Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/3.3.3.2
3.3.3.2 Onroerende zaken
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS304302:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
Als onroerende zaken tot de voorraad behoren zal het altijd om handelsvoorraad gaan. Niet goed denkbaar is een situatie waarin een onroerende zaak tot de overige voorraad behoort. Een onroerende zaak, niet behorende tot de handelsvoorraad, zal altijd tot de vaste activa behoren.
In de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving, jaareditie 2008, wordt dit behandeld onder het kopje ‘Kosten van groot onderhoud’, waarvan voorbeelden zijn revisie en renovatie (zie onderdeel 212.447, tweede alinea).
Zie onderdeel 212.445 van de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving, jaareditie 2008.
Zie HvJ EG, 17 mei 2001, gevoegde zaken C-322/99 en C-323/99, (Fischer en Brandenstein), V-N 2001/32.21.
Zie hierover onderdeel 212.418 van de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving, jaareditie 2008.
Onroerende zaken zijn per definitie investeringsgoederen ongeacht of zij wel of niet tot de voorraad behoren. Omdat investeringsgoederen geëtiketteerd kunnen worden, volgt daaruit dat bij onroerende zaken etikettering altijd aan de orde kan zijn. Mijns inziens zal bij tot de (handels)voorraad1 behorende onroerende investeringsgoederen etikettering moeilijk denkbaar zijn omdat de voorraad uit haar aard altijd uitsluitend bestemd zal zijn voor gebruik voor bedrijfsdoeleinden.
Tot de onroerende zaken behoren ook de goederen die zijn geleverd en de diensten die zijn verricht voor een verbouwing of renovatie2 na een langere gebruiks periode. De kosten hiervan dienen te worden verwerkt in de boekwaarde van het actief, via een voorziening of, als niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor verwerking in de balans of via een onderhoudsvoorziening, in de winst- en verliesrekening.3 Dit zou tot gevolg kunnen hebben dat de bedrijfseconomische en de btw-technische verwerking niet meer parallel lopen. Het zou immers mogelijk zijn dat een renovatie bedrijfseconomisch wordt geactiveerd maar voor de heffing van btw niet als investeringsgoed kwalificeert omdat de renovatie niet heeft geleid tot een nieuw vervaardigde onroerende zaak. Het omgekeerde is ook mogelijk: de renovatie wordt bedrijfseconomisch niet geactiveerd maar ten laste van een voorziening geboekt terwijl voor de heffing van btw de renovatie heeft geleid tot een nieuw vervaardigde onroerende zaak.
Goederen die bij bij een verbouwing of een renovatie van een onroerende zaak worden geleverd kunnen kwalificeren als bestanddelen in de zin van art. 16 btw-richtlijn. Met betrekking tot dergelijke bestanddelen speelt de etiketteringsproblematiek.4 De btw-technische term ‘bestanddeel’ moet niet worden verward met de bedrijfseconomische term ‘bestanddeel’, zoals die wordt gebruikt in het kader van de jaarverslaggeving. In het kader van de btw-heffing worden bestanddelen gedefinieerd als geleverde goederen die in de eerste plaats door hun integratie in een ander goed hun fysieke en economische kenmerken definitief hebben verloren, en in de tweede plaats hebben geleid tot een duurzame waardevermeerdering van het goed. In bedrijfseconomische zin zijn bestanddelen juist van elkaar te onderscheiden componenten die verschillen in gebruiksduur of verwacht gebruikspatroon. Op dergelijke bestanddelen dient afzonderlijk te worden afgeschreven (‘componentenbenadering’).5