Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.0.II.B
I.II.B Praktisch belang
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624132:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de rechtspraak op dit terrein B. Schols 2012, p. 73-78. Samen met art. 4:155 lid 4 BW (vermoeden bewind ingesteld in gemeenschappelijk belang) vormt art. 4:171 BW de basis voor het afwikkelingsbewind. Het afwikkelingsbewind ontleent zijn kracht weer aan de tot een verbintenis-rechtelijke aanspraak afgezwakte legitieme portie. Kamerstukken II 1981/82, 17141, 3, p. 62 (MvT); Parl. Gesch. Inv. p. 2050. Zie ook B. Schols 2004a, p. 225-226 en B. Schols 2007a, p. 408.
Vgl. de Duitse en Oostenrijkse ‘Vorsorgevollmacht’ en het Franse ‘mandat de protection future’. Zie over het levenstestament Engelbertink 2013. Zie ook het Themanummer levenstestament in FTV oktober 2010, nr. 39-46. In het levenstestament kunnen onder meer wensen en volmachten worden vastgelegd met betrekking tot de woning, de onderneming, het al dan niet mogen verrichten van medische (be)handelingen, de opvang en opvoeding van kinderen, het beheer van vermogen of van persoonlijke internetsites zoals facebook en hyves, het benoemen van een curator, bewindvoerder of mentor, de verzorging van huisdieren en het verrichten van schenkingen.
Het levenstestament werkt tijdens leven en verschilt hierin van het testament als bedoeld in art. 4:42 BW, dat pas werkt na overlijden. Het levenstestament is ontwikkeld op verzoek van de juridische en maatschappelijke praktijk, te weten kantonrechters en ouderenorganisaties. Vooral met de aankomende vergrijzing en de verwachte toename van het aantal dementerenden (in het World Alzheimer Report 2013, te raadplegen via http://www.alz.co.uk/research/WorldAlzheimerReport2013.pdf schat Alzheimer’s Disease International dat er wereldwijd meer dan 35 miljoen dementiepatiënten zijn. Verwacht wordt dat dit er in 2050 meer dan 115 miljoen zijn) groeit de behoefte om bepaalde zaken tijdens leven duidelijk vast te leggen voor een periode waarin men zelf niet meer bekwaam is zijn wil te uiten, zodat men in die periode niet overgeleverd is aan het handelen van zelfingenomen kinderen of onwetende kantonrechters.
Kamerstukken II 2009/10, 31930, 40, p. 28. Verwondering hierover bij de heren Omzigt en Remkes op pagina 30 en 32.
Kamerstukken II 2009/10, 31930, 40, p. 33. Hierbij kan echter de kanttekening worden geplaatst of en in hoeverre dergelijke uiterste wilsbeschikkingen thans in de praktijk wel echt voorkomen.
Deze fiscaalrechtelijke beteugeling kan gerealiseerd worden door uiterste wilsbeschikkingen met extreme keuzemogelijkheden op een bepaalde wijze te belasten. Zie in dit verband de afsluitende opmerking van B. Schols 2010, p. 28: ‘Als de Staatssecretaris zich maar niet verkeken heeft op de civielrechtelijke kracht van de executeur of anders gezegd: is de betreffende wetswijziging er wel gekomen?’.
Zie ook Kamerstukken II 2009/10, 31930, nr. 38, p. 9, Kamerstukken I 2009/10, 31930, D, p. 22 en Kamerstukken I 2009/10, 31930, F, p. 4, waarin de staatssecretaris ingaat op de vraag of er bij testamenten met zeer vergaande keuzemogelijkheden nog sprake is van een uiterste wilsbeschikking. Hij geeft hierbij aan dat het een vraagstuk van civielrechtelijke aard betreft, waarbij het hem niet past om daarover uitspraken te doen.
Zie in dit kader ook de brief van de Belastingdienst van 6 juni 2013 in Vakstudie Nieuws (V-N 2013/40.14) met betrekking tot de quasi-wettelijke verdeling en art. 1 lid 3 SW en de correctie hierop in de brief van de Belastingdienst kantoor Rotterdam 21 november 2013 te kennen uit Notamail 2013/313.
1) Hoe het per 1 januari 2003 ingevoerde erfrecht de ‘delegatiemogelijkheden’ aanwakkert
Vóór 1 januari 2003 had flexibel testeren veelal niet het beoogde effect. Onder de vigeur van het oude erfrecht kon de uitvoering van erflaters uiterste wil namelijk worden doorkruist door de aanspraken van legitimarissen. Sinds de invoering van Boek 4 BW op 1 januari 2003 is dit veranderd. Vanaf dat moment hoeft de erflater een beroep op de legitieme portie amper te vrezen. De werking van de legitieme is namelijk getemperd. In plaats van het verwerven van het erfgenaamschap verkrijgen de legitimarissen met een beroep op de legitieme nu nog slechts een geldaanspraak op de erfgenamen. Op grond van art. 4:81, 4:82 en 4:83 BW is deze geldaanspraak bovendien vaak geruime tijd niet-opeisbaar. Erflaters vrijheid om over zijn vermogen te beschikken voor de periode na zijn overlijden is hierdoor aanzienlijk verruimd. Een beroep op de legitieme portie zal zijn testeervrijheid immers niet meer in goederenrechtelijke zin beperken. De gewijzigde aard van de legitieme portie opent zodoende een deur om flexibeler te kunnen testeren dan vóór 1 januari 2003 mogelijk was, waardoor ook het vraagstuk naar de mogelijkheden van wilsdelegatie – dat een vergaande flexibiliteit inhoudt – actueler is geworden. Deze deur wordt echter weer enigszins dichtgehouden door de andere wettelijke rechten, die dwingendrechtelijk van aard zijn en waaraan ik nader aandacht besteed in paragraaf 1.3.3.3.
Voorts kennen we per 1 januari 2003 art. 4:171 BW, dat het delegatievraagstuk eveneens actueel heeft gemaakt. Dit artikel bepaalt dat bij de uiterste wil de bevoegdheden en verplichtingen van de bewindvoerder nader kunnen worden geregeld. Zij kunnen daarbij ruimer of beperkter worden vastgesteld dan uit afdeling 4.5.7 BW (testamentair bewind) voortvloeit. Hiermee is de weg geplaveid om aan de testamentaire bewindvoerder ruime bevoegdheden toe te kennen, waaronder zelfstandige verdelingsbevoegdheden.1
2) Het levenstestament, de gevolmachtigde en zijn bevoegdheden in de wilsonbekwame periode
In de praktijk wordt het zogenoemde ‘levenstestament’ aangeboden.2 Dit is een akte waarin een persoon voor het onverhoopte geval dat hij tijdens leven zelf niet meer kan of wil handelen, zijn wensen kenbaar maakt en volmachten/ opdrachten verleent waarmee de gevolmachtigde/ opdrachtnemer zijn belangen in deze periode kan behartigen.3 Er wordt met andere woorden een vertrouwenspersoon met een zekere beslissingsbevoegdheid en daarbij behorende beoordelingsvrijheid ingeschakeld voor een periode waarin men zelf niet meer kan handelen.
Met het oog op het veranderlijke leven en de daarin besloten liggende onvoorziene omstandigheden (‘Word ik ooit dement? Krijg ik een ernstig ongeluk?’ of ‘Wanneer overlijd ik en wat voor vermogen heb ik op dat moment?), kan men zich afvragen waarom er geen bezwaren bestaan tegen het inroepen van de hulp van een met beoordelings- en beslissingsbevoegdheden beklede vertrouwenspersoon bij het vormgeven van vermogensrechtelijke en persoonlijke aangelegenheden van het leven, maar deze in overwegende mate wel zouden bestaan bij het vormgeven van vermogens-rechtelijke en persoonlijke aangelegenheden ter zake des doods.
3) De medaille omgekeerd: ook fiscaalrechtelijke belangstelling
Met de komst en ontwikkeling van flexibele uiterste wilsbeschikkingen staat het onderwerp ‘delegatie in het erfrecht’ ook op de fiscale agenda. Niet zelden beoogt de erflater namelijk met een flexibele uiterste wil belasting te besparen. Door keuzevrijheid aan bijvoorbeeld de erfgenamen te laten, kunnen deze na overlijden op de meest optimale wijze (civiel en fiscaal) de nalatenschap afwikkelen. Hetgeen in de fiscale wereld niet onopgemerkt blijft. Zo werd tijdens een wetgevingsoverleg over de gewijzigde SW 1956 onder andere het volgende opgemerkt:
‘Ik [staatssecretaris De Jager] noem ook de aanpak van ongewenste methoden om belasting te ontwijken via onder andere de APV’s en keuzetestamenten. Bij deze laatste is geen sprake van de laatste wil; daarin wordt gezegd: kies maar, erfgenamen. Het is zelfs zo dat wordt gezegd: executeur testamentair, kies maar wie mijn erfgenamen zijn en verdeel maar op de fiscaal meest gunstige manier. […]4
De Belastingdienst heeft zich ook wel eens de vraag gesteld of er civielrechtelijk nog sprake was van een laatstewilbeschikking […] Het testament bevatte een extreme mate van keuzevrijheid. Dit had duidelijk mede tot doel om de meest optimale fiscale benadering te kiezen bij de toepassing van het testament […] Of er in civielrechtelijke termen dan nog sprake is van een laatstewilbeschikking mag inderdaad betwijfeld worden. Toch is die conclusie waarschijnlijk onvoldoende voor de Belastingdienst om dit te bestrijden. Dus is er een wetswijziging nodig om dit soort dingen beter te kunnen bestrijden en duidelijk te stellen dat dit niet zo maar kan.’5
De vraag naar de grenzen van delegatie in het erfrecht houdt dus niet enkel de gemoederen van de erflater bezig. Ook de fiscus verlangt opheldering nu de huidige wet op dit terrein aan duidelijkheid tekortschiet. De medaille wordt omgekeerd. Gebukt onder de oprukkende dreiging van verlies aan potentiële inkomsten stuurt de staatssecretaris, in het hierboven aangehaalde citaat, op een opponerende wetswijziging aan. De fiscus trekt liever niet aan het kortste eind en verwelkomt een fiscaalrechtelijke beteugeling van keuzetestamenten dan ook met open armen.6 Of is het de civiele wetgever die hier aan zet is en dient hij, door bijvoorbeeld een (algeheel?) delegatieverbod, paal en perk te stellen aan uiterste wilsbeschikkingen met extreme keuzemogelijkheden?7 Hoe het ook zij, het delegatievraagstuk staat, ook vanuit fiscaalrechtelijk oogpunt, in de schijnwerpers.8