Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/2.4.3
2.4.3 Inhoud van het verbod
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS956959:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van Nispen 1978, nr. 232 e.v.; Nuninga, NTBR 2018/21, afl. 5, p. 152-162. Zie ook Smith 2020, p. 97.
Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 4 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:5659 (Purple Q/Xiltrix), rov. 5.14 (algeheel verbod op noemen van het merk afgewezen omdat refererend merkgebruik onder bepaalde voorwaarden is toegestaan); HR 9 februari 1979, ECLI:NL:HR:1978:AH8582, BIE 1980/35, NJ 1979/582, m.nt. F.H.J. Mijnssen (Diko Best BV) (vernietiging verbod voor zover betreft de zinsnede ‘noch een van de letters waaruit die woorden bestaan’ uit het dictum).
HR 29 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1116, NJ 1994/107 (Van Loon/Blaauwbroek; Kraaiende Hanen), rov. 3.6.
Vgl. HR 14 april 1916, ECLI:NL:HR:1916:44, NJ 1916, p. 563 (Van den Biggelaar/Tiebackx).
Deurvorst, GS Onrechtmatige daad, aant. II.2.1.3.4. Zie ook Van Nispen 1978, nr. 243.
HR 4 maart 1938,ECLI:NL:HR:1938:262, NJ 1938/948, m.nt. P. Scholten (AVRO/Buma).
HR 20 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1367, NJ 1994/652, m.nt. H.E. Ras (Van Weezenbeek/FD), rov. 4.4.
HR 3 januari 1964, ECLI:NL:HR:1964:13, NJ 1964/445, m.nt. G.J. Scholten (Lexington). Zie ook Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022, nr. 110.
HR 4 maart 1938, ECLI:NL:HR:1938:262, NJ 1938/948, m.nt. P. Scholten (AVRO/Buma); HR 22 maart 1957, ECLI:NL:HR:1957:33, NJ 1958/478 (Van ‘t Hooft/Coca-Cola); HR 1 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1899, NJ 1996/510, m.nt. D.W.F. Verkade (Intres/Walt Disney); HR 15 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1919, NJ 1996/509, m.nt. D.W.F. Verkade (Procter & Gamble/Kimberly-Clark).
Zie ook HvJ EU 17 november 2022, ECLI:EU:C:2022:895 (Harman/AB), rov. 59-72.
Zie hierover nader par. 6.3.3.4.
HR 9 februari 1979, ECLI:NL:HR:1978:AH8582, BIE 1980/35, NJ 1979/582, m.nt. F.H.J. Mijnssen (Diko Best BV).
Overeenstemmingsregel. Uit de bewoordingen van art. 3:296 BW vloeit voort dat de veroordeling moet overeenstemmen met de materiële rechtsplicht.1 Dit betekent eenvoudig gezegd dat de inhoud van het verbod beperkt moet blijven tot inbreukmakende handelingen.2 Anders dan bij de toewijzingsbeslissing heeft de rechter wel enige vrijheid om ervoor te zorgen dat het verbod voldoet aan de overeenstemmingseis. Als de rechter van oordeel is dat een verbod niet kan worden toegewezen omdat het te verstrekkend is, kan hij namelijk een minder vergaande vordering toewijzen als hij aannemelijk acht dat deze redelijkerwijs besloten ligt in het petitum.3 De rechter kan aldus afwijken van het gevorderde voor zover met de veroordeling op een minder verstrekkende wijze hetzelfde resultaat kan worden bereikt.4
Algemeen verbod. In intellectuele-eigendomszaken is een verbod doorgaans in algemene termen geformuleerd. Het dictum luidt dan dat de gedaagde wordt veroordeeld tot ‘het staken en gestaakt houden van octrooi-, auteursrecht- of merkinbreuk’.5 Dit is toegestaan, zolang uit de gekozen formulering voldoende duidelijk blijkt welke handelingen eronder vallen.6 Overtreedt de gedaagde het verbod, kan de eiser na betekening van de uitspraak een dwangsom verbeuren (art. 611a lid 3 Rv). De vraag of dwangsommen verbeurd kunnen worden, dient te worden beoordeeld door de handelingen die ter uitvoering van het verbod of bevel zijn verricht te toetsen aan de inhoud van de veroordeling.7 Daarbij is doorslaggevend of de veroordeelde handelingen heeft begaan ‘‘waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat zij, mede gelet op de gronden waarop het verbod werd gegeven, inbreuken als door de rechter verboden opleveren’’.8
De wenselijkheid van een verbod in algemene termen staat ter beoordeling van de feitenrechter.9 Een belangrijke reden om een dergelijk verbod toe te wijzen, is dat zulks kan bijdragen aan een effectieve rechtsbescherming. Het valt immers niet altijd te voorzien op welke wijze de inbreuk zich in de toekomst zal verwezenlijken.10 Een nadeel van een algemeen verbod is dat de gedaagde wordt geconfronteerd met het executierisico en eventuele verbeurde dwangsommen. Dit kan een argument opleveren voor de rechter om het verbod specifieker te formuleren.11 Zulke aanpassingen zijn in ieder geval nodig als toewijzing van het gevorderde in strijd zou komen met (de uitgangspunten van) de wet. De Hoge Raad oordeelde in Diko Best bijvoorbeeld dat een verbod om in een handelsnaam een of meerdere letters van het alfabet te gebruiken strijdig is met het wettelijke uitgangspunt dat aan de betrokkene een zo groot mogelijke mate van vrijheid moet worden gelaten met betrekking tot het voeren van die handelsnaam.12