Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/21.4.1
21.4.1 De foutieve implementatie van de Transparantierichtlijn
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS575542:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zo luidt althans de hoofdregel van art. 12, lid 6, jo. lid 1, onderdelen a, c, en d, Transparantierichtlijn.
Ik laat buiten beschouwing de verplichtingen, die inderdaad niet verder gaan dan — door de AFM openbaar te maken — meldingen van bestuurders bij beursvennootschappen (en andere nauw daarbij betrokkenen) om meldingen te doen van hun transacties in aandelen van de beursvennootschap. Hierover uitvoerig Schutte (2008). Hij beschrijft (p. 278-282) dat deze verplichting oorspronkelijk met name een preventief doel hadden, doch inmiddels ook transparantie dienen. Uit oogpunt van administratieve lasten geldt geen meldplicht voor beursvennootschappen zelf (vgl. Schutte (2008), p. 283, met een verwijzing naar p. 37 van de MvT bij het voorstel voor de Wet Marktmisbruik (Kamerstukken II, 2004/2005, 29 827, nr. 3)).
Door middel van publicatie van door de AFM ontvangen meldingen in het register, bedoeld in art. 1:107, lid 3, onderdeel c, onder 1°, Wft. Vgl. hierover ook de Nota naar aanleiding van het verslag bij het voorstel voor de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen (Kamerstukken II, 2004/2005, 28 985, nr. 6, p. 4-5).
Hierover § 3.1 van hoofdstuk 1.
Zie hierover Vletter-van Dort (1994), p. 59-60, die in dit verband opmerkt dat dit in lijn was met het bepaalde in het (toenmalige) artikel 28, onderdelen f en g, FR.
Vgl. het toenmalige art. 7, lid 2, WMZ 1996. Ter toelichting op deze keuze worden, naast verlaging van de kosten, twee redenen aangevoerd: '[tien eerste zal de kenbaarheid van de meldingen, worden verhoogd, omdat een gestandaardiseerde openbaarmakingsprocedure [ontstaat]', ook 'is de kans op een foutieve openbaarmaking geringer (...)', aldus p. 3 van de MvT bij het voorstel voor de WMZ 1996 (Kamerstukken II, 1995/1996, 24 626, nr. 3).
Deze wijziging heeft plaatsgevonden doordat in art. 6, lid 1, Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen niet werd voorgeschreven dat melding aan de beursvennootschap moest worden gedaan. Voorheen bepaalde art. 2, lid 2, WMZ 1996 dat onverwijlde melding diende plaats te vinden aan 'de vennootschap' en aan de toezichthouder.
P. 4-5 van de Nota naar aanleiding van het verslag bij het voorstel voor de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen (Kamerstukken II, 2004/ 2005, 28 985, nr.6).
Hetgeen heeft geleid tot kritische vragen — vgl. p. 1 van de Nota naar aanleiding van het verslag bij het voorstel voor de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen (Kamerstukken II, 2004/2005, 28 985, nr.6) — en tot een viertal wijzigingen van het oorspronkelijke wetsvoorstel. Zie hierover ook de — terecht — kritische opmerkingen van Grundmann-van de Krol (2007e), p. 128-129.
Zo bevatte het voorstel voor de Transparantierichtlijn (COM (2003) 138 definitief, van 26 maart 2003), deze vrijstellingsmogelijkheid niet. Uit dit voorstel komt naar voren dat uitdrukkelijk de bedoeling was dat de beursvennootschap de informatie zou publiceren. Vgl. de in dat voorstel opgenomen overweging 11 (op p. 39): 'uitgevende instellingen kunnen het publiek alleen van wijzigingen in belangrijke deelneming op de hoogte brengen wanneer zij zelf door de betrokken effectenhouders van dergelijke wijzigingen in kennis zijn gesteld.'
Perrick (2007), p. 432, constateert dat niet meer aan de uitgevende instelling behoeft te worden gemeld, maar verbindt hier verder geen consequenties aan. Ook overigens heeft dit punt, voor zover mij bekend, in de literatuur niet tot reacties geleid. Ik vind dit opmerkelijk. Minstens zo opmerkelijk is dat de regering zelf wél heeft onderkend dat het door haar voorgestelde systeem strijdig kon zijn met de (nog definitief vast te stellen) Transparantie-richtlijn. Vgl. p. 7 van de MvT bij het voorstel de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen (Kamerstukken II, 2002/2003, 28 985, nr. 3): gewezen dient erop te worden 'dat het voorstel voor de transparantierichtlijn, zoals dit thans luidt, vooralsnog niet voorziet in een regeling die een basis biedt voor het in het hieraan voorafgaande beschreven voorgestelde meldingssysteem. Dit richtlijnvoorstel voorziet thans echter uitsluitend in een systeem waarin een (...) vennootschap de in de melding opgenomen informatie (binnen drie werkdagen) openbaar maakt. Indien het richtlijnvoorstel op dit onderdeel in ongewijzigde vorm zou worden aangenomen, zal dit wetsvoorstel dienovereenkomstig moeten worden aangepast.' Dit is niet gebeurd.
Een derde categorie van incidentele publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen betreft de verplichting om "de kennisgeving", onder andere inhoudende "de resulterende situatie wat de stemrechten betreft", "de datum waarop de drempelwaarde werd bereikt of overschreden" en "de identiteit van de aandeelhouder", te publiceren.1 Naar Nederlands recht is het openbaar maken van dergelijke kennisgevingen omtrent (wijzigingen in) kapitaal- of stemrechtbelangen2 strikt genomen geen op een beursvennootschap rustende publicatieverplichting. De Nederlandse wetgever heeft ervoor gekozen, onder andere met het oog op het tegengaan van administratieve lasten, dergelijke openbaarmakingen door de AFM te laten plaatsvinden.3
De in de Nederlandse wet- en regelgeving gemaakte keuze om de openbaarmaking van (wijzigingen in) zeggenschaps- en kapitaalbelangen in beursvennootschappen geen publicatieverplichting voor beursvennootschappen te doen zijn, is reeds gemaakt bij de wijziging van de (eerste) WMZ — in 1996 — tot WMZ 1996. De publicatieverplichting voor beursvennootschappen over wijzigingen in het houderschap van belangrijke deelnemingen in haar kapitaal werd geïntroduceerd door Richtlijn 88/627/EEG.4 Het toenmalige art. 10, lid 1, van die richtlijn bepaalde dat, in beginsel, door de vennootschap aan het publiek mededeling moet worden gedaan van wijzigingen van belangrijke deelnemingen (waaronder ook wordt begrepen de mogelijkheid om stemrecht te kunnen uitoefenen). Bij de implementatie van deze richtlijn, in 1992 in de (eerste) WMZ, koos de Nederlandse wetgever ervoor om de verplichting tot publicatie aan beursvennootschappen op te leggen.5 Bij de wijziging van de WMZ in 1996 is dit veranderd. De Nederlandse wetgever heeft er op dat moment voor gekozen om gebruik te maken van de, in lid 2 van art. 10, van Richtlijn 88/627/ EEG opgenomen, mogelijkheid om de publieke mededeling van zeggenschapswijzigingen te laten doen door de bevoegde autoriteit.6 Hoewel uit art. 12, lid 6, Transparantierichtlijn kan worden afgeleid dat de hoofdregel voor publicatie van (wijzigingen in) zeggenschaps- en kapitaalbelangen is dat deze informatie door de beursvennootschap zelf wordt gepubliceerd, biedt art. 12, lid 7, Transparantierichtlijn voor de door de Nederlandse wetgever gekozen methode van publiceren een uitdrukkelijke grondslag.
Die grondslag biedt de Transparantierichtlijn naar mijn mening niet voor de eveneens door de Nederlandse wetgever gemaakte keuze dat de melding van (wijzigingen in) zeggenschaps- en kapitaalbelangen uitsluitend aan de AFM behoeft plaats te vinden en niet (mede) aan de beursvennootschap.7 In de totstandkomingsgeschiedenis bij de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen is daarover opgemerkt dat voor "[w]at betreft het melden door een belegger terzake van aandelen en stemmen in een uitgevende instelling, (...) artikel 9, eerste en tweede lid, van de Transparantierichtlijn [voorziet] in een meldingsplicht voor een ieder die bepaalde drempelwaarden actief of passief bereikt dan wel over- of onderschrijdt. Deze melding kan ook worden gedaan aan de nationale effectentoezichthouder (de AFM), die deze melding dan moet doorleiden naar de uitgevende instelling (cursv. J.B.S.H.)."8 Deze zienswijze van de regering is onjuist. De Transparantierichtlijn bepaalt namelijk niet dat melding ook (of mede) kan worden gedaan aan de toezichthouder.
De reden dat de regering deze onjuiste uitleg van de Transparantierichtlijn geeft lijkt te zijn gelegen in de wens om de voorgestelde systematiek in de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen waarbij meldingen en publicaties via de toezichthouder verlopen en niet meer (mede) via de beursvennootschap — te kunnen handhaven. Ondanks dat dit ingevolge de Transparantierichtlijn niet meer mogelijk bleek. De oorzaak voor dit uiteenlopen van de systematiek van de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen met die in de Transparantie-richtlijn is de zeer ongelukkige timing van het indienen van het voorstel voor de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen. Dit wetvoorstel werd namelijk bij de Tweede Kamer ingediend vlak voor de vaststelling van de Transparantierichtlijn.9 Het eerste onderdeel van de gewijzigde systematiek — de hierboven beschreven publicatie van (wijzigingen) in de zeggenschaps- en kapitaalbelangen — kon daarbij door de in een latere fase in art. 12, lid 7, Transparantierichtlijn opgenomen vrijstellingsmogelijkheid worden "gered".10 Dat gold echter niet voor het tweede onderdeel van de gewijzigde systematiek; het schrappen van de verplichting voor "meldingsplichtigen" om aan de beursvennootschap een kennisgeving te doen dat van een (gewijzigd) zeggenschaps- of kapitaalbelang belang in de beursvennootschap sprake is.11