Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/9.2.2.b
9.2.2.b Een reële en redelijke vergoeding…
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS599996:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 september 1996 (ro. 4.3.1 en 4.6.1), NJ 1996/176; JOR 1996/113 (Nationale Nederlanden). Volgens Assink (onder JOR 2008/198) is het verschil tussen de ‘redelijke waarde’ en de ‘werkelijke waarde’ slechts een kwestie van semantiek en is geen inhoudelijk verschil beoogd.
EHRM 16 januari 2001, JOR 2001/81 (Offerhaus/Staat). Vgl. EHRM 21 februari 1986, nr. 8793/79 (James e.a. t. Verenigd Koninkrijk).
OK 8 mei 2012 (ro. 3.10), JOR 2012/214 (Retif Holland).
OK 29 november 2001 (ro. 2.5), Ondernemingsrecht 2002-6, 21 (Stork Textile Printing Group).
Art. 2 onder 4 Uitkoop-KB. Hierover ook Van der Elst (2008), p. 358.
§ 293e(1) en § 327c(2) AktG.
S. 986(4)(a) en s. 986(9)(c) CA 2006.
De uit te kopen minderheidsaandeelhouders hebben recht op een reële en redelijke vergoeding voor hun aandelen.
In de uitkoopprocedure inzake Nationale Nederlanden uit 1996 overweegt de Hoge Raad dat dit niet steeds de prijs is die volgens (theoretische) berekeningen het hoogste resultaat oplevert. Met de wettelijke uitkoopregeling is niets anders beoogd dan het vergoeden van de werkelijke waarde.1 Een aantal jaar later bevestigt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens de lezing van de Hoge Raad en oordeelt dat de tot stand te komen uitkoopprijs ‘reasonably related’ moet zijn tot de waarde van de aandelen.2
Het vereiste van een reële vergoeding betekent bijvoorbeeld dat er in beginsel geen ruimte is om de prijs vast te stellen op een symbolisch bedrag van € 1 per aandeel in plaats van op de werkelijke waarde.3 De OK gaat evenmin mee in de stelling van de uitkoper dat de over te dragen aandelen in het geheel geen waarde hebben.4
De gedachte dat de minderheid recht heeft op een redelijke vergoeding, is in de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW tot uitdrukking gebracht met het vereiste dat de uitkoopprijs ‘billijk’ moet zijn. Uit de uitkoopregelingen in de onderzochte landen volgt een vergelijkbaar beeld. Voor de uitkoopregeling in België geldt dat de uitkoopprijs ‘zodanig geformuleerd [moet zijn] dat de belangen van de effectenhouden veilig zijn gesteld’.5 Voorts moet de voorgestelde prijs voor de over te dragen aandelen in Duitsland6 en het Verenigd Koninkrijk7 ‘angemessen’ dan wel ‘fair’ zijn. De algemene uitkoopregeling in art. 2:92a/201a BW kent dergelijke bewoordingen niet.