Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/2.2.1.2
2.2.1.2 De koopman – natuurlijk persoon en/of rechtspersoon
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180086:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
J.C. Voorduin, Geschiedenis en beginselen der Nederlandsche Wetboeken volgens de beraadslagingen deswege gehouden bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal uit oorspronkelijke grootendeels onuitgegeven staatsstukken opgemaakt en aan den Koning opgedragen, deel VIII, Wetboek van Koophandel, I deel art. 1-229, Utrecht: Robert Natan, Akademie-boekhandelaar 1840, p. 39.
J.C. Voorduin, Geschiedenis en beginselen der Nederlandsche Wetboeken volgens de beraadslagingen deswege gehouden bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal uit oorspronkelijke grootendeels onuitgegeven staatsstukken opgemaakt en aan den Koning opgedragen, deel VIII, Wetboek van Koophandel, I deel art. 1-229, Utrecht: Robert Natan, Akademie-boekhandelaar 1840, p. 39.
J.C. Voorduin, Geschiedenis en beginselen der Nederlandsche Wetboeken volgens de beraadslagingen deswege gehouden bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal uit oorspronkelijke grootendeels onuitgegeven staatsstukken opgemaakt en aan den Koning opgedragen, deel VIII, Wetboek van Koophandel, I deel art. 1-229, Utrecht: Robert Natan, Akademie-boekhandelaar 1840, p. 88.
W.L.P.A. Molengraaff, Leidraad bij de beoefening van het Nederlandsche Handelsrecht, Haarlem: De Erven F. Bohn 1917, derde herziene druk, p. 55 en p. 179.
W.L.P.A. Molengraaff, Leidraad bij de beoefening van het Nederlandsche Handelsrecht, Haarlem: De Erven F. Bohn 1917, derde herziene druk, p. 55 en p. 180.
W.L.P.A. Molengraaff, Leidraad bij de beoefening van het Nederlandsche Handelsrecht, Haarlem: De Erven F. Bohn 1917, derde herziene druk, p. 55 en p. 153.
W.L.P.A. Molengraaff, Leidraad bij de beoefening van het Nederlandsche Handelsrecht, Haarlem: De Erven F. Bohn 1917, derde herziene druk, p. 55.
Een andere belangrijke vraag rondom het begrip koopman is of de wetgever hierbij het oog heeft gehad op alleen een natuurlijk persoon of ook op een rechtspersoon. Uit de parlementaire geschiedenis volgt niet dat deze vraag heel expliciet aan de orde is geweest. Toch kan wel worden afgeleid dat de regering ook het oog had op een rechtspersoon als koopman en niet alleen op een natuurlijk persoon. In het kader van de lijst van activiteiten die ook als daden van koophandel werden beschouwd,1 werd aan de regering de vraag gesteld of handelsmaatschappijen en banken op openbaar gezag gevestigd ook aan deze lijst moesten worden toegevoegd.2 De regering antwoordde dat handelsmaatschappijen en openbare banken handelingen van kooplieden en bankiers verrichten. Het was daarmee niet nodig om deze nog afzonderlijk aan de lijst van daden van koophandel toe te voegen.3
Een andere aanwijzing kan worden gevonden in het feit dat Derde Titel van het Wetboek van Koophandel de titel kreeg “Van Vennootschap van koophandel”.4 Van deze in het Wetboek van Koophandel genoemde vennootschappen werd erkend dat zij daden van koophandel konden verrichten. Dit gold onder meer voor een in de vorm van een naamloze vennootschap gevoerde handelsonderneming maar niet voor een naamloze vennootschap voor een burgerlijke onderneming.5 De aandeelhouder in een naamloze vennootschap was geen koopman omdat geen sprake was van “beroep maken van” als bedoeld in artikel 2 WvK.6 Hetzelfde gold voor een commanditair in een commanditaire vennootschap, tenzij de commanditair beheerstaken uitoefende.7 De vennoot in een vennootschap onder firma was echter wel een koopman, ook wanneer hij was uitgesloten van het beheer. De vennootschap onder firma zelf was geen rechtspersoon en ook geen koopman.8 De kwalificatie als koopman – zowel voor de natuurlijk persoon als voor de rechtspersoon – was dus gekoppeld aan de uitgeoefende activiteiten en niet aan de juridische hoedanigheid waarin de activiteiten werden uitgevoerd.
Uit deze bronnen kan worden geconcludeerd dat de wetgever in 1838 met koopman respectievelijk kooplieden niet alleen het oog had op de natuurlijk persoon maar dat ook vennootschappen van koophandel koopman konden zijn in de zin van artikel 2 WvK.