rechtspersoonlijkheid wordt ook bevestigd in de toelichting van Meijers bij het ontwerp, waarin is opgenomen:
‘Aan dit op de natuurlijke personen betrekking hebbend boek, sluit zich dan een Tweede Boek aan, dat de rechtspersonen behandelt. De regeling der rechtspersonen is thans over verschillende wetboeken en bijzondere wetten verspreid. Het ontwerp tracht hier meer systeem in te brengen (…).’7
Wel is een kenmerk van de overige vier in Boek 2 BW geregelde privaatrechtelijke rechtspersonen, dat zij in beginsel een dualistische structuur kennen, waarbij er enerzijds bestuurders zijn en anderzijds leden dan wel aandeelhouders. Op grond daarvan kan worden betoogd dat bij deze vier rechtsvormen sprake is van een lidmaatschapsverhouding, hetgeen in lijn ligt met het klassieke door Meijers geformuleerde onderscheid tussen de stichting en de vereniging, welke ten grondslag ligt aan Boek 2 BW en waar de naamloze vennootschap onder de verenigingsvorm werd geschaard.8 Het is ook zo dat er betreffende het nemen en aantasten van besluiten en de gedragingen van institutioneel betrokkenen jegens elkaar bepalingen in Titel 1 ‘Algemene bepalingen’ zijn opgenomen. Ik zou echter niet zo ver willen gaan te betogen dat lidmaatschapsverhoudingen als de ‘eigen grondslag’ van Boek 2 BW dienen te worden beschouwd.
Een duidelijke tegenstander van de kwalificatie van de rechtsbetrekking tussen de aandeelhouder en de vennootschap als een lidmaatschapsverhouding is Buijn. Hij meent dat door het hanteren van dit begrip verwarring kan ontstaan.9 Buijn wijst in dit verband op de wezenlijke verschillen tussen een aandeelhouder en een lid, waaronder, (i) dat de aandeelhoudersrechten en verplichtingen afhankelijk zijn van het (nominale) bedrag der aandelen, waarvoor in het geplaatst kapitaal van de vennootschap wordt deelgenomen,10 terwijl ieder lid van de vereniging in principe één stem kan uitbrengen, (ii) dat de lidmaatschapsverhouding een sterk persoonsgebonden karakter kent, terwijl aandelen in beginsel overdraagbaar zijn (en ook moeten zijn, omdat het vermogensrechten zijn) en (iii) dat het aandeelhouderschap niet opzegbaar is en een aandeelhouder ook niet, althans niet zomaar, uit zijn aandeelhouderschap kan worden ontzet.11
Uiteindelijk lijkt er in de literatuur consensus te bestaan over het feit dat met een duiding van de rechtsbetrekking tussen de aandeelhouder en vennootschap als lidmaatschapsverhouding, niet wordt bedoeld een lidmaatschapsverhouding tussen een lid en een vereniging, maar hoofdzakelijk wordt getracht om het verschil met een contractuele verhouding te benadrukken. Dit roept wel de vraag op waarom dan het begrip lidmaatschapsverhouding moet worden gehanteerd, aangezien het hanteren van dit begrip voor enige verwarring kan zorgen. Het begrip lidmaatschapsverhouding verwijst in tegenstelling tot het begrip rechtsverhouding of rechtsbetrekking wel meer in de richting van de institutionele theorie. De institutionele theorie had bij haar opkomst in de 20ste eeuw immers in eerste instantie vooral betrekking op de vereniging, waar in de ogen van Scholten en Meijers ook de naamloze vennootschap onder geschaard moest worden.12
Een bijkomende vraag is of de lidmaatschapsverhouding als een verbintenis dient te worden beschouwd. Blanco Fernández en Prinsen menen dat dit niet het geval is, omdat de rechtsverhouding geen subjectief vermogensrecht is.13 Buijn merkt op dat de rechtsbetrekking wel onmiskenbaar verbintenisrechtelijke aspecten heeft, maar dat deze kwalificatie geen sluitende analyse van het karakter van de verhouding geeft.14 Van der Grinten betoogt daarentegen dat het aandeelhouderschap wel een verbintenisrechtelijk effect heeft.15
Wordt gekeken naar artikel 2:192 lid 1 BW, dan blijkt daaruit dat er ook verplichtingen van verbintenisrechtelijke aard aan het aandeelhouderschap gebonden kunnen zijn. Hieruit zou a contrariokunnen worden opgemaakt dat de rechtsbetrekking tussen de aandeelhouder en de vennootschap op zichzelf niet van verbintenisrechtelijke aard is. De lidmaatschapsverhouding lijkt mij een rechtsverhouding van eigen rechtspersoonrechtelijke aard,16 die haar grondslag vindt in Boek 2 BW, en dus geen verbintenis. Dat deze rechtsverhoudingen wel verbintenisrechtelijke trekken heeft ligt voor de hand, nu deze rechtsbetrekking onder de contractuele theorie werd beschouwd als een overeenkomst en kenmerken daarvan gehandhaafd zijn. Denk in dit verband bijvoorbeeld aan de redelijkheid en billijkheid.17