Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/7.2.2.0
7.2.2.0 Introductie
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS297341:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 21 november 2002, NJ 2003, 703, m.nt. M.R. Mok (Cofidis), sub. 2 van de noot.
Overigens voltrekt de discussie met betrekking tot de rechtsstrijd zich in een beperkt aantal EU-lidstaten, zoals Nederland en Hongarije. In Frankrijk is na het Rampion-arrest al besloten tot invoering van artikel L 141-4 Code de la consommation, waarin de rechter wordt verplicht om al het consumentenbeschermende recht ambtshalve toe te passen ten gunste van de consument. Hoewel vooral het equality of arms-beginsel werd aangevoerd ter rechtvaardiging van deze bevoegdheid, valt niet te ontkennen dat de jurisprudentie van het HvJ EU en de wijze waarop daarmee werd omgesprongen door de Cour de cassation beslissend zijn geweest voor de Franse wetgever. Vgl. de bijdrage van Poissonnier (2008) voor de achtergronden van de regeling.
HvJ EU 4 juni 2009, C-243/08, Jur. 2009, p. 1-471.3 (Pannon), pt. 19, sub. 2.
De vraag of de buitengrens van artikel 149 Rv behouden kan blijven, komt in hoofdstuk 9 aan de orde.
HvJ EU 4 juni 2009, C-243/08, Jur. 2009, p. 1-471.3 (Pannon), pt. 32. In vergelijkbare zin: HvJ EU 16 november 2010, C-76/10, Jur. 2010, p. 1-11557 (Pohotovost).
238
Artikel 24 Rv wordt niet geraakt door het EU-recht. Dat is echter anders bij een indirecte botsing van artikel 24 Rv met een omzettingsbepaling van een consumentenbeschermende EU-richtlijn. Met betrekking tot de ambtshalve toepassing van dit soort omzettingswetgeving heeft de jurisprudentie sinds het Océano-arrest een vlucht genomen. Het begon immers allemaal met een bevoegdheid tot het ambtshalve toetsen van een potentieel oneerlijk forumkeuzebeding. Die bevoegdheid werd uitgebreid naar alle potentieel oneerlijke bedingen, het werd een toetsingsverplichting en toen kreeg de nationale rechter ook de mogelijkheid om ambtshalve omzettingswetgeving voortvloeiend uit de Richtlijn consumentenkrediet en de Richtlijn buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten toe te passen. Na het Cofidis-arrest stelde Mok al de vraag naar de rechtsstrijd: “Wel duidelijk is dat de Europese richtlijnen tot consumentenbescherming gedurig centrale bepalingen van privaatrecht opzij zetten: contractsvrijheid, contractstrouw en mogelijk nu ook de regel dat de civiele rechter in beginsel niet buiten de rechtsstrijd van partijen mag treden.”1
Dat de vraag naar de binding aan de rechtsstrijd voor consumentenzaken wat lastiger te beantwoorden is, hangt samen met de grondslag van de plicht tot ambtshalve toepassing van omzettingswetgeving voortvloeiend uit een consumentenbeschermende EU-richtlijn: de effectieve bescherming van de onwetende en/of passieve consument. De effectieve rechtsbescherming van de consument vereist volgens het HvJ EU immers dat de rechter ambtshalve optreedt om de aan de EU-richtlijn te ontlenen rechten van de consument te verzekeren. Zonder dat ambtshalve optreden heeft de consument geen reële mogelijkheid om in de procedure voor de overheidsrechter zijn aan de EU-richtlijn te ontlenen rechten te verwezenlijken. Maar als de rechter alleen tot een dergelijke toetsing of toepassing mag overgaan binnen de grenzen van de rechtsstrijd, dan wordt het de facto alsnog zeer moeilijk voor de consument om zijn rechten te verwezenlijken.
239
Tot het Pannon-arrest was niet duidelijk of de rechter wel of niet gebonden is aan de rechtsstrijd, in de zin van artikel 24 Rv.2 Het betrof een (oneerlijk) forumkeuzebeding, dat met zich bracht dat de consument 275 kilometer diende te reizen om voor de behandelende rechter te verschijnen. Volgens Hongaars civiel procesrecht kon de rechter het oneerlijke beding niet ambtshalve toetsen, nu de consument wel was verschenen maar geen beroep deed op de oneerlijkheid van het beding. De zaak werd aangehouden en er werden vragen aan het HvJ EU voorgelegd, waaronder deze:
“Verlangt de door richtlijn 93/13 gewaarborgde consumentenbescherming dat de nationale rechter – ongeacht de aard van de procedure, al dan niet op tegenspraak –, ook wanneer geen daartoe strekkend verzoek is ingediend, dat wil zeggen zonder dat het oneerlijk karakter van het beding wordt betwist, ambtshalve toetst of de hem overlegde overeenkomst oneerlijke bedingen bevat, en aldus in het kader van de toetsing van zijn eigen bevoegdheid ratione loci de door de verkoper opgestelde bedingen ambtshalve onderzoekt?”3
De Hongaarse rechter stelt hier – in Nederlandse terminologie – de vraag naar de omvang van de rechtsstrijd. Immers, artikel 24 Rv bakent de rechtsstrijd af als hetgeen de partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag hebben gelegd. Kan de rechter pas toetsen als partijen de daarvoor noodzakelijke gegevens aan hun vordering(en) en verweren ten grondslag hebben gelegd ex artikel 24 Rv, of gaat de verplichting verder en moet de rechter reeds toetsen als hij de daarvoor noodzakelijke feiten in het dossier aantreft (artikel 149 Rv)?4 Het HvJ EU antwoordt als volgt:
“De geadieerde rechter moet dus het nuttig effect verzekeren van de door de richtlijnbepalingen gewenste bescherming. Derhalve houdt de rol die het EU-recht aldus de nationale rechter op het betrokken gebied toebedeelt, niet alleen louter de bevoegdheid in om uitspraak te doen over de vraag of een contractueel beding mogelijk oneerlijk is, maar ook de verplichting om die kwestie ambtshalve te onderzoeken zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt, en dus ook wanneer hij toetst of hij ratione loci bevoegd is.”5
De toetsingsverplichting wordt dus gekoppeld aan het beschikken over de voor de toetsing noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens. Om te bepalen of uit het Pannon-arrest volgt dat de Nederlandse civiele rechter buiten de grenzen van de rechtsstrijd moet treden teneinde toepassing te geven aan consumentenbeschermende bepalingen, dient bekeken te worden wanneer deze rechter over de noodzakelijke gegevens beschikt.