Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/10.4.2
10.4.2 Wet conflictenrecht onrechtmatige daad
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS581168:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
De gevolgenuitzondering wordt, in overeenstemming met HR 19 november 1993, NI 1994, 622 (COVA), geformuleerd als een algemene uitzondering op de lex loci delicti-regel. Zie Strikwerda 2005, nr. 181. Vgl. ook art. 14 ontwerp voor een Eenvormige Benelux ipr-wet.
Kamerstukken II 1998/1999, 26 608, nr. 3, p. 7 (MvT); Strikwerda 2005, nr. 185.
Kamerstukken II 1998/1999, 26 608, nr. 3, p. 7 (MvT).
Strikwerda 2005, nr. 182 en 185.
Kamerstukken II 1998/1999, 26 608, nr. 3, p. 8 (MvT).
Kamerstukken II 1998/1999, 26 608, nr. 3, p. 8 (MvT).
Artikel 3 lid 1 Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (WCOD) bepaalt dat verbintenissen uit onrechtmatige daad worden beheerst door het recht van de Staat op welks grondgebied de daad plaatsvindt (lex loci delicti). Ingeval een daad schadelijk inwerkt op een persoon, een goed of het natuurlijk milieu elders dan in de Staat op welks grondgebied die daad plaatsvindt, wordt het recht toegepast van de Staat op welks grondgebied die inwerking geschiedt, tenzij de laedens de inwerking aldaar redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien (artikel 3 lid 2 WCOD). Indien de laedens en de gelaedeerde in dezelfde Staat hun gewone verblijfplaats of gewone plaats van vestiging hebben, is het recht van die Staat van toepassing (artikel 3 lid 3 WCOD).1
Artikel 4 lid 1 WCOD bepaalt dat in afwijking van artikel 3 WCOD verbintenissen wegens ongeoorloofde mededinging beheerst worden door het recht van de Staat op welks grondgebied de mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen beïnvloedt. Artikel 4 (lid 1) WCOD bevat dus een uitzondering op de hoofdregel van artikel 3, eerste lid, en een verbijzondering van de uitzondering vervat in artikel 3, tweede lid WCOD.2 Artikel 4 lid 1 WCOD behandelt (evenals artikel 3 lid 2 WCOD) de situatie dat de onrechtmatige daad wordt gepleegd in Staat A, maar schadelijk inwerkt in Staat B (meervoudige locus).3 De conflictregel knoopt niet aan bij de plaats waar de ongeoorloofde strategie wordt uitgezet (het Handlungsort) en knoopt ook niet aan bij de plaats waar de concurrent schade lijdt (het Erfolgsort). De conflictregel die van toepassing is bij verbintenissen wegens ongeoorloofde mededinging knoopt aan bij de plaats van de markt waar de concurrentiestrijd gevoerd wordt, maar is volgens de Memorie van Toelichting iets concreter geformuleerd. De in het eerste lid gehanteerde formulering waarin de terminologie 'recht van de markt' niet voorkomt, komt volgens de Memorie van Toelichting tegemoet aan het bezwaar dat bij een voortschrijdende internationalisering van de handel 'de markt' moeilijk valt te localiseren en steeds minder sprake is van een echte nationale markt. Het is paradoxaal dat het begrip 'markt' in de nieuwe Rome il-vo weer wordt geïntroduceerd.
De gevolgenuitzondering ex artikel 3 lid 3 WCOD en de regel van artikel 3 lid 2 WCOD betreffende het uiteenlopen van Handlungsort en Erfolgsort kunnen hier niet worden toegepast. Wel staat het partijen vrij om een rechtskeuze te maken. Daarnaast zou, indien de onrechtmatige gedraging nauw verbonden is met een andere rechtsverhouding, zoals een overeenkomst, op de onrechtmatige gedraging niet de lex loci delicti kunnen worden toegepast maar het recht dat van toepassing is op die andere rechtsverhouding (accessoire aanknoping).4Artikel 4 WCOD bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is ingeval de mededingingshandeling uitsluitend tegen een bepaalde concurrent is gericht (denk bijvoorbeeld aan het infiltreren bij een bepaalde concurrent), in dat geval dient weer te worden teruggekeerd naar de hoofdregel zoals geformuleerd in artikel 3(lex loci delicti).
De vraag is of artikel 4 lid 1 WCOD, dat handelt over verbintenissen wegens ongeoorloofde mededinging, ook van toepassing is op verbintenissen die zijn ontstaan als gevolg van een inbreuk op het (publiekrechtelijk) mededingingsrecht, zoals het kartelrecht en het verbod om misbruik te maken van een economische machtspositie. De parlementaire geschiedenis laat hierover geen twijfel bestaan. Deze vraag dient bevestigend te worden beantwoord. Het begrip 'ongeoorloofde mededinging' dient volgens de Minister van Justitie ruim te worden opgevat. In de Memorie van Toelichting wordt er zelfs van uitgegaan dat de bepaling primair ziet op schending van het (publiekrechtelijk) mededingingsrecht, in het bijzonder de Mededingingswet. De Minister van Justitie verwoordt het als volgt:
'Voorts teken ik aan dat het begrip ongeoorloofde mededinging een ruim begrip is, dat binnen de context van dit wetsvoorstel moet worden bezien. Het gaat bij dit begrip niet alleen om gedragingen die binnen de reikwijdte van een nationale mededingingswet vallen, maar in het algemeen om ongeoorloofde handelingen die de concurrentie beïnvloeden, een en ander ter beoordeling van de burgerlijke rechter.'
De conflictregel zoals neergelegd in artikel 4 WCOD biedt geen eenvormige oplossing indien de onrechtmatige mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen beïnvloedt op het grondgebied van meerdere lidstaten.5 De in artikel 4 WCOD neergelegde conflictregel lijkt toch uit te gaan van het bestaan van nationale concurrentieverhoudingen. In de Memorie van Toelichting wijst de Minister van Justitie dan ook op het feit dat 'een versnippering van het toepasselijk recht (...) veelal onontkoombaar [zal] zijn.' Een praktische oplossing kan dan volgens de Memorie van Toelichting worden gevonden in het maken van een rechtskeuze (artikel 6 WCOD) of de accessoire aanknoping (artikel 5 WCOD).
Artikel 4 lid 2 WCOD verklaart artikel 4 lid 1 WCOD niet toepasselijk ingeval de ongeoorloofde mededinging uitsluitend is gericht op een specifieke concurrent. In de Memorie van Toelichting wijst de Minister van Justitie op het feit dat hierbij voornamelijk dient te worden gedacht aan 'oneerlijke reclame jegens een bepaalde onderneming, het weglokken van personeel, infiltraties bij een bepaalde concurrent e.d.'6 In dergelijke gevallen dient te worden teruggevallen op de hoofdregel van artikel 3 WCOD.