Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/4.3.3
4.3.3 Rechten en plichten van de aandeelhouder
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS301403:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2013, nr. 260.
Bos 2005, p. 101; Buijn 1984, p. 8.
Artikel 2:105/216 BW.
Artikel 2:23b lid 1 BW.
Artikel 2:64/175 lid 1 BW.
Artikel 3:83 lid 3 BW
Artikel 2:88/197 lid 1 BW.
Artikel 2:89/198 lid 1 BW.
Artikel 2:118/228 lid 1 BW.
Onder bepaalde omstandigheden kan besluitvorming ook buiten de algemene vergadering van aandeelhouders plaatsvinden (artikel 2:128/238 BW). Tot 1 oktober 2012 was deze mogelijkheid relatief beperkt, omdat zij in de statuten diende te zijn vastgelegd en besluiten buiten vergadering slechts konden worden aangenomen met algemene stemmen van de stemgerechtigde aandeelhouders (zie in dit verband: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 375 e.v.). Thans hoeft deze mogelijkheid niet meer in de statuten te zijn vastgelegd en kan bij meerderheid besloten worden (zie in dit verband: Schwarz 2012, p. 24-26; Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, nr. 65; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 229).
Zie in dit verband: Dumoulin 1999, p. 23-24;Huizink 2013, Art. 13, Aant. 3.1.;Van den Ingh 1992, p. 85, Slagter/Assink 2013, p. 293, 314; Asser/Van der Grinten/Maeijer 1997, nr. 146; Dijk & Van der Ploeg 2013, p. 103; Kortmann 1992, p. 90; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 202; Slagter 1992, p. 2. Daarbij lijkt overigens de verwijzing van verschillende van de voornoemde auteurs naar de parlementaire geschiedenis onjuist, omdat daar de vraag of het uitbrengen van de stem als een rechtshandeling dient te worden gekwalificeerd juist doelbewust onbeantwoord werd gelaten (Reehuis & Slob 1991, p. 163). Zie in dit verband ook: Overes & Van Veen 2000, p. 132; Dumoulin 1999, p. 24.
Van den Ingh 1992, p. 85; Asser/Van der Grinten/Maeijer 1997, nr. 146; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 202.
Artikel 2:117/227 BW.
Artikel 2:114a BW.
Artikel 2:92a/201a BW.
Artikel 2:336/343 BW.
Artikel 2:346 BW.
Zie voor een uitgebreidere omschrijving van organisatierechtelijke rechten onder meer: Prinsen 2004, p. 57 e.v.; Slagter 2005, p. 308 e.v.
Artikel 2:228 lid 4 BW (stemrecht); artikel 2:216 lid 6, 7 en 8 BW (winstrecht).
Artikel 2:80/191 BW. Zie hierover onder meer: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2013, nr. 116; Kemperink 2006; Slagter 2005, p. 199 e.v.; Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, nr. 21.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2013, nr. 295; Rensen 2005-1; Dortmond 2003, p. 333-336.
Zie specifiek over deze regeling onder meer: Renssen 2005-2; Dortmond 2007; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2013, nr. 297 e.v.; Koster 2013; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 172.
Artikel 2:335 t/m 343c BW.
Op het moment van toetreding (het moment van het ontstaan van de rechtsbetrekking en het worden van rechthebbende op het aandeel), ontstaan rechten en plichten van de aandeelhouder jegens de vennootschap en vice versa. De rechten van de aandeelhouder kunnen (vervolgens) worden opgedeeld in twee soorten. Van der Grinten schrijft hierover:
‘Dit aandeelhouderschap brengt rechten en plichten mede. (…) De aandeelhouder is gehouden tot volstorting van zijn aandeel en de aandeelhouder verkrijgt verbintenisrechtelijke aanspraken – dividend en liquidatie-uitkering – tegenover de vennootschap. Het aandeelhouderschap heeft verder effect. De aandeelhouder heeft zeggenschap in de vennootschap; hij heeft vergaderingsrecht en stemrecht.’1
Van Solinge en Nieuwe Weme schrijven:
‘Wat betreft de rechten van de aandeelhouder wordt onderscheid gemaakt tussen rechten op het financiële vlak en rechten op het vlak van de zeggenschap. Tot de eerste categorie behoren het recht op winst (art. 2:105/216 BW) en het recht om te delen in het liquidatiesaldo (art. 2:23b lid 1 BW). Tot de tweede categorie behoren onder andere het stem- en vergaderrecht (art. 2:117/227 BW).’2
Tot slot een derde omschrijving van Winter en Wezeman:
‘Het recht van aandeel laat zich ontleden in een aantal onderling samenhangende rechten. Sommigen van deze zijn vermogensrechtelijk van aard, anderen hebben een zeggenschapskarakter. Tot de laatste behoren het stemrecht en andere zeggenschapsrechten (…).’3
De rechten die aan een aandeelhouder toebehoren vallen dus in essentie uiteen in organisatierechtelijke en vermogensrechtelijke rechten. Vermogensrechtelijke rechten zijn de rechten die vermogensrechtelijk van aard zijn. Er wordt ook wel betoogd dat dit rechten zijn die de aandeelhouder jegens de vennootschap heeft.4 Het meest prominente vermogensrechtelijke recht is het recht op winst.5 Daarnaast wordt doorgaans gewezen op het recht om te delen in het liquidatiesaldo.6 Ook het recht op het (in beginsel vrijelijk) mogen overdragen van het aandeel7 en het recht om het aandeel te houden zijn mijns inziens vermogensrechtelijke rechten. Overdraagbaarheid is immers niet het uitgangspunt, omdat een vermogensrecht van eigen aard slechts overdraagbaar is wanneer de wet dit bepaalt.8 Daarnaast zijn mijns inziens ook het recht om in beginsel een recht van vruchtgebruik te vestigen9 of het aandeel te verpanden10 vermogensrechtelijke rechten van de aandeelhouder.
Organisatierechtelijke rechten worden door de aandeelhouder niet jegens maar binnen de vennootschap uitgeoefend. Het belangrijkste organisatierechtelijke recht is het stemrecht.11 Het stemrecht kan (doorgaans) worden gebruikt tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders,12 waar wordt gestemd in het kader van de wilsvorming van het orgaan, leidend tot een besluit waarin die wil tot uitdrukking wordt gebracht. Of het stemmen kan worden beschouwd als een rechtshandeling van de stemgerechtigde is een vraag die in het verleden tot discussie heeft geleid, maar thans lijkt de heersende leer te zijn dat het uitbrengen van een stem inderdaad een rechtshandeling is.13 Het gaat om een onzelfstandige en gerichte rechtshandeling.14 Andere organisatierechtelijke rechten zijn onder meer: het recht om de algemene vergadering van aandeelhouders bij te wonen, daarin het woord te voeren15 en het agenderingsrecht.16 Ook kan worden gedacht aan specifieke vennootschapsrechtelijke instrumenten die onder omstandigheden aan aandeelhouders toekomen, zoals de uitkoop-17 en geschillenregeling18 en het recht van enquête19.20
Welk soort rechten voor een aandeelhouder in een bepaalde situatie belangrijker is, zal sterk afhankelijk zijn van het doel waarmee de aandeelhouder de aandelen houdt en het soort vennootschap waarin aandelen worden gehouden. Wanneer de aandeelhouder slechts als investeerder acteert (eigenlijk als belegger) zal hij meer waarde hechten aan de vermogensrechtelijke rechten, in het bijzonder het recht op dividend en het recht om zijn aandelen (vrijelijk) te mogen overdragen. Een aandeelhouder die zijn aandeel niet slechts beschouwt als een investering, maar ook actief wil bijdragen aan het op- of uitbouwen van de vennootschap, zal daarentegen relatief meer waarde hechten aan de organisatierechtelijke rechten.
De recente wetswijzigingen in het kader van de Flex-BV spelen in op deze verschillende interesses en functies van de aandeelhouder en zijn aandeelhouderschap. Het is sinds 1 oktober 2012 onder meer mogelijk om stemrechtloze- of winstrechtloze aandelen uit te geven.21 Door de besloten vennootschap flexibeler vorm te geven, kunnen de organisatierechtelijke rechten van de specifieke aandeelhouder beter op zijn behoefte en die van de vennootschap aansluiten.
Het aandeelhouderschap brengt voor de aandeelhouder niet enkel rechten, maar ook plichten met zich mee. In dit verband kan onder meer worden gewezen op de meest expliciete wettelijke verplichting van de aandeelhouder, namelijk de verplichting tot volstorting van het aandeel.22 In beginsel kan een aandeelhouder niet verplicht worden tot storting boven het nominale bedrag van het aandeel. Algemeen wordt aangenomen dat deze bepaling echter zo dient te worden uitgelegd, dat wel verplichtingen kunnen worden opgelegd wanneer alle aandeelhouders hiermee instemmen.23 Tot 1 oktober 2012 was op de besloten vennootschap dezelfde wettelijke regeling van toepassing. Als gevolg van het nieuwe artikel 2:192 BW is het opleggen van extra verplichtingen voor aandeelhouders van de besloten vennootschap echter verduidelijkt.24 Daarnaast is het mogelijk om niet alleen verplichtingen van verbintenisrechtelijke aard aan de aandeelhouder tegenover de vennootschap op te leggen, maar ook tegenover medeaandeelhouders en zelfs derden.
De wet kent ook nog een aantal andere verplichtingen. Zo heeft de aandeelhouder de verplichting zich redelijk en billijk te gedragen25 en mag hij geen misbruik maken van de aan hem toekomende bevoegdheden.26 Daarnaast kan de aandeelhouder onder bijzondere omstandigheden op basis van de geschillenregeling worden verplicht aandelen over te nemen of over te dragen.27