Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt
Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.2.1:4.2.1 Rompelman-arrest
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.2.1
4.2.1 Rompelman-arrest
Documentgegevens:
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS301981:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 14 februari 1985, zaak 268/83, BNB 1985/315.
Thans art. 9, lid 1, laatste volzin, btw-richtlijn.
Thans art. 9, lid 1, eerste volzin, btw-richtlijn.
Nog afgezien van het feit dat ingeval van voorgenomen vrijgestelde verhuur wellicht sprake zou zijn geweest van een integratieheffing die tijdens de bouw recht op aftrek gegeven zou hebben.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraag of voorbelasting die betrekking heeft op goederen en diensten die (nog) niet gebruikt worden voor economische activiteiten in aftrek gebracht kan worden kwam voor het eerst aan de orde in het Rompelman-arrest.1 Rompelman was geen ondernemer voor de btw en investeerde in een nog te bouwen appartementsrecht (een showroom). Het was zijn intentie de showroom te gaan verhuren. Het was een Nederlandse zaak en de Hoge Raad vroeg zich af of Rompelman door het doen van de investering al een economische activiteit verrichtte, daarmee als ondernemer kwalificeerde en daarom de op de investering drukkende voorbelasting kon aftrekken. De Hoge Raad stelde de volgende vraag aan het Hof van Justitie EU:
Moet reeds vanaf het tijdstip, waarop iemand een toekomstige zaak koopt met het oogmerk de zaak te zijner tijd te verhuren, gesproken worden van een exploitatie in de zin van artikel 4, lid 2, tweede volzin, van de Zesde richtlijn2?’
Het Hof van Justitie EU herformuleert de vraag van de Hoge Raad als volgt:
14. Met de gestelde vraag wenst de Hoge Raad in hoofdzaak te vernemen, of de verkrijging van een vordering tot levering van een toekomstig appartementsrecht in een nog te stichten gebouw, met het oogmerk het gekochte te zijner tijd te verhuren kan worden beschouwd als een economische activiteit in de zin van artikel 4, lid 1, van de Zesde richtlijn.3
Het Hof van Justitie EU beslist dat de verkrijging van een vordering tot levering van een toekomstig appartementsrecht in een nog te stichten gebouw, met het oogmerk het gekochte te zijner tijd te verhuren, kan worden beschouwd als een economische activiteit in de zin van art. 4, lid 1, Zesde richtlijn (thans art. 9, lid 1, eerste volzin, btw-richtlijn); deze bepaling verzet zich er niet tegen dat de Belastingdienst verlangt dat de desbetreffende wilsverklaring wordt ondersteund door objectieve gegevens, zoals de omstandigheid dat de ontworpen ruimten zich specifiek lenen voor commerciële exploitatie. Voorbereidende handelingen moeten al tot de economische activiteiten worden gerekend. Het is in strijd zijn met het neutraliteitsbeginsel indien de economische activiteiten pas worden geacht aan te vangen op het tijdstip waarop een onroerend goed daadwerkelijk wordt geëxploiteerd, dat wil zeggen wanneer de belaste inkomsten ontstaan.
Opvallend is dat het Hof van Justitie EU ook de inkoop van goederen en diensten als een economische activiteit kwalificeert. Dus niet alleen het presteren aan derden (output) kwalificeert als economische activiteit maar ook de aanschaf van goederen en diensten (input) ten behoeve van (toekomstige) uitgaande prestaties kwalificeert als economische activiteit. De aanschaf leidt dus tot belastingplicht en is de eerste handeling waardoor de aanschaffer belastingplichtig wordt.
De beslissing van het Hof van Justitie EU gaat over de aanvang van de belastingplicht. Belastingplicht is de eerste voorwaarde waaraan voldaan moet zijn voor het ontstaan van recht op aftrek van voorbelasting. Een volgende voorwaarde is dat de aangeschafte goederen en diensten gebruikt moeten worden voor belaste handelingen. Op de beoordeling van deze voorwaarde had de vraag van de Hoge Raad geen betrekking. Toch wijdt het Hof van Justitie EU er een overweging aan:
21. Met betrekking tot de verhuur van onroerend goed zij eraan herinnerd, dat deze ingevolge artikel 13, letter b, sub b, van de zesde richtlijn in beginsel is vrijgesteld van btw. Nu evenwel verzoekers in het hoofdgeding blijkbaar gebruik hebben gemaakt van de hun door artikel 13, letter c, geboden mogelijkheid om te kiezen voor belasting van de verhuur, dient de onderhavige verhuur van het onroerend goed als een belastbare handeling te worden beschouwd.
Men zou zich kunnen afvragen hoe de beslissing van het Hof van Justitie EU zou zijn uitgevallen als Rompelman niet het voornemen gehad zou hebben om te kiezen voor belaste verhuur, bijvoorbeeld in het geval dat belaste verhuur niet mogelijk zou zijn geweest. De veronderstelling ligt voor de hand dat de beslissing dan niet anders zou zijn geweest omdat de beslissing handelt over de aanvang van de belastingplicht en ook bij vrijgestelde verhuur sprake is van belastingplicht.4