Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.3.4.3
VII.3.4.3 De bewijsvermoedens van art. 2:138/248 lid 2 BW
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242924:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Idem Bulten 2012, p. 23; Croiset van Uchelen, TOP 2014/242; en Strik, Ondernemingsrecht 2012/91.
HR 11 juni 1993, NJ 1993, 713 m.nt. Maeijer (Brens q.q./Sarper). Deze maatstaf is veelvuldig toegepast door lagere rechters, zie bijvoorbeeld Rb. ’s-Gravenhage 27 mei 2009, JOR 2009/219 m.nt. Harmsen; en Rb. Utrecht 9 november 2011, JOR 2012/73 m.nt. Harmsen.
HR 10 oktober 2014, NJ 2014, 456; JOR 2014/327 m.nt. Harmsen (FSM Europe).
Zie art. 2:10 lid 1 BW. Daarnaast moet worden beoordeeld of het bestuur aan zijn verplichtingen van art. 2:10 lid 2 en 3 BW heeft voldaan. Het bestuur is op grond van art. 2:10 lid 2 BW verplicht jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar de balans en de staat van baten en lasten van de rechtspersoon te maken en op papier te stellen. Art. 2:10 lid 3 BW bevat de verplichting voor het bestuur om de in het eerste en tweede lid bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers gedurende zeven jaren te bewaren. Voor een uitgebreide bespreking van de administratieplicht in het kader van art. 2:138/248 BW, verwijs ik naar het proefschrift van Harmsen, zie C.M. Harmsen, Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (Serie Onderneming en Recht, deel 115), Deventer: Wolters Kluwer 2019.
Zie art. 2:394 lid 3 BW. Voor de volledigheid wijs ik erop dat de verplichting om de jaarrekening tijdig op de voorgeschreven wijze te publiceren, niet de enige verplichting van het bestuur is. Zo bevat het vierde lid van art. 2:394 BW de verplichting om het bestuursverslag en de gegevens als bedoeld in art. 2:392 BW gelijktijdig met de jaarrekening te publiceren. Art. 2:394 lid 6 BW verplicht het bestuur tot slot alle bescheiden die op grond van art. 2:394 BW openbaar moeten worden gemaakt, gedurende zeven jaren te bewaren. Het niet naleven van deze verplichtingen heeft tevens de activering van de bewijsvermoedens tot gevolg, zo volgt uit HR 20 oktober 2006, NJ 2007, 2 m.nt. Maeijer; JOR 2006/288 m.nt. Borrius (Van Schilt/Jansen).
Het tweede lid van art. 2:138/248 BW bevat twee wettelijke bewijsvermoedens. De bestuurders staan in feite al met één-nul achter als het bestuur niet heeft voldaan aan de administratieplicht van art. 2:10 BW of de publicatieplicht van art. 2:394 BW. Een schending van de in art. 2:138/248 lid 2 BW bedoelde verplichtingen levert allereerst het onweerlegbare vermoeden op dat het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld, een onbelangrijk verzuim daargelaten. Tevens wordt weerlegbaar vermoed dat deze kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De vraag rijst of de bewijsvermoedens van art. 2:138/248 lid 2 BW zonder meer toepassing vinden indien het bestuur van de vennootschap is ingericht als een one tier board. Ik beantwoord deze vraag positief.1 Dit betekent dat de niet-uitvoerende bestuurder in beginsel hoofdelijk aansprakelijk is wanneer het bestuur niet aan de verplichtingen van art. 2:10 BW of art. 2:394 BW heeft voldaan. Tegen deze achtergrond is het zaak te bezien wat onder de administratieplicht en de publicatieplicht moet worden verstaan.
Sinds het arrest Brens q.q./Sarper is de bestendige lijn in de jurisprudentie dat aan de administratieplicht van art. 2:10 BW is voldaan indien “de boekhouding van een zodanig niveau is dat men snel inzicht kan krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment en deze posities en de stand van de liquiditeiten, gezien de aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie”.2 In 2014 verduidelijkte de Hoge Raad deze maatstaf. In de zaak FSM Europe oordeelde ons hoogste rechtscollege dat bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de administratieplicht, moet worden getoetst aan alle elementen van art. 2:10 BW.3 Bekeken moet dus worden of het bestuur van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op een zodanige wijze administratie heeft gevoerd en de daartoe behorende boeken, bescheiden en overige gegevensdragers op zodanige wijze heeft bewaard, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend.4
Over de publicatieplicht kan ik kort zijn. De publicatieplicht van art. 2:394 BW houdt in dat het bestuur verplicht is de jaarrekening uiterlijk twaalf maanden na afloop van het boekjaar te publiceren op de in art. 2:394 BW voorgeschreven wijze.5 Overschrijdt het bestuur deze termijn, dan treden de bewijsvermoedens in beginsel in werking. In beginsel, want een verwaarloosbare termijnoverschrijding kwalificeert onder omstandigheden als een ‘onbelangrijk verzuim’. Ik kom hier in § VII.3.4.6 op terug.