De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV
Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/6.2:6.2 Geschiedenis
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/6.2
6.2 Geschiedenis
Documentgegevens:
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS375817:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 9.5.2
SER-advies 1989/21, p. 8.
Kamerstukken II 1991-1992, 22 400, nr. 3 (MvT), p. 10.
Kamerstukken II 1991-1992, 22 400, nr. 3 (MvT), p. 14.
Van Solinge (1992), p. 29 e.v.
Maeijer (1992), p. 118.
OK 17 maart 1994, NJ 1995/408 (Janssen Pers).
Zie hoofdstuk 9, i.h.b. § 9.5.
Zie Geerst, diss. (2004), p. 124, met verwijzingen in voetnoot 282.
Geerst, diss. (2004), p. 125.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De toepassing van het enquêterecht in concernverhoudingen komt eind jaren 80 reeds aan de orde bij de enquêtebevoegdheid van de vakbonden. De vraag rees of vakbonden bevoegd zijn een enquête te verzoeken bij concerngenoten van de rechtspersoon in wiens onderneming haar leden werkzaam zijn. In zijn advies 1989/21 beantwoordt de SER deze vraag bevestigend.1 Hoewel de SER zich in dit advies met name focust op de concernrechtelijke toepassing van de enquêtebevoegdheid van vakbonden, blijk dat hij ook belang ziet bij een dergelijke toepassing voor kapitaalverschaffers. De SER maakt voorafgaand aan zijn advies namelijk de volgende opmerking:
“De raad heeft zich er rekenschap van gegeven dat de in de voorgaande paragraaf aan de orde gestelde vraagpunten in wezen deel uitmaken van een probleem dat niet alleen de werknemers en hun organisaties aangaat maar ook andere belanghebbende, met name de aandeelhouders [onderstreping, KS] respectievelijk de leden van de rechtspersonen bedoeld in artikel 344: ook voor hen kan het van belang zijn enquêtes te vragen bij concern-genoten van ‘hun’ rechtspersoon. Meer algemeen gesteld gaat het om de vraag naar de werking van het enquêterecht in concern-verhoudingen. In dit advies heeft de raad er echter van afgezien die ruimere vraag ten principale te behandelen. De raad achtte het voldoende de vraagstelling te beperken tot de situaties waarin in de praktijk problemen merkbaar zijn geworden.”2
De staatssecretaris sluit zich in de memorie van toelichting aan bij het advies van de SER over de concernrechtelijke uitleg van de enquêtebevoegdheid van vakbonden:
“De beschouwingen die de SER aan deze situatie wijdt en de analyse die hij geeft van de problematiek komen mij overtuigend voor. Naar het mij voorkomt zou een interpretatie van de wet in deze zin, dat onder omstandigheden onder rechtspersoon mede mag worden begrepen de rechtspersoon die als moedermaatschappij het beleid en de gang van zaken in de rechtspersoon waar de leden van de een enquête verzoekende vakorganisatie werkzaam zijn, geheel of in de belangrijke mate bepaalt, volkomen beantwoorden aan de bedoeling die de wetgever met het enquêterecht voor ogen heeft gehad. Een dergelijke interpretatie komt niet in strijd met de letter van de wet en kan in ieder geval worden beschouwd overeen te stemmen met de geest waarin de opstellers hebben gewerkt.”3
De staatssecretaris concludeert vervolgens dat er op dit punt een taak is weggelegd voor de OK:
“De SER heeft in zijn advies twee specifieke concern-situaties behandeld. Het advies is op dit punt niet uitputtend. Het is zeker denkbaar dat de rechtspraak van de ondernemingskamer zich verder ontwikkelt. In welke situaties en onder welke omstandigheden zulks mogelijk zal zijn is een vraag die van geval tot geval moet worden beoordeeld in concrete zaken die aan de ondernemingskamer worden voorgelegd. (…).”4
Op grond van het SER-advies en de toelichting van de Staatssecretaris meen ik dat de wetgever een concernenquête ook voor kapitaalverschaffers mogelijk acht.
Op deze lijn zit ook Van Solinge. Hij betoogt reeds in 1992 dat de enquêtebevoegdheid in concernverhoudingen zowel voor de kapitaalverschaffers als voor de werknemers ten onrechte ongeregeld is gebleven. Kapitaalverschaffers en werknemersorganisaties dienen volgens hem tevens enquêtebevoegd te zijn bij dochter- of groepsmaatschappijen.5 Ook Maeijer bepleit in 1992 dat een concernenquête mogelijk is, zij het dat een enquêtebevoegdheid die zonder meer en tegelijkertijd geldt voor alle dochter- of groepsmaatschappijen voor hem te ver gaat. Hij meent dat een concernenquête slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk is. Bijvoorbeeld als de moedervennootschap een zeer dominante invloed heeft op haar dochter(s), die hierdoor financieel en economisch volledig van haar afhankelijk zijn, en deze desondanks laat verkommeren. Voor die gevallen moet niet de wetgever maar de rechter een oplossing bieden, aldus Maeijer.6
In 1994 gelast de OK voor het eerst een concernonderzoek. In haar Janssen Pers- beschikking wijst zij een concernenquête toe op verzoek van een vakbond.7 Die vakbond heeft slechts leden in dienst bij één van de dochters, maar de OK acht de vakbond ook enquêtebevoegd bij de subholding en drie overige dochters. De OK legt art. 2:347 BW zo uit dat een vakbond enquêtebevoegd is bij concernvennootschappen van de rechtspersoon, in wiens onderneming personen werkzaam zijn die bij haar als lid zijn aangesloten. Sindsdien honoreert de OK een concernenquêtes van vakbonden.8
De toewijzing van een concernenquête op verzoek van kapitaalverschaffers laat langer op zich wachten. Tot het jaar 2000 is het uitgangspunt dat kapitaalverschaffers slechts enquêtebevoegd zijn bij de vennootschap waarin zij aandelen of certificaten houden.9
Uit de beschikkingen die de OK vóór 2000 wijst, blijkt overigens niet waarom de zij kapitaalverschaffers anders behandelt dan de vakbonden.10 De OK gaat uiteindelijk overstag in haar Bot Bouw-beschikking. Daarin wijst zij voor het eerst een concernenquête toe op verzoek van aandeelhouders, waarover hierna meer.