Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/2.4.3.4.3
2.4.3.4.3 Niet-hulppersonen
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652133:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. OK 5 oktober 2015, ARO 2015/223 (Leaderland).
Zie bijv. OK 24 september 2021 (r.o. 1.10), ARO 2021/175 (Dmarcian).
Zie bijv. OK 13 februari 2012 (r.o. 2.1), ARO 2012/32 (Elpak); Hermans 2017, p. 416 e.v.
Dergelijke verzoeken hoeven overigens niet noodzakelijkerwijs door een advocaat te worden ondertekend en ingediend, zie Hermans 2017, p. 418.
Zie bijv. OK 20 april 2022, ARO 2022/74 (Stichting Omroep Limburg).
Hermans 2017, p. 442-443.
Hermans 2017, p. 441 noemt in dit kader fysieke documenten (hardcopy’s), e-mails (inclusief back-ups), laptops, mobiele telefoons, vaste schijven / usb-sticks, serverdata, back-uptapes, chatdata en voicedata (bijv. geluidsopnames van vergaderingen).
Hermans 2017, p. 262-263.
Onderzoeksverslag Xeikon, p. 13.
Onderzoeksverslag Fortis, p. 29.
OK 30 oktober 2003, JOR 2003/282, m.nt. T.M. Stevens (Landis). Zie ook Van den Blink 2010, p. 58-59.
Bedoeld is het rapport Keijser 2009. Naar het rapport wordt ook verwezen in OK 14 april 2010 (r.o. 2.10), JOR 2010/185, m.nt. S.M. Bartman (Meavita) en het Onderzoeksverslag Meavita. Uit het onderzoeksverslag blijkt niet of de onderzoekers ook hebben samengewerkt met het College Sanering Zorginstellingen.
OK 15 december 1977, TVVS 1978, p. 63, m.nt. C.A. Boukema (United Industries Nederland).
OK 7 juli 2010, ARO 2010/116 (Meepo).
OK 20 juni 2007 (r.o. 3.8), JOR 2007/203 (Cordial). Het gebruikte rapport was door het kantoor Foederer uitgevoerd en ‘meegelezen’ door PwC.
OK 18 oktober 2018 (r.o. 1.10; 2.4), ARO 2019/10 (Prien en Gravier).
Zie hierover uitgebreider mijn annotatie bij OK 21 september 2018, JOR 2019/7 (SNS).
Zo ook Hermans 2017, p. 420.
Evenzo Assink/Slagter 2013, p. 1714-1715.
Wellicht kunnen de Ondernemingskamer of de Stichting Rimari hier wel een informele rol in spelen, door de onderzoeker bepaalde deskundigen aan te bevelen.
OK 17 december 2021 (r.o. 2.1), ARO 2022/12 (Veldman).
Van hulppersonen moeten niet-hulppersonen worden onderscheiden. De onderzoeker kan ook deskundigen – onafhankelijke derden – raadplegen, wanneer hij onvoldoende deskundig is op een bepaald (deel)gebied. In dit kader kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de inschakeling van een tolk of vertaler,1 een ICT-deskundige,2 een taxateur, die de waarde van bepaalde activa kan waarderen, of een accountant, die onderzoek kan doen naar de financiële administratie van de rechtspersoon.3 Onder omstandigheden kan ook worden gedacht aan de inschakeling van een advocaat, die namens de onderzoeker de gebruikmaking van onderzoeksbevoegdheden, de verhoging van het onderzoeksbudget of aanwijzingen door de raadsheer-commissaris verzoekt.4 Een advocaat kan de onderzoeker verder bijstaan bij het kenbaar maken van zijn standpunten in het kader van een verzoek tot ontheffing van de onderzoeker uit zijn functie.5 Ik wijs verder op de mogelijkheid van de inschakeling van een deurwaarder, om betaling van de kosten van het onderzoek, waarvoor zekerheid moet worden gesteld, zie par. 2.7.3, af te dwingen.
In bijzondere gevallen kan de onderzoeker bovendien behoefte hebben aan bijzondere softwareoplossingen om (grote hoeveelheden) data te achterhalen, ordenen en analyseren. De onderzoeker kan daartoe een forensisch deskundige inschakelen, indien hij niet zelf over de nodige forensische kennis en expertise beschikt. Indien de onderzoeker (elektronisch) verzamelde gegevens door een derde laat verwerken, dient hij op grond van bepaling 5.7 van de Leidraad een overeenkomst te sluiten met die derde, waarin wordt gewaarborgd dat de gegevens voldoende zijn beveiligd. De gebruikmaking van forensische opsporingstechnieken kan tijdrovend en kostbaar zijn.6 De onderzoeker moet die aspecten ook betrekken bij zijn beslissing over het gebruik van forensische opsporingstechnieken. Door de inschakeling van een gespecialiseerd ICT-bedrijf kan de onderzoeker goed inzicht verkrijgen in een grote hoeveelheid brondocumenten en/of e-mails.7 Met behulp van forensische opsporingstechnieken kunnen verbanden in deze data worden ontward. Ook kunnen gewiste bestanden worden teruggehaald.8 In het onderzoeksverslag naar Xeikon merkte de onderzoeker over de inzet van forensische opsporingstechnieken het volgende op:
‘Wat betreft de selectie van de e-mails, deze heeft plaatsgevonden mede met behulp van een ICT bedrijf, dat alle e-mails in een digitale omgeving heeft geplaatst en voor de onderzoeker toegankelijk heeft gemaakt in allerlei combinaties, aan de hand van de datum, verzender, ontvanger, onderwerp, in de tekst voorkomende worden, ‘families’ (d.w.z. alle e-mails die gevolgd zijn op een bepaalde e-mail, ook wanneer dat alleen tussen sommige deelnemers aan de conversatie gebeurde, of wanneer een e-mail aan een derde werd doorgestuurd die niet onder de ontvangers figureerde). De correspondentie is doorzocht aan de hand van verschillende zoekcombinaties: auteur, datum, onderwerp, steekwoorden…’9
Ook in Fortis werden forensische opsporingstechnieken gebruikt. Met behulp van een ICT-bedrijf hebben de onderzoekers hier op het kantoor van Fortis aan de hand van bepaalde zoekcriteria een selectie gemaakt uit ruim een miljoen Outlook-items. Daarvoor is een speciale elektronische dataroom ingericht waarin, na een nadere selectie, uiteindelijk ruim 40.000 e-mails zijn opgeslagen.10 Maakt de onderzoeker gebruik van forensische opsporingstechnieken, dan is wel van belang dat hij het gebruik hiervan methodologisch verantwoordt. De wijze waarop de onderzoeker dat doet in het onderzoeksverslag in Xeikon volstaat daartoe naar mijn mening.
De gebruikmaking van niet-hulppersonen kan ook op een meer indirecte wijze zijn geboden. Er kan reeds eerder onderzoek zijn verricht door anderen dan de door de Ondernemingskamer aangestelde onderzoeker; samenwerking tussen de verschillende onderzoekers kan dan nuttig zijn. Hiervan zijn verschillende voorbeelden uit de jurisprudentie bekend. Zo hadden in Landis de curatoren reeds een onderzoek laten verrichten. De Ondernemingskamer overwoog ‘dat voorstelbaar is dat de door haar te benoemen onderzoeker op bepaalde vlakken samenwerking zoekt met de door de curatoren aangezochte onderzoekers, zulks onder meer om redenen van (kosten)efficiency. In ieder geval staat zulks hem vrij.’11 In Meavita konden de onderzoekers deels leunen op een door het College Sanering Zorginstellingen verrichte onderzoek.12 In United Industries Nederland was een onderzoeksrapport met reorganisatievoorstellen beschikbaar.13 In Meepo werd een aanvullend onderzoek gelast, waarbij de onderzoekers zich konden baseren op verslagen van eerdere in opdracht van de Ondernemingskamer verrichte onderzoeken en een door PwC opgesteld accountantsrapport.14 Ook in Cordial kon de onderzoeker gebruikmaken van een eerder accountantsrapport. De Ondernemingskamer benadrukte in laatstgenoemde beschikking dat het de onderzoeker vrijstaat het door hem te verrichten onderzoek in te richten naar zijn eigen inzicht, ‘hetgeen inhoudt dat hij zich bij zijn onderzoek (mede) kan baseren op onderzoek dat reeds is verricht door anderen en dat naar zijn oordeel op verantwoorde wijze kan worden gebezigd voor de doeleinden van het hem opgedragen onderzoek’.15 In Prien en Gravier was een onderzoek beschikbaar van een registeraccountant, verricht in opdracht van de OK-bestuurder, dat de schuldverhoudingen tussen de vennootschappen en hun dochtervennootschappen, de beide ultimate beneficial owners en aan hen gelieerde personen weergaf. De Ondernemingskamer overwoog dat de onderzoeker naar eigen inzicht gebruik kan maken van deze bevindingen, en ‘Dat kan de kosten van het onderzoek beperken hetgeen in het belang is van de vennootschappen gelet op hun precaire financiële situatie.’16
Als een bestaand onderzoeksrapport een onderzoek naar (een deel van) het beleid en de gang van zaken bij de rechtspersoon bevat, moet de onderzoeker mijns inziens overigens de nodige voorzichtigheid betrachten. Als in het onderzoek in de enquêteprocedure te sterk wordt geleund op het bestaande onderzoeksrapport of intensieve samenwerking met de opsteller daarvan plaatsvindt, dreigt het gevaar voor een onderzoek dat in onvoldoende onpartijdigheid tot stand komt.17
Evenals tussen de onderzoeker en de hulppersoon, komt tussen de onderzoeker en de niet-hulppersoon een overeenkomst van opdracht tot stand.18 De kosten van de inschakeling van niet-hulppersonen moet de onderzoeker mijns inziens voldoen ten laste van het onderzoeksbudget.19 Daarbij is het van belang dat de onderzoeker vooraf duidelijke afspraken maakt over de te vergoeden kosten. Het is lastig algemeen te beschrijven welke kosten al dan niet voor vergoeding door de onderzoeker in aanmerking komen, nu de hoogte van de kosten afhankelijk is van de ingeroepen kennis en expertise. Een standaard uurtarief voor niet-hulppersonen acht ik dan ook niet passend. De deskundige bepaalt zijn eigen tarief.20 In Veldman maakte de onderzoeker in zijn begroting ook gewag van een ‘(blended) uurtarief van € 250 voor de in te huren derde(n)’.21 Zowel het honorarium als de onkosten van niet-hulppersonen komen voor vergoeding in aanmerking. Voor zover interviews met niet-hulppersonen plaatsvinden, kan hier eventueel ook een aparte vergoeding tegenover staan, waarover par. 2.4.3.5. Twijfelt de onderzoeker over de hoogte van de vergoeding voor de niet-hulppersoon, dan is overleg met de Ondernemingskamer aangewezen.