Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/3.3.1:3.3.1 Uitleg op basis van algemene erkenning
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/3.3.1
3.3.1 Uitleg op basis van algemene erkenning
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS458831:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld EHRM 13 april 2006, nr. 55170/00 (Kosteski v the former Yugoslav Republic of Macedonia) en CRvB 17 november 1994, AB 1995, 322, r.o. II.
Vermeulen, R&R 1992-21, p. 25.
Van Bijsterveld 2017, p. 43.
Durkheim 1899, par. II.
Rb. Amsterdam 21 mei 2001, AB 2001, 342.
Zie over de Santo Daime-jurisprudentie uitgebreid 14.3.
Mendelts 2002, p. 65.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De tegenhanger van een subjectiverende uitleg is de objectiverende uitleg. In de literatuur en de jurisprudentie1 spreekt men in dit verband ook wel van een uitleg van het juridische begrip van godsdienst op basis van ‘objectieve’ maatstaven.
Objectief moeten we in dit verband begrijpen als een duiding dat een uiting of gedraging in zijn algemeenheid kan worden begrepen als godsdienstig. Het gaat er dus om dat anderen dan de justitiabele de uiting of gedraging uitleggen als godsdienstig. In het geval van de rechter betekent een dergelijke uitleg dat hij een objectiverende kwalificatie toepast. Dat wil dus zeggen een kwalificatie die geschiedt op grond van criteria die van buiten het subject – de drager van het (grond)recht – afkomstig zijn en een bepaalde mate van algemene geldigheid bezitten. Anders gezegd: een objectiverende kwalificatie maakt de betekenis van godsdienst(ige uitingen en gedragingen) objectief, dat wil zeggen dat ze is gegrond in kenbare bronnen die buiten het rechtssubject bestaan.
Objectieve criteria of maatstaven kunnen bijvoorbeeld worden ontleend aan de traditie of cultuur.2 Veel godsdienstige tradities zijn herkenbaar en vertrouwd. Deze tradities zijn vaak eeuwenoud en vermengd met de cultuur en taal van een volk. Ook de rituelen en vormen van belijden die behoren tot deze traditionele godsdiensten zijn makkelijk te herkennen en voorspelbaar.3 Ze zijn algemeen aanvaard en bevatten een bepaalde mate van samenhang. Het zijn ‘collectieve representaties’ in het individuele bewustzijn die tot uiting komen in de bekende verhalen (of mythes) en dogma’s.4 De voorspelbare kant van godsdienst of levensovertuiging, in de vorm van algemeen aanvaarde en herkenbare tradities, leent zich goed voor een objectiverende kwalificatiewijze. De rechter kan deze voorspelbare kant relatief eenvoudig toetsen door de religieuze claim van een justitiabele te verifiëren bij derden, zoals deskundigen, of aan de hand van maatschappelijke opvattingen.
Een voorbeeld waarin de rechter zich bij de beantwoording van de vraag of er sprake was van godsdienstig belijden liet leiden door ‘objectieve maatstaven’ is de Santo Daime-zaak. Hierin besloot de rechtbank dat het drinken van de hallucinerende ayahuasca-thee met de op grond van de Opiumwet verboden stof dimethyltryptamine, ‘een essentieel onderdeel van de religieuze beleving van de gelovigen uitmaakt’ en daarom moet worden gekwalificeerd als een door artikel 9 EVRM beschermde godsdienstige gedraging.5 Zij baseerde haar oordeel op de opvattingen van deskundigen die stelden dat er in Zuid-Amerika inderdaad een kerkelijke gemeenschap genaamd Santo Daime bestaat en dat het gebruik van ayahuasca-thee in deze gemeenschap wordt beleefd als een heilig sacrament. Men zou overigens ook kunnen beargumenteren dat de rechter in deze zaak ruimte heeft gelaten voor de zelfdefinitie (subjectiverende kwalificatie) van het rechtssubject en deze vervolgens heeft geobjectiveerd middels de deskundigheid van een derde (objectiverende kwalificatie). Mijns inziens is een dergelijke argumentatie onjuist omdat de rechter uiteindelijk niet afgaat op de opvattingen van de justitiabele maar op die van deskundigen.6
In sommige gevallen kwalificeert de wetgever concrete uitingen en gedragingen als godsdienstig. Meestal is de wetgever echter minder concreet en bakent hij slechts de inhoud af van een (grond)wettelijke of in het EVRM opgenomen term met een religieuze lading. Incidenteel gebeurt dit ook door de rechter. Er is sprake van een objectiverende definitie indien voor deze afbakening de hulp wordt ingeroepen van deskundigen of dat er verwezen wordt naar de heersende cultuur of algemene opvattingen. Het gevolg van een objectiverende definitie is dat het juridische begrip van godsdienst wordt afgebakend tot één of bepaalde godsdienst(en) en de daaruit voortvloeiende uitingen en gedragingen.7 Het nettoresultaat van een dergelijke afbakening is hetzelfde als bij een objectiverende kwalificatie: godsdienst krijgt een verifieerbare, omlijnde betekenis waardoor bepaalde uitingen en gedragingen als godsdienstig worden beschouwd en andere niet.