Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/2.4.1.3
2.4.1.3 Voldoende belang
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955463:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 3, p. 915-916.
Wiggers-Rust 2011, p. 106; Frenk 1994, p. 35-36; Van Nispen 1978, nr. 101; Van Baars 1971, p. 160-167.
Van Baars 1971, p. 160; Bleeker, NTBR 2018/20, afl. 5, p. 140. Zie ook Deurvorst, GS Onrechtmatige daad, II.2.1.2.8; Douwes, NTBR 2000, afl. 6, p. 223-230.
Van Baars 1971, p. 160-161; Wiggers-Rust 2011, p. 101.
Van der Helm 2023, nr. 374.
HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, NJ 2019/238, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Dexia), rov. 4.1.2. Zie ook: Parl. Gesch. Boek 3, p. 916.
Van der Helm 2023, nr. 378; Van Baars 1971, p. 160.
Rb. Den Haag 21 juli 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:7805 (Holland Gaas/Ventiguard), rov. 4.19-4.20. Zie ook Verkade 2002, p. 25.
Rb. Den Haag 25 maart 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:2734 (Grenzenlos Direkt Handels-GmbH/365 Nordic Outdoor B.V.), rov. 4.10-4.11.
Verkade 2002, p. 23-24.
Grosheide 2018, nr. 18. Zie voor toepassingen in het auteursrecht Spoor, Verkade & Visser 2019, p. 183-190 en de aldaar aan gehaalde voorbeelden. Zie voor het octrooirecht Maas & Santman, BIE 2007, afl. 4, p. 224-229.
Zie o.m. Hof Amsterdam 6 februari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:395, AMI 2018/14, m.nt. J.J.C. Kabel (Anne Frank Stichting/Anne Frank Fonds), rov. 3.9.2 (“Als uitgangspunt heeft te gelden dat indien sprake is van auteursrechtinbreuk een partij in beginsel geacht wordt voldoende belang te hebben bij een gevorderd verbod)”.
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 915. Ambtshalve toetsing blijft beperkt tot processuele belangen: HR 30 maart 1951, ECLI:NL:HR:1951:343, NJ 1952/29, m.nt. Ph.A.N. Houwing (Dominee); HR 24 november 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6416, m.nt. W.H. Heemskerk, NJ 1980/88 (Sunclass/Dernison).
HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3693, NJ 2002/217, m.nt. T. Koopmans (VJV c.s./Staat), rov. 3.3 sub D en 3.4.3.
Concl. A-G Wesseling van Gent, ECLI:NL:PHR:2012:BU5630, bij HR 29 juni 2012, NJ 2012/424 (Yukos), pt. 1.20; H.E. Ras, annotatie bij HR 17 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1058(Severin/Detam), NJ 1994/118, pt. 6.
Zie ook Vrendenbarg 2018, nr. 38-40.
Processueel en materieel belang.Art. 3:303 BW bepaalt dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt. De bepaling vereist dus dat het ingeroepen belang van voldoende gewicht is om een rechtsvordering te rechtvaardigen.1 In het kader van het belangvereiste kan men onderscheid maken tussen de vraag of toewijzing van het verbod eraan kan bijdragen dat de gedaagde zich aan zijn rechtsplicht houdt (processueel belang) en de vraag of het belang bij het verkrijgen van het verbod van voldoende gewicht is (materieel belang).2 Het vereiste van processueel belang vormt een uitvloeisel van het adagium point d’intérêt, point d’action (‘geen belang, geen actie’) en richt zich op aspecten van doelmatigheid en goede procesorde. Deze variant van het belangvereiste stelt centraal of het voor de juridische en feitelijke positie van de eiser verschil maakt of zijn vordering geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen.3 Het vereiste van materieel belang heeft betrekking op het gewicht van het belang dat de eiser heeft bij het recht dat aan de verbodsvordering ten grondslag ligt. De gedachte achter dit vereiste is dat de rechter zich niet hoeft uit te spreken over bagatellen (de minimis non curat praetor).4
De processuele en materiële interpretatie van het belangvereiste lijken in de rechtspraak in elkaar over te lopen.5 Toepassing van art. 3:303 BW vereist dus zowel een afweging van de belangen van de betrokken partijen als een (eventuele ambtshalve) toetsing aan de eisen van een behoorlijke procesvoering en het belang van de rechtspleging.6 Toetsing aan het belangvereiste vergt een vergelijking tussen de situatie met en de situatie zonder toewijzing van de vordering. Bestaat er tussen deze gevallen geen relevant verschil, dan moet worden aangenomen dat de eiser onvoldoende belang heeft bij een verbod.7 Voldoende belang kan onder meer ontbreken als sprake is van een eenmalige inbreuk en er geen gevaar voor herhaling is.8 Daarnaast kan worden gedacht aan het geval waarin de gedaagde voorafgaand aan het instellen van de verbodsvordering een onthoudingsverklaring heeft getekend.9 Voorstelbaar is dat ook een minimale inbreuk onvoldoende gewicht in de schaal legt om een verbod te rechtvaardigen.10 Zulke de minimis-verweren worden regelmatig gevoerd in procedures die draaien om inbreuk op een intellectueel-eigendomsrecht.11
Het feit dat zich een (dreigende) inbreuk op een intellectueel-eigendomsrecht voordoet, levert in beginsel voldoende belang op voor de eiser.12 Het vereiste komt dan ook vooral aan de orde als de gedaagde een daartoe strekkend verweer voert of als de rechter het ambtshalve toepast.13 Heeft de gedaagde geen beroep gedaan op het belangvereiste, dan kan de rechter het verbod alsnog afwijzen als hij van oordeel is dat een reële dreiging van inbreuk ontbreekt.14 In alle gevallen dient de rechter terughoudendheid te betrachten bij het afsnijden van een verbodsvordering op grond van onvoldoende belang.15 Een dergelijk oordeel betekent immers een beperking van het recht op toegang tot de rechter, dat onder meer wordt beschermd door art. 6 EVRM en art. 47 Handvest.16