Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/II.4.1.2
II.4.1.2 Voorvragen
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover par. 2.3 van Deel I.
Vgl. Scheltema die aangeeft dat de voorprocedures zich wat betreft de geldende waarborgen tussen de primaire besluitvorming en rechtspraak in bevinden, Scheltema 1994, p. 380-381. Zo ook de wetgever, PG Awb I, p. 107. Zoals eerder aangegeven in hfst. 1 van Deel I, blijkt die bedoeling ook uit de omstandigheid dat hoofdstuk 3 van de Awb — dat ziet op de algemene bepalingen ten aanzien van besluiten — ook van toepassing is in bezwaar, voor zover deze bepalingen niet zijn uitgezonderd in artikel 7:14 Awb, én dat hoofdstuk 6 en 7 Awb nog aanvullende andere voorschriften voor die procedure (en de procedure bij de rechter) bevat die niet gelden voor de primaire besluitvormingsfase. Hoofdstuk 8 bevat vervolgens weer voorschriften uitsluitend voor de rechterlijke procedure.
De verwantschap met (bestuurs)rechtspraak vormt, zoals aangegeven, een van de redenen waarom in dit onderzoek de betekenis van de beginselen van behoorlijke rechtspleging voor de bezwaarschriftprocedure en het administratief beroep wordt onderzocht. Alvorens de inrichting van die procedures en de voor die procedures geldende eisen in kaart worden gebracht, wordt in paragrafen 4.2 en 4.3 aandacht besteed aan de functies van die procedures en de aard en omvang van de heroverweging in die procedures. Doel daarvan is de omvang van de verschillen en overeenkomsten tussen de voorprocedures en de procedure bij de bestuursrechter vast te stellen. De verschillen en overeenkomsten bestaan op het vlak van de werkzaamheid van beide organen en de functies van de bij hen gevoerde procedures. In de doctrine en rechtspraak vormen de traditionele verschillen tussen bestuur en rechtspraak vaak een reden om toepasselijkheid van andersoortige eisen aan te nemen.1 Aangenomen wordt dat die traditionele verschillen bestaan en in het verlengde daarvan worden die verschillen vervolgens aangegrepen om andere vereisten te laten gelden voor bestuur en rechtspraak. Op die benadering als zodanig valt wel wat af te dingen, nu de bestuurlijke voorprocedures zich tussen de primaire besluitvormingsfase en de procedure bij de bestuursrechter bevinden.2 Die benadering gaat uit van de verschillen, terwijl het even gerechtvaardigd lijkt om uit te gaan van de overeenkomsten. Als echter, afgezien daarvan, blijkt dat de traditionele verschillen niet zo omvangrijk zijn als wordt aangenomen, is er ook in die benadering minder reden om toepasselijkheid van de beginselen van behoorlijke rechtspleging uit te sluiten. Bovendien zou uit het onderzoek kunnen blijken dat ten onrechte een verband gelegd wordt tussen die traditionele kenmerken van bestuur en rechtspraak en de respectieve toepasselijke behoorlijkheidseisen. Voordat de inrichting van de bezwaarschriftprocedure en het administratief beroep aan de orde komen, worden derhalve eerst enkele voorvragen inzake de verschillen en overeenkomsten tussen de bestuurlijke voorprocedures en bestuursrechtspraak beantwoord.